CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a Achterbergse Hooilanden Toelichting

Raadsvergadering 14 december 2021, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Achterbergse Hooilanden14.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In tegenstelling tot bijvoorbeeld een bestemmingsplan gebeurt dat niet op perceelsniveau maar een structuurvisie geeft op een globale wijze de wenselijke ruimtelijke structuur weer. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Integrale Structuurvisie gemeente Rhenen 2010-2020 3.4.3

Consolidatieplan Buitengebied Rhenen 2015

Landschap Van cultuurhistorische waarde is de Grebbelinie, bestaande uit ‘Bastions op de Uiterwaarden’, een hoornwerk en een inundatiegebied langs het Valleikanaal/De Grift. Ook in de uiterwaarden van de Neder-Rijn zijn belangrijke landschappelijke en cultuurhistorische waarden aanwezig. De flanken vormen op plaatsen een waardevol engenlandschap. De Grebbeberg is van belang om zijn belangrijke aardkundige en cultuurhistorische waarden. Ook de rest van de bossen op de stuwwallen is, vaak als deel van een landgoed, belangrijk voor landschap en cultuurhistorie. Er zijn ook archeologische vindplaatsen. De combinatie van ontstaansgeschiedenis, bebouwing, beplanting en het kleinschalige karakter maakt het een cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol geheel. Binnenveld Het Binnenveld wordt gekenmerkt door de combinatie van een nat en open middengebied rondom de Grift en een overgangsgebied dat steeds beslotener en kleinschaliger wordt richting de Heuvelrug. Het heeft grote landschappelijke waarde. Het Binnenveld kent een grote landschappelijke variatie. Het tussenliggende gebied bestaat uit veenontginningsrestanten, De Meent, en het cultuurhistorisch waardevol gebied De Kampen bestaande uit een kampenlandschap met een slagenstructuur en graften. De graften zijn bijzondere landschapselementen op de noordhelling van de Laarsenberg.

Deze begroeide terrassen zorgen voor het vasthouden van afstromend hemelwater op de berg. Vertaling in bestemmingsplan De gebieden met waardevolle openheid beschermen in het bestemmingsplan. Dit 32/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

betreft met name delen van het Binnenveld. Voor deze open gebieden is een agrarische bestemming ofwel een natuur bestemming opgenomen, afhankelijk van het huidige gebruik. Binnen deze bestemming wordt terughoudend omgegaan met toestaan van bebouwing en opgaande beplanting. De gebieden met bijzondere waarden beschermen in het bestemmingsplan. Dit betreft onder meer de randen van de Utrechtse Heuvelrug en de bosgebieden. Bij afwijken van bouw- of gebruiksregels middels omgevingsvergunnning of wijzigingsmogelijkheden vormen aspecten als behoud en herstel van (oorspronkelijke) landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken een toetsingscriterium. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan zichtlijnen, openheid en de Grebbelinie. Voor het Binnenveld vormt het LOP Binnenveld en het Beeldkwaliteitsplan Binnenveld een goed toetsingskader voor de landschappelijke inpassing. Conclusie De ontwikkeling komt overeen met de uitgangspunten van het vigerend bestemmingsplan. Het uitruilen van de betreffende bestemmingen is derhalve geen ongewenste ontwikkeling. 3.4.4

Gemeentelijk Waterbeleid

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan In dit verbreed gemeentelijk rioleringsplan, ofwel vGRP+, staat het beleid van Gemeente Rhenen voor stedelijk afvalwater, regenwater en grondwater voor de periode 2015-2019. Het beschrijft de stand van zaken, reikwijdte, ambities, planning en kosten van de gemeentelijke watertaken. De ‘plus’ staat voor het Waterplan Rhenen, omdat dit vGRP+ ook aandacht schenkt aan het beleid uit het Waterplan van 2004. Kenmerkend voor Rhenen zijn de grote hoogteverschillen. Hierdoor stroomt het water zeer snel naar laaggelegen delen. Dit geeft risico’s op wateroverlast, maar de Rhenense situatie biedt ook kansen. De bodem is zeer geschikt voor infiltratie van regenwater, zodat dit niet door riolen hoeft te worden afgevoerd. Het waterplan Het Waterplan “een berg mooi water” is door de gemeenteraad vastgesteld op 26 april 2005 en heeft ten doel effectief en efficiënt om te gaan met water in de gemeente. De watervisie beschrijft de beoogde ontwikkeling van het water tot 2025. Het waterplan gaat in op de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterketen. Bij de streefbeelden voor het bebouwd gebied ligt de nadruk op het saneren van riooloverstorten en het afkoppelen van verhard oppervlak.

Voor onderhavig plan zijn de volgende relevante streefbeelden voor 2025 te noemen: grondwateroverlast komt niet voor; alle in- en uitbreidingen (vanaf 2005) zijn waterneutraal; bij nieuwbouw (vanaf 2005) worden geen uitlogende materialen toegepast, zoals zink, koper en lood; vanaf 2005 wordt in in- en uitbreidingen het regenwater van schone oppervlakken niet op de riolering geloosd; in Elst, Rhenen en Achterberg is circa 30% van het verharde oppervlak van de riolering afgekoppeld (ten opzichte van 1998, onder voorbehoud van voldoende financiële middelen). In het waterplan is eveneens vermeld op welke plannen de watertoets van toepassing is op basis van de richtlijnen in de “Handreiking Watertoets 2”. Het benodigd overleg is afhankelijk van het soort plan en de mogelijke gevolgen voor het watersysteem. Overige beleidskaders Het waterbeleid van de Gemeente Rhenen wordt voortdurend afgestemd op regionale en landelijke ontwikkelingen. Provinciaal en landelijk beleid wordt uitgewerkt voor de lokale situatie 33/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

in Rhenen. Er wordt afstemming gezocht met het beleid van de waterschappen, omliggende gemeenten en de visies van samenwerkingsverbanden (Winnet, PWVE en R2W2). Het (water)beleid van al deze overheden vormt een kader waarbinnen de Gemeente Rhenen haar beleid bepaalt. Conclusie Het plan voldoet aan het gesteld gemeentelijk waterbeleid.

34/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten Het milieubeleid is primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. Dit kan er soms toe leiden dat beperkingen worden opgelegd aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In onderstaande paragrafen worden de conclusies voor de verschillende aspecten beschreven. 4.1

Geluid

4.1.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidsbelastingen. In deze wet zijn onder meer de normen voor geluid als gevolg van weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai vastgelegd. In het kader van het bestemmingsplan Achterbergse Hooilanden is het aspect geluid niet van toepassing omdat geen nieuwe geluidsbronnen of nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt. Conclusie Het aspect geluid is niet van toepassing op de ontwikkeling en vormt derhalve geen belemmering voor dit plan. 4.2

Luchtkwaliteit

Bij de besluitvorming in het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteitsaspecten die samenhangen met het plan in acht te nemen. Dit betekent dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit die samenhangen met de nieuwe functies getoetst dienen te worden aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. In deze ontwikkeling vindt geen realisatie van bebouwing plaats. Derhalve is de vermelde drempel niet van toepassing, wat betekent dat door de ontwikkeling de luchtkwaliteit niet verslechtert. Conclusie Met betrekking tot de ontwikkeling is het aspect luchtkwaliteit niet van toepassing en vormt derhalve geen belemmering voor dit plan. 4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Algemeen In het kader van een nieuw bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Vanwege de voorgenomen functie uitwisseling dient er geen sprake te zijn van een onevenredige bodemverontreiniging.

35/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

4.3.2 Bodemonderzoek In het kader van het bestemmingsplan is bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 in de toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat op de betreffende percelen geen bodemverontreiniging is aangetroffen die de functie uitwisseling negatief beïnvloed. Conclusie De betreffende percelen bevatten geen bodemverontreiniging die de functie uitwisseling negatief beïnvloeden. Daarmee vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor het plan. 4.4

Natuurwaarden

De Wet natuurbescherming voorziet in het wettelijk kader voor de bescherming van bepaalde gebieden (Natura 2000, Nederlands Natuurnetwerk, enz.), planten- en diersoorten en houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. In de Wet natuurbescherming zijn de provincies primair bevoegd gezag voor bescherming van soorten en natuurgebieden. Door Lievense Milieu is 24 februari 2020 is een quickscan Ecologie uitgevoerd voor het plangebied aan de Maatsteeg. Deze rapportage is opgesteld om in kaart te brengen of er negatieve effecten te verwachten zijn naar aanleiding van de beoogde ontwikkelingen. Het gaat hierbij om negatieve effecten voor beschermde planten- en diersoorten of negatieve effecten op beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden of NNN-gebieden). 4.4.1 Gebiedsbescherming Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Binnenveld' ligt op een afstand van circa 1,5 kilometer tot het plangebied. Gezien de afstand van het plangebied en de aard van de ingreep doet het voornemen wat deze aspecten betreft geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied.

Door een wijziging van het type agrarisch gebruik kan mogelijk verzuring en vermesting ontstaan als gevolg van stikstofdepositie. Dit kan gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Omdat de uitstoot van stikstof over grote afstand effect kan hebben, is een berekening van de mogelijke stikstofdepositie, voor de realisatie en het gebruik van de gronden uitgevoerd. De notitie 'SLM010821.NOT001.NP.RL' is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase van het plangebied is berekend dat de stikstofemissie als gevolg van de plansituatie leidt tot een afname van de depositie van stikstof op relevante nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Dit wordt veroorzaakt door het niet langer bemesten van het toekomstig natuurgebied. Aanlegfase Voor de aanlegfase is bepaald dat, naast de emissie als gevolg van het toekomstig gebruik, een emissie van maximaal 439,6 kg NOx op jaarbasis niet leidt tot een toename van de depositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Anders gezegd: een emissie als gevolg van de aanlegfase van maximaal 439,6 kg NOx op jaarbasis levert geen depositieresultaten op boven 0,00 mol/ha/jaar, zie bijlage 2. Om tot deze maximale emissie te komen is in de berekeningen uitgegaan van: Een emissie door het gebruik van machines van circa 436,8 kg NOx op jaarbasis.

Dit is vergelijkbaar met het gebruik van 2 machines van stage klasse II met een verbruik van 36/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

ruim 18 liter brandstof per uur gedurende 680 uur; Een emissie van circa 2,8 kg NOx op jaarbasis als gevolg van het verkeer: hierbij is uitgegaan van 170 vrachtwagens die per jaar naar de locatie komen en 850 personenwagens of bestelwagens die per jaar naar de locatie komen. Zowel de heenals terug bewegingen zijn hierbij in rekening gebracht. Het gebruik van meer of andere machines en voertuigbewegingen dan de uitgangspunten zoals hierboven omschreven, zijn uiteraard ook mogelijk, mits de maximale hoeveelheid van 439,6 kg NOx gerespecteerd wordt. Door toepassing van meer schoner Stage III of Stage IV materieel of zelfs elektrisch materieel kunnen veel meer draai-uren worden ingezet zonder dat dit leidt tot een toename van de stikstofdepositie. Op basis van onze ervaring in soortgelijke projecten wordt geoordeeld dat het plan uitvoerbaar is binnen de hierboven genoemde uitgangspunten. Conclusie Noch de gebruiksfase noch de aanlegfase van het plan de Achterbergse hooilanden in Rhenen leidt tot een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Het plan heeft bijgevolg geen significante effecten op kwalificerende natuurwaarden in nabij gelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. De Wet natuurbescherming vormt, vanuit het aspect stikstofdepositie, geen belemmering voor de vaststelling van het plan.

4.4.2 Soortenbescherming In het kader van het bestemmingsplan is een Quickscan Natuurwetgeving uitgevoerd. De quickscan of vooronderzoek is geen soortgerichte inventarisatie, maar de eerste fase in het kader van de procedure van de Wet natuurbescherming (Wnb). De quickscan is als Bijlage 4 in de toelichting opgenomen. In de quickscan wordt het volgende geconstateerd: Het plangebied heeft mogelijk een functie voor strikt beschermde vissen (grote modderkruiper) en vogels (o.a. buizerd en ooievaar). Alleen van grote modderkruiper wordt het verblijf in het plangebied verwacht. Door de ruilverkaveling kan het beheer en verbruik veranderen waardoor de vegetatie ontwikkeling en waterkwaliteit achteruit kan gaan, dit heeft negatieve gevolgen op de in potentie aanwezige grote modderkruiper. Omdat het niet zeker is dat deze soort voorkomt kan een overtreding van de Wnb nog niet worden bepaald, de resultaten van een nader onderzoek kunnen uitsluitsel geven over de aan- dan wel afwezigheid van de grote modderkruiper. 4.4.3 NNN-gebied Op basis van de quickscan kan worden geconcludeerd dat het project in ieder geval leidt tot oppervlakte verlies van het NNN, negatieve effecten op de andere punten zijn niet zonder meer uit te sluiten. Een verdere toetsing is noodzakelijk in de vorm van een Nee-tenzij-toets.

Door de provincie is de herbegrenzing van het NNN-gebied afgewogen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013-2028 (Herijking 2016). Voor het verlies van het NNN-gebied in de gemeente Rhenen is een hoogwaardige vervangende locatie gevonden in de uiterwaarden van de Lek bij Uitweg in de gemeente Lopik. De Nee-tenzij toets is hiermee al uitgevoerd door de provincie en heeft geleid tot de noodzakelijke compensatie. Conclusie De uitkomst van deze quickscan vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. De vervolgonderzoeken kunnen parallel worden uitgevoerd aan de vaststelling van het bestemmingsplan.

37/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen.

Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Uit de openbare risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen zijn gelegen.

38/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

Figuur 4-1. Uitsnede uit de risicokaart met in de rode cirkel het plangebied (Bron: www.risicokaart.nl)

Conclusie Externe veiligheid vormt geen probleem voor het voorgenomen plan. 4.6

Bedrijven en milieuzonering

Door bij de realisatie van gevoelige functies (zoals woningen) voldoende afstand in acht te nemen tot milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) kan hinder en gevaar worden voorkomen. Daarnaast kan worden voorkomen dat bedrijfsbelangen worden geschaad. Door middel van een onderzoek bedrijven & milieuzonering wordt onderzocht of de toekomstige woningen mogelijk een belemmering vormen voor bestaande omringende bedrijven. Ten behoeve van de milieuhygiënische afweging in het kader van de ruimtelijke onderbouwing wordt voor de meest nabij gelegen bedrijven aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijk ordening in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van de meest recente versie uit 2009. De VNG-publicatie geeft richtafstanden per bedrijfscategorie. De afstanden worden gegeven voor een aantal milieuaspecten, met name geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gelden tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de gevels van woningen. Indien deze afstanden worden gerespecteerd is er sprake van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en een goede ruimtelijk ordening.

Indien één van deze afstanden niet wordt gerespecteerd is nader onderzoek noodzakelijk om na te gaan of alsnog sprake kan zijn van een milieuhygiënisch verantwoorde 39/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

situatie. Er worden geen functies gerealiseerd die een milieubelasting veroorzaken omdat agrarisch gebruik van gronden niet wordt beschouwd als een bedrijf. Tevens worden geen gevoelige functies gerealiseerd. Een beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.7

Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1 Algemeen Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij elk ruimtelijk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. 4.7.2 Cultuurhistorie Er is binnen in het plangebied geen bebouwing aanwezig, dus ook geen aangewezen gemeentelijk of rijksmonument. Het landschap in het plangebied is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol element omdat het onderdeel is van de Grebbelinie. De Grebbelinie is een militaire verdedigingslinie die door het landschap loopt van de Nederrijn tot het Eemmeer. Het is een waterlinie die is opgebouwd uit een samenhangend verdedigingsstelstel met forten, sluizen, inundatie- en schootsvelden. Het plangebied is onderdeel van de open linie welke wordt gekenmerkt door een zeer weids, open landschap. De Grift is een waardevol element in het Binnenveld die het natte karakter benadrukt. Centraal staan de kernkwaliteiten openheid en zichtlijnen. Nieuwe natuur mag niet ten koste gaan van de openheid. In het Inpassingsplan Grebbelinielandschap is hiervoor een speciale regeling opgenomen. In dit bestemmingsplan hoeven deze derhalve niet te worden opgenomen. Conclusie Het onderdeel cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit plan.

4.7.3 Archeologie Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) zijn de belangrijkste bevoegdheden aangaande de archeologie bij de gemeente neergelegd. De gemeenteraad is op grond van de Monumentenwet verplicht bij de vaststelling van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De gemeente Rhenen heeft in verband met de verplichting tot het inzichtelijk maken van de archeologische waarden binnen de gemeente een archeologische waardenkaart en beleidsadvieskaart laten opstellen. De gronden binnen het plangebied zijn aangeduid met een archeologisch lage verwachting. Het plan voorziet niet in omvangrijke ingrepen in de bodem. Conclusie Het onderdeel archeologie vormt geen belemmering voor dit plan.

40/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

4.8

Waterparagraaf

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Dit betekent dat effecten van nieuwe ontwikkelingen op de waterhuishouding inzichtelijk moeten worden gemaakt. Daarnaast is sinds 2003 de Watertoets wettelijk verplicht om op te nemen in ruimtelijke plannen. De watertoets heeft als doel om negatieve effecten (zoals bijvoorbeeld wateroverlast, achteruit gaande waterkwaliteit, verdroging van natuurgebieden, e.d.) te voorkomen en mogelijke kansen voor watersystemen te benutten. Om de kansen van het gebied voor natuur en landbouw vanuit het oogpunt van waterhuishouding en grondwater inzichtelijk te maken is in 2016 een geohydrologisch rapport opgesteld. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 5. Uit het geohydrologisch onderzoek blijkt dat het gebied zo nat is dat de landbouwopbrengsten laag zijn. De natschade zou ten opzichte van grasland met een optimale waterhuishouding circa 25% tot 40% bedragen. De kwel die optreedt stroomt naar de sloten en niet naar de wortelzone in de percelen. De waterhuishouding is daarom niet optimaal voor de natuurdoelen van Staatsbosbeheer. Voor het gebied streeft Staatsbosbeheer naar een grondwaterregime dat geschikt is voor natuurdoeltypen vochtige en natte schraalgraslanden.

Voor de landbouwfuncties geldt dat de landbouwnatschade geminimaliseerd moet worden. Om te kunnen voldoen aan beide wensen zijn verschillende scenario's doorgerekend waarbij is gekeken naar het effect van maatregelen op natuur en landbouwgrond. In het onderzoek is uitgegaan van een gebied van 10 ha tussen de Sukkelsloot en Werftweg waar natuur-inrichting en landbouw-inrichting mogelijk was. Inmiddels is duidelijk geworden dat dit noordelijke blok kleiner is (namelijk circa 5 ha) en dat hier uitsluitend natuur-inrichting mogelijk wordt gemaakt. Als gevolg van de kleinere oppervlakte ontstaat een kleiner effect op de waterhuishouding (nat- en droogteschade) dan berekend in het geohydrologisch rapport. Voor de natuurinrichting worden maatregelen getroffen die leiden tot een verhoging van de GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) van 10 tot lokaal 25 cm. Er treedt op grote schaal kwel op naar het maaiveld. De maatregelen zijn dan ook zeer effecten om een grondwaterregime te bereiken dat geschikt is voor schraalgraslanden, op de afgeplagde gronden is het grondwaterregime eerder geschikt voor moeras of trilvenen. De maatregelen hebben ook een effect buiten het natuurgebied, ten westen van de Maatsteeg (buiten het plangebied) treedt er een verhoging van de GHG op van 5 tot 10 cm.

Aan de noordrand van het projectgebied treedt een verlaging van de GHG op door het verleggen van de Sukkelsloot naar de Zuidelijke Meentweg. Als gevolg van de verhoging ontstaat een toename van de natschade met maximaal circa 15% en een afname van de droogteschade tot maximaal 6% in de omgeving. Per saldo treedt er landbouwschade op ten westen van de Maatsteeg als gevolg van de toename van de natschade. Om te komen tot een situatie die gunstiger is voor de landbouw binnen het plangebied worden binnen de agrarische bestemming mogelijke maatregelen onderzocht om de GHG ter plaatse van de agrarische bestemming te verlagen. Mogelijke maatregelen zijn onderbemaling, ophogen en peilgestuurde drainage. Door het treffen van maatregelen treedt minder kwel naar het maaiveld op en worden de grondwaterstanden verlaagd. Ondanks de maatregelen treden er in het grootste deel van het natuurblok nog positieve effecten op ten opzichte van de huidige situatie. De effecten verschillen wel afhankelijk van de getroffen maatregel. Maatregelen om de grondwaterstand in het gebied beperkt te verlagen hebben ook gevolgen voor de stijghoogten en grondwaterstanden in de directe omgeving. De natschade op aangrenzend landbouwgebied ten westen van de Maatsteeg zal beperkt afnemen.

De maatregel ophogen heeft een negatief effect op de beschikbare berging in het waterbergingsgebied Binnenveld, het afplaggen in het natuurgebied heeft echter een positief effect op de bergingsruimte.

Aan de hand van het inrichtingsplan voor de Achterbergse Hooilanden en de inrichtingsplannen 41/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

voor de Binnenveldse Hooilanden, de Hellen en Fortuinzicht is in 2021 het effect op de waterstanden in Binnenveld bepaald (Bijlage 6). Doel van dit onderzoek is om een optimalisatievariant te bepalen die tot gevolg heeft dat de waterstand in de Grift en het debiet dat van de Grift Veenendaal instroomt niet hoger wordt dan in de huidige situatie in pieksituaties. Om te kunnen voldoen aan deze doelstelling worden in de Achterbergse Hooilanden de volgende aanpassingen doorgevoerd: plaatsing van twee instroompunten in de onderhoudspaden rondom de Achterbergse Hooilanden om de watertoevoer naar het gebied in pieksituaties te bevorderen; toevoegen van voorden in de onderhoudspaden om de waterverdeling over de diverse compartimenten tijdens pieksituaties te bevorderen; verbreden van de B-watergang langs de Achterbergse Hooilanden voor een betere toestroom naar het gebied; dieper afplaggen in de Achterbergse Hooilanden. Omdat Natura 2000-gebied De Hellen zijn functie als waterbergingsgebied verliest is onderzocht hoe dit verlies gecompenseerd moet worden. De compensatie moet zodanig uitgevoerd worden dat er geen sprake is van een toename van de waterstanden en het debiet in het watersysteem (de Grift) richting Veenendaal. Uit het geohydrologisch onderzoek (Bijlage 7) blijkt dat deze compensatie opgave gerealiseerd kan worden in de Achterbergse Hooilanden.

Conclusie Het plan heeft invloed op de waterstanden in het plangebied. Door een combinatie van maatregelen kan een optimalisatie worden gevonden tussen de meest geschikte grondwaterstanden van natuur en landbouw. Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. Tevens kan door aanpassingen in het NNN-gebied van de Achterbergse Hooilanden worden voorkomen dat de waterstanden in de Grift en het debiet dat van de Grift Veenendaal instroomt hoger worden dan in de huidige situatie. 4.9

Kabels en leidingen

Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Conclusie Kabels en leidingen vormen geen belemmering voor dit plan.

42/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

4.10

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure. Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De activiteiten binnen de deelgebieden vallen onder de volgende categorieën van bijlage II bij het Besluit milieueffectrapportage 1994: categorie D 9: een landinrichtingsproject, functiewijziging van gronden. De functiewijziging van gronden omvat een oppervlakte van circa 37 ha en overschrijdt niet de drempelwaarde van 125 ha. Het Besluit m.e.r.

(artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Ook onder de drempelwaarde zijn nadelige effecten namelijk niet bij voorbaat uit te sluiten. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Om die reden is voor de activiteiten een aanmeldnotitie gemaakt, waarop de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden gebaseerd. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorloopt een bepaalde procedure. Een particulier of ondernemer die initiatiefnemer is van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag/het plan waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al dan niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt gedaan aan de hand van drie hoofdcriteria die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Deze drie hoofdcriteria zijn: kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van het potentiële effect. Ten behoeve van de functiewijziging is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Deze is opgenomen in Bijlage 8 van deze toelichting. Uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat nadelige effecten zijn uitgesloten.

Het is niet noodzakelijk om een MER-procedure te doorlopen.

43/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

Hoofdstuk 5 W ijze van bestemmen 5.1

Algemene juridische opzet

In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan.

Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel een omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is.

44/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

5.2

Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch Binnen deze bestemming vallen de agrarische bedrijven en bijbehorende gronden. Het betreft met name grondgebonden bedrijven. Door middel van diverse aanduidingen zijn specifieke vormen van agrarische bedrijven aangeduid. De voornaamste aanduidingen zijn ‘intensieve veehouderij’ voor de intensieve veehouderijbedrijven en ‘intensieve kwekerij’ voor de gronden in gebruik als intensieve kwekerij. Ook zijn enkele aanduidingen opgenomen om de waardevolle landschappelijke structuren aan te duiden. Voor afwijkingen met een omgevingsvergunning binnen de agrarische bestemming, worden eisen gesteld aan de inpasbaarheid en verbetering van de landschapsstructuur. Voor het Binnenveld vormen het LOP Binnenveld en het beeldkwaliteitsplan Binnenveld een toetsingskader hiervoor. Naast de uitoefening van het agrarisch bedrijf speelt, binnen de agrarische bestemming, ook het beschermen van landschapswaarden een rol. Hierbij kan gedacht worden aan de openheid, verkavelingstructuur en de aanwezige graften. Dit komt tot uitdrukking in het stelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden bij een omgevingsvergunning. Ter bescherming van deze waarden geldt voor bepaalde werkzaamheden, die niet tot de normale agrarische werkzaamheden behoren, een omgevingsvergunningplicht.

Hierbij kan gedacht worden aan onder andere het aanbrengen van verhardingen, het graven of dempen van watergangen en het vellen of rooien van houtopstanden. Deze werkzaamheden kunnen invloed hebben op de landschappelijke kwaliteit en zijn daarom aan een vergunning gebonden, zodat een andere afweging/sturing plaats kan vinden. Artikel 4 Natuur Op diverse locaties zijn gebieden aangewezen voor de bestemming 'Natuur'. In deze gebieden staat het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden voorop. Enkele gronden zijn aangewezen voor Nieuwe Natuur vanuit de EHS, maar hebben momenteel al een natuurfunctie, waardoor ook deze gronden zijn bestemd als natuur. Het bouwen van gebouwen is slechts toegestaan binnen het bouwvlak. Om verstoring van de natuurwaarden te voorkomen, is het ook verboden het gebied te gebruiken als opslag-, los- of laadplaats. Er mogen geen goederen, afval of andere materialen worden gelost of opgeslagen. uitzondering is het tijdelijk opslaan van maaisel. Tevens is aan bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden binnen deze bestemming een omgevingsvergunningstelsel gekoppeld, om te voorkomen dat de aanwezige natuurwaarden worden aangetast. Artikel 5 Water De A watergang aan de noordzijde van het gebied (Sukkelsloot) wordt aangewezen voor de bestemming 'Water'.

De aangewezen gronden zijn bestemd voor (bescherming) van de (hoofd)watergang, oevers en taluds. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Tevens is aan bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden binnen deze bestemming een omgevingsvergunningstelsel gekoppeld, om te voorkomen dat de aanwezige natuurlijke en landschappelijke waarden worden aangetast.

45/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

5.3

Dubbelbestemming

Artikel 6 Waarde - Archeologie In het plangebied komen archeologische monumenten en gebieden van (middel) hoge archeologische verwachtingswaarden voor. Voor deze gebieden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen, met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, ten behoeve van de bescherming van deze waarden. Bij de bouwregels staat aangegeven, dat op deze gronden geen bouwwerken mogen worden gebouwd. Uitzondering hierop vormen vervanging of vernieuwing van bestaande bouwwerken met eenzelfde oppervlakte en bodemingrepen van minder dan 30 of 50 cm onder bestaand maaiveld. Op basis van de archeologische verwachtingswaarde gelden verschillende oppervlaktes waarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Op basis van een uit te voeren archeologisch onderzoek kan middels een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouwregels. De bouwvlakken zijn buiten de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ gehouden. Het is niet wenselijk de agrarische bedrijfsvoering onnodig te belemmeren. Deze gronden binnen de bouwpercelen zijn al jaren voor agrarische doeleinden gebruikt waarbij regelmatig grondwerkzaamheden tot 1 m diepte zijn uitgevoerd. In het verleden hebben er veel werkzaamheden plaatsgevonden zoals: ruilverkaveling, ophogen en afgraven van percelen.

Dit leidt ertoe dat vrijwel alle grond op de bouwpercelen is geroerd. Een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, indien werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden worden uitgevoerd die de bodem kunnen aantasten, en verder worden uitgewerkt in de betreffende regels, met uitzondering van normaal onderhoud en gebruik. Onder normaal onderhoud en gebruik wordt in elk geval verstaan het vervangen van bestrating en beplanting. Maar ook het vervangen en onderhouden van leidingen indien dit binnen hetzelfde tracé plaatsvindt. Artikel 7 Waterstaat - Waterberging Deze dubbelbestemming is opgenomen voor het tijdelijk bergen van water tijdens en na perioden van overvloedige neerslag alsmede voor voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van het waterbergend vermogen van de gronden. 5.4

Overige regeling

Het gaat hier om algemene regels die betrekking hebben op alle bestemmingen (en ook dubbelbestemmingen) in het plan. In plaats van bij elke bestemming dezelfde regel te plaatsen, kan gebruik worden gemaakt van een algemene regel. Zo zijn er algemene bouwregels, gebruiksregels en afwijkingsregels. De anti-dubbeltelbepaling is onder de algemene regels opgenomen. Hiermee blijven gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, buiten beschouwing bij de beoordeling van latere bouwplannen.

46/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De uitvoeringskosten worden in dit geval gedragen door de provincie Utrecht en Staatsbosbeheer. Verder zijn ruilverkavelingsovereenkomsten gesloten met de toekomstige gebruikers van de agrarische gronden. Het beheer van het natuurgebied wordt uitgevoerd door Staatsbosbeheer. De economische uitvoerbaarheid hoeft daarom niet verder aangetoond te worden. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

pachters en verpachters zijn met ene brief geïnformeerd over de bestemmingswijziging met uitleg. Zij konden tot 21 maart 2021 reageren op het plan en vragen stellen. Dit heeft niet geleid tot wijzigingen. Het ontwerp wijzigingsplan is conform de wettelijke procedure gepubliceerd. Het voorliggende plan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. 6.2.1 Procedure De wettelijke procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp wijzigingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kan door eenieder schriftelijk zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door burgemeester en wethouders; Algemene bekendmaking van het wijzigingsplan; door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, als gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de

bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 6.2.2 Vooroverleg Het bestemmingsplan is voor vooroverleg conform artikel 3.1.1. Bro aangeboden aan: Provincie Utrecht; Waterschap Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden; Waterschap Vallei en Veluwe; Veiligheidsregio Utrecht; Gasunie; Vitens; Natuur en milieufederatie Utrecht Met Natuur en milieufederatie Utrecht is op 7 juni 2021 een overleg geweest met Staatsbosbeheer en de gemeente. De uitkomst van dit overleg wordt gebruikt als een vooroverleg reactie. Naar aanleiding van het overleg worden de regels van de bestemming 'Agrarisch' aangepast. 47/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

6.2.3 [PM]

Zienswijzen

48/48 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPAchterbergsehooi-ON01 - datum_oplev ering document

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10763341/1