CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Geleerde lessen Quickscan studies Gelderland met bijlagen.pdf

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen Transitievisie Warmte40.526 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

De investeringen in een warmtenet, investeringen op woningniveau, operationele kosten en de ontwikkelkosten verschillen niet veel voor beide scenario’s van eenzelfde gebied. De broninvestering verschilt wel veel, omdat hier in sommige scenario’s sprake is van een extra investering in de WKO. Dit levert ook extra besparing op, desondanks is deze optie duurder dan het gebruik van aardgas. Daarom kan er in eerste instantie ook worden gekozen voor een systeem zonder WKO’s; mogelijk worden er op termijn warmteopslag methodes ontwikkeld zodat de inzet van gasketels verminderd kan worden. Alle scenario’s hebben een negatieve netto contante waarde en zijn dus niet rendabel. De scenario’s zonder WKO hebben een kleiner tekort. Kostprijs voor de eindgebruiker De variabele kosten voor de eindgebruiker bestaan uit kosten voor het warmtegebruik, het vastrecht, meettarief en de huur van een afleverset. Figuur 11 geeft de jaarlijkse gebruikerskosten (exclusief 21% btw) weer. Aangezien de gemiddelde warmtevraag in de buurt Oosterhof hoger is dan voor de gehele kern, zijn de gemiddelde gebruikerskosten in scenario 1 en 3 ook hoger.

In deze studie hebben we de aanname gedaan dat het lukt om van SDE++-subsidie te verkrijgen (9 cent per kWh, voor een looptijd van 15 jaar) op de TEO-installatie. Als aanvulling zijn er ook nog andere soorten subsidies en fiscale voordelen mogelijk. Hier In de praktijk zullen grootverbruikers relatief meer gebruiken en goed geïsoleerde zal de gemeente zelf een afweging in moeten maken. Vooralsnog lijkt het erop dat dit huizen relatief minder. Op basis van de jaarlijkse gebruikerskosten valt binnen de noodzakelijk is om een warmtenet rond te krijgen. gevoeligheid (minimaal en maximaal scenario) van deze studie geen voorkeursoptie aan te wijzen per gebied. Wel is duidelijk dat de kosten die nodig zijn om het systeem Kostenresultaten en toelichting rendabel te maken significant hoger zijn dan de huidige kosten voor aardgas. De De kosten van de scenario’s staan in Tabel 10. gevoeligheidsanalyse staat verder toegelicht in bijlage 3. Tabel 10 Kostenoverzicht van de scenario's

Gebruikerskosten (ex. BTW)

Oosterhof (zonder WKO)

Kern (zonder WKO)

Oosterhof (WKO)

Kern (WKO)

Ontwikkelkosten

€ 2.009.439

€ 10.251.560

€ 2.146.156

€ 10.525.681

Investering in warmtenet

€ 8.695.600

€ 49.135.300

€ 8.695.600

€ 49.135.300

Investering in bron systeem

€ 2.477.905

€ 7.108.573

€ 3.389.352

€ 8.936.045

1.000

Investering op woningniveau

€ 2.222.755

€ 12.099.859

€ 2.222.755

€ 12.099.859

-

Operationele kosten

€ 3.291.874

€ 18.380.074

€ 3.296.386

€ 18.403.849

Netto contante waarde na 30 jaar (incl. 6,75% projectwinst)

€ -6.046.000

€ -28.928.000

€ -6.562.000

€ -31.626.000

4.000 3.000

Schatting huidige kosten (aardgas)

2.000

Oosterhof (zonder WKO)

Kern (zonder WKO)

Minimaal scenario

Oosterhof (WKO)

kern (WKO)

Maximaal scenario

Figuur 11 Jaarlijkse gebruikerskosten (excl. btw), die nodig zijn om het systeem rendabel te maken inclusief gevoeligheidsanalyse. (minimaal en maximaal scenario)

13 4.3

Organisatie van het collectieve-systeem

Er zijn vier essentiële rollen in de warmteketen: de producent, de netwerkbeheerder(s), de leverancier en de afnemer(s). De rollen kunnen door verschillende partijen worden uitgevoerd, maar ook door een of meer partijen die meerdere rollen op zich nemen. De organisatie wordt sterk bepaald door het type project. In Tabel 11 schetsen we de organisatiemodellen en geven kort aan welk model geschikt lijkt voor de Vaassen. Tabel 11 Een eerste verkenning van het benodigde organisatiemodel Organisatiemodel

Kenmerken

Past bij business case?

Separate producent, transporteur en leverancier (1 partij eindverantwoordelijk voor hele keten)

Elk deel van de keten moet afzonderlijk haalbaar zijn en heeft eigen business case.

Vooral op grotere schaal (kern Vaassen) lijkt dit tot de mogelijkheden te behoren. Als alleen Oosterhof wordt aangesloten, is een combinatie logischer.

Productie en levering geïntegreerd, separate transporteur (1 partij eindverantwoordelijk voor hele keten)

Leverancier heeft ook grip op productie.

Het zou wenselijk kunnen zijn om als overheid monopolie op het net te houden / aansluit-mogelijkheden van restwarmte mogelijk te maken.

Integrale warmteketen

Groot risico voor 1 partij. Denkbaar bij nieuw aan te leggen systeem.

Er moet 1 partij opstaan om het grote risico te dragen. Dit moet een bedrijf zijn met warmtelicentie. Of er moet uitzondering gevraagd worden bij de ACM. Voor de kleinere schaal is dit misschien haalbaar.

In Tabel 12 volgt staat beknopte lijst met (mogelijke) belanghebbenden die van belang zijn bij een verdere realisatie de plannen. Dit is een indicatie. Het daadwerkelijke model met bijbehorende belanghebbenden zal bij een vervolg samen met de belanghebbenden vormgegeven moeten worden. Tabel 12 Een eerste verkenning van mogelijke belanghebbenden Belanghebbende

Kenmerken/taak/rol

Belang bij de business case

Ministeries (EZK/BZK)

Beleid uit Klimaatwet en -Akkoord realiseren

Aan beleid voldoen

Waterschap Vallei en Veluwe

Beheer watersystemen.

Beleid uitvoeren (denk aan veiligheid, impact op de natuur).

Provincie

Vergunningverleningen, toezichthouder

Toezicht houden, aan beleid voldoen

Gemeente

Trekker van het project, eigenaar/beheerder grond

Aan beleid voldoen, belang van inwoners vertegenwoordigen

Netbeheerder (Liander)

Gasaansluiting en netcapaciteit

Zekerheid levering. Inpassen infrastructuur

Energie-afnemers (gebouweigenaren)

Energie-afnemer (klant)

Comfortabel huis; betaalbare energierekening

Belangenorganisaties (bijv. natuurorganisaties)

Bescherming specifieke belangen

Belangen behartigen

Adviseurs

Adviseren op techniek, organisatie etc.

Ondersteunen

Organisatorische risico’s De organisatie van een collectief warmtesysteem levert de nodige risico’s op. Zo zijn er lange termijncontracten nodig. Risico hierbij is dat partijen zich niet zo lang willen committeren of zich terugtrekken. Ook kan het uitdagend zijn om productiepartijen en afnemers zich te laten committeren aan dezelfde prijzen, indexatie etc. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de wetgeving die de komende jaren zal wijzigen, zoals met de warmtewet 2.0. Het is een hele opgave om belangen van verschillende partijen samen te laten komen in een collectief warmtenet. In een succesvol project zijn de belangen uiteindelijk verenigbaar. Dit kan een gezamenlijk belang worden, maar er kunnen ook verschillende belangen naast elkaar blijven bestaan. De slaagkans van een dergelijk complex project hangt af van de welwillendheid van de deelnemende partijen. Hiermee wordt bedoeld dat er vertrouwen moet zijn tussen de stakeholders, maar ook dat de juiste enthousiaste personen aan tafel zitten. De gemeente kan in het organisatieproces een faciliterende en sturende rol nemen. Indien er veel partijen betrokken worden, is het ook aan te raden om een procesfacilitator met voldoende kennis en ervaring in te schakelen.

5

Conclusie, aandachtspunten en vervolgstappen

5.1

Conclusie

De in de introductie gestelde hoofdvraag kan negatief worden beantwoord: het collectieve warmtesysteem zoals dat onderzocht is voor Vaassen is erg ambitieus en daarom niet kansrijk om nader te onderzoeken. De warmtedichtheid is niet erg groot en de bron heeft beperkte capaciteit. Dit zorgt voor zowel technische als financiële risico’s. De scenario’s met WKO zijn financieel nog minder gunstig, maar voldoen wel aan de duurzaamheidsvereisten. Aangezien geen van de voorgestelde scenario’s nadrukkelijk beter scoort dan een ander scenario (zie ook de gevoeligheid in Bijlage 2), zal er vooral

14 een afweging moeten worden gemaakt op basis van ‘kansen en risico’s’. Het afwegen van de kansen en risico’s is grotendeels (ook) een politieke kwestie. Een aantal belangrijke afwegingen en vragen die de gemeente hierbij in gedachte kan houden, zijn als volgt: 

5.2

De keuze voor een klein gebied zoals Oosterhof of invulling van de gehele kern vergt een compleet andere organisatie en betreft een groter/kleiner risico. Mede daarom is een belangrijk aandachtspunt hierbij wie de investeringen gaat doen. Moet de investering grotendeels van de woningeigenaren komen, van een warmteleverancier of van een externe partij? Kan, wil en mag (aanvraag ACM), de gemeente zelf een collectieve warmteoptie realiseren? Dit kan voordeel opleveren voor de businesscase, omdat er geen of lagere winst voor een exploitant hoeft te worden gerekend. Hoe staan de afnemers in de gemeente (met name inwoners) tegenover een warmteleverancier? Wat is de bereidheid van overige relevante stakeholders als gemeente, Waterschap en betrokken bedrijven? Een enthousiaste groep stakeholders voor een scenario kan de haalbaarheid positief beïnvloeden, maar ook zeer negatief als er geen breed draagvlak lijkt te bestaan. De gemeente zou met financiering kunnen sturen. Zo kan de gemeente het onrendabele deel van de businesscase van een collectieve oplossing financieren. Hiervoor kan de gemeente ook een PAW-subsidie aanvraag doen bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).

Aandachtspunten

Deze Quickscan geeft een eerste indicatie van de haalbaarheid van een collectief warmtenet op basis van aquathermie. Veel van de in deze Quickscan genoemde onzekerheden en risico’s zijn in het algemeen van toepassing op het implementeren van nieuwe collectieve warmtesystemen. Conclusies worden daarom uitgedrukt in termen als “relatief laag”, “kansrijk”, “haalbaar’, ’uitdagend’ etc. Door gebruik te maken van lokale kennis, expert-kennis en andere specifieke lokale informatie is deze Quickscan echter wel een significante verdiepingsslag op de al bestaande algemene rekenmodellen. In dit vroegtijdige stadium geldt echter voor de berekeningen wel een grote onzekerheid. Van een aantal aannames die in deze Quickscan zijn gedaan, is bekend dat ze significante impact kunnen hebben op de business case. Op verkeerde aannames kan worden gemitigeerd door nader onderzoek te doen en vervolgstappen te nemen. Een overzicht van deze aannames staat in bijlage 1. Een paar concrete aandachtspunten zijn:

 

Het systeem zoals geschetst voor de kern van Vaassen is erg groot. Het modulair en stapsgewijs opzetten van een aquathermie gevoed net kan tot de mogelijkheden behoren. Voor het beoogde systeem is een warmtepomp nodig om de warmte van de bron op te waarderen tot een hogere temperatuur. In deze studie is ervoor gekozen om dit middels twee collectieve warmtepompen te doen. Er is voor deze optie gekozen vanwege meerdere voordelen: o De warmtepompen kunnen effectiever worden ingezet, waardoor er minder vermogen nodig is o Er zijn maar twee locaties waar de warmtepompen bereikbaar hoeven te zijn voor onderhoud o Het huidige elektriciteitsnet in de wijken hoeft niet verzwaard te worden (op de locatie van de collectieve warmtepomp mogelijk wel). De kosten voor deze mogelijke netverzwaring zijn niet meegenomen. Een andere mogelijkheid is om een individuele warmtepomp per huishouden te installeren. In deze variant kan mogelijk meer subsidie worden aangevraagd. De precieze voor- en nadelen van deze twee opties zouden verder kunnen worden onderzocht. Er zijn hoge kosten gemoeid met de aanleg van het netwerk. Het is bekend dat een langere transportafstand tussen de bron en de afname ongunstig is. Echter ook (de efficiëntie van) het distributienet kan grote invloed hebben op de business case.

Op locaties waar de gebouwen ruimer opgezet zijn (bijvoorbeeld twee-onder-1-kap woningen, grotere wegen) kunnen de kosten al flink toenemen t.o.v. een straat met smallere rijtjeshuizen. Hoeveel strekkende meters leiding uiteindelijk nodig zijn om de kernen van warmte te voorzien, kan pas worden bepaald als er een studie wordt gedaan naar de ruimtelijke impact en wordt toegewerkt naar een voorlopig ontwerp. Indien de warmtevraag de komende jaren meer gaat afnemen dan verwacht, zal dit ongunstig zijn voor de business case. Dit is een belangrijk (exploitatie)risico. Gezien de nieuwe warmtewet is uitgegaan van een deelname van 80%. Dit heeft geen invloed op de keuze voor een scenario, maar wel op de winstgevendheid van alle scenario’s. Indien deelname lager wordt dan 80% kan dit een zeer ongunstig effect hebben op de business case. Draagvlak peilen en draagvlak creëren is daarom een cruciaal onderdeel van een succesvolle business case. In de business case is Rijkssubsidie meegenomen. Of dit in de praktijk ook verkregen kan worden is op dit moment nog niet zeker/bekend. Dit beleid heeft ook invloed op de business case. Zo wordt aquathermie momenteel goedkoper ‘gemaakt’ door SDE-subsidie. Met individuele oplossingen betaal je hogere energiebelasting vanwege het staffelsysteem voor elektriciteitsbelasting.

15 5.3

Vervolgstappen

communicatie en participatie zich richten op de keuze voor een warmtesysteem, later ook op de uitvoering en realisatie van dit systeem. Dit resulteert in een samengevat Voor de verdere ontwikkeling baseren wij ons advies op drie sporen: het technischstappenplan; economisch spoor, het organisatorische spoor en het sociaal-maatschappelijke spoor. Technisch-economisch: Deze Quickscan kan waar nodig worden aangevuld en verdiept. In de Quickscan ligt de focus op één techniek, maar het kan wenselijk zijn om een Quickscan uit te werken voor meerdere technieken of scenario’s. Dat kan leiden tot een robuuster afwegingskader om uiteindelijk een beter afgewogen keuze te kunnen maken. Indien wordt overgegaan tot realisatie van een warmtesysteem, zal telkens zowel een technische als een economische verdiepingsslag moeten plaatsvinden. De eerste inzichten van de TVW zullen hier richting aan geven. Organisatorisch: Het is van belang na te gaan wie (intern en extern) mee kunnen en zouden moeten praten over het toekomstige warmtesysteem. Ook moet de rolverdeling tussen gemeente, andere (semi-)overheden, betrokken bedrijven en inwoners verduidelijkt worden. Hiervoor kan een plan van aanpak worden opgesteld. Ook een tijdige voorbereiding vanuit het college is wenselijk, zodat ze tijdig een besluit kan nemen over rolneming in collectieve warmtesystemen.

In dit plan zou ook een voorstel kunnen worden opgenomen over het meenemen/betrekken van de gemeenteraad en andere bestuurders van (semi-)overheden als het waterbedrijf, Provincie en het Waterschap. Sociaal-maatschappelijk: Voor het vervolgtraject is aan te raden een communicatieen participatieplan op te stellen. Hieruit moet duidelijk worden waarom er met bepaalde wijken eerder wordt gestart dan in andere wijken (transitievisie). Samen met stakeholders wordt daarin bepaald hoe en op welk moment inwoners kunnen en willen participeren: co-creatie, actief input geven of vooral meeluisteren. Eerst moet de

1. Opstellen communicatie- en participatieplan; voor, samen en met eigenaren en bewoners; 2. Starten van onderzoek naar alternatieven (waar nodig en gewenst voor het maken van een keuze);  Andere technieken in een Quickscan doorrekenen  Groengas, hybride of individueel oplossing lijkt het meest voor de hand liggend binnen de gemeente 3. Indien collectieve optie als beste naar voren komt: Politiek voorbereiden van besluit over rolneming in collectieve warmtenetten;  De randvoorwaarden opstellen over de organisatie of eigenaarschap van een collectief warmtesysteem (mits collectief net tot de mogelijkheden behoort)  Een voorstel maken over de rol van de gemeente voor collectief warmtesysteem  Bodemenergieplan 4. Samen met de politiek en stakeholders uitgangspunten (‘keuze-kader’) formuleren en een scenario kiezen 5. Plan maken voor de realisatie en exploitatie, bijvoorbeeld via concessieverlening; 6. Opstellen uitvoeringsplan; 7. Realisatie – de aanleg van het warmtesysteem; 8. Gebruik en exploitatie – o.a. monitoren hoe het systeem functioneert.

2

Bijlage 1: voorwaarden en aannames waaronder deze studie is uitgevoerd Deze Quickscan is gebaseerd op bureauonderzoek en informatie die is aangeleverd door de gemeente. Het betreft een momentopname en heeft een beperkt detailniveau. Deze bijlage omschrijft de belangrijkste uitgangspunten van deze studie die de resultaten significant kunnen beïnvloeden, en die in een vervolg gedetailleerder uitgewerkt kunnen worden. Naast het verder verdiepen van het beoogde systeem, is het raadzaam de haalbaarheid van andere alternatieven (warmteoplossingen) te onderzoeken en te vergelijken met het beoogde systeem. Het steeds gedetailleerder uitwerken van enkele strategieën is in lijn met de handreiking lokale analyse van het expertise centrum warmte (ECW). Ook de rekenmethodes zijn overeenkomstig de templates van het ECW, maar gedetailleerder en specifieker uitgevoerd. Er zijn veel kengetallen en datasets gemoeid met de technischeconomische analyse in de Quickscan. We verdelen deze data in drie categorieën op basis van de impact op de resultaten van de analyse en de mate waarin de generieke data passen bij de lokale situatie (zie Figuur 12). Enkele concrete getallen staan in bijlage 3.  Te verrijken data (zie Figuur 12- linksboven): data die grote impact hebben op de resultaten én waar op landelijk niveau weinig informatie over beschikbaar is.

 Optioneel te verrijken data (zie Figuur 12 – linksonder): data die of een kleine impact hebben op de resultaten van de analyse, of al van redelijke kwaliteit zijn, kunnen worden verrijkt. Maar dit heeft geen prioriteit. Als er reden is om aan te nemen dat de lokale situatie sterk afwijkt van het gebruikte uitgangspunt kan verrijken van dit datatype een verbetering van de resultaten opleveren.  Landelijk gevalideerde data (zie Figuur 12 – rechtsboven): data die is afgestemd met verschillende stakeholders en geen verrijking behoeft.  Rekenregels (zie Figuur 12 – rechtsonder): er zijn enkele rekenregels en definities vastgesteld waarmee bij analyses rekening moet worden gehouden.

Figuur 12 Overzicht gebruikte data en bronnen

Bijlage 2: Gevoeligheid De businesscase omvat nog veel onzekerheden. Om de invloed van (een deel) van de onzekerheden op de businesscase te bepalen doen we een gevoeligheidsanalyse. In deze gevoeligheidsanalyse zijn standaard opgenomen:    

Synergie in de aanleg van het net (20% goedkoper). Bijvoorbeeld omdat het net tegelijkertijd met andere werkzaamheden kan worden gelegd of omdat de kosten meevallen. Hogere energiekosten (30% hoger). Bijvoorbeeld door fluctuatie in stroom- en gasprijzen. Minder warmte afzet (30% lager). Bijvoorbeeld door lagere volloop of betere isolatie van woningen. Hieraan valt ook af te leiden wat een eventueel hogere warmtevraag /vollooppercentage doet. Goedkopere warmtepompen (30% lager). Bijvoorbeeld door innovatie.

Gevoeligheid gebruikerskosten 4.000 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 Base Case 100%

Synergie net aanleg (-20%)

Oosterhof (zonder WKO)

Energie kosten (+30%)

Kern (zonder WKO)

Minder warmte afzet (-30%) Oosterhof (WKO)

Figuur 13 Gevoeligheidsanalyse op de gemiddelde jaarlijkse gebruikerskosten

Warmtepomp prijzen (-30%) kern (WKO)

Bijlage 3: Tabellen met gebruikte getallen In de tabellen hieronder staan enkele van de gebruikte kentallen (CBS, PBL, SDE++, RHDHV). Investering Bronnen HT Warmtepomp Gasketel Warmtenet Distributienet Aansluitleidingen

Schalingsfactor

EUR/MW € 525.000

X 1,00

Referentie vermogen MW 0,50

Herinvestering EUR/MW € 300.000

Kosten verwijdering EUR/MW €0

€ 60.000 EUR/M € 700 € 400

Onderhoud en beheer Opex vaste kosten

2%

% van CAPEX

Verzekeringen Beheerkosten

0% 7%

% van CAPEX % van Rev

Communicatie

2%

% van Rev

Inkoopprijs elektra

€ 0,05

EUR/kWh

Inkoopprijs gas

€ 0,20

EUR/m3

Energie inkoop

SDE

TEA

Basis bedrag

Correctie bedrag

€ 0,0900

€ 0,0350

CO2-uitstoot & Duurzame opwek Aardgas Grijze stroom WTW (jan. 2020) Groene stroom WTW Wind (LCA benadering incl. sloop en productie molen) Zon (LCA benadering incl. sloop en productie panelen) Biomassa (aanname: kortcyclisch) Externe warmte 2030 mix stroom

1,89 0,556

Kg CO2/ m3 Kg CO2/ kWh

0 0,014

Kg CO2/ kWh Kg CO2/ kWh

0,093

Kg CO2/ kWh

0,075

Kg CO2/ kWh

0 0,254

Kg CO2/ kWh Kg CO2/ kWh

Maximale vollasturen 3.500,00

Aantal subsidie jaren 15,00

ffffff

Voorst Quickscan naar de haalbaarheid van thermische energie uit oppervlaktewater in Twello (gemeente Voorst)

Inhoudsopgave 1

Introductie

2

1.1

Doel van deze Quickscan

2

1.2

Betrokken partijen

2

1.3

Samenvatting/conclusie

2

2

Scope en warmtevraag van het beoogde gebied

3

2.1

Afbakening van het gebied

3

2.2

Huidige warmtevraag

3

2.3

De toekomstige warmtevraag

4

3

Schets van het warmte systeem

5

3.1

Een introductie op Aquathermie

5

3.2

Eerste inzicht in de haalbaarheid van aquathermie

5

3.3

Potentie van de bron

5

3.4

Bronpotentie - Pieklast

6

3.5

Ruimtelijke schets

6

4

Business case

9

4.1

Duurzaamheid (CO2- reductie)

9

4.2

Financiële analyse – toelichting kosten & opbrengsten

9

4.3

Organisatie van het collectieve-systeem

11

5

Conclusie, aandachtspunten en vervolgstappen

13

5.1

Conclusie

13

5.2

Aandachtspunten

13

5.3

Vervolgstappen

13

Bijlage 1: voorwaarden en aannames waaronder deze studie is uitgevoerd

2

Bijlage 2: Gevoeligheid

2

Bijlage 3: Tabellen met gebruikte getallen

3

Disclaimer: Aan deze Quickscan kunnen geen rechten worden ontleend. Royal HaskoningDHV aanvaardt geen aansprakelijkheid als gevolg van beslissingen of schade als gevolg van eventuele onjuistheden of verkeerde interpretatie van dit rapport. Dit rapport geeft een eerste indruk en is louter bedoeld om de discussie aan te scherpen. De gebruikte berekeningen zijn een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Dit kan resulteren in foutieve interpretatie van de resultaten. In bijlage 1 staan voorstellen om de nauwkeurigheid van de Quickscan verder te detailleren richting een ‘bankable businessmodel’. Datum: 03-02-2021 Opgesteld door: Margit Heine

2

1

Introductie

Om de hoofdvraag te beantwoorden geven we voor alle scenario’s antwoord op de volgende deelvragen: Samen met bewoners, bedrijven en gemeenten staat de provincie Gelderland voor de 1. Wat is de warmtevraag van het beoogde gebied? uitdaging om de gebouwde omgeving te verduurzamen en uiteindelijk alle gebouwen los 2. Kan het beoogde systeem in de warmtebehoefte voorzien? te koppelen van het aardgas. Hiervoor zijn duurzame warmtebronnen, technologieën en 3. Is dit systeem duurzaam? initiatieven nodig, die bovendien financieel aantrekkelijk zijn en op breed draagvlak 4. Wat zijn globaal de investeringskosten? kunnen rekenen. De provincie heeft Royal HaskoningDHV gevraagd in het versnellen 5. Is het systeem rendabel (terugverdientijd <30 jaar)? van de regionale energietransitie te ondersteunen. Dat doen wij door lokale stakeholders inzicht te geven in de haalbaarheid van duurzame warmtebronnen. 1.2 Betrokken partijen Als onderdeel van dit versnellingstraject voert Royal HaskoningDHV twintig Quickscans De opdrachtgever en betrokken partijen voor deze studie zijn:  Gemeente Voorst (eerste aanspreekpunt) uit naar de haalbaarheid van duurzame warmtebronnen binnen de provincie Gelderland.  Provincie Gelderland (opdrachtgever) Een van de Quickscans richt zich op de haalbaarheid van een collectieve  Hartink Kwekerij (tuinder) warmteoplossing in Twello (gemeente Voorst).

Deze Quickscan geeft betrokken partijen inzicht in de inpassing van een collectieve warmteoplossing en een doorkijk naar de te  Ripaplant (tuinder) nemen vervolgstappen. Er zijn nog geen andere partijen betrokken bij dit onderzoek. Indien uit het onderzoek Er zijn vier scenario’s onderzocht: blijkt dat een verdere verkenning zinvol is, is het wel verstandig om andere partijen hierbij 1. Nieuwbouw individueel (ter referentie): De geplande nieuwbouw maakt te betrekken, zoals: gebruik van een warmtepomp per gebouw inclusief een gezamenlijke WKO.  Beheerder IJssel (Rijkswaterstaat) 2. Nieuwbouw + 2 tuinders: Collectief aquathermie-systeem voor de geplande  Ontwikkelaar nieuwbouw en/of andere grote vastgoed eigenaren nieuwbouw en twee actieve tuinders, met als warmtebron thermische energie uit  Netbeheerder (Alliander) oppervlaktewater (TEO), en een gasketel voor de pieklast. 3. Nieuwbouw + tuinders + bestaande woningen: Collectief aquathermie- 1.3 Samenvatting/conclusie systeem voor de geplande nieuwbouw, 897 bestaande gebouwen en twee De in de introductie gestelde hoofdvraag kan negatief worden beantwoord: het actieve tuinders, met als warmtebron thermische energie uit oppervlaktewater collectieve warmtesysteem zoals dat onderzocht is voor Twello is erg ambitieus en (TEO), en een gasketel voor de pieklast. daarom niet kansrijk om nader te onderzoeken: 4.

Bestaande woningen + 1 tuinder: Collectief aquathermie-systeem voor 897  Voor de nieuwbouw is het logischer om een all electric oplossing te kiezen. bestaande gebouwen en 1 tuinder, met als warmtebron thermische energie uit  De netto contante waarde van alle scenario’s met een collectieve oppervlaktewater (TEO), en een gasketel voor de pieklast. warmteoplossing is negatief.  Dit komt omdat de warmtedichtheid te laag is (en de kosten voor het warmtenet 1.1 Doel van deze Quickscan daarmee te hoog) Het doel van deze Quickscan wordt sluitend samengevat in onderstaande hoofdvraag:  Dat scenario 2 beter scoort dan scenario 4 en scenario 3 het slechtst scoort is vooral te verklaren door de schaalgrootte: hoe groter het gebied, hoe negatiever “Is het realiseren van een collectief warmtesysteem met aquathermie in Twello de netto contante waarde. kansrijk en is verder onderzoek zinvol?”  De scenario’s voldoen wel aan de duurzaamheidsvereisten.

3

2

Scope en warmtevraag van het beoogde gebied

2.2

Huidige warmtevraag

Dit hoofdstuk omschrijft het gebied waarvoor de Quickscan is uitgevoerd en de bijbehorende warmtevraag. Hiermee geven we antwoord op de eerste deelvraag en ontstaat een goed beeld van de warmte die het systeem in deze businesscase moet kunnen leveren (deelvraag 2).

De warmtevraag van de bestaande woningen is berekend met het Smart Energy Transition Platform (SETuP), het dataportaal van Royal HaskoningDHV. Figuur 2 geeft een beeld van de energielabels in de gebieden. Onderstaande tabel geeft een indicatie van de huidige warmtevraag.

2.1

De warmtevraag van de nieuwbouw is berekend met kentallen per woningtype. De warmtevraag van de tuinders is berekend op basis van het jaarlijkse gasverbruik (aangeleverd door de bedrijven).

Afbakening van het gebied

In overleg met de gemeente is ervoor gekozen het gebied ten noorden van de spoorlijn te verkennen. Hier bevindt zich:  1 van de twee onderzochte tuinders (Hartink Kwekerij);  Geplande nieuwbouw;  897 bestaande gebouwen (voornamelijk woningen); De andere tuinder (Ripaplant) bevindt zich net ten zuiden van de spoorlijn. Dit is dus het enige gebouw ten zuiden van de spoorlijn dat ook is meegenomen. Ten oosten van dit gebied loopt de IJssel; de warmtebron voor het aquathermie-systeem.

Tabel 1 Kentallen nieuwbouw Oppervlak [m2]

Warmtevraag [GJ/Jaar]

Warmtevraag rijwoning

155

17,70

Warmtevraag twee-onder-eenkapwoning

180

29,50

Warmtevraag vrijstaande woning

230

37,20

Tabel 2 Berekende huidige warmtevraag Bestaande woningen

Nieuwbouw

Tuinders

57.300 GJ/Jaar

6.300 GJ/jaar

22.300 GJ/Jaar

Energielabels bestaande gebouwen - noord Twello 30% 25% 20% 15% 10% Figuur 1 Onderzochte gebied (donkergrijs gearceerde gebouwen)

5% 0% label A label B

label C label D label E label F label G

Figuur 2 Overzicht energielabels noord Twello

geen label

4 2.3

De toekomstige warmtevraag

Aangezien de kwekerijen stoken tot een temperatuur van 5-17 °C, zullen zij ook met een middentemperatuur voldoende warmte aangeleverd krijgen. Desondanks is het De geplande nieuwbouw is volgens standaarden goed geïsoleerd en heeft een relatief wenselijk/mogelijk om ook hier eerst nog energiebesparende maatregelen te nemen. In lage warmtevraag. Ook zal hier een afgiftesysteem op lage temperatuur aanwezig zijn deze studie gaan we ervan uit dat voor de tuinders de toekomstige warmtevraag met (vloerverwarming). Deze woningen kunnen verwarmd worden met een lage temperatuur. 15% af zal nemen. In bijlage 2 is weergegeven wat de veranderingen voor de business case zullen zijn als er meer energie bespaard wordt dan het huidige uitgangspunt. Echter gezien de energielabels van de bestaande bouw gaan we uit van een warmtenet op minimaal middentemperatuurwarmte (50-70°C). Om de bestaande woningen met middentemperatuurwarmte te kunnen verwarmen zal de komende jaren in een deel van Tabel 3 Verwachte toekomstige warmtevraag Bestaande gebouwen Nieuwbouw Tuinders de woningen extra isolatie moeten worden aangebracht, met name in de slecht geïsoleerde woningen. Het is verstandig om de woningen aan te passen tot (minimaal) 6.300 GJ/jaar 19.000 GJ/Jaar 49.000 GJ/Jaar energielabel C. De kosten voor deze isolerende maatregelen zijn niet meegenomen in de business case.

Daarnaast wordt er voor de bestaande gebouwen gerekend met een volloop percentage Met deze aanpassingen daalt ook de totale warmtevraag. Voor de toekomstige van 80% (20% van de gebouwen ‘doet niet mee’). Voor zowel de nieuwbouw als de warmtevraag is uitgegaan van een gemiddelde besparing van 15% voor alle woningen. tuinders gaan we uit van 100% deelname. Deze besparing is zo ingeschat, aangezien:  In ongeveer 50% van de woningen isolatiemaatregelen zullen worden toegepast; In de praktijk blijkt dat zelfs na het toepassen van meerdere isolatiemaatregelen, de warmtevraag beperkt afneemt, onder andere door de invloed van (minder zuinig) gedrag. Zo kan worden aangenomen dat voor tussenwoningen, een aanpassing van energielabel G naar label B of van energielabel E naar label A, een besparing van ongeveer 15% oplevert (voor meer informatie, zie Energieverbruik van particuliere huishoudens - CBS, 2018). Aangezien het in dit gebied ook veel losstaande woningen betreft, zal de verwachte besparing voor deze woningen waarschijnlijk wel iets hoger dan 15% zijn.

5

3

Schets van het warmte systeem

3.1

Een introductie op Aquathermie

Op basis van de richtlijnen uit Tabel 4 lijken beide gebieden op hoofdlijnen (technisch gezien) niet erg geschikt voor het toepassen van aquathermie. Dit geldt met name voor In dit hoofdstuk geven we antwoord op de vraag of het beoogde systeem op basis van gebied 1, omdat niet alle woningen op dit moment geschikt zijn voor een MT-net en de aquathermie in de warmtebehoefte van het gebied kan voorzien (deelvraag 2). Er is bron erg ver weg ligt. gekeken naar de benodigde randvoorwaarden voor de techniek en de kenmerken van de beschikbare warmtebron (oppervlaktewater). Op basis van deze inzichten is een Tijdens de kick-off heeft de gemeente aangegeven dat er geen andere lokale bezwaren eerste ruimtelijke ‘schets’ van de engineering opgemaakt. Deze schets is in hoofdstuk 4 (lokaal beleid of wet- en regelgeving) op dit moment bekend zijn. gebruikt voor het opstellen van de business case. 3.3

Potentie van de bron

De IJssel is aangewezen als bron voor dit systeem. We hebben de potentie van de Aquathermie is een techniek voor het verwarmen en koelen van gebouwen waarbij gedefinieerde warmtebron geïdentificeerd op basis van een aantal kenmerken. De gebruik wordt gemaakt van warmte en koude uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater kenmerkende eigenschappen van de IJssel staan in tabel 5. (TEA) of drinkwater (TED). Vaak wordt deze technologie toegepast in combinatie met een warmte-koude opslagsysteem (WKO) om de warmte uit de zomer te benutten in de winter en een elektrische warmtepomp, om de warmte nog verder op te waarderen tot bruikbare niveaus. Dat kan centraal met een collectieve warmtepomp, of met een warmtepomp per gebouw. De individuele technieken zoals een warmtewisselaar, warmtenetwerk en warmtepompen zijn technologisch al ver doorontwikkeld. Van grootschalige technologische innovatie is in dit geval dus geen sprake. De koppeling van deze technieken in één systeem is daarentegen wel vernieuwend. 3.2

Eerste inzicht in de haalbaarheid van aquathermie

De richtlijnen van het STOWA geven een eerste inzicht in de haalbaarheid van Aquathermie. Hiervoor zijn drie belangrijke factoren geanalyseerd, zoals weergegeven in Tabel 4. Een andere belangrijke factor die vaak wordt meegenomen om de haalbaarheid in te schatten is de mogelijkheid voor het plaatsen van een WKO. Tabel 4 Eerste inzicht in de haalbaarheid van aquathermie Richtlijn

Bestaande gebouwen

Nieuwbouw

Tuinders Figuur 3 IJssel ter hoogte van Twello

De energievraag en het aanbod is minimaal 1.000 GJ (ca. 30 woningen) Gebied geschikt voor LT-/MT-warmtenet

- naisolatie nodig

Afnemer nabij thermische bron (binnen ca. 1 km)

- ca. 2,8 km

-ca. 1,8 km

-ca. 1,2 km

Kenmerken van de bron De IJssel is een Nederlandse aftakking van de Rijn. De rivier takt bij Westervoort (de IJsselkop) ten oosten van Arnhem af van de Rijn en stroomt in noordoostelijke en later in noordelijke richting naar het IJsselmeer. De potentie van deze bron kan worden geschat aan de hand van het debiet (stroming) en/of oppervlakte van het waterlichaam en de temperatuur van het water. Een schatting van de gemiddelde stroomsnelheid en de temperatuur ter hoogte van Twello is gebaseerd op openbare gegevens van de IJssel op nabije locaties. Voor een vervolgonderzoek wordt aangeraden om uitgebreidere metingen en/of aanvullend onderzoek te doen.

6

Om de trends van de IJssel te achterhalen, kan worden gekeken naar het meetpunt van de Rijn bij Lobith (Haven). De gemiddelde temperatuur van de Rijn is hier vrij hoog en stijgt jaarlijks, aangezien dit water veel als koelwater wordt gebruikt. De gemiddelde temperatuur van de Rijn bij Lobith ligt momenteel rond de 14 graden, zie grafiek 1 (Bron RWS). Vanuit dit punt stroomt het water naar het IJsselmeer. Onderweg daalt de temperatuur van het water met enkele graden. We kunnen er dus van uitgaan dat de gemiddelde temperatuur 12-14 graden is.

kan worden en dat er geen technische bezwaren zijn. De potentie is daarmee ruim voldoende voor de basislast. De IJssel heeft voldoende vermogen (warmte) om alle gebouwen binnen de scope (bijna) het gehele jaar van warmte te voorzien. Er is daarom geen WKO nodig. Tabel 6 Potentieschatting bron Factor

Voldoende potentie?

Beschikbaarheid warmte

De stroomsnelheid is hoog. De potentie is daarmee erg hoog.

Continuïteit

Circa 5% van de tijd onder de 3 graden.

Temperatuurniveau

Opwaardering noodzakelijk

Tabel 5 Kenmerkende aannames van de IJssel nabij Twello Kenmerkende aannames van de Ijssel nabij Twello Breedte watergang

+/- 100

meter

Debiet

Gemiddeld 265

m³/s

Temperatuur

Gemiddeld 13

Graden celcius

3.4

Bronpotentie - Pieklast

Behalve de IJssel zal er ook nog gebruik moeten worden gemaakt van een extra warmtebron om in de extra benodigde warmtevraag te voorzien in (de meest koude periode van) de winter. Deze pieklast, die 10% van de warmtevraag moet leveren, zou via een hoog elektriciteitsverbruik ook door de warmtepompen kunnen worden geleverd, maar dit is zeer kostbaar. Daarom is het aan te raden om in eerste instantie gebruik te maken van een gasketel voor deze pieklast. Op de lange termijn zou deze gasketel dan vervangen kunnen worden door een duurzamere warmtebron. Grafiek 1: Temperatuur van de Rijn bij Lobith als indicator van de temperatuur

3.5

Ruimtelijke schets

De warmteonttrekking moet plaats vinden op een punt waar het water goed doorstroomt De warmteonttrekking is op dit moment nog niet vastgelegd in wet- en regelgeving. Als en waar ruimte is om in- en uitlaat te plaatsen. Ongeveer ter hoogte van het punt waar vuistregel is aangehouden dat de temperatuur van het water maximaal 3 graden daalt. warmte uit de IJssel wordt onttrokken, kan ook het installatiegebouw komen te staan In de praktijk zijn er mogelijk wel andere hinderende factoren zoals scheepvaart. waar de warmtepomp en de gasketel staan. Deze zorgen ervoor zorgen dat warmte op de goede temperatuur in het leidingnetwerk stroomt. Hierover zullen in een later stadium afspraken moeten worden gemaakt. Potentie-schatting Aan de hand van de kenmerkende aannames (Tabel 6) is een potentieschatting gemaakt. De ‘oogstbaarheid’ van de warmte is erg afhankelijk van de stroomsnelheid en de positionering van in- en uitlaat systemen, zodat deze niet met elkaar gaan interfereren. Voor deze studie is aangenomen dat de in- en uitlaat goed gedimensioneerd

7 Scenario 3: Nieuwbouw + tuinders + bestaande woningen Het beoogde systeem bestaat uit 1) een aquathermische bron (IJssel), 2) een elektrische warmtepomp, 3) een leidingnetwerk en 4) gasketel(s). Dit gebied betreft de grootste warmtevraag, het grootste oppervlak en het grootste leidingnetwerk. Dit resulteert dit in:  Een transportleiding van ca. 6 km  Een distributienetwerk van ca. 15.500 meter lengte in totaal  5 verdeelstations  Aansluitleidingen van in totaal circa 12.400 meter

Figuur 4 Schets van systeem voor Twello

Het leidingnetwerk bestaat uit een transportnetwerk, een distributienetwerk aansluitleidingen en verdeelstations. Bij verder onderzoek naar dit warmtenet zal een preciezere engineering en dimensionering van het net nodig zijn. Voor deze studie hebben we gekeken naar de meest korte/logische route van het net. Hiermee is een aanname gedaan over de lengte (en de kosten voor de aanleg van) een distributienetwerk en aansluitleidingen (tot aan de meterkast).

Scenario 4: Bestaande woningen + 1 tuinder Het beoogde systeem bestaat uit 1) een aquathermische bron (IJssel), 2) een elektrische warmtepomp, 3) een leidingnetwerk en 4) gasketel(s). Om de bestaande gebouwen te bereiken is een relatief lange transportleiding nodig. Kwekerij Hartink ligt aan die transportleiding en is ook aangesloten op het systeem. De tussenliggende nieuwbouw is niet aangesloten op het netwerk. Dit resulteert in:  Een transportleiding van ca. 4 km  Een distributienetwerk van ca. 11.800 meter lengte in totaal  4 verdeelstations  Aansluitleidingen van in totaal circa 9.000 meter

Scenario 1: Nieuwbouw individueel (ter referentie) Het beoogde systeem bestaat uit 1) een elektrische warmtepomp voor elk gebouw, en 2) een collectieve WKO in het midden van het gebied. De bestaande woningen en de tuinders zijn in dit scenario niet meegenomen. Er wordt geen leidingnetwerk aangelegd. Scenario 2: Nieuwbouw + 2 tuinders Het beoogde systeem bestaat uit 1) een aquathermische bron (IJssel), 2) een elektrische warmtepomp, 3) een leidingnetwerk en 4) gasketel(s). Aangezien dit scenario met name nieuwbouwwoningen betreft, worden de kosten voor de aanleg van dit warmtenet lager geschat dan bij aanleg in bebouwd gebied. In het beoogde gebied resulteert dit in:  Een transportleiding van ca. 4,2 km  Een distributienetwerk van ca. 3800 meter lengte in totaal  3 verdeelstations  Aansluitleidingen van in totaal circa 3080 meter

Figuur 5 Kwekerij Hartink

8

Figuur 6. Schets van een deel van het beoogde distributienetwerk voor de bestaande gebouwen, ter illustratie van het leidingnetwerk

9

4

Tabel 7 Toelichting op de CO2-reductie

Business case

De tot dusver opgedane inzichten tonen aan dat de toepassing van een systeem op basis van aquathermie vanuit technisch oogpunt uitdagend is, gezien de grote afstanden die het warmtenet moet afleggen, en - in scenario 2 en 3 waarbij bestaande woningen worden aangesloten - er nog een flinke isolatieopgave nodig is. In dit hoofdstuk wordt de business case van dit systeem verder uitgewerkt en geven we antwoord op de deelvragen 3 (duurzaamheid), 4 en 5 (financiële analyse). De gebruikte berekeningen zijn een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Dit kan resulteren in foutieve interpretatie van de resultaten. In bijlage 1 staan de aannames, gebruikte rekenregels en voorstellen om de nauwkeurigheid van de Quickscan verder te detailleren. 4.1

Scenario

Toelichting CO2-reductie

1: Nieuwbouw individueel

De enige bron van CO2-uitstoot is de elektriciteit die nodig is voor de warmtepompen.De CO2-uitstoot als gevolg van het elektriciteitsgebruik van de warmtepompen hangt af van de stroombron. Deze berekening is nu gedaan op basis van de te verwachten elektriciteitsmix in 2030 (PBL). Aangezien de WKO in de winter ook nog warmte kan leveren, is er geen gasketel voor de pieklast nodig.

2: Nieuwbouw + 2 tuinders

De CO2-uitstoot is afhankelijk van de elektriciteit die nodig is voor de warmtepomp en het gasverbruik in de winter (pieklast). Mogelijk zijn er in de toekomst andere systemen om de gasketel te vervangen. Aangezien de warmtevraag in dit scenario (relatief) lager is dan in scenario 3 en 4, is de CO2reductie van dit systeem het laagst.

3: Nieuwbouw + tuinders + bestaande woningen

De CO2-uitstoot is afhankelijk van de elektriciteit die nodig is voor de warmtepomp en het gasverbruik in de winter (pieklast).

4: Bestaande woningen + 1 tuinder

Vergelijkbaar met scenario 3, maar met een relatief iets hogere warmtevraag (groter aandeel van de bestaande woningen).

Duurzaamheid (CO2- reductie)

Figuur 7 geeft de CO2-reductie van de beoogde oplossingen ten opzichte van een gasgestookte-cv. Hieruit blijkt dat scenario 3 en 4 grotendeels vergelijkbaar zijn, omdat dezelfde duurzame bronnen worden gebruikt. Aangezien nieuwbouwwoningen een lage energievraag hebben, is de CO2-emissie reductie in scenario 2 lager dan in scenario 3 en 4. Een WKO i.p.v. een gasketel (scenario 1) zorgt voor een extra CO2reductie en maakt het systeem daarmee nog duurzamer.

CO2 reductie (obv 2030 elektra mix) 100%

Een extra elektriciteitsvraag (vanwege het gebruik van een warmtepomp) resulteert ook in een extra ‘opgave’ voor de opwek van duurzame elektriciteit en in een enkel geval ook voor een mogelijke verzwaring van het elektriciteitsnet. Er zijn in de businesscase geen kosten voor de verzwaring van het elektriciteitsnet meegenomen. Op basis van deze eerste inzichten zou de lokale netbeheerder gevraagd kunnen worden wat er nodig is om te voldoen aan de extra elektra-vraag.

80% 60%

4.2

40% 20% 0% Individueel nieuwbouw

tuinders + nieuwbouw Tuinders, nieuwbouw 1 tuinder + bestaand en bestaand

Figuur 7 : geschatte CO2-reductie (o.b.v. 2030 elektra-mix (PBL))

Financiële analyse – toelichting kosten & opbrengsten

Een warmtenet wordt gekenmerkt door een fikse investering ‘aan de voorkant’, aangezien er eerst een infrastructuur moet worden aangelegd. Dit betekent een flinke kostenpost voordat er ook maar 1GJ aan warmte verkocht is, gevolgd door een langjarige betrekkelijk stabiele kasstroom. Dit maakt het systeem verliesmakend in de eerste jaren van exploitatie. Alle kosten zijn berekend voor een looptijd van 30 jaar. Toelichting op de kosten De kosten voor dit systeem bestaan uit:  Kapitaalsinvestering  Afschrijvingskosten  Financieringskosten  Operationele kosten

10

Voor de ontwikkelkosten wordt uitgegaan van 15% van de kapitaalsinvestering. De kapitaalsinvestering bestaat met name uit de investering in civiele werken, pompen, warmtewisselaar(s) en warmtepompen. Hierin kan de tweedeling gemaakt worden voor kosten voor de bron (WKO, warmtepompen) en investeringen in het warmtenetwerk (waar mogelijk ook andere bronnen op aangesloten kunnen worden). Hierbij moet rekening worden gehouden met technische en ruimtelijke risico’s. De gemeente kan een bijdrage leveren aan de investering middels een investeringssubsidie. Hierdoor heeft de eigenaar van het warmtenet lagere afschrijvingen en lagere financieringskosten. In deze studie is geen rekening gehouden met investeringssubsidies, aangezien die op dit moment niet bekend zijn. De investeringen op gebouwniveau worden met name bepaald door de investeringen die op- of aan het gebouw moeten worden gedaan. Voor de gemiddelde woning zijn deze kosten bekend, namelijk:  Afkoppeling van aardgas  Installatie afleverset (inclusief muurdoorvoer/stijgleiding) en warmtemeter  Elektra voorziening  Aansluiten CV en tapwater  Aansluitleiding van 8 meter (gemiddelde afstand van distributienet tot aan voordeur) Voor grote appartementencomplexen en andere utiliteitsgebouwen zijn deze kosten waarschijnlijk hoger. Daar komen voor de eigenaren van de gebouwen ook nog de (eventuele) isolatiekosten bij.

Dit kan een grote investering zijn. De kosten voor isolatie zijn niet meegenomen in de berekeningen.

Toelichting op de opbrengsten De opbrengsten bestaan uit drie soorten inkomsten:  Eenmalige aansluitbijdrage (BAK) – in deze studie € 0, Afname van de warmte;  Subsidies en fiscale stimuleringsregelingen. De opbrengsten uit de afname van de warmte door de gebruikers is afhankelijk van het aantal aansluitingen (binnen de scope), de energieprijzen(/belastingen) en het energieverbruik per aansluiting. De verkoopprijs van de warmte is gebaseerd op het NietMeer-Dan-Anders principe. Overige aannames die zijn gedaan voor het bepalen van de kosten zijn terug te vinden in bijlage 3. De mate waarin voldoende warmte wordt verkocht is een belangrijke succesfactor. Hoe hoger de warmtevraag, hoe meer inkomsten. Hier worden vooraf aannames over gedaan, die in de praktijk anders kunnen uitpakken. Zo is van tevoren niet geheel zeker hoeveel gebouweigenaren een aansluiting willen hebben (ook wel het vollooprisico genoemd) en hoeveel energie ze in de toekomst zullen afnemen (ook wel het afnamerisico genoemd). Daarnaast is de verwachting dat het vollooprisico zal dalen met ingang van de nieuwe warmtewet. Voor deze studie zijn we uitgegaan van een vollooppercentage van 80%. Het risico op een te lage warmtevraag en afnemingszekerheid beoordelen wij als gemiddeld. Een belemmering voor deelname kan de isolatieopgave zijn (in scenario 3 en scenario 4).

Alhoewel hier voor deze studie geen rekening mee is gehouden, kan de gemeente hier ook een rol in spelen middels een exploitatiesubsidie. Bij een exploitatiesubsidie neemt de gemeente een deel van het exploitatierisico over. Afgesproken wordt dan dat exploitatietekorten door achterblijvende vraag gedeeltelijk worden bijgepast.

Afschrijvingskosten van een installatie kunnen het nettoresultaat negatief beïnvloeden, zeker als het verdienpotentieel van het systeem beperkt is. Dit heeft geen invloed op de kasstroom, maar wel op het financiële resultaat (de winstgevendheid). Financieringskosten spelen bij dit systeem ook een belangrijke rol. De financieringskosten kunnen lager uitpakken dan is aangenomen voor deze studie als de In deze studie zijn we er niet van uitgegaan dat de inwoners via een eenmalige aansluitbijdrage (ook wel BAK genoemd) bijdragen. In de praktijk wordt dit regelmatig gemeente garant staat en daarmee het risico minimaliseert. toegepast, aangezien gebouweigenaren normaliter ook na enkele jaren een nieuwe cvDe operationele kosten zijn meegenomen en bestaan met name uit beheer & ketel aanschaffen. Indien er wel een bijdrage wordt gedaan door inwoners heeft dit een onderhoudskosten (preventief en correctief onderhoud, monitoring, administratie, extra gunstig effect op de business case, omdat het aan het begin van het traject verzekeringen, communicatie) en de energiekosten (aardgas en elektriciteitskosten van plaatsvindt waardoor ook de financieringskosten lager worden. het gebruik van de warmtepomp en reguliere pompen).

Belangrijk bij de operationele kosten is dat ook de warmteverliezen van het net worden meegenomen, waardoor er per In deze studie hebben we de aanname gedaan dat het lukt om van SDE++-subsidie te verkrijgen (9 cent per kWh, voor een looptijd van 15 jaar) op de TEO-installatie. Als GJ geleverde warmte ook een aanzienlijk deel (ca. 23%) verloren gaat.

11 aanvulling zijn er ook nog andere soorten subsidies en fiscale voordelen mogelijk. Hier zal de gemeente zelf een afweging in moeten maken. Vooralsnog lijkt het erop dat dit noodzakelijk is om een warmtenet rond te krijgen. Kostenresultaten en toelichting De kosten van de scenario’s staan in Tabel 8. Tabel 8 Kostenoverzicht van de scenario's Nieuwbouw individueel

Ontwikkelkosten € 397.418 -

Scenario 1 is bijna kostenneutraal (valt binnen de onzekerheidsmarge). Scenario 2, 3 en 4, waarbij een collectief warmtenet is voorzien, hebben allemaal een negatieve netto contante waarde en zijn dus niet rendabel. Zelfs als de eenmalige bijdrage van inwoners (BAK) € 3.000,- zou bedragen, zijn deze scenario’s nog lang niet kostenneutraal.

Nieuwbouw + 2 tuinders

Nieuwbouw + tuinders + bestaande woningen

Bestaande woningen + 1 tuinder

De kosten die in rekening zouden moeten worden gebracht bij de inwoners om het systeem rendabel te maken, zijn voor scenario 2,3 en 4 twee à drie keer zo hoog als de huidige kosten voor aardgas.

€ 1.399.465

€

4.336.250

€

3.152.767

4.3

€ 6.872.340

€

21.163.900

€

15.351.900

Investering in warmtenet

€

Investering in bron systeem

€ 1.533.455

€ 2.037.429

€

4.242.858

€

3.152.144

Investering op woningniveau

€ 1.116.000

€ 420.000

€

3.501.575

€

2.514.400

Operationele kosten

€ 179.753

€ 2.532.652

€

7.677.390

€

5.576.066

Netto contante waarde na 30 jaar (incl. 6,75% projectwinst)

€ 132.000

€ 6.700.000

€ -17.900.000

€

-10.900.000

De investeringen in een warmtenet liggen voor de nieuwbouw lager dan de bestaande gebouwen. Dit komt deels omdat de bestaande woningen verder van de bron liggen en deels omdat er bij de nieuwbouw lagere kosten zijn begroot; aangezien er geen bestaande wegen open hoeven worden gebroken en de leidingen kleiner kunnen zijn (i.v.m. lagere warmtevraag). De investeringen op woningniveau zijn in scenario 2,3, en 4 hetzelfde (alleen afhankelijk van het aantal aansluitingen). Alleen in scenario 1 zijn deze kosten relatief hoger, omdat hier de kosten voor een warmtepomp per woning zijn meegenomen. De broninvestering van scenario 2,3 en 4 hangt af van het benodigde vermogen. Hoe groter het aandeel van het gasverbruik hoe gunstiger de business case (maar dit geldt niet voor de CO2 besparing). Echter in scenario 2,3 en 4 is het gasverbruik gelijk (10%). In scenario 1 bestaan de kosten voor de investering in het bronsysteem uit de kosten voor de collectieve WKO(‘s). Het gebruik van een WKO voor de pieklast in de winter is duurder dan het gebruik van aardgas, maar wel duurzamer.

Organisatie van het collectieve-systeem

Er zijn vier essentiële rollen in de warmteketen: de producent, de netwerkbeheerder(s), de leverancier en de afnemer(s). De rollen kunnen door verschillende partijen worden uitgevoerd, maar ook door een of meer partijen die meerdere rollen op zich nemen. De organisatie wordt sterk bepaald door het type project. In Tabel 9 schetsen we de organisatiemodellen en geven kort aan welk model geschikt lijkt voor Twello. Tabel 9 Een eerste verkenning van het benodigde organisatiemodel Organisatiemodel

Kenmerken

Past bij business case?

Separate producent, transporteur en leverancier (1 partij eindverantwoordelijk voor hele keten)

Elk deel van de keten moet afzonderlijk haalbaar zijn en heeft eigen business case.

Vooral op grotere schaal (meer dan alleen nieuwbouw) lijkt dit tot de mogelijkheden te behoren.

Productie en levering geïntegreerd, separate transporteur (1 partij eindverantwoordelijk voor hele keten)

Leverancier heeft ook grip op productie.

Het zou wenselijk kunnen zijn om als overheid monopolie op het net te houden / aansluit-mogelijkheden van restwarmte mogelijk te maken.

Integrale warmteketen

Groot risico voor 1 partij. Denkbaar bij nieuw aan te leggen systeem.

Er moet 1 partij opstaan om het grote risico te dragen. Dit moet een bedrijf zijn met warmtelicentie. Of er moet uitzondering gevraagd worden bij de ACM. Alleen op kleinere schaal is dit misschien haalbaar.

In Tabel 10 volgt staat beknopte lijst met (mogelijke) belanghebbenden die van belang zijn bij een verdere realisatie de plannen. Dit is een indicatie. Het daadwerkelijke model met bijbehorende belanghebbenden zal bij een vervolg samen met de belanghebbenden vormgegeven moeten worden.

12 Tabel 10 Een eerste verkenning van mogelijke belanghebbenden Belanghebbende

Kenmerken/taak/rol

Belang bij de business case

Ministeries (EZK/BZK)

Beleid uit Klimaatwet en -Akkoord realiseren

Aan beleid voldoen

Rijkswaterstaat

Beheer watersystemen.

Beleid uitvoeren (denk aan veiligheid, impact op de natuur).

Provincie

Vergunningverleningen, toezichthouder

Toezicht houden, aan beleid voldoen

Gemeente

Trekker van het project, eigenaar/beheerder grond

Aan beleid voldoen, belang 5 van inwoners vertegenwoordigen

Netbeheerder (Liander)

Gasaansluiting en netcapaciteit

Zekerheid levering. Inpassen infrastructuur

Energie-afnemers (gebouweigenaren)

Energie-afnemer (klant)

Comfortabel huis; betaalbare energierekening

Belangenorganisaties (bijv. natuurorganisaties)

Bescherming specifieke belangen

Belangen behartigen

Adviseurs

Adviseren op techniek, organisatie etc.

Ondersteunen

Organisatorische risico’s De organisatie van een collectief warmtesysteem levert de nodige risico’s op. Zo zijn er lange termijncontracten nodig. Risico hierbij is dat partijen zich niet zo lang willen committeren of zich terugtrekken. Ook kan het uitdagend zijn om productiepartijen en afnemers te laten committeren aan dezelfde prijzen, indexatie etc. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de wetgeving die de komende jaren zal wijzigen, zoals met de warmtewet 2.0.

Het is een hele opgave om belangen van verschillende partijen samen te laten komen in een collectief warmtenet. In een succesvol project zijn de belangen uiteindelijk verenigbaar. Dit kan een gezamenlijk belang worden, maar er kunnen ook verschillende belangen naast elkaar blijven bestaan. De slaagkans van een dergelijk complex project hangt af van de welwillendheid van de deelnemende partijen. Hiermee wordt bedoeld dat er vertrouwen moet zijn tussen de stakeholders, maar ook dat de juiste enthousiaste personen aan tafel zitten.

De gemeente kan in het organisatieproces een faciliterende en sturende rol nemen. Indien veel partijen betrokken worden, is het ook aan te raden om een procesfacilitator met voldoende kennis en ervaring in te schakelen.

13

5. 5.1

Conclusie, aandachtspunten en vervolgstappen Conclusie

De in de introductie gestelde hoofdvraag kan negatief worden beantwoord: het collectieve warmtesysteem zoals dat onderzocht is voor Twello is erg ambitieus en daarom niet kansrijk om nader te onderzoeken. Alhoewel de bron voldoende potentie heeft, is de warmtedichtheid erg laag. De financiële resultaten ogen daarom niet erg aantrekkelijk voor investeerders (te groot risico). Dat scenario 2 beter scoort dan scenario 4, en scenario 3 het slechtst scoort is vooral te verklaren door de schaalgrootte: hoe groter het gebied, hoe negatiever de netto contante waarde. De scenario’s voldoen wel aan de duurzaamheidsvereisten. 5.2

Aandachtspunten

Deze Quickscan geeft een eerste indicatie van de haalbaarheid van een collectief warmtenet op basis van aquathermie. Veel van de in deze Quickscan genoemde onzekerheden en risico’s zijn in het algemeen van toepassing op het implementeren van nieuwe collectieve warmtesystemen. Conclusies worden daarom uitgedrukt in termen als “relatief laag”, “kansrijk”, “haalbaar’, ’uitdagend’ etc. Door gebruik te maken van lokale kennis, expert-kennis en andere specifieke lokale informatie is deze Quickscan echter wel een significante verdiepingsslag op de al bestaande algemene rekenmodellen. In dit vroegtijdige stadium geldt echter voor de berekeningen wel een grote onzekerheid. Van een aantal aannames die in deze Quickscan zijn gedaan is bekend dat ze significante impact kunnen hebben op de business case. Op verkeerde aannames kan worden gemitigeerd door nader onderzoek te doen en vervolgstappen te nemen. Een overzicht van deze aannames staat in bijlage 1. Een paar concrete aandachtspunten zijn:  Het systeem zoals geschetst in scenario 3 is erg groot. Het modulair en stapsgewijs opzetten van een aquathermie gevoed net is in de praktijk logischer.  Voor het beoogde collectieve systeem is een warmtepomp nodig om de warmte van de bron op te waarderen tot een hogere temperatuur. In deze studie is ervoor gekozen om dit middels een collectieve warmtepomp te doen.

Er is voor deze optie gekozen vanwege meerdere voordelen: o De warmtepompen kunnen effectiever worden ingezet, waardoor er minder vermogen nodig is o Er is maar 1 locaties waar de warmtepomp bereikbaar hoeft te zijn voor onderhoud

Het huidige elektriciteitsnet in de wijken hoeft niet verzwaard te worden (op de locatie van de collectieve warmtepomp mogelijk wel). De kosten voor deze mogelijke netverzwaring zijn niet meegenomen. Een andere mogelijkheid is om een individuele warmtepomp per huishouden te installeren. In deze variant kan mogelijk meer subsidie worden aangevraagd. De precieze voor- en nadelen van deze twee opties zouden verder kunnen worden onderzocht, maar is gezien de conclusie niet aan te raden. Er zijn hoge kosten gemoeid met de aanleg van het netwerk. Het is bekend dat een langere transportafstand tussen de bron en de afname ongunstig is. Echter ook (de efficiëntie van) het distributienet kan grote invloed hebben op de business case. Op locaties waar de gebouwen ruimer opgezet zijn (bijvoorbeeld twee-onder-1-kap woningen, grotere wegen) kunnen de kosten al flink toenemen t.o.v. een straat met smallere rijtjeshuizen. Hoeveel strekkende meters leiding uiteindelijk nodig zijn om de kernen van warmte te voorzien, kan pas worden bepaald als er een studie wordt gedaan naar de ruimtelijke impact en wordt toegewerkt naar een voorlopig ontwerp. Indien de warmtevraag de komende jaren meer gaat afnemen dan verwacht, zal dit ongunstig zijn voor de business case. Dit is een belangrijk (exploitatie)risico. Gezien de nieuwe warmtewet is uitgegaan van een deelname van 80%.

Dit heeft geen invloed op de keuze voor een scenario, maar wel op de winstgevendheid van alle scenario’s. Indien deelname lager wordt dan 80% kan dit een zeer ongunstig effect hebben op de business case. Draagvlak peilen en draagvlak creëren is daarom een cruciaal onderdeel van een succesvolle business case. In de business case is Rijkssubsidie meegenomen. Of dit in de praktijk ook verkregen kan worden is op dit moment nog niet zeker/bekend. Dit beleid heeft ook invloed op de business case. Zo wordt aquathermie momenteel goedkoper ‘gemaakt’ door SDE-subsidie. Met individuele oplossingen betaal je hogere energiebelasting vanwege het staffelsysteem voor elektriciteitsbelasting. o

 

5.3

Vervolgstappen

Indien er toch interesse is in verdere ontwikkeling adviseren wij vervolgacties op drie sporen: het technisch-economisch spoor, het organisatorische spoor en het sociaalmaatschappelijke spoor. Technisch-economisch: Deze Quickscan kan waar nodig worden aangevuld en verdiept. In de Quickscan ligt de focus op één techniek, maar het kan wenselijk zijn om een Quickscan uit te werken voor meerdere technieken of scenario’s. Dat kan leiden tot een robuuster afwegingskader om uiteindelijk een beter afgewogen keuze te kunnen maken. Indien wordt overgegaan tot realisatie van een warmtesysteem, zal telkens

14 zowel een technische als een economische verdiepingsslag moeten plaatsvinden. De eerste inzichten van de TVW zullen hier richting aan geven. Organisatorisch: Het is van belang na te gaan wie (intern en extern) mee kunnen en zouden moeten praten over het toekomstige warmtesysteem. Ook moet de rolverdeling tussen gemeente, andere (semi-)overheden, betrokken bedrijven en inwoners verduidelijkt worden. Hiervoor kan een plan van aanpak worden opgesteld. Ook een tijdige voorbereiding vanuit het college is wenselijk, zodat ze tijdig een besluit kan nemen over rolneming in collectieve warmtesystemen. In dit plan zou ook een voorstel kunnen worden opgenomen over het meenemen/betrekken van de gemeenteraad en andere bestuurders van (semi-)overheden als het waterbedrijf, Provincie en Rijkswaterstaat. Sociaal-maatschappelijk: Voor het vervolgtraject is aan te raden een communicatieen participatieplan op te stellen. Hieruit moet duidelijk worden waarom er met bepaalde wijken eerder wordt gestart dan in andere wijken (transitievisie). Samen met stakeholders wordt daarin bepaald hoe en op welk moment inwoners kunnen en willen participeren: co-creatie, actief input geven of vooral meeluisteren. Eerst moet de communicatie en participatie zich richten op de keuze voor een warmtesysteem, later ook op de uitvoering en realisatie van dit systeem. Dit resulteert in een samengevat stappenplan:

1. Opstellen communicatie- en participatieplan; voor, samen en met eigenaren en bewoners; 2. Starten van onderzoek naar alternatieven (waar nodig en gewenst voor het maken van een keuze);  Andere technieken in een Quickscan doorrekenen  Groengas, hybride of individueel oplossing lijkt het meest voor de hand liggend binnen de gemeente 3. Indien collectieve optie als beste naar voren komt: Politiek voorbereiden van besluit over rolneming in collectieve warmtenetten;  De randvoorwaarden opstellen over de organisatie of eigenaarschap van een collectief warmtesysteem (mits collectief net tot de mogelijkheden behoort)  Een voorstel maken over de rol van de gemeente voor collectief warmtesysteem  Bodemenergieplan 4. Samen met de politiek en stakeholders uitgangspunten (‘keuze-kader’) formuleren en een scenario kiezen 5. Plan maken voor de realisatie en exploitatie, bijvoorbeeld via concessieverlening; 6. Opstellen uitvoeringsplan; 7. Realisatie – de aanleg van het warmtesysteem; 8. Gebruik en exploitatie – o.a. monitoren hoe het systeem functioneert.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10411402/1