Bijlage 2 Formats bij beslispunt 1 (C8 D8 en C1)
Tekst van het document
KERNTAAK Kerntaak Taakveld
Participatie 6.3 Inkomensregelingen
ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses Op basis van alle analyses geven wij op de Inkomensregelingen de laatste paar jaar tussen de 60 en 70 euro per inwoner meer uit in vergelijking met alle referentiegroepen. De beleidsvrijheid in dit taakveld is 20%. a. Uit welke budgetten bestaat het thema? b. Waarin zit het verschil met de referentiegemeenten?
Antwoord onderzoeksvraag data-analyses a. Uit welke budgetten bestaat het thema? Personeel maatschappelijke ondersteuning Personeel participatie (personeelskosten) BUIG Inkomensdeel (gebundelde uitkering ) BBZ (Besluit bijstandverlening zelfstandigen) Gemeentelijk minimabeleid TOZO regeling (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers) TONK regeling (Tijdelijke Ondersteuning voor Noodzakelijke Kosten) Personeel participatie b. Waarin zit het verschil met de referentiegemeenten? Er is weinig beleidsvrijheid bij inkomensregelingen. Het verschil met de referentiegemeenten is niet specifiek onderzocht. Besparing is mogelijk, maar beperkt. Dit kan mogelijk op personeelskosten en gemeentelijk minimabeleid. De rest is wettelijk verplicht.
OMBUIGING
Ombuiging:
A8 Hoe en met hoeveel kunnen we kosten besparen op de inkomensregelingen?
Toelichting
1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.
€
2025 1.000
2026 1.000
2027 1.000
2028 1.000
2029 1.000
Toelichting: Veenendaal krijgt een vergoeding om onderdelen van de Dienstverleningsovereenkomst (DVO) uit te voeren, waaronder de Benchmark Armoede en Schulden. De meerwaarde hiervan is beperkt. Stoppen is een optie en kan mogelijk besparen op de personele inzet van Veenendaal. De geschatte besparing is €1.000 per jaar.
1b. Opbrengst in anders: Toelichting: Niet van toepassing.
1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Structureel, omdat dit de komende jaren niet wordt afgenomen.
2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Geen risico's.
3. Op welke termijn? Toelichting: De DVO moet worden aangepast, maar dit kan binnen enkele maanden. Realisatie is nog mogelijk in 2025.
4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet x
Redelijk
Groot
Niet x
Redelijk
Groot
Toelichting: Geen impact.
5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging?
Toelichting inhoudelijk: Geen impact. Alleen aanpassing DVO nodig.
Toelichting formatief:
EINDE FORMULIER
KERNTAAK Kerntaak Taakveld
Individuele voorzieningen Wmo 6.71b Begeleiding (Wmo)
ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses Er zit tussen de 36 en 41 euro per inwoner verschil in uitgaven in vergelijking met alle referentiegroepen. De beleidsvrijheid in dit taakveld is 35%. Waarom zijn onze begeleidingskosten per inwoner zoveel hoger dan die in de referentiegemeenten?
Antwoord onderzoeksvraag data-analyses De vraag is, of als alle maatwerkvoorzieningen samen nemen, de verschillen met referentiegemeenten ook zo groot zijn. Dit is niet het geval. Een nadere analyse van de referentiegemeenten levert op dat de gemeente Rhenen een gemiddelde waarde heeft betreffende de SES-WOA (sociaal economische status gebaseerd op welvaart, opleiding en arbeid). Alle referentiegemeenten hebben een hoog (5) tot heel hoge (5) SES-WOA waarde, waardoor er minder ondersteuning nodig is. Dit is ook de ervaring vanuit de praktijk: een plattelandsgemeente met stadse problematieken. De SES waar naar verwezen wordt, wordt gebruikt in het ‘wmo voorspelmodel – VNG’ en heeft een net andere invulling en betekenis dan de SES gebruikt in het model begrotingsanalyse BZK waar de referentiegemeentes uit voortkomen. In dit laatste model is de ses opgebouwd met maatstaven zoals gebruikt in het gemeentefonds en is het doel meer financieel analytisch gericht. Bij het ‘Wmo voorspelmodel – VNG’ is de ses opgebouwd met de maatstaven welvaart, opleiding en arbeid en is het doel meer beleidsmatig gericht. Voor het sociaal domein gaat de vergelijking vanuit de SES in het model begrotingsanalyse BZK met de referentiegemeenten dan ook mank en lijkt er vooral naar het aantal inwoners gekeken te zijn.
OMBUIGING
Ombuiging:
A9
Hoe en met hoeveel kunnen we de kosten verminderen op begeleiding Wmo?
Toelichting
1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.
€
2025 -42.800
2026 55.608
2027 45.578
2028 45.578
2029 45.578
Toelichting: Let op: omdat maatregel A9 onderdeel is van het raadsvoorstel taakstelling SD 2025, wordt eerst geevalueerd en wordt de maatregel C4 pas onderdeel van de perspectiefnota 2027. De volgende maatregelen kunnen we verder uitwerken: A. Toegang kritischer beheren B. Formuleren en sturen op realisatie clientdoelen C. Herbeoordelen van 30 meest complexe/dure casussen begeleiding/dagbesteding Uitwerking maatregelen A. Toegang kritisch beheren Deze maatregel vraagt meer formatie bij de toegang, die mogelijk gecompenseerd wordt doordat er minder meldingen opgepakt en onderzocht hoeven te worden. Daarbij is het belangrijk dat het toegangsproces integraler wordt. Deze maatregel is moeilijk te kwantificeren. Dit is een randvoorwaarde om de bezuinigingen die je aan de achterkant doet, niet teniet laat gaan door hoge instroom. Dit vraagt een investering in 2025 en 2026 (€45.000, waarvan €25.000 in 2025 en €20.000 in 2026). Het is moeilijk hieraan een besparingsbedrag te koppelen, op dit moment. Op basis van de investering in 2025 en 2026, verwachten we voor de Perspectiefnota '27 e.v. wel een uitspraak te kunnendoen. B. Formuleren en sturen op realisatie clientdoelen Op basis van een stappenplan (o.b.v.
de Wmo en de Centrale Raad van Beroep) wordt bij een onderzoek (of herindicatie) scherper: '-of de benodigde ondersteuning onder de Wmo valt, '- wat iemand zelf kan doen of zijn huisgenoten of netwerk, '- of de zorgvraag bij een andere wet hoort , '- of er een voorliggende voorziening beschikbaar is. Zo wordt duidelijk wat overblijft aan maatwerk en of er kan worden afgeschaald bij bestaande ondersteuning (b.v. in uren of van specialistisch naar regulier). Deze maatregel nodigt uit om de hulpvraag aan de voorkant kritischer te benaderen en de voortgang op de doelen actiever te monitoren en een voorziening duurzaam in te zetten als deze doel- en rechtmatig is. Onderzoek dat bureau Berenschot bij verschillende gemeenten heeft gedaan, geeft aan dat er een besparingspotentieel kan worden gerealiseerd van naar schatting 5% - 10%. Voor Rhenen wordt dit geschat op 5%, omdat er nu al regelmatig geevalueerd wordt en er geen langdurige indicaties worden afgegeven. Iedere client (begeleiding en dagbesteding) wordt jaarlijks gezien. Daarnaast zit er een dubbeling in met maatregel C, waarbij de 30 duurste casussen worden herbeoordeeld. Voor begeleiding individueel staat een bedrag van € 1.311.953 op de begroting. Wanneer het bedrag van maatregel C hiervan wordt afgetrokken, resulteert dit in 5% van € 911.556. De potentiele besparing is € 45.578 in 2026. Dit is de maximale besparin.
In 2025 kan deze besparing nog niet worden gerealiseerd, omdat de nieuwe werkwijze veel tijd vraagt van de consulenten. Ook is een training noodzakelijk voor het duidelijker stellen van de doelen van € 2.500. C. Herbeoordelen van 30 meest complexe/dure casussen begeleiding De consulenten van het sociaal team geven nooit langdurige indicaties of voor begeleiding en dagbesteding. Gemiddeld worden deze voor een jaar afgegeven en soms korter. Toch kan het zinvol zijn om de 30 duurste/meest complexe casussen voortijdig te herbeoordelen. De aanname is dat van 50% van de onderzochte casussen kan leiden tot een lichter ondersteuningaanbod. Daarbij verwachten we een besparing van gemiddeld 15%. De totale uitgaven van de 30 duurste casussen was de afgelopen drie jaar: € 1.201.191. € 1.201.191 : 3 jaar = € 400.397 x50% = € 200.199 x 15% = € 30.030. Er is extra formatie nodig om dit uit te voeren (in 2025: € 15.300) en zal dan effect hebben in 2026.
1b. Opbrengst in anders: Toelichting:
1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Maatregel A: structureel vanaf 2027. Maatregel B heeft een structureel effect omdat de maatregelen niet eenmalig worden doorgevoerd, maar als nieuwe werkwijze, zodat er doorlopend effect is. In eerste instantie wordt een groter eenmalig effect verwacht. Het onderzoek naar de 30 duurste casussen (C) heeft een incidenteel effect. Je kunt dit niet structureel doorzetten, omdat niet bekend is hoelang de zorg nog duurt.
2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Er kunnen meer bezwaren komen als er meer wordt afgewezen en dat kost tijd en geld.
3. Op welke termijn? Toelichting: Het zal een jaar duren voordat de maatregelen zijn effect krijgen en kunnen worden verondersteld als reguliere werkwijze.
4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet Redelijk Groot x Toelichting: Er wordt kritischer beoordeeld of iemand ondersteuning nodig heeft: het kan zijn dat mensen minder ondersteuning krijgen of helemaal niet meer. Zij moeten meer zelfredzaam zijn.
5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet
Redelijk
Groot x
Toelichting inhoudelijk:
Toelichting formatief: Het herstructureren van de toegang moet projectmatig worden opgepakt. Hiervoor is tijdelijk formatie nodig (0,5 fte): € 45.000 (Zie D20). Het formuleren en sturen op realistie clientdoelen is sinds februari 2025 al in gang gezet. Dit vergt nog een nadere training van de consulenten van het formuleren en evalueren van doelen (2.500 euro). Het herbeoordelen van de 30 duurste/complexe casussen is een project, dat alleen opgepakt kan worden met tijdelijk extra formatie. Inhuur van een exra tijdelijke kracht van 180 uur x € 85 = € 15.300.
EINDE FORMULIER
KERNTAAK Kerntaak Taakveld
6.1
Sociale basisvoorzieningen Samenkracht en burgerparticipatie
ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses n.v.t.
Antwoord onderzoeksvraag data-analyses
OMBUIGING
Ombuiging:
C12 Welke besparing levert het stoppen met de collectieve ondersteuning voor mantelzorgers op?
Toelichting
1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.
€
2025 35.000
2026 35.000
2027 50.000
2028 50.000
2029 50.000
Toelichting: De WMO schrijft een wettelijke taak voor om mantelzorgers te ondersteunen, daarnaast beschrijft artikel 2.1.6. dat de gemeente bepaalt op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering van mantelzorgers. De opdracht voor de jaarlijkse mantelzorgwaardering is middels een opdracht belegd bij Welzijn Rivierstroom. Deze overeenkomst heeft een looptijd tot 1 januari 2027. Er zijn momenteel drie budgetten in de begroting opgenomen voor mantelzorgondersteuning. Het gaat hierbij om: - individuele mantelzorgondersteuning (sociaal team) - collectieve mantelzorgondersteuning, structureel budget van €50.000,- (€15.000 hiervan ligt jaarlijks vast in contracten tot 2027) - opdracht mantelzorgondersteuning Welzijn Rivierstroom 2025 €53.328,- (deze ligt vast in contracten tot 2027) In de opdracht aan Welzijn Rivierstroom is vastgelegd dat zij de taak hebben om de jaarlijkse blijk van waardering te organiseren. Dit wordt gefinancierd uit het collectieve mantelzorgondersteuningsbudget. Zij ontvangen een bedrag van €15.000,- als activiteitenbudget, waarvan jaarlijks circa €9000,- besteed wordt aan deze blijk van waardering. Voor de jaren 2025 en 2026 kunnen we op het budget collectieve mantelzorgondersteuning €35.000,- besparen.
Hiermee blijft de opdracht richting Welzijn Rivierstroom van kracht en kunnen zij met het activiteitenbudget uitvoer geven aan zowel de blijk van waardering als aan overige initiatieven waarvoor budget nodig is, denk aan professionele begeleiding van lotgenoten groepen. De invulling van de blijk van waardering wordt jaarlijks besproken met de uitvoerende partij en daarmee ook het budget wat hiervoor beschikbaar gesteld wordt. Per 2027 is er een mogelijkheid om het budget collectieve mantelzorgondersteuning te laten vervallen. Daarmee komt €50.000,- vrij. De subsidietender Welzijn (per 2027) neemt in de opdracht het thema collectieve mantelzorgondersteuning mee.
1b. Opbrengst in anders: Toelichting: n.v.t.
1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Incidenteel voor de jaren 2025 en 2026, structureel per 2027.
2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: De ombuiging voor 2025 en 2026 heeft geen risico's omdat op basis van de evaluatie mantelzorgondersteuning eind 2024 nieuwe beleid geformuleerd gaat worden in 2026. Dit betekent dat nieuwe plannen pas uiterlijk in 2026 verdere uitwerking vinden en er dan pas mogelijk extra budget nodig is voor deze uitvoering. Op dit moment liggen er geen andere verplichtingen op deze €35.000,- en kunnen kleine zaken nog opgepakt worden vanuit SPUK gelden mantelzorgondersteuning GALA. Bij het laten vervallen per 2027 van dit budget is er minder mogelijk op het thema collectieve mantelzorgondersteuning. Dit heeft direct impact op de voorzieningen voor mantelzorgers en kan leiden tot meer overbelasting van mantelzorgers met alle gevolgen vandien.
3. Op welke termijn? Toelichting: Per direct.
4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet Redelijk Groot x Toelichting: De impact van het laten vervallen van het budget collectieve mantelzorgondersteuning per 2027 heeft direct gevolgen voor de mantelzorgers. We weten dat door de dubbele vergrijzing het beroep op mantelzorgers zal stijgen. Bij het versoberen van het aanbod voor mantelzorgers zal overbelasting van mantelzorgers een groter aandeel krijgen, waarbij zij zullen terugvallen op individuele hulpverlening met daarbij behorende hogere kosten.
5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet Redelijk x Toelichting inhoudelijk: Bij structureel wegbezuinigen ontstaat er mogelijk een toenemende vraag naar maatwerkondersteuning; WMO en Jeugdwet.
Toelichting formatief: Nader te bepalen.
EINDE FORMULIER
Groot
KERNTAAK Kerntaak Taakveld
6.1
Sociale basisvoorzieningen Samenkracht en burgerparticipatie
ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses n.v.t.
Antwoord onderzoeksvraag data-analyses
OMBUIGING
Ombuiging:
D2
Welk bedrag levert het stoppen met subsidiepotjes 'inwonersinitiatieven' op?
Toelichting
1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.
€
2025 12.750
2026 25.500
2027 25.500
2028 25.500
2029 25.500
Toelichting: Het betreft hier het Fonds voor Initiatieven, Buurtbudget en het budget Preventief Wmo en Jeugd. In 2025 is de subsidieregeling MO en Jeugd al opgeheven omdat dit nauwelijks werd gebruikt en dit leidt een structurele besparing van €7.500 met ingang van 2025. Verder is in de pijplijn het voorstel om de Subsidieregeling Fonds voor initiatieven ( € 13.000) en het Buurtbudget (€ 5.000) samen te voegen en het totaal bedrag te verlagen van € 18.000 tot € 13.000 wat zou leiden tot een structurele ombuiging van €5.000 met ingang van 2026 en omdat de regeling dan zou ingaan vanaf 1 juli voor 2025 voor de helft van dit bedrag ( €2.500). Het ambtelijk advies is daarmee vanaf 2026 structureel een ombuiging van 5.000 + 7.500 = 12.500 en voor 2025 2.500 + 7.500 = 10.000. Technisch zijn alle subisidies géén wettelijke verplichting en kan er bestuurlijk voor worden gekozen om het gehele bedrag als ombuiging op te nemen. Het totale technische ombuigingsbedrag vanaf 2026 is dan (13.000 + 7.500 =) 20.500. Het bedrag voor 2025 wat technisch kan worden omgebogen is minder omdat de ingangsdatum 1 juli is (13.000/2 = 6.500 + 7.500 = 14.000). Gezamenlijk gaat het om €25,5k per jaar. Deze budgetten worden jaar op jaar slechts gedeeltelijk benut. Omdat lopende het jaar aanvragen kunnen worden gedaan, is voor het lopende jaar 2025 gerekend met de helft van het budget.
Hierbij wordt er dan vanuit gegaan dat de aanvraagmogelijkheid per 1 juli wordt dichtgezet. Wanneer er gekozen wordt om voorbij te gaan aan het collegevoorstel dan kunnen ook alle hierboven genoemde subsidieregelingen stopgezet worden, dat levert dan per 2026 een besparing op van €25.500,- op jaarbasis.
1b. Opbrengst in anders: Toelichting:
1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Structureel omdat door het geheel of gedeeltelijk afschaffen van deze budgetten structureel minder wordt uitgegeven.
2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Met name het afschaffen of stopzetten van het buurtbudget en het fonds voor initiatieven raakt de inwoners rechtstreeks. Hoewel de budgetten niet groot zijn, leveren ze wel een belangrijke bijdrage aan de sociale samenhang in de dorpen. Afschaffing leidt mogelijk tot onbegrip en verlies van draagvlak voor andere gemeentelijke besluiten. Daarnaast geven we veel publiciteit aan deze subsidieregeling en is zowel in De Klamp als in de Rijnpost in maart een artikel over deze subsidieregeling verschenen. De Visie Sociaal Rhenen 2030 stimuleert de inzet van inwonersinitiatieven.
3. Op welke termijn? Toelichting: Vanaf 2025.Uitgaven 2024: Fonds voor Initiatieven: €1300,- (begroot €13.000) Buurtbudget: €2479,82 (laag bedrag, voorgaande jaren meestal uitgaven rond de €4000,-) (begroot €5000,-)
4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet
Redelijk X
Groot
Toelichting: Niet groot in omvang, wel grote invloed op sociale samenhang en draagvlak voor de rol- en taak van de gemeente
5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet Redelijk Groot x Toelichting inhoudelijk: Afschaffing betekent dat geen aanvragen meer hoeven te worden behandeld. Dat neemt niet weg dat de vraag naar ondersteuning zal blijven. Mogelijk leidt het niet kunnen bieden van ondersteuning juist tot meer werk. Denk aan bezwaren, zoeken naar creatieve andere oplossingen etc.
Toelichting formatief:
EINDE FORMULIER
KERNTAAK Kerntaak Taakveld
4.3
Onderwijs Onderwijsbeleid en leerlingzaken
ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses n.v.t.
Antwoord onderzoeksvraag data-analyses
OMBUIGING
Ombuiging:
D30 functie beleidsadviseur sociaal domein, met specialisatie onderwijs ,voor 50% te dekken uit middelen voor onderwijsachterstandenbeleid (€ 39.147)
Toelichting
1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.
€
2025 39.147
2026 39.147
2027 39.147
2028 39.147
2029 39.147
Toelichting: Voor de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid (= OAB) ontvangt de gemeente Rhenen structureel middelen van het Rijk. Deze middelen van het Rijk zijn in de praktijk hoger dan we in Rhenen (kunnen) uitgeven. Hierdoor ontstaat veelal een terugbetalingsverplichting aan het Rijk. Echter kunnen we ook personeelskosten in de vorm van inhuur en/of salariskosten toerekenen en via deze regeling compenseren. Dit gebeurde al (achteraf) bij het opstellen van de jaarstukken. Echter was dit nog niet in de begroting verankerd. 1b. Opbrengst in anders: Toelichting:
1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Structureel
2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting:
3. Op welke termijn? Toelichting: Vanaf 2025.
4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet Redelijk Groot x Toelichting: Het structureel dekken van deze formatie binnen de middelen die we ontvangen voor de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid heeft geen gevolgen.
5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet X
Redelijk
Groot
Toelichting inhoudelijk:
Toelichting formatief: De beleidsadviseur sociaal domein is ongeveer 50% van de tijd bezig met OAB. Derhalve kan de helft van de salariskosten (€ 78.294) toegerekend worden.
EINDE FORMULIER