CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 SWOV R-2016-04 Eindrapport

Raadsvergadering 19 maart 2024, gemeente RhenenBij agendapunt: Achtergrondinformatie - Raadsvoorstel 20 juli 2020 (niet aangenomen)30.945 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Omstandigheden van de ongevallen In deze paragraaf worden kort de meest voorkomende omstandigheden van de ongevallen op het kruispunt geschetst. Maand, dag en tijdstip Behalve in april, hebben van 2000 tot en met 2013 in alle maanden van het jaar ongevallen plaatsgevonden, met kleine uitschieters in maart (6 van 33 ongevallen) en juli (7 van 33 ongevallen). Ook zijn er ongevallen geregistreerd op alle dagen van de week, met een kleine piek op dinsdag, vrijdag (beide 7 van 33 ongevallen), donderdag en zaterdag (beide 6 van 33 ongevallen). De meeste ongevallen vonden plaats tussen 16 en 17 uur (8 van 33 ongevallen), maar ook op andere tijdstippen tussen 10 en 20 uur vonden meer dan één ongeval per uur plaats. Tussen 0 uur en 6 uur zijn geen ongevallen geregistreerd. Weersomstandigheden, wegdekgesteldheid en licht Verreweg de meeste ongevallen gebeurden met droog weer (30 van de 33 ongevallen), op een droog wegdek (24 van de 33 ongevallen) en terwijl het licht was (28 van de 33 ongevallen).

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

27

Locatie Dertig ongevallen gebeurden op het kruispunt zelf, drie vonden plaats op het wegvak vlakbij het kruispunt. Drieëntwintig ongevallen zijn geregistreerd op een weg met een maximumsnelheid van 80 km/uur, in casu de N233. Negen ongevallen vonden plaats op een weg met een maximumsnelheid van 50 5 km/uur, in casu de Bergweg-West.

5

Er zijn geen ongevallen genoteerd op een 60km/uur-weg (Achterbergsestraatweg/Bergweg aan de oostelijke kant). Dat kan verschillende oorzaken hebben. Wellicht hebben er geen ongevallen plaatsgevonden op deze oostelijke tak van het kruispunt, of hebben er geen ongevallen meer plaatsgevonden sinds voor deze weg een snelheidsregime van 60 km/uur is ingesteld. Het is ook mogelijk dat op deze tak van het kruispunt wel een ongeval heeft plaatsgevonden, maar dat het ongeval onjuist geregistreerd is als ongeval op een 80- of 50km/uur-weg.

28

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

3.

Zorgpunten geformuleerd door WWVO Om de zorgpunten van de projectgroep WWVO te inventariseren is op 25 augustus 2014 een uitgebreid interview gehouden met de vier leden van de projectgroep (zie Bijlage 2 voor de lijst met namen). Het verslag is door de projectgroep gecontroleerd en aangevuld, onder andere met schematische aanduidingen van verkeersbewegingen op kaarten en foto’s van het kruispunt. Daarnaast zijn door de projectgroep drie petities verstrekt waarin bewoners (naast hun steunbetuiging voor de acties van WWVO) concreet aangeven waarom zij het kruispunt gevaarlijk vinden. Ook heeft de projectgroep zijn visie op de ideale inrichting van het kruispunt verstrekt in de vorm van een getekend plan. SWOV heeft daarnaast de opmerkingen over de 6 onveiligheid van het kruispunt bekeken op de Facebook-pagina van WWVO waarop vier posts ingaan op concrete verkeerssituaties op het kruispunt. Na bestudering van het interviewresultaten, de petities en de klachten op de Facebook-pagina kan een aantal centrale zorgpunten worden onderscheiden. We hebben deze zorgpunten uitgesplitst naar zorgpunten over de huidige inrichting van het kruispunt (Paragraaf 3.1) en over de toekomstige inrichting (Paragraaf 3.2). De zorgpunten zijn in een afsluitend gesprek met provincie en WWVO op 8 december 2014 gepresenteerd.

De projectgroep heeft daarbij aangegeven de zorgpunten te herkennen en gaf ook aan dat de inventarisatie van de zorgpunten volledig is. Hieronder worden de centrale zorgpunten in willekeurige volgorde besproken.

3.1.

Huidige inrichting van het kruispunt Verdrongen mobiliteit De projectgroep maakt zich zorgen over het aantal ouders dat hun kinderen niet alleen naar school laat fietsen omdat ze het kruispunt onveilig vinden. Ouders brengen volgens de werkgroep hun kinderen zelf met de fiets of de auto naar school. Veel ouders vinden dat onwenselijk. Het wegbrengen zorgt daarnaast voor veel autoverkeer vanuit Achterberg naar Rhenen (en daarna weer terug), wat soms gevaarlijke passeermanoeuvres bij de Bergweg-Oost en de Achterbergsestraatweg-Oost tot gevolg heeft. Sommige kinderen fietsen via een langere route naar school om het kruispunt te mijden. Roodlichtnegatie De projectgroep ziet regelmatig (vracht)verkeer nog net door oranje of door rood rijdt op de N233, met name vanaf Veenendaal naar Rhenen. Ook maakt de projectgroep zich zorgen over groepen fietsers, zowel in oost-westrichting (en omgekeerd) als in noord-zuidrichting (en omgekeerd), waarbij het voorste deel van de groep door groen fietst, maar het laatste deel door oranje of rood. Sinds het voorjaar van 2014 is de brandweerpost in Achterberg gesloten. Vrijwilligers van de brandweer die in Achterberg wonen horen nu bij de kazerne in Rhenen. WWVO signaleert dat de vrijwilligers na een oproep van de Rhenense kazerne het kruispunt passeren en daarbij het rode licht negeren als ze dat nodig achten.

6

https://www.facebook.com/pages/Wij-willen-veilig-oversteken/250180098494498 Laatst bekeken op 16 januari 2015.

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

29

Tot slot stelt WWVO dat de bus gevaarlijke situaties veroorzaakt, vooral op de route Achterbergsestraatweg-West via Bergweg-West naar de N233 richting Veenendaal. De bocht is voor de bus lastig te nemen vooral als er voorgesorteerde auto’s staan op de Bergweg-West. WWVO stelt dat de bus hierdoor rood licht negeert of zelfs langs de verkeerde weghelft de N233 opgaat. Bijna-ongevallen Leden van de projectgroep hebben verschillende bijna-ongevallen gezien in de afgelopen jaren. Vanuit de Bergweg-West naar het kruispunt toe zijn verschillende bijna-ongevallen opgemerkt tussen snelverkeer en fietsers die met hoge snelheid vanaf de neerwaartse helling van de Bergweg-West komen en de Achterbergsestraatweg-West kruisen. Ook ziet men bijnaongevallen bij het elkaar kruisend fietsverkeer in noord-zuid- en oost-westrichting aan beide kanten van het kruispunt. De fietsersstromen van scholieren die vanuit de richting Veenendaal naar Rhenen gaan, kruisen het fietsverkeer van Achterberg naar Rhenen. Dat geeft volgens de projectgroep gevaarlijke situaties, met name met het kruisend fietsverkeer vanaf de Bergweg-West. Aan de oostkant van het kruispunt komt dat volgens de projectgroep onder andere door de korte opstelstrook voor het fietsverkeerslicht vanwege de spoorwegovergang. Vrachtverkeer De projectgroep geeft aan dat er sprake is van veel vrachtverkeer op de N233.

Ook is er veel landbouwverkeer, maar de snelheid van het landbouwverkeer is laag. Rijsnelheden De projectgroep maakt zich zorgen over de rijsnelheid van het autoverkeer op de N233, met name van Veenendaal naar Rhenen, aan de kant van de weg waar geen flitspaal staat. Ook geeft de snelheid van fietsers die over de neerwaartse helling de Bergweg-West afkomen naar het kruispunt volgens de projectgroep problemen. 3.2.

Toekomstige inrichting van het kruispunt Een aantal zaken in het nieuwe herinrichtingsvoorstel van de provincie Utrecht baart de projectgroep zorgen. Langere oversteek De groep stelt dat de oversteek langer wordt door de geplande extra rijstroken op de N233 en vraagt zich af of de oversteek daarmee niet gevaarlijker wordt. Parallel fietsvoorziening West (fietsdoorsteek) Er komt een nieuwe doorsteek van het fietspad langs de N233 aan de zuidwestkant van het kruispunt (naar de Achterbergsestraatweg-West. De projectgroep vraagt zich af waarom deze nieuwe fietsvoorziening wordt aangelegd. Extra verkeerslicht Bergweg-West Het extra verkeerslicht aan de zuidwestkant, op de AchterbergsestraatwegWest bij de aansluiting met de Bergweg-West, zal volgens de projectgroep

30

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

wellicht de doorstroming beïnvloeden. De projectgroep denkt dat mensen daardoor wellicht sneller door rood zullen rijden. Nieuwe afsteltijden VRI Men is ook bang dat door andere afsteltijden van de VRI fietsers langer moeten wachten om de N233 over te steken, waardoor fietsers wellicht eerder geneigd zijn door rood te rijden. Middenberm De projectgroep vraagt zich af of de middenberm die in het nieuwe ontwerp wordt toegevoegd fietsers uitnodigt om eerder door rood te rijden, omdat de oversteek korter wordt en fietsers wellicht sneller door oranje of rood licht fietsen naar de middenberm toe of vanaf de middenberm naar de overkant. Toekomstige intensiteiten De projectgroep maakt zich zorgen over de te verwachten hoeveelheid autoverkeer door het verbreden van de weg: zal dit een aanzuigende werking hebben? Ongelijkvloerse kruising De projectgroep heeft zelf een schets gemaakt van de inrichting die zij graag voor het kruispunt zouden zien. Die bevat een ongelijkvloerse kruising iets ten zuiden van het huidige kruispunt, en een afsluiting voor alle verkeer vanuit de Bergweg-Oost en Achterbergsestraatweg-Oost naar het kruispunt. De schets is toegevoegd in Bijlage 3. 3.3.

Interview gemeente Rhenen Naast het gesprek met WWVO heeft ook een telefonisch interview plaatsgevonden met de gemeente Rhenen op 18 september 2014 (Bijlage 2). De gemeente Rhenen ondersteunt de mogelijkheid van een onderzoek naar de zorgpunten van WWVO. Zij ziet zichzelf niet als de hoofdpartij in dit project, maar denkt graag mee met de bewoners. De aandacht voor de subjectieve component van verkeersveiligheid vindt de gemeente een goede zaak. Als mogelijke zorgpunten ziet de gemeente zelf de langere oversteektijd bij het nieuwe ontwerp van de provincie en de huidige roodlichtnegatie. Het proces tot nu toe is zorgvuldig verlopen en de voorgestelde infrastructurele oplossing van de provincie lijkt volgens de gemeente objectief te voldoen. De gemeente constateert dat WWVO zorgen over het kruispunt houdt. Tot slot vindt de gemeente een veilige schoolroute vanuit Achterberg naar de basisscholen in Rhenen erg belangrijk.

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

31

4.

Verdrongen mobiliteit Een van de belangrijke zorgpunten van WWVO betreft de verdrongen mobiliteit: men is bezorgd dat ouders hun kinderen niet of minder vaak over het kruispunt laten gaan, of alleen onder begeleiding, vanwege het gevoel van onveiligheid. In samenspraak met de provincie Utrecht en WWVO (in een bijeenkomst op 8 december 2014) zijn de volgende onderzoeksvragen over verdrongen mobiliteit opgesteld. Vraagstelling Vragen over basisscholieren: 1. Hoeveel basisschoolkinderen komen van ‘de andere kant van het spoor’? 2. Hoeveel kinderen op de basisschool rijden om omdat men het kruispunt onveilig vindt? 3. Hoeveel kinderen tussen 8 en 12 jaar gaan niet zelfstandig naar school omdat ouders het kruispunt onveilig vinden (uitgesplitst naar met de auto gebracht en begeleid met de fiets/te voet)? 4. Hoe verhoudt dat aantal zich ten opzichte van andere kinderen in die leeftijd in Nederland? 5. Hoeveel kinderen jonger dan 8 jaar zouden met fiets gebracht worden, of zelfstandig mogen, als het kruispunt veiliger zou zijn? Vragen over middelbare scholieren: 6. Hoeveel kinderen in het voortgezet onderwijs komen van ‘de andere kant van het spoor’ (d.w.z. uit Achterberg en de oostelijke kant van Rhenen)? 7.

Hoeveel kinderen op de middelbare school rijden om omdat men het kruispunt onveilig vindt? De onderzoeksvragen zijn onderzocht met behulp van een online-enquête onder (ouders van) kinderen die het kruispunt moeten oversteken. Paragraaf 4.1 geeft een toelichting op de vragenlijst. Paragraaf 4.2 beschrijft de respondenten die hebben deelgenomen aan de enquête. Paragraaf 4.3 beschrijft de resultaten van de vragen over de basisschoolleerlingen. Paragraaf 4.4 beschrijft de resultaten van de vragen over de middelbare scholieren. Paragraaf 4.5 geeft een samenvatting van deze resultaten en een korte conclusie.

4.1.

Toelichting op vragenlijst en methode De vragenlijst (zie Bijlage 4) is in samenspraak met de provincie Utrecht en WWVO opgesteld (overleg 7 juli 2015). De online-enquête is via de scholen verspreid met een toelichtende brief (zie Bijlage 5). Om de respons te vergroten is voor en na de zomervakantie door WWVO met de scholen gebeld en/of gemaild om het onderzoek toe te lichten en medewerking te vragen. Ook is de enquête beschikbaar gesteld op de site van de provincie Utrecht en van de gemeente Rhenen, en heeft WWVO de site onder buurtbewoners verspreid. Inwoners van Rhenen zijn via een persbericht in de plaatselijke media geattendeerd op de mogelijkheid de enquête in te vullen. De enquête kon worden ingevuld tussen 5 oktober en 25 oktober 2015. Na anderhalve week zijn de scholen nogmaals gerappelleerd.

32

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

4.1.1.

Achtergrondinformatie Aan deelnemers werd gevraagd om aan te geven of ze een ouder/voogd waren, een basisschoolleerling, een middelbare scholier of geen van deze opties. Alleen de optie ‘ouder/voogd’ en ‘middelbare scholier’ gaf toegang tot de rest van het onderzoek. Middelbare scholieren werd gevraagd naar geslacht en leeftijd. Ook ouders werd gevraag om de leeftijd en het geslacht van hun kinderen. Ouders kregen alleen vervolgvragen over kinderen die tussen de 4 en 19 jaar oud waren.

4.1.2.

School De eerste vervolgvraag ging over de school. Ouders konden kiezen uit de volgende scholen: • De Bantuin (basisschool) • CBS De Springplank (basisschool) • Cuneraschool (basisschool) • Ericaschool (basisschool) • Montessori school (basisschool) • Willem Teellinckschool (basisschool) • Anders, namelijk: (basisschool) • C.L.V. (middelbare school) • C.S.V. (middelbare school) • Groenschool Helicon (middelbare school) • Ichthus College (middelbare school) • Rembrandt College (middelbare school) • Pantarijn Locatie Kesteren (middelbare school) • Pantarijn Locatie Rhenen (middelbare school) • Pantarijn Locatie Hollandseweg Wageningen (middelbare school) • Pantarijn Locatie Nobelweg Wageningen (middelbare school) • Revius Lyceum Doorn (middelbare school) • Anders, namelijk: (middelbare school) Middelbare scholieren kregen alleen de opties voor de middelbare scholen te zien.

4.1.3.

Oversteken Zowel ouders als middelbare scholieren werd gevraagd of zij of hun kinderen het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/ Achterbergsestraatweg oversteken om naar school te gaan. Ook werd deze vraag gesteld over de route naar buitenschoolse activiteiten.

4.1.4.

Verdrongen mobiliteit Indien het antwoord ‘nee’ was, werd hen gevraagd naar de reden daarvoor. Hier kon men kiezen tussen twee opties: 1. Ik hoef / Mijn zoon/dochter van x jaar hoeft de N233 niet over te steken om op school te komen/om naar buitenschoolse activiteiten te gaan. 2. De N233 oversteken is de meest directe route om naar school/buitenschoolse activiteiten te gaan, maar ik geef de voorkeur aan een alternatieve route.

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

33

Het antwoord op deze vragen was bepalend voor het verdere verloop van het onderzoek. Indien ouders/scholieren aangaven dat ze én het kruispunt niet oversteken om naar school te gaan én dat de reden hiervoor was dat dat gewoonweg niet hoefde, was dit het einde van het onderzoek (middelbare scholier, ouders met 1 kind). Indien ouders/scholieren ofwel aangaven dat ze het kruispunt wél overstaken om naar school te gaan, ofwel dat ze de voorkeur gaven aan een alternatieve route, gingen ze door naar de vervolgvragen over vervoerskeuzen. 4.1.5.

Vervoerskeuze voor school Per kind konden ouders of middelbare scholieren aangeven op welke wijze ze naar school gingen. De opties waren als volgt: • Zelf naar school lopen • Met leeftijdsgenoten (broer/zus/buurtgenoten/klasgenoten) samen naar school lopen • Met ouder of andere volwassene samen naar school lopen • Zelf naar school fietsen • met leeftijdsgenoten (broer/zus/buurtgenoten/klasgenoten) samen naar school fietsen • Bij ouder of andere volwassene achterop naar school fietsen • Met ouder of andere volwassene samen naar school fietsen • Zelf met openbaar vervoer naar school • Met leeftijdsgenoten (broer/zus/buurtgenoten/klasgenoten) samen met openbaar vervoer naar school • Met ouder of andere volwassene samen met openbaar vervoer naar school • Met ouder of andere volwassene met de auto naar school • Overig, namelijk

4.1.6.

Motieven voor vervoerskeuze Ouders werd gevraagd om een rangorde te maken van de volgende acht overwegingen bij de vervoerskeuze naar school: • De afstand/reistijd naar school • Mijn eigen vervoerswijze naar werk/activiteiten buitenshuis (bijvoorbeeld: ik zet mijn kind onderweg naar werk/activiteiten bij school af) • De verkeersveiligheid van de route en schoolomgeving • De sociale veiligheid van de route en schoolomgeving • Het contact met andere ouders op het schoolplein • Wat andere ouders/kinderen doen • Hoe mijn kind zelf graag naar school wil • Wat mijn kind kan (qua vaardigheden, persoonlijkheid). De overweging die het belangrijkst/doorslaggevend was, werd op nummer 1 gezet, tot de minst belangrijke overweging (nummer 8). Aanvullend werd ouders de mogelijkheid geboden om zelf aanvullende overwegingen op te schrijven. Deze vielen echter buiten de rangorde. Om het ouders met meerdere kinderen op school gemakkelijk te maken, kregen zij vanaf het tweede kind de optie aangeboden om de rangorde die zij bij een eerder kind hadden aangegeven over te nemen.

34

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

Jongeren kregen ook overwegingen bij hun vervoerskeuze voorgelegd. Deze weken noodzakelijkerwijs iets af van de overwegingen van de ouders en luidden als volgt: • De afstand/reistijd naar school • De verkeersveiligheid van de route en schoolomgeving 7 • De sociale veiligheid van de route en schoolomgeving • Mijn ouders willen niet dat ik de kruising oversteek vanwege de verkeersveiligheid van de route en schoolomgeving • Mijn ouders willen niet dat ik de kruising oversteek vanwege de sociale 7 veiligheid van de route en schoolomgeving • Wat andere leeftijdgenoten doen. 4.1.7.

Ketenverplaatsingen De eigen vervoerswijze naar werk/activiteiten buitenshuis was een van de mogelijke motieven die konden meespelen bij de vervoerskeuze naar school en waaraan ouders een gewicht konden toekennen (Paragraaf 4.1.6). Daarnaast werden hier enkele vragen over gesteld. Ouders van wie kind(eren) onder begeleiding naar school gingen (met de fiets, auto of openbaar vervoer) werd gevraagd of ze hun kind(eren) zelf naar school begeleiden. Indien dat het geval was, konden ouders aangeven of ze het brengen/begeleiden van hun kind combineren met: • Werk (inclusief vrijwilligerswerk) • Boodschappen • Familiebezoek • Sport/lichaamsbeweging • Anders Ouders konden ook aangeven dat ze het begeleiden van hun kinderen niet met iets anders combineerden.

4.1.8.

Vergelijking vervoerswijzen 8-12-jarigen met referentiecijfers Nederland Een van de zaken die provincie Utrecht en WWVO graag wilden weten was hoe de vervoerswijzen van kinderen in de leeftijdsgroep 8-12 jaar zich verhouden tot de rest van Nederland. Echter, omdat de meeste onderzoeken over de vervoerswijze van basisschoolkinderen kijken naar de leeftijdsgroep tussen de 4 en 12 jaar oud (Hoekstra & Mesken, 2010; Hoekstra, Mesken & Vlakveld, 2010; Van der Houwen, Goossen & Veling, 2003; Koperberg & Broer, 2015; Metz & De Haan, 2013), was deze vergelijking moeilijk te maken. In verband met deze vraag is in deze enquête dus breder gekeken naar basisschoolkinderen tussen 4 en 12 jaar. Deze gegevens zijn na analyse vergeleken met de hierboven genoemde onderzoeken.

4.1.9.

Vervoerskeuze voor school bij ongelijkvloerse fietsoversteek Ouders en middelbare scholieren werd gevraagd zich voor te stellen dat het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg voorzien zou worden van een ongelijkvloerse kruising (fietsbrug). Daarna 7

Scholieren kregen bij deze vraag in een voetnoot de volgende uitleg: ‘Met sociale veiligheid doelen we op een omgeving een gevoel van onveiligheid kan oproepen (bv bosjes, steegjes, aanwezigheid hangjongeren, zwervers, etc.’)

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

35

werd opnieuw gevraagd om aan te geven op welke wijze zij zelf of hun kinderen naar school zouden gaan. De opties waren hetzelfde als bij de eerdere vraag naar feitelijke vervoerswijzen (Paragraaf 4.1.5). 4.1.10.

Analyse Tenzij anders aangegeven zijn de resultaten gepresenteerd in frequentietabellen. In navolging van de onderzoeksvragen worden de resultaten van de basisschoolkinderen zoals ingevuld door hun ouders afzonderlijk besproken van de resultaten van de middelbare scholieren zoals ingevuld door hun ouders en door henzelf. De resultaten voor deze twee groepen middelbare scholieren (ingevuld door hun ouders of door henzelf) worden afzonderlijk van elkaar besproken. Dit omdat de vragen die de ouders kregen over hun kinderen niet precies overeenkwamen met de vragen die de middelbare scholieren kregen.

4.2.

Toelichting op onderzoekspopulatie

4.2.1.

Deelnemers 463 deelnemers hebben de link naar de enquête gevolgd en 185 deelnemers hebben het onderzoek geheel doorlopen. Het merendeel van hen bestond uit ouders van schoolgaande kinderen (zie Tabel 4.1). Deelnemer

Aantal

Aandeel

Ouder/voogd van schoolgaand (basis/voortgezet onderwijs) kind(eren)

167

90,3%

Middelbare scholier

18

9,7%

Totaal

185

100%

Tabel 4.1. Aantal respondenten dat de vragenlijst volledig heeft doorlopen. 278 deelnemers hebben het onderzoek niet of niet geheel afgemaakt. Uit Tabel 4.2 blijkt dat het overgrote deel van deze afhakers (177 deelnemers, 64%) geen enkele vraag heeft beantwoord, waardoor niet bekend is of het om ouders/voogden, scholieren of overige deelnemers ging. 25% van de afhakers bestond uit ouders/voogden en 10% was middelbare scholier. De overige 1% bestaat uit een basisschoolleerling en enkele ‘Geen van bovenstaande’. Deelnemer

Aantal

Aandeel

Ouder/voogd van schoolgaand (basis/voortgezet onderwijs) kind(eren)

70

25,2%

Basisschoolleerling

1

0,4%

Middelbare scholier

27

9,7%

Geen van bovenstaande

3

1,1%

Onbekend

177

63,7%

Totaal

278

100,0%

Tabel 4.2. Aantal deelnemers dat de vragenlijst niet volledig heeft doorlopen.

36

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

Om niet alle data uit de incompleet ingevulde vragenlijsten verloren te laten gaan, hebben we besloten om een aantal vragenlijsten toch mee te nemen. Om te bepalen welke data wel en welke niet worden meegenomen, zijn de volgende beslisregels gehanteerd. A. Moment van afhaken Het overgrote deel van de uitgestroomde respondenten (155 deelnemers, 56%) blijkt te zijn afgehaakt op de eerste twee pagina’s van het onderzoek, waar wordt beschreven waar het onderzoek over gaat en voor wie het bedoeld is (zie Bijlage 6). 25 deelnemers (9%) hadden een niet-ondersteunde internetbrowser. Deze deelnemers kregen uitleg over hoe ze toch aan het onderzoek mee konden doen met een ondersteunde browser. 13 deelnemers probeerden de enquête te benaderen met een apparaat dat niet ondersteund werd. Ook zij konden via een ander apparaat alsnog aan de enquête meedoen. Een andere vraag waarop met name opvallend veel middelbare scholieren uitstroomden was de vraag naar de leeftijd. Bij 11 van de 13 deelnemers die op die vraag bleven steken, bleek dat zij onwaarschijnlijk hoge leeftijden hadden ingevoerd (42-59 jaar). Wellicht ging het hier om ‘verdwaalde’ ouders/voogden, die hierna opnieuw het onderzoek hebben doorlopen in de juiste categorie.

De overige 72 deelnemers die vroegtijdig uitstroomden, deden dat op diverse punten in het onderzoek, uiteenlopend van de eerste vraag over het aantal kinderen (3 uitvallers) tot de opmerkingen aan het eind van het onderzoek (3 uitvallers). De eerste beslisregel luidt: deelnemers die geen of nauwelijks vragen hebben beantwoord (afgehaakt voor of bij de vragenserie of het kind het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg moet oversteken om naar school of andere activiteiten te gaan) zijn buiten beschouwing gelaten. B. Dubbelingen in de data Van één deelnemer kregen we het signaal dat ze door verschillende omstandigheden vroegtijdig was afgehaakt. Na mailcontact gaf deze deelnemer aan op een later moment alsnog het onderzoek volledig te hebben doorlopen. Hier is sprake van een dubbeling in de data. Ook denkbaar is dat sommige deelnemers om andere redenen hadden afgehaakt, om later opnieuw te beginnen. Dat bleek ook wel uit de postcode-huisnummercombinaties. Er waren 230 unieke postcode-huisnummercombinaties, 20 combinaties die 2 keer voorkwamen en 3 combinaties die 3 keer voorkwamen. Om dergelijke dubbelingen uit de dataset te halen hebben we de volgende regel gehanteerd: als dezelfde postcode-huisnummercombinatie meerdere keren voorkwam, is telkens alleen de meest complete meegenomen.

Voorwaarde was wel dat het daadwerkelijk om een dubbeling ging: indien een postcodehuisnummercombinatie meerdere keren voorkwam, maar het geslacht en de leeftijd van de kinderen niet overeenkwam, zijn deze cases elk afzonderlijk meegenomen. Indien de dubbeling ging om hetzelfde kind, maar eenmaal ingevuld door de ouder en eenmaal het kind zelf (middelbare scholier), zijn beide cases meegenomen. Dit kwam echter maar 2 maal voor.

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

37

Na toepassing van deze beslisregels bleven in totaal 221 deelnemers over, 8 van wie 27 middelbare scholieren en 194 ouders/voogden. De 194 ouders die aan het onderzoek deelnamen hadden 518 kinderen in de leeftijd van 0 tot 28 jaar. 75 van deze kinderen voldeden niet aan de leeftijdseisen van ons onderzoek (i.e., jonger dan 4 of ouder dan 19 jaar). Van de overige 443 kinderen die wel aan de leeftijdseisen voldeden, is de vragenlijst voor 411 kinderen geheel of voldoende gedeeltelijk ingevuld. In Tabel 4.3 staat een overzicht van het geslacht en leeftijd van deze kinderen. Opvallend is dat het merendeel van de kinderen jonger is dan 12 jaar (N = 238, 58%). Kenmerk kind

Geslacht

Leeftijd

Aantal

Aandeel

Jongen

208

51%

Meisje

203

49%

Totaal

411

100%

4

32

8%

5

33

8%

6

25

6%

7

29

7%

8

32

8%

9

21

5%

10

31

8%

11

35

9%

12

25

6%

13

30

7%

14

32

8%

15

26

6%

16

21

5%

17

19

5%

18

13

3%

19

7

2%

411

100%

Totaal

Tabel 4.3. Leeftijds- en geslachtsverdeling van kinderen voor wie de vragenlijst is ingevuld. 4.2.2.

Kanttekeningen bij de populatie Naast de opmerkingen in de vorige subparagraaf, kunnen er twee algemene kanttekeningen bij de onderzoekspopulatie geplaatst worden.

8

De beslisregel gaf drie maal geen uitsluitsel. Bij alle drie de gevallen betroffen dat een dubbel voorkomende postcode-huisnummercombinatie over hetzelfde aantal kinderen van hetzelfde geslacht met dezelfde leeftijd. Omdat deze lijsten allemaal even compleet waren ingevuld, en niet met zekerheid gezegd kon worden dat het niet om bijvoorbeeld samengestelde gezinnen ging, zijn in deze drie gevallen beide records meegenomen.

38

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

Ten eerste moet worden opgemerkt dat het totale aantal mensen dat in aanmerking komt om de enquête in te vullen (ook wel totale potentiële populatie genoemd), niet eenvoudig te bepalen is. De enige twee manieren om te schatten hoeveel kinderen er potentieel over het kruispunt naar school of andere activiteiten gaan, is door ofwel lijsten van postcodes van kinderen op te vragen van alle scholen en buitenschoolse activiteiten, ofwel door een lange periode (minimaal één week) handmatig kinderen te tellen op het kruispunt. Beide methoden vormen geen onderdeel van de opdracht van de provincie Utrecht. Het gevolg hiervan is dat niet bepaald kan worden hoe groot de respons is, dat wil zeggen hoe groot het reactiepercentage is van de gehele groep kinderen die potentieel gebruikmaken van het kruispunt. Wel is hierboven de absolute respons weergegeven. Ten tweede is het waarschijnlijk dat de enquête een ‘bias’ heeft in de respons, dat wil zeggen dat het waarschijnlijk is dat mensen die het kruispunt als een probleem ervaren, eerder geneigd waren de enquête in te vullen. 4.3.

Resultaten van basisschoolleerlingen

4.3.1.

Achtergrondinformatie De leeftijdsverdeling van basisschoolleerlingen staat vermeld in Tabel 4.4. Leeftijd

Aantal

Aandeel

4

32

13%

5

33

14%

6

24

10%

7

29

12%

8

32

13%

9

21

9%

10

31

13%

11

32

13%

12

2

1%

13

1

< 1%

15

1

< 1%

238

100%

Totaal

9

Tabel 4.4. Leeftijdsverdeling basisschoolkinderen. De meeste kinderen waarvoor de vragenlijst is ingevuld gingen naar de basisschool (N = 237 kinderen). Uit Tabel 4.5 blijkt dat de meeste van hen naar de Ericaschool gaan (50%).

9

Opvallend is de 15-jarige. Aangezien dit kind zeker naar de basisschool gaat (dit is namelijk zelf ingevuld in de open vraag categorie ‘anders’), is mogelijk dat de ouder zich vergist heeft met een ander kind uit het gezin (dit betrof een gezin met >3 kinderen). We hebben dit kind buiten beschouwing gelaten voor de verdere analyses.

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

39

Basisschool

Aantal

Aandeel

CBS De Springplank

8

3%

Cuneraschool

25

11%

Ericaschool

118

50%

Willem Teellinckschool

61

26%

Anders

25

11%

Totaal

237

100%

Tabel 4.5. Verdeling van basisschoolkinderen over de scholen. 4.3.2.

Overstekende basisschoolkinderen Deze paragraaf geeft antwoord op de onderzoeksvraag ‘Hoeveel basisschoolkinderen komen van ‘de andere kant van het spoor?’ Uit Tabel 4.6 blijkt dat iets minder dan de helft van de basisschoolkinderen in dit onderzoek het kruispunt oversteken om naar school te gaan. Aantal

Aandeel

Ja

105

44%

Nee

131

56%

Totaal

236

100%

Tabel 4.6. Steekt uw kind het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg over om naar school te gaan? - [alleen basisschoolkinderen] Van de basisschoolkinderen die het kruispunt niet oversteken, is dat in de meeste gevallen omdat dat gewoonweg niet hoeft (zie Tabel 4.7). Aantal

Aandeel

Mijn kind hoeft de N233 niet over te steken om op school te komen.

119

91%

De N233 oversteken is de meest directe route om naar school te gaan, maar ik geef de voorkeur aan een alternatieve route

12

9%

Totaal

131

100%

Tabel 4.7. Reden dat kind het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg niet oversteekt om naar school te gaan [alleen basisschoolkinderen] Dat betekent dat 117 basisschoolkinderen (50%) het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg over moeten steken om op school te komen.

40

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

4.3.3.

Omrijdende basisschoolkinderen Deze paragraaf geeft antwoord op de onderzoeksvraag ‘Hoeveel kinderen op de basisschool rijden om omdat met het kruispunt onveilig vindt?’ Het merendeel van de 117 basisschoolkinderen die het kruispunt over moeten steken, steken het kruispunt ook daadwerkelijk over (N = 105, 90%). Een kleine minderheid (N= 12, 10%) geeft aan een andere route te volgen (zie Tabel 4.7).

4.3.4.

Oversteken voor andere activiteiten De meeste basisschoolkinderen (63%) steken met een zekere regelmaat (dagelijks, wekelijks of maandelijks) het kruispunt over om naar andere activiteiten te gaan (zie Tabel 4.8)). Zo’n 24% van de kinderen steekt zelden tot nooit het kruispunt over. Aantal

Aandeel

Ja, dagelijks

57

24%

Ja, wekelijks

78

33%

Ja, maandelijks

14

6%

Ja, een paar keer per jaar

30

13%

Zelden tot nooit

57

24%

Totaal

236

100%

Tabel 4.8. Steekt uw kind het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg over om naar andere activiteiten te gaan? [alleen basisschoolkinderen] Wederom blijkt dat de meeste van deze kinderen het kruispunt gewoonweg niet over hoeven te steken, een enkeling geeft aan het kruispunt te ontwijken (zie Tabel 4.9). Aantal

Aandeel

Mijn kind hoeft de N233 (bijna) nooit over te steken om naar een andere activiteit te gaan

54

95%

De N233 oversteken is de meest directe route om naar een andere activiteit te gaan, maar ik geef de voorkeur aan een alternatieve route

3

5%

Totaal

57

100%

Tabel 4.9. Reden dat kind het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg niet oversteekt om naar andere activiteiten te gaan - [alleen basisschoolkinderen] 4.3.5.

Onzelfstandige schoolgang van kinderen tussen 8 en 12 jaar Deze paragraaf geeft antwoord op de onderzoeksvraag ‘Hoeveel kinderen tussen 8 en 12 jaar gaan niet zelfstandig naar school omdat ouders het

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

41

kruispunt onveilig vinden (uitgesplitst naar met de auto gebracht en begeleid met de fiets/te voet)’. Vanwege de vraagstelling (8-12 jaar) is in deze paragraaf gekeken naar alle 8- tot 12-jarigen, inclusief 23 12-jarigen op de middelbare school. Meer dan de helft van de kinderen tussen 8 en 12 jaar oud gaan zelfstandig naar school: lopend, of alleen of samen met leeftijdsgenoten op de fiets (zie Tabel 4.10). De overigen gaan onder begeleiding van een volwassene. Zo’n 14% van de kinderen wordt met de auto gebracht.

Zelfstandig naar school

Begeleid naar school

Aantal

Aandeel

Mijn kind loopt zelf naar school

1

1%

Mijn kind fietst zelf naar school

22

31%

Mijn kind fietst met broer/zus/buurtgenoten/ klasgenoten/etc. naar school

17

24%

Ik of een andere volwassene fiets(t) samen met mijn kind naar school

17

24%

Ik of een andere volwassene breng(t) mijn kind met de auto naar school

10

14%

Aandeel (per categorie)

56%

38%

Overig

4

6%

Totaal

71

100%

Tabel 4.10. Wijze waarop kinderen (8-12 jaar oud) naar school gaan. Naar de motivatie voor deze vervoerskeuze is gekeken door de modus (de meest gekozen optie) te bepalen van een aantal beweegredenen. Tabel 4.11 laat zien dat ouders aangeven dat verkeersveiligheid voor hen de belangrijkste overweging was: deze overweging werd het meest op nummer 1 gezet. De afstand /reistijd naar school werd even vaak op nummer 1 als nummer 2 gezet. ‘Het contact met andere ouders op het schoolplein’ en ‘wat andere ouders/kinderen doen’ werden het minst belangrijk gevonden. Beweegreden

Modus

De verkeersveiligheid van de route en schoolomgeving

1

De afstand/reistijd naar school

1/2

De sociale veiligheid van de route en schoolomgeving

2

Hoe mijn kind zelf graag naar school wil

3

Wat mijn kind kan (qua vaardigheden, persoonlijkheid)

4

Mijn eigen vervoerswijze naar werk/activiteiten buitenshuis (bijvoorbeeld: ik zet mijn kind onderweg naar werk/activiteiten bij school af)

6

Het contact met andere ouders op het schoolplein

7

Wat andere ouders/kinderen doen

8

Tabel 4.11. Rangorde van beweegredenen voor de vervoerskeuze van het schoolgaande kind (8-12 jaar).

42

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

Ouders geven hiermee dus aan dat verkeersveiligheid voor hen de belangrijkste overweging is voor de vervoerskeuze. Om te onderzoeken of verkeersveiligheid ook de belangrijkste reden is voor ouders om hun kind niet zelfstandig naar school te laten gaan, is de modus nogmaals berekend, maar ditmaal alleen voor kinderen die begeleid naar school gaan (samen met de fiets: N = 17, met de auto: N = 10). Tabel 4.12 laat grofweg hetzelfde beeld zien. Het voornaamste verschil is dat door de ouders van deze kinderen de eigen vervoerswijze naar werk/activiteiten buitenshuis relatief belangrijk wordt gevonden. Dit is in lijn met eerder onderzoek waaruit blijkt dat ketenverplaatsingen een belangrijke rol spelen voor vervoerskeuze, met name bij ouders die hun kinderen met de auto naar school brengen (Van der Houwen, Goossen & Veling, 2003). Het is hierbij belangrijk om op te merken dat door alleen te kijken naar 8-12jarigen het aantal observaties erg klein is geworden, en dat er dus geen harde uitspraken kunnen worden gedaan bij de interpretatie hiervan. Beweegreden

Modus

De verkeersveiligheid van de route en schoolomgeving

1

De sociale veiligheid van de route en schoolomgeving

2

Hoe mijn kind zelf graag naar school wil

3

Wat mijn kind kan (qua vaardigheden, persoonlijkheid)

4

Mijn eigen vervoerswijze naar werk/activiteiten buitenshuis (bijvoorbeeld: ik zet mijn kind onderweg naar werk/activiteiten bij school af)

4/5

De afstand/reistijd naar school

6

Het contact met andere ouders op het schoolplein

7

Wat andere ouders/kinderen doen

8

Tabel 4.12. Rangorde van beweegredenen voor de keuze om het kind (8-12 jaar) begeleid naar school te laten gaan. 4.3.6.

Vergelijking onzelfstandige schoolgang met referentiecijfers Deze paragraaf geeft antwoord op de onderzoeksvraag ‘Hoe verhoudt het aantal 8-12-jarigen dat niet zelfstandig naar school gaat zich tot dat van andere kinderen in die leeftijd in Nederland?’. Uit onderzoeken naar de vraag op welke leeftijd kinderen zelfstandig naar school gaan, komen uiteenlopende cijfers naar voren. Een van de meest uitgebreide onderzoeken naar vervoerswijzen van basisschoolkinderen stamt uit 2003 (Van der Houwen, Goossen & Veling, 2003). Hieruit kwam naar voren dat 36% van de kinderen zelfstandig naar school ging (lopen of fietsen), 46% onder begeleiding lopend of fietsend naar school ging en dat de auto voor 15% van de kinderen de dominante vervoerswijze was. Sinds 2003 heeft echter ook een flinke verschuiving plaatsgevonden in de wijze waarop kinderen naar school gaan. Volgens De Boer (2010) is in de periode 1996-2006 fietsen naar school enigszins gelijk gebleven (40 vs. 43%), lopen naar school afgenomen (van 40 naar 32%) en autogebruik toegenomen (van 15 naar 20%). In onderzoek van Hoekstra, Mesken & Vlakveld (2010) werd gevonden dat zo’n 35% van de kinderen tussen 4 en 12 jaar oud zelfstandig naar school ging versus 55% begeleid. Zo’n 12% van de kinderen werd met

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

43

de auto naar school gebracht. Vervolgonderzoek gaf een grofweg vergelijkbaar beeld van 32% zelfstandig versus 64% begeleid; 15% met de auto (Hoekstra & Mesken, 2010). Dit onderzoek toonde eveneens aan dat het omslagpunt waarop kinderen vaker zelfstandig dan onder begeleiding naar school beginnen te gaan rond de 8 jaar ligt. Het meeste recente cijfer komt uit onderzoek van CROW: hierin vond men dat 31% van de basisschoolkinderen zelfstandig naar school ging en 66% begeleid, waarvan bijna de helft met de auto: maar liefst 30% van de basisschoolkinderen (Metz & De Haan, 2013). Om vergelijking met bovengenoemde onderzoeken mogelijk te maken, is in deze enquêtestudie naar de hele groep basisschoolkinderen vanaf 4 jaar gekeken (zie Tabel 4.13). Wat direct opvalt is dat niet alleen het percentage, maar ook het aantal kinderen dat zelfstandig naar school gaat veel lager is dan bij de groep kinderen van 8-12 jaar. Dit komt doordat 15 twaalfjarigen al op de middelbare school zitten en derhalve niet in deze nieuwe vergelijking zijn meegenomen. Wat ook opvalt is het grote aantal kinderen dat met de auto naar school wordt gebracht: maar liefst 39%. Dit is veel hoger dan zelfs de hoogste schatting uit het eerdere onderzoek dat hierboven besproken is.

Dit is vooral terug te voeren op (ouders van) kinderen jonger dan 8 jaar, getuige het feit dat er onder kinderen van 8-12 jaar maar 10 kinderen waren die met de auto naar school gingen (zie Tabel 4.10 uit de voorgaande paragraaf). Een ander opvallend verschil met andere Nederlandse basisschoolleerlingen, is dat relatief weinig kinderen naar school lopen; waarschijnlijk voor een belangrijk deel ingegeven door de afstand tot de basisschool. Ook het aandeel dat zelfstandig of met andere kinderen naar school fietst is lager dan in ander onderzoek: 22% in vergelijking tot 17% (Metz & De Haan, 2013), 20% (Hoekstra & Mesken, 2010; Hoekstra, Mesken & Vlakveld, 2010) en 21% (Van der Houwen, Goossen & Veling, 2003).

Zelfstandig naar school

Begeleid naar school

Aantal

Aandeel

Mijn kind loopt zelf naar school

1

1%

Mijn kind fietst zelf naar school

15

13%

Mijn kind fietst met broer/zus/buurtgenoten/ klasgenoten/etc. naar school

11

9%

Ik of een andere volwassene breng(t) mijn kind achterop de fiets naar school

8

7%

Ik of een andere volwassene fiets(t) samen met mijn kind naar school

31

27%

Ik of een andere volwassene breng(t) mijn kind met het openbaar vervoer naar school

1

1%

Ik of een andere volwassene breng(t) mijn kind met de auto naar school

45

39%

Aandeel (per categorie)

23%

74%

Overig

5

4%

Totaal

117

100%

Tabel 4.13. Wijze waarop basisschoolkinderen (4-12 jaar) naar school gaan.

44

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

Ten slotte is gekeken naar de ‘omslagleeftijd’ oftewel de leeftijd waarop kinderen vaker zelfstandig dan onder begeleiding naar school beginnen te gaan. Met 10 jaar (zie Afbeelding 4.1) ligt dit omslagpunt aanmerkelijk hoger dan de 8 jaar die uit eerder onderzoek kwam (Hoekstra & Mesken, 2010). Hiermee is niet gezegd dat dit volledig te wijten zal zijn aan gevoelens van verkeersonveiligheid. Immers, getuige het relatief lage aantal voetgangers in vergelijking met het onderzoek van Hoekstra & Mesken (2010) zal de afstand tot de school zeker een rol spelen. 100%

Mijn kind loopt zelf naar school

90% Mijn kind fietst zelf naar school

80% 70%

Mijn kind fietst met broer/zus/buurtgenoten/klasge noten/etc. naar school Ik of een andere volwassene fiets(t) samen met mijn kind naar school Ik of een andere volwassene breng(t) mijn kind achterop de fiets naar school Ik of een andere volwassene breng(t) mijn kind met het openbaar vervoer naar school Ik of een andere volwassene breng(t) mijn kind met de auto naar school Overig

60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 4

5

6

7

8

9

10 11 12

Afbeelding 4.1. Wijze waarop basisschoolkinderen van verschillende leeftijd naar school gaan. Op de leeftijd van 10 jaar gaan ze voor het eerst vaker zelfstandig (groen) dan onder begeleiding (blauw) naar school. 4.3.7.

Ketenverplaatsingen Onderstaande paragraaf neemt alle basisschoolkinderen vanaf 4 jaar in beschouwing. Hoewel weinig ouders aangaven dat hun eigen vervoerswijzen en andere reisdoelen doorslaggevend waren voor de wijze waarop hun kinderen naar school gaan, is hier ook rechtstreeks naar gevraagd. Ouders van wie de kinderen onder begeleiding naar school gingen (met de fiets, auto of openbaar vervoer), werd gevraagd of ze hun kind(eren) zelf naar school begeleiden. Bij 94% van de kinderen was dit het geval. Aantal

Aandeel

Ja

82

94%

Nee

4

5%

Niet ingevuld

1

1%

Totaal

87

100%

Tabel 4.14. Antwoord op de vraag of ouder zelf degene is die het kind naar school begeleidt.

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

45

Bij 34 begeleide kinderen werd de school-thuisreis niet met andere reisdoelen van de ouders gecombineerd (zie Tabel 4.15). Bij overige 48 kinderen was dat wel het geval. Boodschappen en werk werden het meest genoemd. Aantal

Aandeel

Werk (inclusief vrijwilligerswerk)

25

31%

Boodschappen

36

44%

Familiebezoek

10

12%

Sport/lichaamsbeweging

5

6%

Anders

1

1%

Nee, ik breng/begeleid het kind alleen naar school en ga daarna meestal weer huiswaarts

34

42%

Totaal

82

*

Ja, namelijk:

Tabel 4.15. Combinatie van begeleiden van kind naar school met andere activiteiten (* meerdere antwoorden waren mogelijk). Onder de 48 kinderen wiens ouders aangeven dat ze het begeleiden van hun kind combineren met andere reisdoelen, is opnieuw gekeken naar de vervoerskeuzen die hun ouders voor ze maken. Uit Tabel 4.16 blijkt dat deze ouders hun kind(eren) relatief vaak met de auto naar school brengen. Aantal

Aandeel

Ik of een andere volwassene breng(t) mijn kind achterop de fiets naar school

5

10%

Ik of een andere volwassene fiets(t) samen met mijn kind naar school

18

38%

Ik of een andere volwassene breng(t) mijn kind met de auto naar school

25

52%

Totaal

48

100%

Tabel 4.16. Vervoerskeuze van ouders die begeleiding van kinderen naar school combineren met andere activiteiten. 4.3.8.

Schoolgang van kinderen jonger dan 8 jaar bij fietsbrug Deze paragraaf geeft antwoord op de vraag ‘Hoeveel kinderen jonger dan 8 jaar zouden met de fiets gebracht worden of zelfstandig mogen, als het kruispunt veiliger zou zijn?’. Voor kinderen jonger dan 8 jaar is een vergelijking gemaakt tussen hoe ze nu naar school gaan (werkelijk) en hoe ze volgens ouders naar school zouden gaan als het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/ Achterbergsestraatweg voorzien zou worden van een ongelijkvloerse kruising (fietsbrug). Zoals te zien is in Tabel 4.17 zou dit een vrij spectaculaire verschuiving opleveren. Slechts 19 ouders kozen dezelfde vervoerswijzen als ze nu kozen, de overige 41 ouders van kinderen jonger dan 8 jaar kozen voor een andere vervoerswijze. Het aantal kinderen dat zelfstandig naar school zou mogen fietsen zou flink toenemen: van 2% naar

46

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

23%. Ook de voorgenomen afname van het aantal kinderen dat met de auto gebracht wordt is opzienbarend te noemen: van 57 naar 8%. Werkelijk

Zelfstandig naar school

Begeleid naar school

Aantal

Aandeel

Zelf naar school lopen

0

0%

Met broer/zus naar school lopen

0

0%

Ongelijkvloerse oversteek

Aandeel (per categorie)

2%

Aantal

Aandeel

1

2%

2

3%

12

20%

Zelf naar school fietsen

1

2%

Met broer/zus naar school fietsen

0

0%

2

3%

Achterop de fiets van volwassene naar school

8

13%

10

17%

Samen met volwassene naar school fietsen

14

23%

23

39%

Met volwassene met openbaar vervoer naar school

1

2%

0

0%

Met de auto naar school gebracht

35

57%

5

8%

Aandeel (per categorie)

28%

95%

64%

Overig

1

2%

5

8%

Totaal

61

100%

60

100%

Tabel 4.17. Vergelijking tussen huidige vervoerskeuze en de voorgenomen vervoerskeuze bij ongelijkvloerse fietsoversteek voor kinderen jonger dan 8 jaar. Voor de volledigheid is ook naar de groep basisschoolkinderen van 8-12 jaar gekeken. Net als bij de groep kinderen jonger dan 8 jaar werd voor 70% van de basisschoolkinderen van 8 tot en met 12 jaar (N = 38) een andere vervoerswijze gekozen tegenover 30% (N=16) die dezelfde vervoerswijzen als voorheen kozen. De verschuiving is hier nog spectaculairder dan bij de kinderen onder de 8 jaar: de groep kinderen die zelfstandig naar school zou mogen fietsen neemt toe van 43% naar 88%. Deze toename gaat gepaard met een fikse afname van het aantal kinderen dat door hun ouders met de fiets of auto naar school worden gebracht (zie Tabel 4.18).

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

47

Werkelijk

Zelfstandig naar school

Begeleid naar school

Aantal

Aandeel

Zelf naar school lopen

1

1%

Met broer/zus naar school lopen

0

0%

Ongelijkvloerse oversteek

Aandeel (per categorie)

44%

Aantal

Aandeel

0

0%

1

2%

44

82%

Zelf naar school fietsen

13

23%

Met broer/zus naar school fietsen

11

20%

3

6%

Achterop de fiets van volwassene naar school

0

0%

0

0%

Samen met volwassene naar school fietsen

17

30%

4

7%

Met volwassene met openbaar vervoer naar school

0

0%

0

0%

Met de auto naar school gebracht

10

18%

0

0%

Aandeel (per categorie)

90%

48%

Overig

4

7%

Totaal

56

100%

7%

4% 54

100%

Tabel 4.18. Vergelijking tussen huidige vervoerskeuze en vervoerskeuze bij ongelijkvloerse oversteek voor basisschoolkinderen van 8-12 jaar. 4.4.

Resultaten van middelbare scholieren

4.4.1.

Achtergrond informatie Er zaten in totaal 200 middelbare scholieren in de steekproef: 173 door de ouder/voogd ingevuld, 27 door middelbare scholieren zelf. De middelbare scholieren die zelf de vragenlijst hebben ingevuld zijn naar verhouding minder vaak jonger dan 12 of ouder dan 16 jaar (zie Tabel 4.19). Gemiddeld zijn beide groepen middelbare scholieren wel ongeveer even oud (ingevuld door ouders: gemiddelde leeftijd = 14,6 jaar; scholieren zelf ingevuld: gemiddelde leeftijd = 14,5 jaar). Opvallend is de 6-jarige middelbare scholier onder de door ouders ingevulde gegevens. Waarschijnlijk berust dit op een invulfout. Deze case is daarom buiten beschouwing gelaten. Bij beide groepen middelbare scholieren gaan de meeste kinderen naar het Ichthus College (zie Tabel 4.20). Daarnaast werd bij middelbare scholieren in beide groepen opvallend vaak gekozen ‘Anders, namelijk’. Bij beide groepen ging het grootste gedeelte van deze scholieren naar het Van Lodestein College in Kesteren (ingevuld door ouders: N = 30; scholieren zelf: N = 6). Van de groep kinderen die door ouders zijn ingevuld zijn 10 kinderen bij verdere analyses buiten beschouwing gelaten, waarvan 9 omdat ze niet meer op de middelbare school zaten (maar in de categorie ‘Universiteit, HBO of werken’) en 1 omdat dit kind overleden was.

48

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

Kenmerken scholier Geslacht

Leeftijd

Middelbare scholieren zelf

Ingevuld door ouders

Aantal

Aandeel

Aantal

Aandeel

Jongen

13

48%

86

50%

Meisje

14

52%

87

50%

Totaal

27

100%

173

100%

6

0

0%

1

1%

11

0

0%

3

2%

12

2

7%

23

13%

13

6

22%

29

17%

14

4

15%

32

19%

15

6

22%

25

15%

16

8

30%

21

12%

17

1

4%

19

11%

18

0

0%

13

8%

19

0

0%

7

4%

Totaal

27

100%

173

100%

Tabel 4.19. Leeftijd- en geslachtsverdeling middelbare scholieren.

Middelbare school

Middelbare scholieren zelf

Ingevuld door ouders

Aantal

Aandeel

Aantal

Aandeel

C.L.V.

1

4%

14

8%

C.S.V.

1

4%

6

4%

Groenschool Helicon

0

0%

2

1%

Ichthus College

11

41%

38

22%

Rembrandt College

0

0%

14

8%

Pantarijn Locatie Kesteren

1

4%

2

1%

Pantarijn Locatie Rhenen

1

4%

18

11%

Pantarijn Locatie Hollandseweg Wageningen

5

19%

8

5%

Pantarijn Locatie Nobelweg Wageningen

0

0%

0

0%

Anders (middelbare scholen, hoger onderwijs)

7

26%

70

Totaal

27

100%

172

41% 100%

Tabel 4.20. Verdeling van middelbare scholieren over middelbare scholen.

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

49

4.4.2.

Overstekende middelbare scholieren Deze paragraaf geeft antwoord op de onderzoeksvraag ‘Hoeveel kinderen in het voortgezet onderwijs komen van ‘de andere kant van het spoor’ (d.w.z. uit Achterberg en de oostelijke kant van Rhenen)?’. Uit Tabel 4.21 blijkt dat meer dan de helft van de middelbare scholieren in dit onderzoek het kruispunt oversteekt om naar school te gaan. Onder de middelbare scholieren die zelf aan het onderzoek meededen was dit aandeel zelfs 78%. Middelbare scholieren zelf

Ingevuld door ouders

Aantal

Aandeel

Aantal

Aandeel

Ja

21

78%

84

52%

Nee

6

22%

77

48%

Totaal

27

100%

161

100%

Tabel 4.21. Steek je/Steekt uw kind het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg over om naar school te gaan? – [alleen middelbare scholieren] Van de middelbare scholieren die het kruispunt niet oversteken, was dat in de meeste gevallen omdat dat gewoonweg niet hoeft (zie Tabel 4.22). Middelbare scholieren zelf

Ingevuld door ouders

Aantal

Aandeel

Aantal

Aandeel

Ik/Mijn kind hoef(t) de N233 niet over te steken om op school te komen.

6

100%

73

95%

De N233 oversteken is de meest directe route om naar school te gaan, maar ik geef de voorkeur aan een alternatieve route

0

0%

4

5%

Totaal

6

100%

77

100%

Tabel 4.22. Reden dat kind het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg niet oversteekt om naar school te gaan – [alleen middelbare scholieren] Uit de gegevens ingevuld door ouders blijken dus 88 middelbare scholieren (55%) het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg over te moeten steken om op school te komen. Van de middelbare scholieren moeten 21 kinderen het kruispunt oversteken. 4.4.3.

Omrijdende middelbare scholieren Deze paragraaf geeft antwoord op de onderzoeksvraag ‘Hoeveel kinderen op de middelbare school rijden om omdat men het kruispunt onveilig vindt?’. Het merendeel van de middelbare scholieren (zoals ingevuld door hun ouders) die het kruispunt over moeten steken, steken het kruispunt ook daadwerkelijk over (N = 84, 95%). Een kleine minderheid (N= 4, 5%) van de ouders gaf

50

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

aan dat hun kind op de middelbare voorkeur geeft aan een andere route (zie Tabel 4.22). Onder de middelbare scholieren zelf was er niemand die aangaf om te rijden. 4.4.4.

Oversteken voor andere activiteiten De meeste middelbare scholieren steken met een zekere regelmaat (dagelijks, wekelijks of maandelijks) het kruispunt over om naar andere activiteiten te gaan (ingevuld door ouders: 67%; scholieren zelf: 49%). Zo’n 21% (ingevuld door ouders) tot 31% (ingevuld door middelbare scholieren) steekt zelden tot nooit het kruispunt over. Middelbare scholieren zelf

Ingevuld door ouders

Aantal

Aandeel

Aantal

Aandeel

Ja, dagelijks

5

19%

45

28%

Ja, wekelijks

4

15%

50

31%

Ja, maandelijks

4

15%

13

8%

Ja, een paar keer per jaar

5

19%

18

11%

Zelden tot nooit

8

31%

33

21%

Totaal

26

100%

162

100%

Tabel 4.23. Steek je/Steekt uw kind het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg over om naar andere activiteiten te gaan? – [alleen middelbare scholieren] Wederom blijkt dat de meeste van deze middelbare scholieren het kruispunt gewoonweg niet over hoeven te steken (zie Tabel 4.24). Alleen enkele ouders melden dat hun kinderen het kruispunt ontwijken. Middelbare scholieren zelf

Ingevuld door ouders

Aantal

Aandeel

Aantal

Aandeel

Ik hoef/Mijn kind hoeft de N233 (bijna) nooit over te steken om naar andere activiteit te gaan

7

100%

29

88%

De N233 oversteken is de meest directe route om naar een andere activiteit te gaan, maar ik geef de voorkeur aan een alternatieve route

0

0%

4

12%

Totaal

7

100%

33

100%

Tabel 4.24. Reden dat middelbare scholier het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/Achterbergsestraatweg niet oversteekt om naar andere activiteiten te gaan.

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

51

4.4.5.

Schoolgang van middelbare scholieren Het overgrote deel van middelbare scholieren gaat zelf of samen met leeftijdsgenoten op de fiets naar school (zie Tabel 4.25). Werkelijk

Zelfstandig naar school

Begeleid naar school

Aantal

Aandeel

Loopt zelf naar school

0

Fietst zelf naar school

Ongelijkvloerse oversteek

Aandeel (per categorie)

Aantal

Aandeel

0%

0

0%

14

74%

55

65%

Fietst met broer/zus/ buurtgenoten/ klasgenoten/etc. naar school

4

21%

21

25%

Gaat zelf met openbaar vervoer naar school

0

0%

3

4%

Ouder of een andere volwassene fiets(t) samen met kind naar school

0

0%

0

0%

Ouder of een andere volwassene breng(t) kind met de auto naar school

0

0%

0

0%

Ouder of een andere volwassene breng(t) kind met openbaar vervoer naar school

0

0%

2

2%

95%

0%

Aandeel (per categorie)

93%

2%

Overig

1

5%

4

5%

Totaal

19

100%

85

100%

Tabel 4.25. Wijze waarop middelbare scholieren naar school gaan. 4.4.6.

Overwegingen voor schoolgang middelbare scholieren Tabel 4.26 laat zien dat ouders van middelbare scholieren aangeven dat verkeersveiligheid en de afstand /reistijd naar school belangrijk worden gevonden voor de vervoerswijze van hun kind. Ook relatief belangrijk is wat het kind zelf wil en kan en wat leeftijdsgenoten doen. De eigen vervoerswijze en contact met andere ouders op het schoolplein worden onbelangrijk gevonden. Beweegreden

Modus

De verkeersveiligheid van de route en schoolomgeving

1

De afstand/reistijd naar school

1

Hoe mijn kind zelf graag naar school wil

3

Wat mijn kind kan (qua vaardigheden, persoonlijkheid)

4

De sociale veiligheid van de route en schoolomgeving

5

Wat andere ouders/kinderen doen

6

Mijn eigen vervoerswijze naar werk/activiteiten buitenshuis (bijvoorbeeld: ik zet mijn kind onderweg naar werk/activiteiten bij school af)

8

Het contact met andere ouders op het schoolplein

8

Tabel 4.26. Rangorde van beweegredenen – ouders van middelbare scholieren.

52

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

De resultaten van de middelbare scholieren zelf tonen aan dat zij de afstand en reistijd het belangrijkste vonden. Daarna volgde de verkeersveiligheid en sociale veiligheid. Opvallend is dat de modus precies de volgorde aanhoudt waarin de overwegingen werden aangeboden. Mogelijk hadden middelbare scholieren geen sterke overwegingen en hebben ze gewoon de volgorde van aanbieden overgenomen. Beweegreden

Modus

De afstand/reistijd naar school

1

De verkeersveiligheid van de route en schoolomgeving

2

De sociale veiligheid van de route en schoolomgeving

3

Mijn ouders willen niet dat ik de kruising oversteek vanwege de verkeersveiligheid van de route en schoolomgeving

4

Mijn ouders willen niet dat ik de kruising oversteek vanwege de sociale veiligheid van de route en schoolomgeving

5

Wat andere leeftijdgenoten doen.

6

Tabel 4.27. Rangorde van beweegredenen middelbare scholieren. 4.4.7.

Schoolgang middelbare scholieren bij ongelijkvloerse kruising Onder middelbare scholieren zou een ongelijkvloerse kruising relatief weinig invloed hebben op hun voorgenomen vervoerskeuze: 72% van de middelbare scholieren zoals ingevuld door hun ouder/voogd zou op dezelfde wijze naar school blijven gaan. De verschuiving betreft vooral kinderen die zelf zouden mogen fietsen terwijl ze nu samen met leeftijdsgenoten fietsen. Middelbare scholieren zelf geven allemaal aan op dezelfde wijze naar school te gaan als ze nu doen.

4.5.

Samenvatting en opmerkingen

4.5.1.

Resultaten van basisschoolleerlingen In deze samenvatting worden de antwoorden op de onderzoeksvragen samengevat. 1. Hoeveel basisschoolkinderen komen van ‘de andere kant van het spoor’? Van de 236 basisschoolleerlingen uit deze dataset bleken 117 basisschoolkinderen (50%) het kruispunt van de N233 (Lijnweg) met de Bergweg/ Achterbergsestraatweg over te moeten steken om op school te komen. 2. Hoeveel kinderen op de basisschool rijden om omdat men het kruispunt onveilig vindt? Van de 117 basisschoolleerlingen die het kruispunt over moeten steken blijkt een minderheid (10%) het kruispunt te mijden. Een mogelijke verklaring voor dit kleine percentage zou kunnen zijn dat mensen die omrijden wellicht voorafgaand aan het onderzoek zijn afgevallen. Echter, de omschrijving van het onderzoek vermeldde dat de enquête bedoeld was om de mening van mensen over de veiligheid van dit kruispunt te meten. Men zou verwachten dat ouders die de veiligheid dermate ter harte gaat om ervoor om te rijden zeer gemotiveerd zouden zijn om deel te nemen aan dit onderzoek. Daarom achten we deze verklaring niet waarschijnlijk. We trekken dan ook de

SWOV-rapport R-2016-4 Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV – Den Haag

53

conclusie dat verdrongen mobiliteit vanuit Achterberg waarschijnlijk een omvang heeft van ongeveer 10%. 3. Hoeveel kinderen tussen 8 en 12 jaar gaan niet zelfstandig naar school omdat ouders het kruispunt onveilig vinden (uitgesplitst naar met de auto gebracht en begeleid met de fiets/te voet)? 38% van de 8-12-jarige kinderen gaat niet zelfstandig naar school;14% van de 8-12-jarigen wordt met de auto gebracht. Dit relatief laag percentage kan te maken hebben met het feit dat hier gekeken is naar alle 8-12-jarigen, waaronder 15 twaalfjarigen die reeds op de middelbare school zitten en overwegend zelf met de fiets naar school gaan. Indien deze middelbare scholieren buiten beschouwing worden gelaten, doet zich een heel ander beeld voor. Het merendeel (48%) van 8-12-jarige basisschoolleerlingen blijkt begeleid naar school te gaan tegenover 44% zelfstandig. Dat is opvallend, want uit eerder onderzoek bleek dat kinderen vanaf 8 jaar meestal zelfstandig naar school gaan (Hoekstra & Mesken, 2010). Gevraagd naar hun overwegingen voor de vervoerskeuzen van hun kind(eren), is de meest opgegeven reden voor ouders de verkeersveiligheid, tezamen met de afstand tot school. Voor ouders die hun kinderen naar school brengen geldt dat hun eigen vervoerswijze naar werk/andere activiteiten belangrijker is dan voor ouders in het algemeen.

Andersom bleek dat ouders die aangaven dat zij het halen/brengen van hun kinderen combineren met andere reisdoelen hun kind relatief vaak met de auto brachten. Dit is in lijn met eerder onderzoek naar de wijze waarop kinderen naar school gaan (o.a. Van der Houwen, Goossen & Veling, 2003). 4. Hoe verhoudt dat aantal zich ten opzichte van andere kinderen in dezelfde leeftijd? – Vergelijken met referentiecijfers in Nederland De meeste onderzoeken naar vervoerswijzen van basisschoolkinderen kijken naar kinderen van 4-12 jaar. Uit deze onderzoeken komen uiteenlopende cijfers naar voren over het aantal kinderen dat zelfstandig naar school gaat (zie Tabel 4.28). Zelfstandig

Begeleid

Voet

Fiets

Voet

Fiets

Auto

Van der Houwen, Goossen & Veling (2003)

15%

21%

18%

28%

15%

Hoekstra, Mesken & Vlakveld (2010)

15%

20%

16%

27%

12%

Hoekstra & Mesken (2010)

12%

20%

23%

25%

15%

Metz & De Haan (2013)

14%

17%

16%

20%

30%

Huidig onderzoek

1%

22%

0%

34%

39%

Tabel 4.28. Overzicht van onderzoeksresultaten over 4-12 jarige kinderen die zelfstandig of begeleid naar school gaan. Hierbij valt op dat kinderen in Achterberg en omgeving relatief vaak met de auto naar school worden gebracht: 39% tegenover 12-30% in de bovengenoemde onderzoeken. Dit is vooral terug te voeren op (ouders van) kinderen jonger dan 8 jaar: in die leeftijdsgroep ging 57% met de auto naar school. Een ander opvallend verschil is dat relatief weinig kinderen naar school lopen; waarschijnlijk voor een belangrijk deel ingegeven door de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/8451875/1