CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Concept Financiële Verordening 2025

Commissie Bestuur en Financiën 2 december 2024, gemeente RhenenBij agendapunt: Consultatie Vaststellen Financiële Verordening 20256.846 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Financiële verordening 2025 Zaaknummer 1186689

1 - Algemene bepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. Overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt. Rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheers handelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving. Voorwaardencriterium: is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheers handelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

Begrotingscriterium: is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheers handelingen tot stand moeten zijn gekomen; Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium: het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording Artikel 2 Vaststelling programma-indeling en paragrafen 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel het college vast: a. een nadere onderverdeling van de programma’s naar aanleiding van de speerpunten van het coalitieakkoord. b. de beleidsindicatoren. Het voorstel van het college bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. c. het aantal W-vragen waarbij minimaal de verplichte W-vragen opgenomen moeten zijn 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken 1. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting worden: a. de nieuwe investeringen het eerste begrotingsjaar van het benodigde investeringskrediet weergegeven inclusief de verwachte fasering per jaar. Deze kredieten

worden aangevuld met de geautoriseerde investeringen waarvan de uitvoering doorloopt in het nieuwe begrotingsjaar. In de ramingen wordt onderscheid gemaakt tussen de uitgaven en de inkomsten. b. de nieuwe investeringen van de meerjarenraming de benodigde investeringskredieten per jaar weergegeven. c. in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie. 2. In de jaarrekening wordt van de investeringen, de uitputting van de investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven. En inzicht geboden in de investeringen die worden afgerond en investeringen die worden meegenomen naar het volgende jaar. 3. In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 20.000 afzonderlijk gespecificeerd. Artikel 4 Kaders begroting en meerjarenraming 1. Het college biedt uiterlijk het tweede kwartaal van het jaar een kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze kadernota ook uiterlijk het tweede kwartaal vast. 2.

In de begroting wordt een post onvoorzien van € 10.000 incidenteel en € 5.000 structureel opgenomen. Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting, de baten en de lasten inclusief mutaties reserves per programma. 2. Het college is bevoegd om overschrijdingen van lasten binnen het programma te dekken. 3. In afwijking van het eerste lid kan de raad een activiteit welke onderdeel is van een deelprogramma , als prioriteit aanwijzen en daarvoor de baten en lasten apart autoriseren. 4. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. 5. Het college informeert de raad als zij verwachten, dat a. de lasten van een programma of een prioriteit de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden; b. de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigt te overschrijden; c. de baten van een programma of een prioriteit de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden; Het college informeert binnen een maand nadat de constatering gedaan is.

Dit doet het college indien de afwijking of de claim: - meer dan € 100.000 op het niveau van constateringen of - meer dan € 200.000 voor een openeinderegeling. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma of de prioriteit, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid. 6. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, eerste lid, kan het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten inclusief mutatie reserves, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid, doen. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten. 7. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 500.000 informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie

van de gemeente en de gevolgen voor de solvabiliteit. Ook dient dan het geldende btwregime vermeld te worden. 8. Bij investeringen met een meerjarig karakter stelt het college aan de raad voor op welke wijze de jaarschijven binnen het investeringsbudget worden opgebouwd. Goedkeuring voor verschuivingen tussen de jaarschijven van meer dan € 500.000 aan lasten van een investeringsbudget worden aan de raad integraal voorgelegd bij de jaarrekening. Artikel 6 Tussentijdse rapportages 1. Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages. Dit gebeurt met de voorjaarsnota en de najaarsnota. Dit gebeurt uiterlijk gelijktijdig met de kadernota en de (meerjaren)begroting en gaat over de realisatie van de begroting van het lopende boekjaar. De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit zoveel mogelijk aan bij de indeling van de begroting met uitzondering van de paragrafen. 2. De tussentijdse (beleids)verantwoording gaat in op de voortgang en afwijkingen van de plannen vanuit de begroting en het bestuursprogramma. Het beleidsonderdeel van de tussentijdse rapportages bevatten verder: - opvolging van eventuele aanbevelingen vanuit de rekenkamer - de opvolging van de bevindingen van het accountantsverslag - inhoudelijke/financiële trends en ontwikkelingen. Dit met minimaal de bijgestelde ramingen van: a. baten en lasten per programma b.

de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma c. het resultaat volgende uit onderdelen a en b. 3. In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten (inclusief mutaties reserves) op programmaniveau, prioriteiten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000 of voor zover politiek relevant toegelicht. Artikel 7 Jaarstukken 1. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat. 2. Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kan het college de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. De raad wordt geïnformeerd door het college uiterlijk maart volgend op het verslaggevingsjaar waarbij de budgetoverheveling in het lopend boekjaar wordt verwerkt als toevoeging aan de reserve budgetoverheveling.

Hierbij zijn de volgende criteria van toepassing: - niet beïnvloedbare omstandigheid waardoor de voorgenomen plannen niet zijn uitgevoerd in het jaar waar ze gepland stonden - het over te hevelen bedrag moet groter zijn dan € 10.000 - overgehevelde bedragen kunnen maximaal 2 jaar worden aangewend - de werkzaamheden die betrekking hebben op de overheveling mogen niet lijden tot een conflict met voorgenomen werkzaamheden in het volgend jaar. Artikel 8 Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen 1. Het college informeert de raad in ieder geval vooraf en neemt pas een besluit nadat de raad in de gelegenheid is gesteld haar zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken aan het college wanneer er sprake is van: a. de individuele aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 500.000. b. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 250.000, of c. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen. Artikel 9 EMU saldo 1. Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3 Rechtmatigheidsverantwoording Artikel 10 Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording 1. De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 3% van de omvangbasis zoals in de BADO aangegeven. 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde individuele afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 75.000 nader toegelicht. Artikel 11 Voorwaardencriterium 1. Het college biedt de raad jaarlijks ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Artikel 12 Begrotingscriterium 1. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5 lid 1. 2. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. 3.

Overschrijdingen van lasten/ investeringen dat iedere afwijking boven van de begroting na wijziging als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties: a. Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren. b. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling. c. Er sprake is van calamiteiten/rampen d. Nagekomen investeringsuitgaven na afsluiting van kredieten zijn alleen onrechtmatig voor het deel waar deze uitgaven hoger zijn dan het restantkrediet in het jaar van afsluiten. e. onvermijdbaar, onvoorzien én onuitstelbaar f. tijdig gemeld g. dekking van de uitgaven vanuit andere programma's 4. Over- en onderschrijdingen van baten en onderschrijdingen van lasten en/of investeringskredieten (ten opzichte van de begroting na wijziging) zijn rechtmatig wanneer deze tijdig worden gerapporteerd aan de raad. Dergelijke begrotingsafwijkingen worden gemeld en toegelicht in een P&C document. Afwijkingen aan het einde van het begrotingsjaar, die niet meer opgenomen kunnen worden in een eerder P&C document, zijn rechtmatig wanneer deze worden toegelicht in de jaarstukken. 5.

Begrotingsonrechtmatigheden die als acceptabel zijn aangemerkt in artikel 12.3 en 12.4 worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. Artikel 13 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium 1. Het college zorgt voor, en legt vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Hoofdstuk 4 Financieel beleid Artikel 14 Waardering en afschrijving vaste activa 1. Immateriële en materiële met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. 2. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening. 3. Voor activering kan gebruik gemaakt worden van de componentenbenadering. 4. De afschrijving start in het jaar volgend op het jaar van ingebruikname. 5. Op de (im)materiële vaste activa wordt jaarlijks lineair afgeschreven volgens onderstaande termijnen tot restwaarde. Wanneer er restwaarde verwacht wordt moet deze meegenomen worden in de berekening van de investering.

6. Er kan gemotiveerd afgeweken worden van de lineaire afschrijving en/of van de afschrijvingstermijn. Artikel 15 Voorziening voor oninbare vorderingen 1. Voor de vorderingen op derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd. Hierbij geldt dat er een voorziening opgenomen wordt voor: a. vorderingen ouder dan een jaar per ultimo jaar. Uitzondering hierop zijn individuele vorderingen groter dan € 10.000. Hier wordt individueel bekeken of er een voorziening voor gevormd moet worden. b. bij uitbestede diensten worden de richtlijnen van de samenwerkende partij gevolgd. Artikel 16 Reserves en voorzieningen 1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats. 2. Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval: a. de vorming en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen 3. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt in ieder geval aangegeven: a. het specifieke doel van de reserve; b. het bestedingsplan van de reserve; c. de voeding van de reserve; d. de maximale hoogte van de reserve, en e. de maximale looptijd. 4.

Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze via een apart beslispunt bij het jaarrekeningresultaat aan de algemene reserve toegevoegd. 5. De reserves worden jaarlijks bij de jaarrekening getoetst en de onderliggende bestedingsplannen wordt hierbij geactualiseerd waar nodig. Artikel 17 Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overhead-kosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, betrokken. 2. Voor de leges, rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid, de bijdragen aan- en onttrekkingen van reserves en voorzieningen en andere redelijkerwijs toe te rekenen directe kosten betrokken. 3.

Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten. 4. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden wordt uitgegaan van het aandeel in de totale geraamde overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten die met de betreffende heffing maximaal in rekening kunnen worden gebracht, gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de taakvelden. 5. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op basis van het renteschema in conform artikel 4 lid 1. 6. In afwijking van het vierde lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. 7.

In afwijking van de op basis van het vijfde en zesde lid berekende rentepercentage kan over een ander rentepercentage worden besloten bij de nota conform artikel 4 lid 1.

Artikel 18 Prijzen economische activiteiten 1. Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. 4. Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd. 5. Raadsbesluiten met de motivering van het publiekbelang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht én er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet. Artikel 19 Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen 1. Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, leges, rechten en heffingen. 2.

Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota aan met de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren en de tarieven voor erfpachten. Deze nota wordt door de raad vastgesteld. 3. Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en tarieven voor erfpachten, die afwijkt van de kaders uit de nota vooraf een besluit voor aan de raad. Artikel 20 Financieringsfunctie 1. De gemeente voert, gelet op haar publiekrechtelijke taak om maatschappelijk kapitaal te beheren, een risicomijdend treasurybeleid. Dit betekent dat de gemeente alleen geld aantrekt indien noodzakelijk en terughoudend is met het verstrekken van leningen en garanties. Dit wordt bereikt door: 1. Het verzekeren van langdurende toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities met aandacht voor duurzaamheid. 2. Beperken en beheersen van financiële risico’s zoals renterisico’s, kredietrisico’s, liquiditeitsrisico’s en valutarisico’s. Bij het aantrekken van financieringsmiddelen geldt: a. er wordt er geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden. b. bij het aantrekken van langlopende financieringen zijn onderhandse leningen toegestane instrumenten. c.

bij het aantrekken van kortlopende financieringsmiddelen (korter dan 1 jaar) zijn daggeld, kasgeldlening en een kredietlimiet op rekening courant toegestane instrumenten. Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal geldt: d. verstrekking van een garantie is alleen mogelijk indien die noodzakelijk is om een geldlening af te sluiten voor de uitvoering van de publieke taak. e. leningen worden alleen verstrekt als een instelling die ook met gemeentegarantie geen lening kan afsluiten op de kapitaalmarkt f. bedingt zoveel mogelijk zekerheden 3. Optimaliseren resultaat van de treasury-activiteiten door kosten ervan te minimaliseren en renteopbrengsten te maximaliseren maar altijd ter ondersteuning aan het te voeren beleid a. Het aantrekken van leningen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste

twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd b. Het uitgangspunt is dat financiering plaatsvind op basis van totaalfinanciering. Afwijking kan uitsluitend na goedkeuring van gemeenteraad. Hoofdstuk 5 Begroting en jaarstukken Artikel 21 Lokale heffingen 1. Het college neemt in de paragraaf lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de kostentoerekening van de geraamde (overhead)kosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht; b. een vergelijk van de lokale lastendruk op basis van de Atlas van lokale lasten (van COELO). Artikel 22 Weerstandsvermogen en risicobeheersing 1. Het college neemt in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. het kengetal over de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner (bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar) 2. Het college toetst ten minste eens in de vier jaar of wijziging van de nota Weerstandsvermogen en risicomanagement nodig is.

Het college stelt de raad in kennis van die toets en legt de raad een nieuwe nota weerstandsvermogen en risicomanagement voor, indien dat nodig wordt geacht. De raad kan het college verzoeken om meteen met voorstel tot wijziging te komen. De nota wordt door de raad vastgesteld. Artikel 23 Onderhoud kapitaalgoederen 1. Het college toetst ten minste eens in de vier jaar of wijziging van het (beeld)kwaliteitsplan nodig is. Het college stelt de raad in kennis van die toets en legt de raad een nieuw onderhoudsplan openbare ruimte voor indien dat nodig wordt geacht. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het plan vast. 2. Het college toetst ten minste eens in de vier jaar of wijziging van het gemeentelijk rioleringsplan nodig is. Het college stelt de raad in kennis van die toets en legt de raad een nieuw rioleringsplan voor indien dat nodig wordt geacht. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen. De raad stelt het plan vast. 3. Het college toetst ten minste eens in de vier jaar of wijziging van het onderhoudsplan gebouwen nodig is.

Het college stelt de raad in kennis van die toets en legt de raad een nieuw onderhoudsplan gebouwen voor indien dat nodig wordt geacht. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het plan vast. Artikel 24 Financiering 1. Het college neemt in de paragraaf financiering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. een rentevisie over de te verwachten rente voor de begrotingsperiode danwel het lopende begrotingsjaar. Artikel 25 Bedrijfsvoering 1. het college neemt in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten; b. de kosten van inhuur derden; c. stand van zaken opvolging accountantsverslag op bestuurlijk relevante onderwerpen;

d. opvolging eventuele opmerkingen rekenkamer; e. een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen [, voor zover deze de rapportagegrens, zoals bedoeld in artikel 10 overschrijden of voldoen aan [kwalitatieve criteria rapportagegrens]] en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen; f. een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen; g. geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt. Artikel 26 Verbonden partijen 1. Het college neemt in de paragraaf verbonden partijen van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de financiële bijdrage vanuit de gemeente voor het huidig en voorgaande jaar per verbonden partij. Artikel 27 Grondbeleid 1. Het college neemt in de paragraaf grondbeleid van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de actuele faciliterende gronden 2.

Het college toetst ten minste eens in de vier jaar of wijziging van de nota Grondbeleid nodig is. Het college stelt de raad in kennis van die toets en legt de raad een nieuwe nota Grondbeleid voor indien dat nodig wordt geacht. De raad kan het college verzoeken om met een voorstel tot wijziging te komen. De nota wordt door de raad vastgesteld. 3. De voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen nominale waarde.

Hoofdstuk 6 Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 28 Administratie 1. De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en binnen de teams; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten; c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties; d. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; e. het afleggen van verantwoording door het college aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving, en f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving. Artikel 29 Financiële organisatie 1. Het college draagt in ieder geval zorg voor: a.

een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen; b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie; e. de te maken afspraken met de teams over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van

de activiteiten en uitputting van middelen; f. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; g. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen, en h. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan. i. het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst. Artikel 30 Interne controle 1. Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 25 onder e. Daarnaast informeert het college de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen. 2.

Het college zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 5 jaar. Bij afwijkingen in de administratie neemt het college maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 31 Intrekking oude regeling 1. De Financiële verordening gemeente Rhenen 2023 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar 2024 en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt. Artikel 32 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Rhenen 2025.

Bijlage afschrijvingstermijnen bij artikel 14

Gronden en terreinen o Gronden met een maatschappelijk nut: N.v.t. o Gronden met een economisch nut: N.v.t. Woonruimten, bedrijfsgebouwen o Gebouwen: 40-60 o Zoutsilo’s gemeentewerf: 20 o Semi-permanente bouw (noodlokalen): 15 o Verbouwingen (renovatie en restauratie) 20 t/m 40 o Woonwagens: 25 o Wijkunits: 10 Grond-, weg- en waterbouwkundige werken: o Riolering: telemetrie: 15 o Riolering: drukriolering: 40 o Riolering: vrijvervalriolering: 60 o Pompen en gemalen riolering: 12 o Wegreconstructies incl. verkeersmaatregelen, rotondes e.d.: 20 t/m 40 o Sportvelden: 20 o Overige velden en terreinen: 15 t/m 30 o Renovatie velden en terreinen: 10 t/m 20 o Speelvoorzieningen (aanleg, verbetering, aanpassing): 10 o Groenvoorziening (aanleg, verbetering, aanpassing): 20 o Kunstwerken*: 20 o Uitbreiding begraafplaatsen: 40 Vervoermiddelen: o Veegmachine: 7 o Vrachtauto met haakarm: 6 o Personenauto: 7 o Kraakperswagen incl. belading: 7 o Plantsoenenauto: 5,6 o Wijkauto’s (vliegende brigade): 7,8 o Tractor: 8,9 o Shovel: 10 o Maaier, kooimaaier: 7,8 o Chasis t.b.v.

1-8: 6 o Groot materieel brandweer: 15 o Personeels/materieel voertuig brandweer: 7 o Hulpverleningsvoertuig brandweer: 6 o Overige vervoermiddelen: 7 Machines, apparaten en installaties o Technische installaties: 15 t/m 20 o Telefooncentrale: 8 o Kantoor- en huishoudelijke apparatuur: 5 t/m 10 o Watertank: 10 o Sneeuwploeg, zoutstrooier: 9 o Aanhanger: 9 o Verrijdbare afzetting: 10 o Beregeningshaspel: 10 o Grafdelfmachine: 9

o Combi veeg verticuteermachine: 7 o Rolbezem: 6 o Voorlader: 9 o Armklepelmaaier: 7 o Watertank: 10 o Freesmachine: 6 o Bodemverluchter: 9 o Hefbrug: 20 o Overige machines en werkmaterieel: 5 t/m 10 Overige materiële vaste activa o Hekwerken, afrasteringen, ballenvangers e.d.:15,3 o Meubels en inventaris: 10 o 1e inrichting onderwijs: 10 o Leer- en hulpmiddelen: 10 o Buiteninventaris (speeltoestellen en voorzieningen): 10 o Automatisering (hardware en software): 5 o (Mini)containers: 15 Immateriële vaste activa: o Onderzoek en planvorming (toe te rekenen aan een vast actief): 5 o Onderzoek en planvorming (niet toe te rekenen aan vast actief): 1

Toelichting op de artikelen Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording Artikel 2. Vaststelling programma-indeling en paragrafen Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de (deel)programma’s wordt door de raad worden gewijzigd en vastgesteld. De raad kan bij aanvang van een nieuwe raadsperiode aangeven welke paragrafen hij nog meer wenst. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid. Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting en de jaarstukken. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten (inclusief de mutaties reserves), de reserves en voorzieningen en de investeringen onder de programma’s in de begroting per deelprogramma worden weergegeven. In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken. Artikel 4 .

Kaders begroting en meerjarenraming Dit artikel bepaalt, dat het college vooraf aan het opstellen van de begroting een nota aanbied, waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders en uitgangspunten (inclusief investeringen) voor de komende jaren zijn vastgelegd. Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. Met het vaststellen van deze uitgangspunten geeft de raad in een vroegtijdig stadium kaders aan het college voor de invulling van de begroting voor het komende jaar. Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten Dit artikel bevat nadere regels voor de autorisatie van de baten en lasten (inclusief mutaties reserves) van de begroting en investeringskredieten. De financiële autorisatie vindt plaats op programmaniveau. Lid 4 geeft aan dat er onderscheid gemaakt wordt tussen nieuwe investeringen die bij de begroting door de raad worden vastgesteld en investeringen waarbij het college de raad een voorstel doet voor toekomstige autorisatie. Daar waar hier gesproken wordt over investeringen kan het zowel gaan om het vaststellen van een voorbereidingskrediet als een uitvoeringskrediet. Op deze manier kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel.

Een bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Lid 5 geeft aan wanneer het college de raad informeert. Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid is er voor gekozen deze zoveel mogelijk mee te nemen bij de behandeling van de tussenrapportages (lid 6). Daarnaast draagt dit lid aan het college op bij omvangrijke investeringen aan te geven wat het effect op de schuldpositie van de gemeente is. Artikel 6. Tussentijdse rapportage Op basis van de tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van beleid. Dit gebeurd door de aangegeven rapportages. Lid twee bepaald dat de bij deze tussenrapportages de (deel)programma-indeling gelijk is aan de indeling van de begroting. In de rapportages wordt het saldo van de afwijkingen van de baten en lasten op deelprogramma niveau toegelicht. Hier worden de afwijkingen bedoeld tussen de realisatie en de oorspronkelijke begroting.

Artikel 7. Jaarstukken In de kadernota rechtmatigheid 2023 adviseert de commissie BBV om regels in de verordening op te nemen hoe de organisatie om gaat met het verschuiven van budgetten over de jaren heen. Dit kan ontstaan bij specifieke exploitatiebudgetten die aan het einde van het jaar te maken hebben met onderbesteding. Artikel 8. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen Voor sommige onderwerpen zal het college geen besluit nemen voordat de raad geïnformeerd is en de mogelijk heeft gehad om bedenkingen in te brengen. Artikel 9. EMU-saldo Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald. Gemeenten krijgen van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. In dit geval moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.

Als hierop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens In het tweede lid stelt de raad de verantwoordingsgrens vast, waarboven burgemeester en wethouders moeten rapporteren aan de raad (Kadernota rechtmatigheid 2023, augustus 2021). Deze grens moet tussen 0% en 3% liggen van de totale lasten van de gemeente, inclusief de dotaties aan de reserves. Artikel 11. Voorwaardencriterium Het tweede lid geeft aan dat jaarlijks het normenkader ten aanzien van de rechtmatigheidsverantwoording door de gemeenteraad moet worden vastgesteld en voor een einde van het verslaggevingsjaar de raad moet worden aangeboden. Artikel 12. Begrotingscriterium De baten en lasten en de investeringskredieten moeten zich bewegen binnen de door de raad goedgekeurde en vastgestelde bandbreedtes. Indien er een afwijking plaatsvindt is er in principe sprake van een begrotingsonrechtmatigheid. Artikel 13. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium Dit artikel voorziet in het zogenaamde “misbruik en oneigenlijk gebruik criterium”.

Van misbruik is sprake bij het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen of niet dan wel een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen. Van oneigenlijk gebruik is sprake indien bij het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, het verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid, in overeenstemming met de bewoordingen van de regelgeving is maar in strijd met het doel en de strekking daarvan is. Aan Burgemeester en wethouders wordt opgedragen om regels op stellen voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Hoofdstuk 4 Financieel Beleid Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa De verordening moet volgens artikel 212, lid 2, Gemeentewet in elk geval regels bevatten voor waardering en afschrijving van activa. Het BBV (artikel 59 tot en met 65) stelt hier regels voor. Voor

de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de verordening. Artikel 15. Voorziening voor oninbare vorderingen Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Vorderingen worden (individueel) beoordeeld op oninbaarheid. Artikel 16. Reserves en voorzieningen Het college toets de beleidsnota over reserves en voorzieningen minstens eens in de vier jaar of wijzigingen nodig is. Andersom kan de raad het college verzoeken om met een voorstel tot wijziging te komen. De raad stelt deze nota vast. Lid 3 en lid 4 bepalen dat er bij het instellen van een nieuwe reserve inzicht moet worden gegeven in een aantal onderdelen om zo te voorkomen dat bestemmingsreserves op de balans te blijven staan zonder dat er nog een investeringsvoornemen bestaat. Artikel 17. Kostprijsberekening Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs. Artikel 18.

Prijzen economische activiteiten Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht. Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Dit artikel bepaald dat dit enkel kan wanneer dit vooraf in een raadsbesluit is vastgelegd. Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 Gemeentewet). Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt. Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 Gemeentewet, is een privaatrechtelijk besluit.

Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college, maar hebben wel invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de raad. Het tweede lid bepaalt dat het college eens in de vier jaar de nota met daarin de kaders voor de te hanteren prijzen, huren en tarieven voor erfpacht toetst. De raad stelt deze nota vast. Het derde lid bepaalt dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de kaders uit de nota vooraf ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden. Artikel 20. Financieringsfunctie Uitvoering van beleid inzake de financieringsfunctie vindt plaats conform de criteria en richtlijnen zoals genoemd in de uitvoeringsregels Treasury. Hoofdstuk 5. Begroting en jaarstukken Het BBV geeft in de artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfs-

voering, verbonden partijen en grondbeleid ten minste moet staan. De raad kan bepalen om ook over aanvullende zaken in de paragrafen van de begroting en jaarrekening te worden geïnformeerd. Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 28. Administratie In dit artikel zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten doen. Artikel 29. Financiële organisatie Dit artikel geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie. Volgens artikel 160 lid 1a, Gemeentewet is het college bevoegd regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente. Dit artikel geeft een opsomming op welke van de terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. In dit artikel van de verordening wordt het college opgedragen om bepaalde van deze regels die de financiële organisatie betreffen, vast te leggen in besluiten. Artikel 30. Interne controle Dit artikel draagt het college op om maatregelen te treffen op het gebied van de interne beheersing van de organisatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14810319/2