Bijlage 2 Bijlagen bij concept-ontwerpomgevingsvergunning
Tekst van het document
Publiceerbare aanvraag/melding omgevingsvergunning
Formulierversie 2020.01
Aanvraaggegevens Algemeen Aanvraagnummer
6605905
Aanvraagnaam
Onderstation Achterberg
Uw referentiecode
-
Ingediend op
21-12-2021
Soort procedure
Onbekend
Projectomschrijving
Op een aantal locaties moet de energievoorziening worden versterkt, waaronder het onderstation Achterberg. ProRail wenst ten westen van het bestaande onderstation een nieuw onderstation te plaatsen. De grond van de beoogde nieuwe locatie is in eigendom van Railinfratrust, maar heeft de bestemming ‘wonen’. Het nieuw te bouwen station past hiermee niet binnen het vigerend planologisch kader, er dient te worden afgeweken van het bestemmingsplan.
Opmerking
De benodigde informatie over de kosten voor het project volgen spoedig. SK-raming wordt begin 2022 afgerond. Ter informatie laten wij ook nog graag weten in goed overleg te zijn met de bewoner van het naastgelegen perceel aan de zuidelijke meentsteeg 4. Hij is op de hoogte van de aanvraag van deze omgevingsvergunning.
Gefaseerd
Nee
Blokkerende onderdelen weglaten
Nee
Kosten openbaar maken
Nee
Bijlagen die later komen
-
Bijlagen n.v.t. of al bekend
-
Geen
21 december 2021
Geen
Geen
Bevoegd gezag Naam:
Gemeente Rhenen
Bezoekadres:
Nieuwe Veenendaalseweg 75 3911 MG Rhenen
Postadres:
Postbus 201 3910 AE Rhenen
Telefoonnummer:
0317 681722
E-mailadres:
vergunningen@rhenen.nl
Website:
www.rhenen.nl
Contactpersoon:
Loes van Enckevort
Datum aanvraag: 21 december 2021 Aanvraagnummer: 6605905
Bevoegd gezag: Gemeente Rhenen
Pagina 1 van 5
Overzicht bijgevoegde modulebladen
Aanvraaggegevens Locatie van de werkzaamheden Werkzaamheden en onderdelen Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening • Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening Bijlagen
Datum aanvraag: 21 december 2021 Aanvraagnummer: 6605905
Bevoegd gezag: Gemeente Rhenen
Pagina 2 van 5
Locatie 1
Kadastraal perceelnummer
Burgerlijke gemeente
Rhenen
Kadastrale gemeente
Rhenen
Kadastrale sectie
K
Kadastraal perceelnummer
1150
Bouwplannaam
-
Bouwnummer
-
Geen
Geen
Gelden de werkzaamheden in deze aanvraag/melding voor meerdere adressen of percelen?
Datum aanvraag: 21 december 2021 Aanvraagnummer: 6605905
Ja Nee
Bevoegd gezag: Gemeente Rhenen
Pagina 3 van 5
Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening 1
Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
Met welke regels voor ruimtelijke ordening zijn de voorgenomen werkzaamheden in strijd?
Bestemmingsplan Beheersverordening Exploitatieplan Regels op grond van de provinciale verordening Regels op grond van een AMvB Regels van het voorbereidingsbesluit
Beschrijf hoe en in welke mate de voorgenomen werkzaamheden in strijd zijn met de regels voor ruimtelijke ordening.
Op de locatie geldt het Consolidatieplan Buitengebied Rhenen geconsolideerd op 10 februari 2015. De grond van de beoogde nieuwe locatie is in eigendom van Railinfratrust, maar heeft de bestemming ‘wonen’. Het nieuw te bouwen station past hiermee niet binnen het vigerend planologisch kader, er dient te worden afgeweken van het bestemmingsplan.
Beschrijf het huidige gebruik van de gronden of het bouwwerk.
Tussen het spoor en het bestaande onderstation ligt een reststrook groen die niet openbaar toegankelijk is. Hier vindt nu sporadisch opslag van goederen plaats.
Beschrijf het beoogde gebruik van de gronden of het bouwwerk.
In de toekomstige situatie komt ter plaatse van de groenstrook een onderstation van ProRail te staan die ervoor zorgt dat de energievoorziening op dit deel van baanvak Rhenen – De Haar wordt versterkt. Het verzwaren van dit onderstation zal bijdragen aan de mogelijkheid om verlengde sprinters in te zetten tussen Amsterdam en Rhenen. Realisatie van een nieuw onderstation.
Beschrijf de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening.
zie ruimtelijke onderbouwing in de bijlage
Is het beoogde gebruik tijdelijk van aard?
Ja Nee
Hebt u een rapport nodig waarin de archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord in voldoende mate is vastgelegd?
Ja Nee
Wordt er afgeweken van het exploitatieplan?
Ja Nee
Datum aanvraag: 21 december 2021 Aanvraagnummer: 6605905
Bevoegd gezag: Gemeente Rhenen
Pagina 4 van 5
Bijlagen Formele bijlagen Naam bijlage
Bestandsnaam
Type
Datum ingediend
aanbiedingsbrief_OS_Achterberg_pdf
aanbiedingsbrief OS Achterberg.pdf
Gegevens Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
21-12-2021
In behandeling
Bijlage_1_akoestisch_onderzoek_pdf
Bijlage 1 akoestisch onderzoek.pdf
Gegevens Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
21-12-2021
In behandeling
Bijlage_2_watertoets_pdf
Bijlage 2 watertoets.pdf
Gegevens Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
21-12-2021
In behandeling
Bijlage_3_qs_flora_en_fa- Bijlage 3 qs flora en una_pdf fauna.pdf
Gegevens Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
21-12-2021
In behandeling
lage_4_archeologisch_bureauonderzoek_pdf
Bijlage 4 archeologisch bureauonderzoek.pdf
Gegevens Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
21-12-2021
In behandeling
Bijlage_5_verkennend_bodemonderzoek_pdf
Bijlage 5 verkennend Gegevens Handelen bodemonderzoek-.pdf in strijd met regels ruimtelijke ordening
21-12-2021
In behandeling
ation_Achterberg_gemeente_Rhenen_C04_pdf
Ruimtelijke onderbouwing onderstation Achterberg gemeente Rhenen C04.pdf
21-12-2021
In behandeling
Datum aanvraag: 21 december 2021 Aanvraagnummer: 6605905
Bevoegd gezag: Gemeente Rhenen
Gegevens Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening
Status document 21 december 2021
21 december 2021
21 december 2021
21 december 2021
21 december 2021
21 december 2021
21 december 2021
Pagina 5 van 5
Quickscan flora en fauna
Onderstation, Achterberg
Arnhem, 28 september 2020
Pagina |2
Colofon Titel Subtitel
: Quickscan flora en fauna : Onderstation, Achterberg
Projectnummer Datum
: 20.235 : 28 september 2020
Veldonderzoek Auteur(s)
: E.W.A. Janssen : E.W.A. Janssen
Collegiale toets
: T. van de Zilver
Opdrachtgever Contactpersoon
: ProRail, Utrecht : C. de Vries
Bezoekadres Postcode Telefoon
: Snelliusweg 40-18 : 6827 DH Arnhem : 026-2001900
info@ekoza.nl www.ekoza.nl
Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
Pagina |3
Inhoudsopgave 1. 2.
Inleiding ...........................................................................................................................................................4 Wettelijk kader ................................................................................................................................................5 2.1 Natura 2000-gebieden .............................................................................................................................5 2.2 Natuurnetwerk Nederland ......................................................................................................................5 2.3 Soorten....................................................................................................................................................6 2.4 Houtopstanden .......................................................................................................................................8 2.5 Invasieve exoten .....................................................................................................................................9 3.
Gebiedsbeschrijving .......................................................................................................................................10 3.1 Gebiedsbeschrijving ..............................................................................................................................10 3.2 Voorgenomen ingreep ...........................................................................................................................11 4. Onderzoeksmethode ......................................................................................................................................12 4.1 Gebiedsbescherming .............................................................................................................................12 4.1.1 Natura 2000 ........................................................................................................................................ 12 4.1.2 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................................. 12 4.2 Soorten..................................................................................................................................................12 4.2.1 Bronnenonderzoek..............................................................................................................................
13 4.2.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 13 4.2.3 Effectenbeoordeling ............................................................................................................................ 13 4.3 Houtopstanden .....................................................................................................................................14 4.4 Invasieve exoten ...................................................................................................................................14 5. Resultaten ......................................................................................................................................................15 5.1 Gebiedsbescherming .............................................................................................................................15 5.1.1 Natura 2000 ........................................................................................................................................ 15 5.1.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................
16 5.2 Soorten..................................................................................................................................................17 5.2.1 Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................................... 18 5.2.2 Vleermuizen ........................................................................................................................................ 19 5.2.3 Vogels .................................................................................................................................................. 21 5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ........................................................................................................... 22 5.2.5 Flora .................................................................................................................................................... 23 5.2.6 Ongewervelden ...................................................................................................................................
24 5.3 Houtopstanden .....................................................................................................................................24 5.4 Invasieve exoten ...................................................................................................................................25 6. Conclusies en aanbevelingen ..........................................................................................................................26 6.1 Gebiedsbescherming .............................................................................................................................26 6.1.1 Natura 2000 ........................................................................................................................................ 26 6.1.2 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................................. 26 6.2 Soortbescherming .................................................................................................................................26 6.2.1 Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................................... 27 6.2.2 Vleermuizen ........................................................................................................................................
27 6.2.3 Vogels .................................................................................................................................................. 27 6.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ........................................................................................................... 27 6.2.5 Flora .................................................................................................................................................... 28 6.2.6 Ongewervelden ...................................................................................................................................
28 6.3 Houtopstanden .....................................................................................................................................28 6.4 Invasieve exoten ...................................................................................................................................28 Bronnen ..................................................................................................................................................................29 Literatuur ...........................................................................................................................................................29 Websites.............................................................................................................................................................29
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
Pagina |4
1.
Inleiding Een onderstation aan de Zuidelijke Meentsteeg te Achterberg (gemeente Rhenen, provincie Utrecht), zal worden gesloopt en een nieuw onderstation zal ernaast worden gebouwd. Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten deze ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna. De voorliggende rapportage beschrijft de resultaten van een quickscan. Het betreft een beoordeling van de huidige en potentiële aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren op de onderzoekslocatie en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten en gebieden. De quickscan vindt plaats op grond van bronnenonderzoek en een terreinbezoek. Tijdens het terreinbezoek is een inschatting gemaakt welke soorten voor kunnen komen en welke soorten op voorhand uit te sluiten zijn. Deze quickscan is een momentopname en kan slechts in beperkte mate uitsluitsel geven over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er effecten te verwachten zijn van de werkzaamheden op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd. In hoofdstuk 2 staat het wettelijk kader uiteengezet, waaraan getoetst dient te worden. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het onderzoeksgebied en de voorgenomen ingrepen.
Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeksmethode. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek en de mogelijke effecten van de ingreep op beschermde soorten besproken. Ten slotte volgen in hoofdstuk 6 de conclusies, aanbevelingen en eventuele vervolgstappen.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
Pagina |5
2.
Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag ligt bij de provincies. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij etc. De Wet natuurbescherming is gericht op de bescherming van: • Natura 2000-gebieden • Soorten • Houtopstanden
2.1 Natura 2000-gebieden De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze natuurbeschermingsrichtlijnen hebben naast de bescherming van specifieke flora en fauna eveneens als doel om de leefgebieden van deze soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden. In Nederland zijn ruim 160 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Door de toenmalige Minister van LNV zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld voor de Natura 2000-gebieden, deze staan vermeld in het (ontwerp-) aanwijzingsbesluit. Daarin staan ook de instandhoudingsdoelstellingen voor alle habitattypen, -soorten en broedvogels die in het Natura 2000-gebied voorkomen beschreven. Daarnaast staat beschreven op welke wijze de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren zijn. Onder ‘instandhouding’ wordt verstaan het geheel aan maatregelen die nodig zijn ter behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten.
Elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000gebied die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: • de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren; of • een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen is ingevolge artikel 2.7, tweede lid verboden. De activiteit kan slechts doorgang vinden wanneer het bevoegd gezag een vergunning verleent.
2.2 Natuurnetwerk Nederland Het doel van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) is om een samenhangend netwerk te creëren van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen. Het huidige netwerk bestaat voor het merendeel uit Natura 2000-gebieden en andere bestaande natuurgebieden. Daarnaast worden natuurgebieden uitgebreid, nieuwe natuurgebieden ontwikkeld en ecologische verbindingszones aangelegd. Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
Pagina |6
Onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland zijn Ecologische Verbindingszones (EVZ), die natuurgebieden met elkaar verbinden om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken. De provincies zijn sinds 2014 verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Bij toetsing van de ingreep aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn de 'Spelregels EHS' van toepassing, een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en een door Rijk, provincies en maatschappelijke organisaties gezamenlijk opgesteld beleidskader. Provincies hebben de Spelregels laten doorwerken in hun eigen ruimtelijk beleid. Het compensatiebeginsel voor de EHS is het sluitstuk van het ‘nee, tenzij’ beschermingsregime. Volgens dat regime zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen, die afwijken van het bestemmingsplan, in het NNN met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang én het ontbreken van reële alternatieven. De hoofdlijnen van de regels voor de bescherming en compensatie van het NNN zijn juridisch verankerd in de uitbreiding van het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke ordening (Barro, voorheen AMvB Ruimte), die op 1 oktober 2012 in werking is getreden (bekendmaking inhoud Stb. 2012, 388; bekendmaking inwerkingtreding Stb. 2012, 434).
2.3 Soorten Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: • soorten van de Vogelrichtlijn • soorten van de Habitatrichtlijn • andere soorten
Vogelrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Ingevolge artikel 3.1 is het verboden om: 1. Opzettelijk vogels te doden of te vangen; 2. Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; 3. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; 4. Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Habitatrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.5 (Bern bijl. II, Bonn bijl. I) verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Opzettelijk dieren te verstoren; 3. Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
Pagina |7
4. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 5. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.6 (Bern bijl. I en II, Bonn bijl. I) verboden om dieren of planten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om aantoonbaar gefokte of gekweekte dieren of planten.
Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. RVO (bevoegd gezag in deze) heeft een lijst met vrijgestelde soorten welke te vinden zijn in de Regeling natuurbescherming artikel 3.31 en Bijlage 11. Ingevolge Wet natuurbescherming artikel 3.10 is het verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Zorgplicht Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft bovendien niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, • indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de zorgplicht zelfstandig betekenis.
Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
Pagina |8
Jaarrond beschermde nesten Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Enkele provincies, zoals Limburg en Overijssel, hebben hun eigen lijst van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten.
2.4 Houtopstanden De regels van de Boswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Wet natuurbescherming. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Ingevolge artikel 4.1 vallen buiten de bescherming houtopstanden: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet); • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar • kweekgoed; o uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid o bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; o zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
Pagina |9
2.5 Invasieve exoten Sinds 3 augustus 2016 is er een Europees verbod op bezit, handel, kweek, gebruik, transport en vrijlaten van schadelijke exotische planten en dieren. Deze soorten staan op de zogenaamde Unielijst. Een exoot is een plant, dier of ander organisme dat van nature niet in Nederland voorkomt. Als een soort schadelijk is voor de natuur is dit een invasieve exoot. Invasieve exoten komen door menselijk handelen in Nederland terecht. Exoten die zich thuis voelen in Nederland vestigen zich in de natuur en vermeerderen snel. Om de schade die invasieve exoten aanrichten aan te pakken is een Europese verordening ontwikkeld. In deze verordening staan ge- en verboden om schade in de Europese Unie zo veel mogelijk te voorkomen. Op de Unielijst staan soorten die voorkomen en schade toebrengen of dit in de toekomst gaan doen. Verschillende soorten hebben een verschillend effect op de natuur in Nederland en behoeven dus ook andere maatregelen. Voor een aantal krabben en kreeften mag bevissing, transport en handel voor consumptie wel, omdat dit een beheersmaatregel is voor deze soorten. De provincies zijn verantwoordelijk voor de aanpak van de invasieve exoten die in 2016 en 2017 op de Unielijst zijn geplaatst (zie bijlage 10 van de Regeling natuurbescherming).
Uitgezonderd zijn de wolhandkrab en de Amerikaanse rivierkreeften (waarvoor het Rijk verantwoordelijke blijft) en de beverrat (waarvoor de waterschappen verantwoordelijk blijven). Niet elke exoot die schadelijk is in Nederland of andere delen van de EU staat op de Unielijst. Er zijn een aantal criteria waaraan een soort moet voldoen om op de Unielijst te komen. Enkele soorten staan niet op de Unielijst, maar kunnen echter wel schade veroorzaken, zoals Aziatische duizendknopen. Daarom adviseert de overheid om maatregelen te nemen om te voorkomen dat deze invasieve exoten in de natuur terechtkomen of zich verder verspreiden.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 10
3.
Gebiedsbeschrijving
3.1 Gebiedsbeschrijving Het plangebied is gelegen aan de Zuidelijke Meentsteeg te Achterberg (Ut.), nabij de spoorwegovergang, direct ten zuiden van huisnummer 4. Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten noorden van het dorp Achterberg. Het bestaat uit een onderstation en een open grasveld tussen dit onderstation en het spoor (Rhenen-Veenendaal). Aan de noordkant is een woonerf. Het onderstation is L-vormig, van steen en met een plat dak. Een transformator staat in de hoek van het gebouw. In de omgeving zijn weilanden, houtsingels, boomkwekerijen, boerderijen en woningen. Er zijn geen watergangen of loofbomen binnen het plangebied, wel staan er drie eiken net buiten het hek van het plangebied en een 6 meter hoge conifeer binnen het plangebied. Ook ligt er een sloot aan de oostkant tegen het plangebied. Omdat niet zeker is in hoeverre deze tijdens de werkzaamheden worden aangetast, of eventuele verblijfplaatsen verstoord zullen worden, zijn ze in deze quickscan meegenomen. Met name de conifeer staat dicht bij het geplande onderstation. Het terrein is verder begroeid met diverse grassen, wat braamstruiken en jonge eikjes. In Figuur 1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven. Figuur 2 geeft een impressie van het plangebied.
Veenendaal Ede
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 11
Figuur 2. Impressie van het plangebied.
3.2 Voorgenomen ingreep ProRail is voornemens het bestaande onderstation te vervangen door een nieuw onderstation. Dit nieuwe onderstation wordt gerealiseerd op het grasveld tussen het te slopen onderstation en het spoor. Daarbij zullen ook kabels verlegd moeten worden. Er zal overdag gewerkt worden. De planning is om te starten met het werk in 2021.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 12
4.
Onderzoeksmethode
4.1 Gebiedsbescherming Het onderzoek naar gebiedsbescherming betreft een bureaustudie.
4.1.1 Natura 2000 Voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden ten opzichte van het plangebied is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hier is alle informatie over Natura 2000-gebieden te vinden zoals de habitattypen en -soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. In dit onderzoek worden o.a. de onderstaande vragen beantwoord: 1. Ligt de ingreeplocatie in een Natura 2000-gebied, of ligt er een Natura 2000-gebied binnen de invloedsfeer van de ingreeplocatie, zodat externe en/of cumulatieve effecten te verwachten zijn. 2. Wat zijn de mogelijke negatieve en/of positieve effecten van de voorgenomen ingrepen op de instandhoudingdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in kwestie. 3. Kunnen deze effecten: a. verstorend zijn voor kwalificerende soorten b. leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de kwalificerende habitats c. significant negatief zijn voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen
4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) werd vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het Natuurnetwerk is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Voor het bepalen van de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN is gebruikt gemaakt van de websites van de provincie Utrecht. Hierbij is bekeken hoe de ligging van het plangebied is ten opzichte van het Natuurnetwerk. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN worden de effecten van de ingreep op de wezenlijkheidskenmerken en -waarden van het NNN getoetst.
4.2 Soorten Het onderzoek naar beschermde soorten bestaat uit twee delen. Er is begonnen met een literatuurstudie, gevolgd door een veldonderzoek in het plangebied. Aan de hand van de literatuurgegevens en het veldbezoek wordt bepaald welke soorten daadwerkelijk in het plangebied voor kunnen komen.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 13
4.2.1 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Een belangrijke bron zijn de gegevens afkomstig uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank geeft het meest actuele overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen. Het is een koppeling van databases zoals waarneming.nl en telmee.nl. Hierin participeren onder andere de Particuliere Gegevensverzamelende Organisaties (PGO’s) zoals Sovon, Ravon en de Zoogdiervereniging. Voor de gegevens uit de NDFF is een zoekgebied geselecteerd rondom de te onderzoeken locatie. Er is gekeken naar de gegevens van de laatste 3-10 jaar, afhankelijk van de soortgroep en hoeveelheid gegevens. De NDFF is op 21 september 2020 geraadpleegd. Verder zijn ecologische verspreidingsatlassen geraadpleegd: Bos, 2006; Broekhuizen, 2016; Creemers, 2009; NVL 2002.
4.2.2 Veldonderzoek Het plangebied is eenmaal bezocht op 22 september 2020. Het was een zonnige dag, met een temperatuur van rond de 19°C met nauwelijks wind. Het veldwerk voor dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Het onderzoek bestaat uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Er is zowel (globaal) gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna als naar de mogelijke waarden die het gebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een eenmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten (zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc.).
4.2.3 Effectenbeoordeling Als bepaald is welke beschermde soorten in het plangebied voor kunnen komen vindt een inschatting van de effecten plaats. Aan de hand van de ingreep worden de effecten van de activiteiten op de mogelijk aanwezige soorten bepaald. Effecten kunnen optreden tijdens de realisatiefase van het project en zijn dan meestal tijdelijk van aard. In de gebruiksfase van het project kunnen blijvende effecten optreden. Effecten van de ingreep op aanwezige soorten zijn sterk afhankelijk van een aantal variabelen, zoals: de voorgenomen werkzaamheden, de exacte locatie, de periode van het jaar, het tijdstip van de dag, de doorlooptijd van de werkzaamheden, de gebruikte machines of materialen enzovoort. Niet alleen de effecten op de aanwezige verblijfplaatsen van de soort zijn van belang, maar ook of het leefgebied blijvend kan voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Verder is het van belang te weten welke effecten de werkzaamheden hebben op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Bij kans op negatieve effecten kan nader onderzoek worden geadviseerd en is mogelijk een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming nodig.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 14
4.3 Houtopstanden Bij het kappen van bomen binnen het plangebied wordt middels een bureaustudie bepaald of het houtopstanden betreft die buiten het besluit van de betreffende gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet) liggen.
4.4 Invasieve exoten Tijdens het veldonderzoek wordt er gekeken naar de eventuele aanwezigheid van invasieve soorten. Bij (mogelijke) aanwezigheid wordt beschreven wat de maatregelen zijn die genomen moeten worden om te voldoen aan de Europese verordening.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 15
5.
Resultaten
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op 2,55 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Binnenveld en op 2,62 kilometer van Natura 2000-gebied Rijntakken (fig. 3).
Binnenveld
Rijntakken
Figuur 3. Ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Binnenveld Het Binnenveld is een blauwgraslandreservaat in het zuidelijk deel van de Gelderse vallei. De meent wordt gevoed door basenrijk kwelwater (afkomstig van de Veluwe) dat ervoor zorgt dat in het gebied gebufferde, schrale bodems aanwezig zijn. Het terrein heeft een venige bodem waarin plaatselijk zandopduikingen optreden en juist op deze zandopduikingen, waar basenrijk water via de capillaire werking een sterke opstijging kan vertonen, wordt blauwgrasland aangetroffen. Het is aangewezen tot Natura 2000-gebied vanwege de habitattypen Blauwgraslanden (H6410), Overgangs- en trilvenen (H7410A) en Overgangs- en trilvenen (H7410B). Afstand tot deze habitattypen, welke allemaal zeer stikstofgevoelig zijn, is minimaal 2,78 km. Daarnaast is het gebied aangewezen voor de habitatsoorten Grote modderkruiper (H1145) en Geel schorpioenmos (H1393), (www.natura2000.nl).
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 16
Rijntakken Het deelgebied Uiterwaarden Neder-Rijn beslaat de uiterwaarden van de Neder-Rijn tussen Heteren en Wijk bij Duurstede. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. De Neder-Rijn moet in perioden met hoge rivierafvoer 1/6 van de Rijnafvoer voor haar rekening nemen. In perioden met lage rivierafvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw bij Amerongen. De uiterwaarden zijn gevarieerd in breedte en hoogteligging. De uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, meidoornhagen, knotwilgen, bosjes, moerasgebiedjes, ontgrondingsgaten en geïsoleerde oude riviertakken. De rivierbedding heeft een breedte van 200 tot 250 meter. Het winterbed varieert in breedte van 500 meter bij Rhenen tot maximaal twee kilometer bij Amerongen. Karakteristiek voor dit gebied is de overgang van het rivierenlandschap naar de hogere gronden: de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Enkele voorbeelden zijn de Blauwe Kamer onder aan de Grebbeberg, de Elster buitenwaarden die grenst aan Plantage Willem III en de Amerongse Bovenpolder aan de voet van de Amerongse Berg. Op deze overgangen komen restanten van hardhoutooibossen voor. Door kwel vanuit de rivier en vanuit de hogere gronden kan het water in poelen en plassen in de uiterwaarden van goede kwaliteit zijn.
De Amerongse Bovenpolder is een relatief hooggelegen uiterwaard waar soortenrijke glanshaverhooilanden voorkomen. Het is een geaccidenteerd terrein met hoge, droge ruggen en vochtige laagten die incidenteel geïnundeerd worden. De Rijntakken zijn aangewezen voor 14 habitattypen, 11 habitatrichtlijnsoorten, 12 broedvogels en 26 niet-broedvogels. Dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype ligt op 2,80 kilometer afstand van het plangebied, het is Kamgrasweide & bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren en zeekleigebied (ZGLg11).
Effectenbeoordeling Fysieke storingsfactoren die plaats kunnen vinden door de werkzaamheden zijn er door de grote afstand niet; de werkzaamheden zijn beperkt van aard en worden op grote afstand uitgevoerd van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Er liggen wel stikstofgevoelige en zeer stikstofgevoelige habitattypen op minder dan 3 kilometer van het plangebied. Mogelijk worden stikstofnormen overschreden. Er zijn buiten mogelijk effecten door de stikstofdepositie geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op ca. 480 meter van het Natuurnetwerk Nederland (Figuur 4). De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Ruimtelijke ontwikkelingen die geen significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland mogen plaatsvinden.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 17
Figuur 4. Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. In het Natuurnetwerk Nederland heeft de provincie de volgende doelstellingen: • het herstel en behoud van de rijkdom aan soorten, de biodiversiteit. Hiervoor moeten natuurgebieden worden uitgebreid, verbeterd, en met elkaar worden verbonden, waardoor een netwerk ontstaat. Dit netwerk moet functioneren in ruimte en tijd, waardoor planten en dieren een duurzame, robuuste en klimaatbestendige leefomgeving krijgen; • het bieden van ruimte aan de groeiende behoefte aan rust en ruimte. Hierdoor kunnen inwoners en bezoekers de natuur beleven en het draagvlak voor natuurbeleid waarborgen.
Effectenbeoordeling Het plangebied bevindt zich op ongeveer 500 meter van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Deze werkzaamheden tasten de kernkwaliteiten niet aan en passen binnen het beleid van het Natuurnetwerk Nederland, provincie Utrecht. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen.
5.2 Soorten Er is een bronnenonderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. De belangrijkste gegevensbron is de NDFF. De NDFF geeft echter geen volledig beeld van de aanwezigheid van soorten. Dat komt omdat niet alle gebieden even goed worden onderzocht. Daarnaast worden bepaalde soortgroepen beter onderzocht dan andere. Dit kan te maken hebben met de interesse van de waarnemer, toegankelijkheid van een gebied of omdat sommige soorten moeilijk te inventariseren zijn. Ten slotte worden niet alle waarnemingen doorgegeven.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 18
Door middel van het veldbezoek is een inschatting gemaakt van de te verwachte beschermde soorten in het plangebied. Daarna is onderzocht welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten.
5.2.1 Grondgebonden zoogdieren Bronnenonderzoek Een aantal grondgebonden zoogdieren zijn in het plangebied of in de omgeving van het plangebied waargenomen volgens de NDFF. Tabel 1 geeft een overzicht van deze soorten.
Tabel 1. Overzicht van waargenomen grondgebonden zoogdieren in het plangebied of in de nabije omgeving volgens de NDFF van de laatste 10 jaar. Soort
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort
Algemene muizen Egel Haas Konijn Ree Vos Wezel Boommarter Damhert Das Eekhoorn Wild zwijn
andere soorten
vrijgestelde soorten x x x x x x x
x x x x x
De boommarter, eekhoorn en wild zwijn zijn enkele malen gemeld in het bos van de Leemkuil, op enkele honderden meters ten westen van het plangebied. Het damhert is in deze uitloper van de Utrechtse Heuvelrug eveneens tweemaal gezien. De das ten slotte wordt hier soms ook waargenomen maar ook in een bosje enkele honderden meters ten oosten van het plangebied. Nabij het onderstation zijn geen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten gemeld. Andere beschermde grondgebonden zoogdiersoorten die op basis van verspreiding in de omgeving mogelijk voorkomen zijn steenmarter, bunzing, hermelijn en waterspitsmuis.
Veldonderzoek Het plangebied bestaat uit een onderstation en een grasveld tussen een weg en een spoor. In de bomen direct tegen het plangebied zijn geen eekhoornnesten aangetroffen en daarmee zijn er geen verblijfplaatsen van eekhoorns in /nabij het plangebied. Ook zijn er in deze bomen geen gaten groot genoeg voor een boommarter gezien. Het onderstation heeft geen toegangsmogelijkheden voor steenmarter. Zelfs voor muizen is niet toegankelijk. Er zijn verder geen sporen van beschermde soorten waargenomen. Grondgebonden zoogdieren als algemene muizensoorten, konijn en mol kunnen voorkomen op de locatie, maar hier zijn geen aanwijzingen voor gevonden.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 19
Effectenbeoordeling De voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden hebben geen negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren.
5.2.2 Vleermuizen Vleermuizen vallen onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijnsoorten. Verblijfplaatsen (kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven) en essentiële vliegroutes en foerageergebieden van deze soorten zijn beschermd.
Bronnenonderzoek Er zijn zeven soorten vleermuizen in de omgeving waargenomen volgens de NDFF. De meeste vleermuiswaarnemingen betreffen vliegende gewone dwergvleermuizen die tijdens een transect-telling in onder andere de Zuidelijk Meentsteeg zijn waargenomen. Verder is er een winterverblijfplaats met franjestaarten, gewone grootoorvleermuizen en watervleermuizen aanwezig op landgoed Remmerstein, niet ver ten westen van het plangebied. Nabij het plangebied zijn alleen gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen in vlucht gemeld. Er zijn geen verblijfplaatsen volgens de NDFF dicht bij het plangebied. Tabel 2 geeft een overzicht van de waargenomen vleermuissoorten volgens de NDFF.
Tabel 2. Overzicht van vleermuizen die zijn waargenomen in het plangebied of de omgeving volgens de NDFF van de laatste 10 jaar. Soort Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige vleermuis Watervleermuis
Mogelijk komen op basis van de landelijke verspreiding ook meervleermuis, baardvleermuis en kleine dwergvleermuis in de omgeving voor.
Veldonderzoek Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen zich bevinden in gebouwen of bomen. In bomen bevinden vleermuizen zich in holtes, spleten of achter loshangend boomschors. In gebouwen kunnen vleermuizen zich onder andere bevinden in de spouw, onder dakpannen, achter boeiboorden en op zolders. De aanwezige bomen net buiten het plangebied, tegen het hek aan de zuidkant, konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van grote holtes maar het betreft hoge bomen waarvan mogelijk een kleine spleet of holte gemist zou kunnen zijn. Geheel uit te sluiten dat vleermuizen in een van de bomen aanwezig zijn was tijdens de quickscan niet mogelijk. Het onderstation zelf is niet toegankelijk voor gebouwbewonende vleermuizen. Openingen in de muur bestaan uit ondiepe open stootvoegen en uit ventilatieroosters die afgeschermd zijn Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 20
aan de binnenkant met gaas (fig. 5). Ook achter de strip langs het dak was niet voldoende ruimte aanwezig.
Figuur 5. Afgesloten gaten en roosters in de buitenmuur. Niet alleen verblijfplaatsen van vleermuizen, maar ook essentiële vliegroutes zijn beschermd. Vleermuizen zijn plaatstrouw en maken vaak jaren achter elkaar gebruik van hetzelfde netwerk aan verblijfplaatsen. De meeste soorten maken ook gebruik van min of meer vaste vliegroutes tussen hun verblijfplaats en het jachtgebied. Indien er geen alternatieven zijn is de vliegroute van essentieel belang voor een kolonie. Als de dieren niet meer zonder verstoring van hun verblijfplaats bij hun jachtgebied kunnen komen, moeten ze verhuizen. Om deze reden zijn essentiële vliegroutes van vleermuizen beschermd. Lijnvormige landschapselementen die als vliegroute kunnen dienen zijn bijvoorbeeld bomenrijen of watergangen. Bomenrijen die als vliegroute kunnen dienen zijn langs het spoor aanwezig, maar niet binnen het plangebied. Ook essentieel foerageergebied van vleermuizen is beschermd. Het plangebied zelf biedt beperkte mogelijkheden om te foerageren, omdat het relatief klein is. De bomenrijen in de buurt worden ongetwijfeld als foerageerplekken gebruikt door vleermuizen.
Effectenbeoordeling Het plangebied zelf biedt geen geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen, omdat het onderstation niet toegankelijk is voor vleermuizen. De bomen langs de grens van het plangebied bevatten mogelijk wel vleermuisverblijfplaatsen maar deze bomen blijven behouden. Aangezien er overdag gewerkt zal worden is de kans op serieuze verstoring van vleermuizen uit te sluiten. Indien de grote loofbomen bij nader inzien toch gekapt moeten worden, zal eerst onderzocht moeten worden of er vleermuisverblijfplaatsen in aanwezig zijn. Essentieel foerageergebied is niet aanwezig binnen het plangebied, omdat het daarvoor te klein is en er ruimschoots vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving is. Lijnvormige landschapselementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied, waardoor een negatief effect op een essentiële vliegroute van vleermuizen is uitgesloten. Een mogelijke vliegroute langs het spoor en de bomen langs het spoor zal door de ingreep niet worden aangetast.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 21
5.2.3 Vogels Alle inheemse vogelsoorten behoren tot de Vogelrichtlijn. Daarnaast is het nest van enkele vogelsoorten jaarrond beschermd. Voor het broedseizoen van vogels is geen standaardperiode. Dit omdat het broedseizoen van soort tot soort en van jaar tot jaar kan verschillen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode van 15 maart tot 15 juli worden aangehouden.
Bronnenonderzoek In de omgeving van de planlocatie ligt een spoorlijn, halfopen landschap met boerderijen en de bossen van de Utrechtse Heuvelrug waardoor een grote verscheidenheid aan vogelsoorten in de omgeving voorkomt. In Tabel 3 zijn de vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest die zijn waargenomen in of in de omgeving van het plangebied volgens de NDFF weergegeven.
Tabel 3. Overzicht van vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) die zijn waargenomen in het plangebied of de omgeving volgens de NDFF van de laatste 10 jaar. Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil
Beschermingsstatus jaarrond beschermde nesten 4 4 2 4 2 3 3 4 2 4 1
Bijna alle waarnemingen van roofvogels komen van de bossen rond de Utrechtse Heuvelrug. De uilen komen in lage aantallen verspreid over de omgeving voor, waarbij de bosuil het vaakst wordt waargenomen rond de Nieuwe Veenendaalseweg, de kerkuil rond de Cuneraweg en de steenuil bij boerderijen langs de Zuidelijke Meentsteeg. Dit is op enkele honderden meters van het onderstation. Nabij het onderstation zijn geen waarnemingen gedaan van vogels met een jaarrond beschermd nest.
Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek zijn een aantal vogels gehoord en gezien, waaronder boomkruiper, zanglijster, merel en roodborst. De bomen zijn zo ver mogelijk gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Ook zijn er geen sporen van uilen aangetroffen (poepplekken, braakballen). Er is geen voor vogels toegankelijke bebouwing aanwezig, waardoor nesten van gebouwbewonende soorten, zoals huismus en gierzwaluw kunnen worden uitgesloten. In de struiken en de conifeer in het plangebied kunnen algemene broedvogels nestelen (fig. 6).
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 22
Figuur 6. Struiken en opgaande begroeiing in het plangebied kunnen nestgelegenheid geven aan algemene broedvogels.
Effectenbeoordeling Jaarrond beschermde nesten van gebouwbewonende soorten binnen het plangebied kunnen worden uitgesloten, omdat het onderstation niet toegankelijk is voor vogels. In de bomen langs de rand van het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten kunnen daarom worden uitgesloten. In de conifeer, de opgaande begroeiing en de struiken binnen het plangebied kunnen vogels in het broedseizoen broeden. Verwijderen ervan heeft mogelijk negatief effect op actieve nesten in het broedseizoen. Geadviseerd wordt daarom om het verwijderen van groen buiten de periode half maart- half juli uit te voeren.
5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen Bronnenonderzoek In Tabel 4 is een overzicht weergegeven van de waargenomen beschermde amfibieën, reptielen en vissen in het plangebied of in de omgeving van het plangebied volgens de NDFF.
Tabel 4. Overzicht van waargenomen reptielen, amfibieën en vissen in of nabij het plangebied volgens de NDFF van de laatste 10 jaar. Soort
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort
Bruine kikker Gewone pad Bastaardkikker Kleine watersalamander Hazelworm Levendbarende hagedis Poelkikker Rugstreeppad Zandhagedis
andere soorten
vrijgestelde soorten x x x x
x x x x x
Alle waarnemingen van de beschermde niet-vrijgestelde amfibieën en reptielen uit deze tabel komen van de Utrechtse Heuvelrug, enkele honderden meters ten westen van het plangebied. De hazelworm is er eenmaal waargenomen, de levendbarende hagedis tweemaal. De poelkikker is eenmaal waargenomen rond de ondiepe wateren in Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 23
Kwintelooyen. De rugstreeppad is hier meerdere malen waargenomen. De zandhagedis wordt eveneens in dit gebied waargenomen evenals op de Remmerdense Heide. De soort is daarnaast ook dichter bij het plangebied gezien namelijk op en nabij landgoed Remmerstein, op zo’n 500 meter ervandaan. Langs het spoor zijn er tot in de verre omgeving geen waarnemingen van hagedissen gedaan.
Veldonderzoek Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de onderzoekslocatie, waarmee de aanwezigheid van beschermde vissen en voortplantingswater voor beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. Er is een sloot langs de toegangsweg, maar deze stond droog tijdens het bezoek. Gezien de vegetatie staat deze sloot het grootste deel van het jaar droog en lijkt daarmee niet geschikt voor vissen of zich voortplantende beschermde amfibieën. Omdat er geen beschermde amfibieën worden verwacht in de buurt van het plangebied is het ook niet aannemelijk dat ze overwinteren in het plangebied. Amfibieënsoorten waarvoor een vrijstelling geldt kunnen (zwervend of foeragerend) nu en dan voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is een inschatting gemaakt over het gebruik van het plangebied door reptielen. Het plangebied biedt weinig geschikt leefgebied (structuurrijke vegetatie, zanderige plekken) voor zwaar beschermde soorten en deze worden dan ook niet verwacht. Het plangebied is verder omringd door wegen, bebouwing en een spoorlijn en het groen is niet verbonden met de bossen en heiden van de Utrechtse Heuvelrug.
Effectenbeoordeling Zwaar beschermde vissen, reptielen en amfibieënsoorten stellen kritische eisen aan hun leefomgeving. Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde vissen, reptielen en amfibieën in het plangebied of direct daaromheen niet aanwezig. Negatieve effecten op deze soortgroep door de sloop en de nieuwbouw worden daarmee niet verwacht.
5.2.5 Flora Bronnenonderzoek Er zijn geen beschermde planten in het plangebied of de omgeving tot 1 kilometer waargenomen volgens de NDFF.
Veldonderzoek Het onderzoek heeft plaatsgevonden aan het einde van de bloeitijd van beschermde plantensoorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen en deze zijn ook niet te verwachten. Het gaat om een grasveldje met hoog gras en struiken waar weinig bloeiend planten te vinden waren. Op de muren zijn geen beschermde muurplanten aangetroffen.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 24
Effectenbeoordeling De meeste beschermde planten zijn zeer kritisch ten aanzien van hun standplaats. Beschermde planten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Gezien de aard van het plangebied en de soortensamenstelling van de aanwezige flora worden beschermde planten hier ook niet verwacht.
5.2.6 Ongewervelden Bronnenonderzoek Tabel 5 geeft een overzicht van beschermde ongewervelden die in het plangebied of in de naaste omgeving zijn waargenomen volgens de NDFF.
Tabel 5. Overzicht van waargenomen beschermde ongewervelden in het plangebied of in de nabije omgeving volgens de NDFF van de laatste 10 jaar. Soort
Beschermingsstatus
Gevlekte witsnuitlibel Grote vos
Habitatrichtlijnsoort x x
andere soorten
vrijgestelde soorten
Er is in 2018 een gevlekte witsnuitlibel waargenomen in het waterrijke natuurgebied van Kwintelooyen en in 2019 is hier de dagvlinder grote vos gezien. De grote vos leefde vroeger verspreid over een groot deel van Nederland, maar staat nu op het punt als standvlinder te verdwijnen. Hij leeft in open, vochtige, vrij voedselrijke bossen met zoete kers of iepen. Als ze zwerven worden ze op allerlei soorten plaatsen gezien. De gevlekte witsnuitlibel houdt van water dat helder is en matig voedselarm tot voedselrijk: niet sterk geëutrofieerd en niet verzuurd. Een goed ontwikkelde verlandingsvegetatie, bestaande uit zowel drijvende als ondergedoken planten, helofyten en oeverplanten, is van belang
Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek is een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde ongewervelden in het plangebied. Iedere soort is afhankelijk van een bepaald habitat met bepaalde waardplanten of andere elementen. Deze habitats zijn in het plangebied niet aanwezig. Er is geen water en er staan buiten de struiken en grassen nauwelijks andere planten.
Effectenbeoordeling Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op beschermde ongewervelden.
5.3 Houtopstanden Er worden in principe geen bomen gekapt. Meld- en herplantplicht is hierbij dus niet van toepassing.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 25
5.4 Invasieve exoten Er zijn geen invasieve exoten aangetroffen binnen het plangebied. Invasieve exoten zijn daarom niet van toepassing.
Quickscan flora en fauna Onderstation, Achterberg
P a g i n a | 26
6.
Conclusies en aanbevelingen Aan de hand van het voorgaande kan een aantal conclusies worden getrokken en worden aanbevelingen gegeven voor de te nemen vervolgstappen. In de effectenbeoordeling en de daaruit volgende conclusies is uitgegaan van de werkzaamheden zoals die zijn omschreven in paragraaf 3.2. Veranderingen of afwijkingen hiervan kunnen tot andere conclusies leiden. Natuuronderzoek heeft doorgaans een juridische houdbaarheid van drie jaar.
6.1 Gebiedsbescherming 6.1.1 Natura 2000 Er zijn geen negatieve fysieke effecten, dan wel significant negatieve fysieke effecten te verwachten van het project op enig nabijgelegen Natura 2000-gebied. Er liggen in zowel natura 2000-gebied Binnenveld als Rijntakken diverse stikstofgevoelige habitattypen. De afstand daarvan tot het plangebied is ongeveer 2,8 kilometer. Er valt zonder verder berekening niet uit te sluiten dat stikstofnormen door de sloop en nieuwbouw worden overschreden. Een nadere stikstofberekening wordt geadviseerd.
6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de grenzen van Natuurnetwerk Nederland, waardoor er geen effecten op de kernkwaliteiten van het gebied zijn. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen.
6.2 Soortbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Tabel 6 geeft een overzicht van de maatregelen per soortgroep.
Tabel 6. Samenvatting onderzoeksresultaten en maatregelen. Soortgroep
Soort
Maatregelen
Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen
n.v.t. n.v.t.
Vogels
n.v.t.
Reptielen Amfibieën Vissen Flora Ongewervelden
n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
n.v.t. Indien kap van de grote bomen langs plangebied, dan nader onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen Groen binnen plangebied verwijderen buiten het broedseizoen (buiten half maart- half juli) n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.