CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Beleidsplan Bestaanszekerheid en Basisvaardigheden 2025-2030

Commissie Samenleving 21 januari 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Beleidsplan Bestaanszekerheid en Basisvaardigheden 2025-203010.121 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Beleidsplan Bestaanszekerheid en Basisvaardigheden 2025-2030

Inhoudsopgave Voorwoord .......................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1 Inleiding ........................................................................................................... 4 1.1.

Waarom wij geen bestaanszekerheid kunnen bieden aan onze inwoners ...................... 4

1.2.

Wat vooraf ging .................................................................................................... 4

1.3.

Uitgevoerde consultaties ........................................................................................ 5

1.4.

Leeswijzer ........................................................................................................... 6

Hoofdstuk 2 Armoede in Rhenen............................................................................................ 8 2.1.

Inleiding .............................................................................................................. 8

2.2.

Wat is armoede?................................................................................................... 8

2.3.

Wie lopen risico op armoede? ................................................................................ 8

2.4.

Wat zijn gevolgen van armoede? ............................................................................ 8

2.5.

Armoede in Rhenen............................................................................................. 11

2.6.

Het voorkomen en bestrijden van armoede in gemeente Rhenen .............................. 15

Hoofdstuk 3 Onze speerpunten bij het voorkomen en bestrijden van armoede tot 2030 .............. 18 3.1.

Inleiding............................................................................................................ 18

3.2.

Speerpunt 1: Door de bomen het bos weer zien ..................................................... 19

3.3.

Speerpunt 2: Niets over ons zonder ons ................................................................ 20

3.4.

Speerpunt 3: Voorkomen is beter dan genezen, maar het ziekenhuis ........................ 21

Hoofdstuk 4 Hoe werkt gemeente Rhenen aan basisvaardigheden? .......................................... 23 4.1.

Inleiding............................................................................................................ 23

4.2.

Het belang van basisvaardigheden ........................................................................ 23

4.3.

Hoe werkt gemeente Rhenen aan de basisvaardigheden van haar inwoners?.............. 24

4.4.

Onze focus de komende jaren .............................................................................. 26

Hoofdstuk 5 Monitoring, evaluatie en financieel ..................................................................... 28 5.1.

Inleiding ............................................................................................................ 28

5.2.

Monitoring ......................................................................................................... 28

5.3.

Evaluatie ........................................................................................................... 28

5.4.

Financieel .......................................................................................................... 28

1

Voorwoord Er is geen enkele reden Waarom je niet een man eerst een vis zou geven Zodat hij de kracht heeft om te leren vissen Voor u ligt het beleidsplan Bestaanszekerheid en basisvaardigheden 2025-2030 van gemeente Rhenen. In eerdere versies van dit beleidsplan stond het thema armoedebestrijding centraal. We hebben uiteindelijk echter bewust gekozen voor de term bestaanszekerheid, omdat we ons in Rhenen niet alleen richten op het bestrijden, maar ook op het voorkomen van armoede. Én omdat we hierbij niet alleen aandacht hebben voor het versterken van het economisch kapitaal van onze inwoners, maar vooral ook op versterking van hun mentaal, sociaal, cultureel, pedagogisch en ecologisch kapitaal. Want armoede is meer dan alleen structureel te weinig geld hebben. Het is onlosmakelijk verbonden met een tekort aan andere hulpbronnen die de kans op armoede vergroten en het veel minder waarschijnlijk maken dat mensen zich eraan kunnen ontworstelen. Deze hulpbronnen zijn het mentaal, sociaal, cultureel, pedagogisch en ecologisch kapitaal van mensen. In dit beleidsplan leest u wat wij daaronder verstaan. Samen met het economisch kapitaal van mensen, bepalen deze hulpbronnen de bestaanszekerheid van onze inwoners.

Een belangrijke voorwaarde voor bestaanszekerheid zijn de basisvaardigheden van mensen; vaardigheden op het gebied van taal, rekenen en burgerschap die nodig zijn om mee te kunnen doen in onze maatschappij. Daarom besteden we in dit beleidsplan ook aandacht aan ons beleid op dit specifieke terrein. Het goede nieuws is dat we het in Rhenen, in vergelijking met zowel Nederland als andere gemeenten, op beide terreinen helemaal niet slecht doen. Maar dat betekent niet dat we als gemeente achterover kunnen gaan leunen. Want dan gaat het snel bergafwaarts. Het zijn onderwerpen die om aandacht blijven vragen. We blijven daarom werken aan zowel bestaanszekerheid als basisvaardigheden. In dit beleidsplan leest u hoe we dat doen en waar we de komende jaren op focussen. Hierbij kunnen we terugvallen op een groot en actief vrijwilligersnetwerk dat ook nog eens goed samenwerkt met onze maatschappelijke partners. Dat is allerminst vanzelfsprekend, en daar mogen we trots op zijn. En als we kijken naar de inzet van ervaringsdeskundigheid bij beleid in relatie tot bestaanszekerheid , liggen we zelfs vóór op de meeste andere gemeenten in Nederland. Waar een kleine gemeente als Rhenen al niet groot in kan zijn….. Ik wens u veel leesplezier. Dick Poortinga, wethouder

2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1.

Waarom wij geen bestaanszekerheid kunnen bieden aan onze inwoners

Het is een wijd verbreide gedachte dat gemeenten beter dan de Rijksoverheid in staat zouden zijn om te zorgen voor de bestaanszekerheid van hun inwoners. Wij kennen onze inwoners immers en staan dichter bij hen. Het is helaas een gedachte die niet helemaal waar is. Als het gaat om onze ambities op het gebied van bestaanszekerheid is het belangrijk dat we eerlijk en duidelijk onderkennen waar onze invloed als gemeente vooral ligt, en waar minder. Waar hebben we weinig invloed op? Gemeenten hebben slechts zeer beperkt invloed op het economisch kapitaal van hun inwoners. Inkomenspolitiek is namelijk voorbehouden aan het Rijk. Dit zou ook financieel onhaalbaar zijn voor gemeenten. In plaats daarvan is het de rijksoverheid die bijvoorbeeld de hoogte van het minimumloon bepaalt en de koppeling van dit minimumloon aan de AOW en uitkeringen vanuit de Participatiewet. Zo bepalen zij het economisch kapitaal van de inwoners van Nederland. Het uitgangspunt van deze regelingen is dat zij voorzien – in geval van vangnetregeling – in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Huisvesting, kleding, verzekeringen en voeding van een standaard die wij als samenleving noodzakelijk vinden, moeten van dit inkomen betaald kunnen worden. Wanneer dat niet het geval is, is er sprake van armoede.

Gemeenten kunnen hooguit iets doen aan het economisch kapitaal van inwoners in de vorm van bijvoorbeeld een individuele inkomenstoeslag, bijzondere bijstand, een collectieve ziektekostenverzekering, studietoeslag en geoormerkte tegoeden voor sport, cultuur, ontspanning en energiebesparende maatregelen. In dit beleidsplan leest u hoe gemeente Rhenen invulling geeft aan de, dus beperkte, invloed die we hebben op het economisch kapitaal van onze inwoners. Waar hebben we meer invloed op? Meer dan het economisch kapitaal van hun inwoners, kunnen gemeenten ándere kapitalen versterken die aan de basis staan van bestaanszekerheid, namelijk het mentaal, sociaal, cultureel, pedagogisch en ecologisch kapitaal van inwoners. In dit beleidsplan leest u hoe we dat doen. Het versterken van deze kapitalen kan zeer zeker ook leiden tot een verbetering van het economisch kapitaal van inwoners. En wel doordat we bijvoorbeeld inwoners mogelijkheden bieden tot het doorbreken van de clusterfuck1 die armoede is, bijvoorbeeld door ontdekken en ontplooien van hun talenten en competenties. 1.2.

Wat vooraf ging

Dit beleidsplan staat niet op zichzelf. Het past in een traject dat begon in juli 2019. Toen nam de gemeenteraad een motie aan om de (op dat moment goed gevulde) armoedereserve in te gaan zetten. Zij gaf daarbij de opdracht hiervoor een plan te maken. Het Plan van Aanpak Armoedebestrijding 2020-2022 is hiervan het resultaat. Begin 2023 is de evaluatie van het Plan van Aanpak Armoedebestrijding 2020-2022 vastgesteld door onze gemeenteraad. Uit deze evaluatie kwam een aantal punten naar voren. Met een aantal gaan we verder, met een aantal niet. Waar we structureel mee verder willen gaan: • De inzet van het maatwerkbudget. Er zijn huishoudens met armoede voor wie de reguliere regelingen en budgetten onvoldoende soelaas bieden. Voor hen is er het maatwerkbudget. • De inzet van de Denktank ‘Arm maar rijk aan ervaring’. Deze bestaat uit mensen die uit eigen ervaring weten hoe het is om een laag inkomen te hebben en gebruik te maken van allerlei regelingen die voor hen bedoeld zijn. Samen met onze Adviesraad Sociaal Domein, 1

In zijn boek ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld’ legt Tim ’s Jongers uit dat armoede een clusterfuck genoemd mag worden. 3

•

Cliëntenraad De Vallei en onze vrijwilligersorganisaties die mensen met een laag inkomen ondersteunen, zorgen zij voor een stevige onderbouwing van ons armoedebeleid. Communicatie over onze hulp en regelingen voor inwoners met een laag inkomen, bedoeld voor hen en onze partners. Zodat deze hulp en regelingen gemakkelijker vindbaar zijn.

Waar we niet mee verder willen gaan: • Sparen. Door de inflatie en gestegen energieprijzen was het niet reëel hier op in te zetten. We zouden er in 2024 op terugkomen, maar de situatie is onveranderd. Natuurlijk moedigen we mensen aan om te sparen als dit mogelijk is en benadrukken we, evenals het Nibud, de noodzaak een buffer aan spaargeld op te bouwen, maar wanneer voor zoveel inwoners simpelweg rondkomen al een uitdaging is, lopen we te ver vooruit. • Energiearmoede. Vanuit het Rijk is dit onderwerp breed opgepakt in de vorm van de energietoeslag. • Stadsakkers/gezonde voeding. De oriëntatie stadsakkers liep op niets uit. Daarnaast is in de afgelopen jaren vanuit het Rijk op gezondheid en gezonde voeding actie ondernomen in de vorm van IZA/GALA. Inwoners die kleinschalig in hun buurt of straat iets willen opstarten op dit vlak kunnen via andere wegen bij de gemeente terecht. In dit beleidsplan geven we de kaders (‘speerpunten’) om vorm te geven aan de onderwerpen waar we structureel mee verder gaan. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de overige kaders waaraan de aanpak van bestaanszekerheid in de periode van 2025 tot en met 2030 moet voldoen. Bovendien besteden we in dit beleidsplan aandacht aan de wijze waarop gemeente Rhenen werkt aan de basisvaardigheden van haar inwoners.

Dit zijn vaardigheden op het gebied van taal, rekenen en burgerschap die nodig zijn om mee te kunnen doen in onze maatschappij. We besteden hier aandacht in dit beleidsplan aan omdat we weten dat de ontwikkeling van basisvaardigheden erg belangrijk is voor de bestaanszekerheid van onze inwoners. De Factsheet van Stichting Lezen en Schrijven (zie verwijzingen aan het eind van dit document) belicht de bewezen relatie tussen bestaanszekerheid en basisvaardigheden. 1.3.

Uitgevoerde consultaties

De eerste versie van dit beleidsplan is 4 juli 2024 besproken in de raad. Om tot deze eerste versie te komen is in januari 2024 een participatiebijeenkomst georganiseerd over de speerpunten van dit beleidsplan. Hiervoor waren uitgenodigd: • De Formulierenbrigade • HulpMaatje Rhenen • Welzijn Rivierstroom • Mozaïek Welzijn • Bibliotheek ZOUT en Taalhuis • Buurtgezinnen Rhenen • Netwerk voor Nieuwkomers • Gemeenteraad Rhenen • Adviesraad Sociaal Domein • Cliëntenraad De Vallei • Denktank ‘Arm, maar rijk aan ervaring’ • Medewerkers van de gemeente; het sociaal team, jeugdteam, team Leefbaarheid, het energieloket en de energiecoaches. Daarnaast zijn adviesverzoeken voorgelegd aan zowel de Adviesraad Sociaal domein als Cliëntenraad De Vallei. Op 4 juli 204 is het beleidsplan ‘Armoedebestrijding 2024-2030’ in de Commissie Samenleving en daarna in de raadsvergadering geweest. Raadsleden gaven toen aan met de speerpunten te kunnen instemmen, maar behoefte te hebben aan meer inzicht, al in het beleidsplan zelf en niet slechts in de uitvoeringsplannen, in onze visie op armoede(bestrijding), een beeld van de armoede in Rhenen en een beschrijving van de huidige aanpak van armoedebestrijding in gemeente Rhenen. 4

Informatie hierover is toegevoegd aan hoofdstuk twee van de tweede versie van het beleidsplan. De tweede versie van het beleidsplan ‘Armoedebestrijding 2024-2030’ is op 27 augustus 2024 als concept voorgelegd aan: 1. De Formulierenbrigade 2. Stichting Hulpmaatje Rhenen 3. Bibliotheek ZOUT en Taalhuis 4. Netwerk voor Nieuwkomers 5. JobHulpMaatje Rhenen 6. SchuldHulpMaatje Rhenen 7. Denktank ‘Arm, maar rijk aan ervaring’ Daarnaast zijn eind augustus 2024 opnieuw de Adviesraad Sociaal domein en de Cliëntenraad De Vallei om advies gevraagd op basis van de tweede versie van het beleidsplan ‘Armoedebestrijding 2024-2030’. Zoals gebruikelijk hadden zij zes weken de tijd voor hun reactie. De adviezen van de adviesraden en een overzicht van de belangrijkste opmerkingen uit de participatiebijeenkomst van 27 augustus 2024 (inclusief een toelichting op verwerking van deze input) zijn in bijlage X opgenomen. Op 17 september 2024 is bovendien de raad geconsulteerd op basis van de tweede versie van het beleidsplan ‘Armoedebestrijding 2024-2030’. In al deze consultaties stonden de volgende twee vragen centraal: 1. Is onze visie op en de huidige praktijk van armoedebestrijding door gemeente Rhenen nu voldoende duidelijk geschetst? 2.

Kunt u zich erin vinden dat, vanwege de samenhang tussen beide, een beschrijving van onze inspanningen op het terrein van basisvaardigheden is toegevoegd aan dit beleidsplan? Ook de opmerkingen vanuit deze consultatie zijn meegenomen in het document dat u nu in handen heeft. Opnieuw blijven we in dit document bewust op hoofdlijnen. De concretisering van deze kaders leest u in de tweejaarlijkse uitvoeringsplannen die ter informatie aan de raad zullen worden voorgelegd. 1.4.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 leest u hoe we armoede definiëren, wie risico lopen op armoede en wat gevolgen zijn van armoede. Bovendien presenteren we enkele cijfers over armoede in Rhenen en hoe er in gemeente Rhenen wordt gewerkt aan het voorkomen en bestrijden van armoede. In hoofdstuk 3 beschrijven we onze drie speerpunten bij het werken aan het voorkomen en bestrijden van armoede tot 2030. Telkens belichten we wat we gaan doen, wanneer doelen bereikt zijn en hoe dat te meten is. In hoofdstuk 4 beschrijven we hoe we werken aan de basisvaardigheden van onze inwoners en waarop de we komende jaren zullen focussen. In hoofdstuk 5 leest u hoe we dit beleidsplan zullen monitoren en evalueren en vindt u het financiële plaatje. Als afsluiting treft u een pagina verantwoording: bronnen die niet zijn aangehaald in de voetnoten maar wel zijn gebruikt in de totstandkoming van dit document.

5

Hoofdstuk 2 Armoede in Rhenen 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we wat armoede is, wie risico lopen op armoede en wat gevolgen zijn van armoede. Verder schetsen we een beeld van de armoede in Rhenen en hoe in gemeente Rhenen wordt gewerkt aan het voorkomen en bestrijden van armoede. 2.2

Wat is armoede?

Armoede is het gemis aan allerlei zaken die door de samenleving als noodzakelijk worden gezien en waarbij het gemis veroorzaakt wordt door onvoldoende inkomen en vermogen. Wat als noodzakelijk wordt beschouwd is onderwerp van voortdurende discussie, maar hieronder vallen in ieder geval: • basale levensbehoeften zoals voeding, kleding en huisvesting • niet of nauwelijks vermijdbare kosten, zoals verzekeringen • sociale participatie, zoals deelname aan sociale, sportieve en/of culturele activiteiten Eenoudergezinnen, alleenstaanden tot aan de AOW-leeftijd, huishoudens met een niet-Europese herkomst, bijstandsontvangers, laagopgeleiden en 55- tot 65jarigen zijn groepen die van oudsher kampen met een relatief hoog risico op (langdurige) armoede 2. 2.3

Wie lopen risico op armoede?

Gemeente Rhenen gaat ervanuit dat mensen die moeten rondkomen van maximaal 120% van het sociaal minimum, risico lopen op armoede. Daarom richten we ons op deze groep met onze beleid, waarover later meer. 2.4

Wat zijn gevolgen van armoede?

Armoede tast (natuurlijk) het economisch kapitaal van mensen aan, maar ook het mentaal, pedagogisch, sociaal en cultureel kapitaal3. Hier voegen wij het ecologisch kapitaal aan toe. Hieronder beschrijven we wat we verstaan onder deze kapitalen: 1. Economisch kapitaal: onder economisch kapitaal verstaan we de economische middelen die mensen tot hun beschikking hebben, hun huishoudinkomen en vermogen. In het geval van mensen in armoedesituaties is hun economisch kapitaal beperkt of negatief en veelal kampen ze met (problematische) schulden. Op basis van de literatuur weten we: • Werk is de beste manier om uit de armoede te ontsnappen en het inkomen te verhogen (Hof, 1998; Van Geuns, 2013) voor groepen in armoede die in een situatie van (structurele) werkloosheid verkeren. Hun economisch kapitaal kan versterkt worden door hen te helpen bij het vinden van een reguliere baan die hun financiële armslag verruimt. Werk heeft als bijkomend voordeel dat ook het sociaal kapitaal van mensen wordt aangeboord. • Toch is werk niet altijd de beste remedie voor het bestrijden van werkloosheid en armoede. Aan de ‘onderkant’ ontvangen werkenden steeds vaker lagere lonen (Taylor-Gooby, 2013). Dat kan voor een deel verklaren waarom Nederland veel werkende armen heeft. • Gowricharn (2000) wijst er verder op dat er een armoedeval kan optreden zodra mensen werk aanvaarden.

Subsidies en andere inkomsten kunnen wegvallen of verlaagd worden waardoor de vooruitgang in arbeidsinkomen teniet wordt gedaan. • Voor gepensioneerden is werk geen optie meer om aan een hoger inkomen te komen en dat geldt vaak ook voor mensen met een chronische ziekte of beperking. 2 3

https://longreads.cbs.nl/armoede-en-sociale-uitsluiting-2023/ https://www.movisie.nl/sites/default/files/2021-01/Uit-de-duivelskring-van-armoede.pdf

6

•

Er zijn verder wel banen voor lageropgeleiden, maar bijstandsgerechtigden kunnen het veelal fysieke, zware en monotone werk niet aan. Ook dienstverlenend werk is vaak te zwaar voor hen omdat het hoge eisen stelt aan sociale vaardigheden.

2. Mentaal kapitaal: onder mentaal kapitaal verstaan we het zelfvertrouwen, de wilskracht en veerkracht van mensen om optimaal gebruik te maken van hun talenten, vaardigheden én beperkingen, in het bijzonder bij situaties van tegenslag zoals het geval is bij armoede. Op basis van de literatuur weten we: • Mensen in armoede kunnen (tijdelijk) over onvoldoende mentaal kapitaal beschikken of zijn zich onvoldoende bewust van en onzeker over hun talenten. Mullainathan en Shafir (2013) wijzen in dit verband op de zogenoemde “psychologie van schaarste” die mensen gevangenhoudt in armoede. • Het leven in armoedige omstandigheden en ervaren schaarste resulteert in een afname van de bandbreedte; het vermogen om aandacht op te brengen, om juiste beslissingen te nemen, om vast te houden aan plannen en om verleidingen te weerstaan. • De opeenstapeling van belangrijke (geld)zorgen heeft een negatieve invloed op geduld, tolerantie, aandacht, toewijding en het geheugen. Ook gaan ervaringen van schaarste samen met onzorgvuldigheid, afwezigheid, impulsiviteit, kortzichtig gedrag en het maken van fouten. • Mensen zijn psychologisch te zwaar belast om zich te oriënteren op doelen en taken die belangrijk zijn voor de langere termijn, maar niet als urgent aanvoelen. Hun focus ligt op dringende kwesties en korte-termijn belang om zo de eindjes aan elkaar te knopen en te overleven. 3.

Sociaal kapitaal: onder sociaal kapitaal verstaan we de relaties, contacten en sociale netwerken waarover personen beschikken. Denk aan familie, vrienden, buren (nabuurschap), lotgenoten, mentoren/maatjes, studie-, werk- en vrijetijdscontacten.Op basis van de literatuur weten we: • Wie langdurig in een situatie van armoede verkeert, moet het met weinig sociaal kapitaal doen. Sociale netwerken krimpen. Dat betekent dat iemand weinig middelen kan mobiliseren uit zijn of haar netwerken. Het gaat daarbij niet alleen om geld en informatie, maar ook om goederen, diensten én emotionele, sociale en praktische steun. Sociale contacten vormen een buffer waarmee negatieve gebeurtenissen kunnen worden opgevangen en positieve zaken aan belang winnen. • Er is een significante samenhang tussen een laag inkomen en het minder vaak kunnen rekenen op hulp van anderen. Wie zich langdurig in een situatie van armoede bevindt, raakt steeds meer aangewezen op de wereld dichtbij huis. Het betekent steeds minder mensen bezoeken en ontvangen, maar ook nauwelijks gebruik maken van recreatieve en culturele voorzieningen. De geografische mobiliteit neemt af, de wereld wordt klein en de maatschappelijke participatie vermindert. • Mensen in armoede worden daarnaast vaker omringd door negatief sociaal kapitaal.

In zulke gevallen vormt de sociale omgeving een blokkade voor maatschappelijke participatie en sociale mobiliteit van meer ambitieuze mensen. Het ‘lidmaatschap’ van bepaalde netwerken leidt dan tot een benedenwaartse bijstelling van maatschappelijke aspiraties. Hun sociale omgeving houdt hen ‘klein’. • Amerikaanse armoedestudies laten zien dat sociaal kapitaal voor arme huishoudens vooral als ‘overlevingskapitaal’ fungeert om rond te kunnen komen. Hun netwerken compenseren het economisch kapitaal, maar zijn te eenzijdig om elkaar uit situaties van armoede te tillen. 4. Pedagogisch kapitaal: onder pedagogisch kapitaal verstaan we de sterkte van de pedagogische omgeving waarin kinderen opgroeien. De stabiliteit van het gezin behoort daartoe, zo ook de pedagogische competenties van ouders, hun vermogen om waar nodig (in)formele hulp, ondersteuning en advies te organiseren, maar ook de omgeving buiten de thuissituatie, zoals de school, peergroup, buurt en clubjes (‘it takes a village to raise a child’). Op basis van de literatuur weten we:

7

•

•

•

Het opgroeien in armoede tast het pedagogisch kapitaal aan. Uit onderzoek is bijvoorbeeld bekend dat de relaties binnen gezinnen vaker onder druk staan. Armoede gaat namelijk vaker hand in hand met spanningen, ruzies, relatiebreuken, opvoedingsproblematiek, huiselijk geweld (Witte, 2011), waaronder ook kindermishandeling (RMO & RVZ, 2009). Verder blijkt intergenerationele armoede vaak gepaard te gaan met opvoedingsproblematiek. Langdurige armoede resulteert in aanhoudende stress en dat belemmert ouders om het ouderschap en de pedagogische rol van opvoeder op een passende manier invulling te geven. Ze worden gekweld door zorgen en gevoelens van schuld, onzekerheid en tekortschieten. Sommige onderzoekers wijzen erop dat de opvoeding in situaties van generatiearmoede gekenmerkt wordt door een ‘cultuur van armoede’. Het idee van een cultuur van armoede is eind jaren vijftig geïntroduceerd door Oscar Lewis op basis van stedelijke onderzoeken onder armen in Mexico en Puerto Ricco. Hij beschreef deze cultuur als een adaptatie aan een objectieve marginale situatie, en dat deze aanpassing steeds weer opnieuw aan kinderen van volgende generaties doorgegeven wordt.

Deze cultuur bestaat uit lage verwachtingen van hun kinderen, fysieke disciplinering, hard of inconsistent straffen en een beperkt geloof in hun eigen vermogen en invloedsfeer om hun kinderen te vormen en ontwikkelen (NJi, 2015; 2018).

5. Cultureel kapitaal: onder cultureel kapitaal verstaan we de sociale vaardigheden, soft skills, ‘21e eeuwse vaardigheden’, communicatieve vaardigheden, sociale etiquette (‘hoe het hoort en gaat’) waarover personen beschikkenen het opleidingsniveau. Op basis van de literatuur weten we: • Cultureel kapitaal is niet gemakkelijk te scheiden van sociaal kapitaal en pedagogisch kapitaal. In onze uitleg van sociaal kapitaal hebben we gewezen op het belang van overbruggende contacten, dat wil zeggen contacten met andere kringen en netwerken, juist omdat die nieuw cultureel kapitaal kunnen opleveren: kennis en inzichten die iemand idealiter kan benutten om uit een situatie van armoede te komen. Ook met pedagogisch kapitaal is er een sterke overlap. • Kinderen uit hogere milieus worden vaker voorgelezen, krijgen een boek in de Kinderboekenweek, gaan vaker naar sportieve en culturele activiteiten, spelen meer met vriendjes thuis of elders. Zij doen hierdoor op vanzelfsprekende wijze sociale vaardigheden op en komen zo ook in aanraking met betekenisvolle volwassenen. 6. Ecologisch kapitaal: onder ecologisch kapitaal verstaan we de woning van mensen en de omgeving van die woning, de mate waarin de woning past bij de behoefte van de bewoner(s) en een “thuis”, voldoende ruimte en een gezonde, veilige en schone leefomgeving biedt.

Op basis van de literatuur weten we: • Mensen in armoede wonen vaker dan andere mensen in relatief krappe, vochtige en slecht geïsoleerde woningen en hebben vanwege deze slechte isolatie hoge energiekosten. Bij kwetsbare mensen levert dit ongunstige binnenklimaat gezondheidsklachten op. • Doordat de woningen dicht op elkaar zijn gebouwd is er vaker sprake van onderlinge overlast en gevoelens van onveiligheid. De kans daarop is nog groter, als er in de buurt ook mensen met verslavingsproblemen en sociaal-psychische stoornissen zijn ondergebracht. • Mensen in armoede leven vaker dan andere mensen op locaties met een slechte luchtkwaliteit en veel verkeersoverlast, met weinig ruimte en groen. Ook mede daardoor maken zij een grotere kans op ernstige gezondheidsklachten, zoals luchtwegproblemen, carcinomen, hart- en vaatziekten en psychische klachten. De verschillende kapitaalvormen zijn niet zuiver van elkaar te onderscheiden en overlappen elkaar deels. Dat geldt vooral voor sociaal, pedagogisch en cultureel kapitaal. Deze indeling in kapitaalvormen laat zien hoezeer armoede samenhangt met het welzijn van mensen. Dat betekent twee dingen:

8

1. Ook wanneer de mogelijkheden om het inkomen van de inwoner te vergroten beperkt zijn, kan er toch een groter gevoel van welzijn worden bereikt door in te zetten op de andere kapitaalvormen; 2. Door in te zetten op de andere kapitaalvormen dan de economische, kan de negatieve spiraal van armoede worden doorbroken en kunnen de mogelijkheden die nog bestaan voor vergroting van het economisch kapitaal, beter worden benut. 2.5

Armoede in Rhenen

Gemeente Rhenen gaat ervanuit dat mensen die moeten rondkomen van maximaal 120% van het sociaal minimum, risico lopen op armoede. Op basis van de Basis Armoedescan Rhenen van het CBS (2022) vallen een aantal dingen op over deze groep:

1. Van de huishouders in Rhenen heeft 8,9% een inkomen onder 120% van het sociaal minimum. Dit zijn 700 Rhenense huishoudens. In 2016 had 10,7% van alle huishoudens een inkomen tot 120% van het sociaal minimum.

2. Voor 5,2% van de inwoners van Rhenen geldt dat ze al langer dan vier jaar moeten rondkomen van maximaal 120% van het sociaal minimum, wat overeen komt met het landelijk gemiddelde. Dit komt neer op 400 Rhenense huishoudens. Bij 3,7% van deze Rhenense huishoudens is het pas sinds kort dat ze moeten rondkomen van maximaal 120% van het sociaal minimum (zie figuur hieronder).

Inwoners Rhenen

Inwoners

Inwoners met langdurig laag inkomen

Inwoners recent onder 120%

3. In 85,5% van de huishoudens tot 120% van het sociaal minimum zijn geen minderjarige kinderen. In 6,3% van de huishoudens is één minderjarig kind, in 4,8% twee minderjarige kinderen en in 3,1% drie of meer minderjarige kinderen.

9

4. In onderstaande grafiek belichten we de voornaamste inkomstenbron van de groep van 5,2% van de Rhenense huishoudens die langer dan vier jaar een inkomen heeft onder 120% van het sociaal minimum (hierna te noemen ‘een laag inkomen’). Dit wordt vergeleken met Nederland, Ede, Wageningen en Veenendaal.

10

(Deze grafiek is overgenomen van het CBS en Rhenen telt niet helemaal op tot 100%. Daar zijn we ons van bewust.) Uit deze grafiek blijkt het volgende: 1. In Rhenen is meer dan de helft van de inwoners met een laag inkomen (53,5)% al met pensioen; 2. Bijna een kwart van de inwoners met een laag inkomen (23,1%) heeft een bijstandsuitkering als voornaamste inkomstenbron; 3. Van de inwoners met een bijstandsuitkering kan het grootste gedeelte niet (volledig) meer werken vanwege een chronische ziekte of beperking, zo blijkt uit cijfers over het bijstandsbestand in Rhenen. Categorie A en B1 stromen gemakkelijk uit naar werk. De inwoners in B2 hebben ondersteuning nodig om te kunnen gaan werken. Categorieën C en D hebben een hele grote afstand naar de arbeidsmarkt of geen mogelijkheden meer voor betaald werk.

11

4. In Rhenen heeft 6,5% van de inwoners met een laag inkomen, inkomen uit arbeid. Overigens wil dat niet zeggen dat de inwoners uit andere categorieën helemaal geen inkomsten uit arbeid kunnen hebben, maar het is niet de voornaamste inkomstenbron; 5. In Rhenen heeft 7,5% van de inwoners met een laag inkomen een arbeidsongeschiktheidsuitkering en 6,5% een andere sociale uitkering; Tot slot: binnen de groep inwoners met een laag inkomen is het aandeel inwoners met een herkomstland buiten Europa kleiner dan gemiddeld in zowel Nederland als de gemeenten om ons heen (22,9% in Rhenen vs. 31,7% in Nederland). Dat verschil is groter als wordt gekeken naar langdurig (langer dan 4 jaar) laag inkomen (19,8% vs. 31%). Rhenen is geen typische expatgemeente – een groot deel van deze groep zijn statushouders en nieuwe Nederlanders. Rhenen heeft een gemiddeld aantal van deze inwoners, maar ze hebben hier dus minder vaak een laag inkomen dan landelijk. Duiding van deze cijfers: 1. Werk als weg uit armoede is voor zowel gepensioneerden als de grootste groep bijstandsgerechtigden geen mogelijkheid meer 2. Zowel gepensioneerden als mensen met een chronische ziekte of beperking hebben vaker te maken met hogere (zorg)kosten. Voor beide groepen is daarom de vindbaarheid van regelingen en het hulpaanbod en de vereenvoudiging van dat aanbod van groot belang; 3.

Inwoners met een uitkering die snel door werk kunnen uitstromen, zijn inmiddels uitgestroomd of worden naar werk begeleid. Voor de minderheid waarvoor op langere termijn een betaalde baan nog mogelijk is, hebben we de re-integratie instrumenten uit de Participatiewet en diverse mogelijkheden voor sociale participatie en vrijwilligerswerk;

4. In Rhenen heeft 11,2% van de inwoners met een laag inkomen, inkomen uit arbeid. Dit noemen we ook wel werkende armen. Overigens wil dat niet zeggen dat de inwoners uit andere categorieën helemaal geen inkomsten uit arbeid kunnen hebben, maar het is niet de voornaamste inkomstenbron. Volgens de SER4 hebben werkende armen vaak laagbetaald en onregelmatig werk. Of het zijn parttimers die te weinig uren maken omdat ze niet meer kúnnen werken vanwege een ziekte of beperking, zij hebben een urenbeperking. De zzp’ers onder de werkende armen hebben verder een laag uurtarief. Werkende armen hebben verder relatief vaak een laag opleidingsniveau, een migratieachtergrond en wonen vaker in de grote steden of aan de randen van Nederland. Volgens de VNG kunnen veel problemen van werkende armen niet door een gemeente worden opgelost, te weten: o Stijgende vaste lasten en achterblijvende inkomens, het netto inkomen komt steeds meer onder druk te staan; o Sterke flexibilisering van de arbeidsmarkt (0-uren contracten, gedwongen of schijnzelfstandigheid, opknippen van voltijdbanen in laagbetaalde deeltijdbanen en toegenomen marktwerking);

4

www.ser.nl/nl/actueel/zicht/op/vragen-werkende-armen 12

o

2.5

De groei van de cao-lonen bleef achter bij de inflatie, waardoor middeninkomens in de verdrukking komen. Het voorkomen en bestrijden van armoede in gemeente Rhenen

In deze paragraaf beschrijven we hoe in gemeente Rhenen wordt gewerkt aan het voorkomen en bestrijden van armoede. Hierbij wordt aandacht besteed aan versterking van zowel het economisch als het mentaal, sociaal, pedagogisch, cultureel en ecologisch kapitaal van inwoners. In de gemeente Rhenen gebeurt dit grofweg op twee manieren5: 1. In de vorm van financiële ondersteuning: denk aan het financiële vangnet dat de gemeente biedt aan onze inwoners in de vorm van inkomensondersteunende regelingen zoals de Cunerapas, bijzondere bijstand en de individuele inkomenstoeslag, maar denk ook aan de voedsel-, speelgoed- en dierenvoedselbank. 2. In de vorm van adviezen en praktische ondersteuning: denk aan de ondersteuning van onze inwoners door de Formulierenbrigade, SchuldHulpMaatje, Buurtgezinnen Rhenen en het Budgetloket6, maar ook aan de inzet van onze welzijnsorganisaties, huisartsen, wijkagenten en Rhenam. In onderstaande tabel beschrijven we hoe er in gemeente Rhenen wordt gewerkt aan het voorkomen en bestrijden van armoede, wie daarbij betrokken zijn en aan welke kapitalen zo wordt gewerkt. Door te klikken op de termen in de eerste kolom leest u meer informatie over wat er gebeurt.

Het voorkomen en bestrijden van armoede in gemeente Rhenen Mentaal kapitaal

Sociaal kapitaal

Pedagogisch kapitaal

Cultureel kapitaal

Ecologisch kapitaal

Cunerapas

✓

✓

✓

✓

✓

Jeugdfonds Sport & Cultuur

✓

✓

✓

✓

Door gemeente Rhenen

5

Economisch kapitaal

Individuele Inkomenstoeslag

✓

Bijzondere bijstand

✓

In de tabel aangeven met 1 of 2

6 In het beleidsplan ‘Schulddienstverlening 2024-2028’ leest u hoe gemeente Rhenen werkt aan

het voorkomen van (problematische) schulden en, voor gevallen waar dat niet is gelukt, het snel en goed oplossen van (problematische) schulden.

13

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

✓ ✓

Brede ondersteuning van gedupeerden toeslagenaffaire

✓

✓

✓

Collectieve ziektekostenverzeke ring Studietoeslag

✓

✓

✓

Energieloket Budgetloket

✓

✓

Sociaal team

✓

✓

✓

✓

Jeugdteam

✓

✓

✓

✓

Sociaal kapitaal

Pedagogisch kapitaal

Cultureel kapitaal

Door vrijwilligersorganisaties

Economisch kapitaal

Mentaal kapitaal

Schuldhulpmaatje Rhenen

✓

✓

Formulierenbrigade

✓

Jobhulpmaatje

✓

Noodfonds Rhenen

✓

✓

✓

Netwerk voor nieuwkomers

✓

✓

✓

Taalmaatje

✓

✓

✓

Buurtgezinnen Rhenen

✓

✓

✓

✓

Mentaal kapitaal

Sociaal kapitaal

Pedagogisch kapitaal

Cultureel kapitaal

Bibliotheek Z-O-U-T

✓

✓

✓

✓

Taalhuis

✓

✓

✓

Vluchtelingenwerk

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

Door maatschappelijke organisaties

Cultuurcoach

Economisch kapitaal

Ecologisch kapitaal

Ecologisch kapitaal

✓

14

Buurtsportcoach

✓

✓

Welzijn Vierstroom

✓

✓

✓

✓

Mozaïek Welzijn

✓

✓

✓

✓ ✓

Rhenam Huisartsen

✓

GGD Regio Utrecht

✓

✓ ✓

✓

GGZ Heuvelrug en GGZ Altrecht Wijkagenten

✓ Speelgoedbank Wageningen

✓

Kledingbank Wageningen

✓

Dierenvoedselbank Neder-Veluwe en omstreken

✓

De overlap met andere gebieden binnen het Sociaal Domein In de eerste helft van 2024 hebben de beleidsadviseurs van WMO, bestaanszekerheid en basisvaardigheden, participatiewet en Jeugdwet samen met team Data een verkenning gedaan naar stapeling binnen het sociaal domein. Dat wil zeggen, hoe vaak komt het voor dat inwoners gebruik maken van voorzieningen binnen meer dan één wet (WMO, Jeugdwet, of Participatiewet) aan de hand van open data.7 Daarin zagen we dat alleen al vanuit open data we konden constateren dat er een overlap is tussen Participatiewet en Jeugd/WMO van 30%. De cijfers van de Cunerapas zijn niet openbaar, dus die koppeling is in deze verkenning nog niet gemaakt. Zouden die wel worden meegenomen, is het aannemelijk dat dit cijfer naar 50% of meer stijgt onder de groep inwoners met een laag inkomen. Dit laat zien dat financiële problemen een sterke wisselwerking hebben met andere hulpvragen en dat aandacht voor bestaanszekerheid zowel in preventieve als curatieve (jeugd)hulp onmisbaar is.

7 https://www.waarstaatjegemeente.nl/mosaic/gemeentelijke-monitor-sociaal-domein/5--stapeling-van-

voorzieningen https://www.waarstaatjegemeente.nl/viewer?workspace_guid=3028e3a7-88c9-4307-9b6c-348740ecbe96 https://dashboards.cbs.nl/v5/Stapeling_en_multiproblematiek_2017_2022/

15

Hoofdstuk 3 Onze speerpunten bij het voorkomen en bestrijden van armoede tot 2030 3.1. Inleiding Uit voorgaande blijkt dat het voorkomen en bestrijden van armoede vele facetten kent. Het is mogelijk om binnen de huidige ontwikkelingen een veelheid aan speerpunten en projecten te benoemen. Dat zou echter de effectiviteit ervan ernstig beperken omdat we beperkt zijn in inzet en middelen. Het is daarom belangrijk ons te richten op enkele speerpunten en daar de meeste energie en aandacht aan te geven. Deze speerpunten vormen de kaders van onze inzet op dit terrein tot 2030. De visie Sociaal Domein 2030 geeft al kaders om tot een beperking van het aantal speerpunten te komen.8 In de visie Sociaal Domein 2030 wordt genoemd dat we ons inzetten voor de Vijf Rhenense principes:

Op basis van deze principes zijn een aantal speerpunten benoemd. We hebben onze inwoners met een laag inkomen vervolgens gevraagd om aan te geven welk belang zij aan elk van de speerpunten hechten. Daarmee gaven we onze inwoners die dagelijks met ons armoedebeleid te maken hebben, een stem om de belangrijkste prioriteiten te benoemen. Drie speerpunten sprongen er volgens hen uit en omdat deze één op één overeenkomen met de principes uit de Visie Sociaal Domein willen we met deze drie willen we verder als kaders tot 2030 (zie ook bijlage 2: Advies van de Denktank). Het zoeken naar en ontwikkelen van ervaringsdeskundigheid heeft ertoe geleid dat inwoners zélf hebben meegedacht over de keuze van de speerpunten. Op deze manier zijn de speerpunten te beschouwen als een resultaat van Plan van Aanpak Armoedebestrijding 2020-2022 en de evaluatie van dat plan van aanpak. Onze drie speerpunten bij het voorkomen en bestrijden van armoede tot 2030 zijn de volgende:

8 Visie Sociaal Rhenen 2030 | Gemeente Rhenen

16

1. Door de bomen het bos weer zien. Principe: Eenvoud en doen wat nodig is. We zetten in op een eenvoudiger en daardoor toegankelijker aanbod van informatie en hulp voor mensen met een laag inkomen. 2. Niets over ons zonder ons. Principe: Eigen regie. We zetten in op het creëren van meer ruimte voor mensen die zélf ervaring hebben met het hebben van laag inkomen, om mede vorm te geven aan (de uitvoering van) onze armoedebeleid. Dat doen we door de Denktank ‘Arm, maar rijk aan ervaring’ door te ontwikkelen en door meer mensen met een laag inkomen hierbij te betrekken. 3. Voorkomen is beter dan genezen, maar het ziekenhuis is er niet voor niets. Principe: Iedereen doet mee naar vermogen en Eenvoud en doen wat nodig is. We zetten het maatwerkbudget structureel in om armoede gerelateerde problemen van inwoners op te lossen waarvoor geldt dat generieke hulp onvoldoende soelaas biedt. 3.2.

Speerpunt 1: Door de bomen het bos weer zien

(Bijstands)uitkering, schuldregeling, toeslagen, minimaregelingen…allemaal voorzieningen voor inwoners met een laag inkomen en/of schulden. Sommige regelingen lopen via de gemeente, andere via UWV en weer andere via de Belastingdienst. Elk vangnet en elke regeling heeft eigen voorwaarden en een eigen lijst met bewijsstukken die periodiek moeten worden aangeleverd, en zelden op hetzelfde moment. De hoeveelheid regelingen, het gebrek aan afstemming voor het aanleveren van bewijsstukken en de tijd die inwoners kwijt zijn aan het aanvragen en bijhouden van alle verplichtingen wordt als zeer, zeer belastend ervaren. Inwoners die afhankelijk zijn van deze regelingen zien door de bomen het bos niet meer. Dat moet eenvoudiger kunnen, in ieder geval voor die regelingen die binnen het bereik van de gemeente vallen. Daarop is dit speerpunt gebaseerd. Gemeente Rhenen heeft een uitgebreid pakket minimaregelingen en er zijn veel actieve (vrijwilligers)organisaties. Dat is de kracht van onze gemeente; het is ook onze valkuil. Het aanbod is voor inwoners niet overzichtelijk en niet voldoende vindbaar juist omdat het zo groot en vertakt is. Bij dit speerpunt gaan we de komende jaren aan de slag om van ‘meer is beter’ te gaan naar meer focus en meer gebruikersvriendelijkheid. Zodat onze inwoners door de bomen het bos weer zien.

Wat gaan we doen? We gaan het aanbod van hulp en informatie voor mensen met een laag inkomen als volgt vereenvoudigen en daardoor toegankelijker maken: 1. Breder opzetten van het Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). Het doel is hier om informatie over ondersteuning van mensen met een laag inkomen meer centraal en meer volledig beschikbaar te maken, zodat inwoners sneller bij de juiste informatie en hulp kunnen komen. Het Informatiepunt Digitale Overheid is een voorziening die we via de bibliotheek toch al aan moeten bieden; het ligt voor de hand dit punt door te ontwikkelen naar een breder informatiepunt. Dit punt kan een doorgeefluik worden naar andere ondersteuning, zoals bijvoorbeeld Formulierenbrigade, Schuldhulpmaatje, Welzijn etc. 2. Vereenvoudigen van het minimabeleid. Met ingang van het pasjaar 2024-2025 zijn de minimaregelingen die via de Cunerapas worden aangeboden een heel stuk vereenvoudigd. Een aantal budgetten zijn samengevoegd tot een overzichtelijk pakket: één budget voor volwassenen, één voor middelbare scholieren en één voor kinderen. We monitoren of deze aanpassingen ook echt het gewenste resultaat hebben. 3. Onderzoeken van andere mogelijkheden. Daarnaast zijn er nog meer punten waarop vereenvoudigd kan worden. We onderzoeken of de aanvragen voor de Individuele Inkomenstoeslag en de Regeling Meerkosten Chronisch Zieken in een aantal situaties ambtelijk 17

kan worden uitbetaald, zodat er niet ieder jaar een nieuwe aanvraag gedaan hoeft te worden wanneer de situatie van de inwoner onveranderd is gebleven. Wanneer is het doel bereikt? 1. Als het voor inwoners duidelijker is waar ze terecht kunnen voor wat en als de drempel hierdoor lager is geworden. 2. We kunnen dit vragen aan inwoners, we kunnen dit zien aan het aantal inwoners dat zich aanmeldt voor de regelingen en aan de benutting van de regelingen. Waar toetsen we op? 1. Is er een centraal punt gekomen dat goed voorzien wordt van informatie? Hierin zijn we gedeeltelijk afhankelijk van maatschappelijke partners en vrijwilligersorganisaties om de informatie aan te leveren en actueel te houden. 2. Hoeveel inwoners komen er maandelijks bij dit punt? Hoeveel % komt voor informatie, hoeveel % wordt doorverwezen voor hulp? Hierin zijn we gedeeltelijk afhankelijk van maatschappelijke partners en vrijwilligersorganisaties om de informatie aan te leveren. Daarvoor zijn afspraken en nauwe samenwerking nodig. 3. Hoeveel mensen gebruiken de pas, is dat meer geworden of niet? Er is op dit moment al een hoog gebruik van de pas, met name doordat we de energietoeslag hebben gekoppeld aan de Cunerapas. Het bereik van de pas is daarmee verhoogd. We monitoren of dit ook hoog blijft. 4. Het percentage gebruik van de budgetten van alle kostensoorten die binnen de Cunerapas vallen.

Mensen hebben recht op bepaalde financiële hulp en het is zonde als men geen gebruik maakt van waar men recht op heeft. Er mag sinds 1 juli 2024 ook worden gespaard en budgetten mogen breder worden besteed. Door het verminderen van de versnippering van de regelingen is de verwachting dat de uitnutting omhoog gaat. Dit gaan we dus ook monitoren. We zitten nu rond de 30% en zouden tevreden zijn als het naar 60% gaat. Dat is een gemiddelde, want een aantal regelingen wordt beter benut dan andere. Bovendien kan het zijn, door de mogelijkheid om te sparen, dat budgetten in de eerste één of twee jaar juist minder worden benut, om vervolgens in het laatste jaar volledig te worden ingezet. Daarom is monitoring op de langere termijn nodig om dit goed te kunnen duiden. 3.3.

Speerpunt 2: Niets over ons zonder ons

Bij beleid in relatie tot armoedebestrijding is de belangrijkste partij de inwoner zélf. Zij hebben er immers zelf belang bij, voor hen maken we dit beleid dat direct en concreet hun leven raakt. Het kan niet genoeg worden benadrukt dat we dat altijd voor ogen moeten houden. Hun inbreng is daarom onmisbaar om goed beleid te maken dat hen ook daadwerkelijk ondersteunt. Voor ervaringsdeskundigheid is ook landelijk veel aandacht en wordt gezien, zeker onder invloed van het boek ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld’ van Tim ’s Jongers, als de beste manier om armoede te bestrijden. Een onderdeel uit het Plan van Aanpak Armoedebestrijding 2020-2022 was daarom de oprichting van de Denktank ‘Arm, maar rijk aan ervaring’. We hebben hiertoe de afgelopen jaren inwoners die ervaring hebben met een laag inkomen gezocht en bij elkaar gebracht. Naast de Denktank staan onze vrijwilligersorganisaties en maatschappelijke partners. Zij ondersteunen onze inwoners met een laag inkomen en zijn vaak ook goed op de hoogte van de problemen waar deze inwoners tegenaan lopen. Hun input is daarom ook waardevol voor ons als gemeente. De Formulierenbrigade helpt bijvoorbeeld veel inwoners met aanvragen, en is dus bij uitstek in staat de trends en knelpunten te zien bij deze aanvragen. Zij doen ze immers regelmatig. Veel van onze vrijwilligersorganisaties komen op voor de belangen van de inwoners.

Maar ze spreken (meestal) niet uit eigen ervaring met het hebben van een laag inkomen. Deze groepen staan niet tegenover elkaar, maar naast elkaar. Als gemeente hebben we de input van beide nodig.

18

De afgelopen tien jaar hebben we veel geïnvesteerd in de band tussen gemeente en vrijwilligersorganisaties. Nu investeren we in de band met de derde partij, de inwoners zelf. De denktank bestaat op dit moment (nog) niet volledig uit ervaringsdeskundigen, maar vooral nog uit mensen met ervaring of ervaringskennis. Een toelichting op ervaringsdeskundigheid en de inzet ervan in beleid vindt u bij Movisie (zie link aan het einde van dit document). Wat gaan we doen? 1. De Denktank ‘Arm maar rijk aan ervaring’ is in ontwikkeling. Zowel de individuele leden als de groep als geheel. De groep heeft, o.a. door een serie workshops verzorgd door Movisie en Zorgbelang Gelderland, inzicht gekregen in hoe zij hun ervaringen kunnen inzetten, hoe zij ervaringen van anderen kunnen ophalen en gebruiken en hoe zij deze kennis en ervaringen kunnen omzetten in advisering – in de breedste zin van het woord. De Denktank zelf is al behoorlijk divers, maar we blijven zoeken naar wegen waarop een zo diverse groep inwoners hun stem kan laten horen. 2. Naast de Denktank is het ook belangrijk om met enige regelmaat een zo groot mogelijke groep inwoners te spreken en betrekken. Dat doen we bijvoorbeeld tijdens het jaarlijkse Zomerfestival. Wanneer is het doel bereikt? 1. De Denktank staat als vaste groep en aanspreekpunt voor zowel gemeente als partners.

Ze nemen onder onze maatschappelijke partners een gelijkwaardige plaats in. Naast, en via, de Denktank is het contact met een grotere groep inwoners met een laag inkomen toegenomen. 2. Door lotgenotencontact en meer inspraak is het sociale netwerk en zelfredzaamheid van inwoners met een laag inkomen vergroot. Waar toetsen we op? 1. Doorontwikkeling Denktank. Dit is belangrijk om een permanente vertegenwoordiging van inwoners te hebben die mee kan denken: • De Denktank heeft 8-12 leden vanuit een diverse achtergrond • De Denktank wordt betrokken bij ontwikkeling en evaluatie van beleid en uitvoering op het gebied van armoedebestrijding. Bij beleidsstukken zit een bijlage met advies/input van de Denktank. Bij bijeenkomsten over uitvoering van bijvoorbeeld minimabeleid zijn leden van de Denktank aanwezig. • De Denktank krijgt jaarlijks tenminste één workshop aangeboden over een voor hen relevant onderwerp. Dit kan zijn via een externe partij, maar ook via lokale welzijnsorganisaties en vrijwilligersondersteuning. 2. Breder betrekken van de hele groep inwoners met een laag inkomen . Deze groep is moeilijk te bereiken via standaard participatiebijeenkomsten: • Het is daarom van belang om participatiebijeenkomsten voor hen toegankelijker te maken. Vaak gaat het nu nog teveel óver deze groep wat niet uitnodigend is om aanwezig te zijn.

Daarnaast is het belangrijk om als gemeente zelf naar deze groep toe gaan. • Het is de wens dat het aantal inwoners uit deze groep dat naar bijeenkomsten over bijvoorbeeld minimabeleid komt, is toegenomen. Aan het begin van elke bijeenkomst wordt standaard kort uitgevraagd in welke rol de deelnemers aanwezig zijn zodat een inschatting in % kan worden gemaakt hoe groot de groep inwoners is. In 2024 en 2025 spreken we naast de Denktank tenminste vijftig andere inwoners uit deze groep over hun ervaringen

19

3.4.

Speerpunt 3: voorkomen is beter dan genezen, maar het ziekenhuis is er niet voor niets

Er zijn huishoudens met armoede voor wie de reguliere regelingen en budgetten onvoldoende soelaas bieden. Voor hen is er het maatwerkbudget. Vaak gaat het hierbij om medische problemen, multi problematiek, maar ook korte relatief makkelijk op te lossen blokkades waardoor ruimte ontstaat voor groei van inwoners. Concrete voorbeelden van de inzet van het maatwerkbudget waren de afgelopen jaren: • Een inwoner die alleen vanwege schaamte over de slechte toestand van zijn gebit, niet durfde te solliciteren. Dat was het enige dat tussen de inwoner en een betaalde baan in stond. De tandartskosten zijn betaald van het maatwerkbudget. • Voor drie huishoudens zijn eenmalige kosten vergoed om te voorkomen dat begeleiding van de kinderen moest worden stopgezet. • In twee gevallen zijn reiskosten vergoed zodat een ingezet en kansrijk traject doorgang kon vinden en niet zou vastlopen op de reisafstand. Uit de evaluatie is gebleken dat het maatwerkbudget goed kan werken als preventie of als manier om inwoners te helpen hun situatie duurzaam te verbeteren. Per jaar is €15.000 beschikbaar voor het maatwerkbudget. De beleidsadviseur bestaanszekerheid en een medewerker vanuit het jeugdteam en sociaal team beoordelen de verzoeken en kijken daarbij ook breder of alle voorliggende voorzieningen worden benut, zodat niet onnodig gebruik gemaakt wordt van het maatwerkbudget. 2.

We zorgen voor goede informatievoorziening en uitwisseling van informatie met maatschappelijke partners De (vrijwilligers)organisaties die zich bezighouden met ondersteuning bij een laag inkomen worden uiteraard op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen en veranderingen. Zij weten elkaar ook goed te vinden om informatie uit te wisselen. De organisaties die niet specifiek zich richten op armoede, maar wel een belangrijke maatschappelijke functie hebben – zoals bijvoorbeeld Buurtgezinnen, de bibliotheek etc – zijn sleutelfiguren in het doorverwijzen van de mensen die zij tegenkomen naar de juiste plek voor ondersteuning. Daarom is het belangrijk dat ook zij toegang hebben tot de juiste actuele informatie. Wanneer is dit doel bereikt? Als mensen eerder binnenlopen met hun problemen en ze eerder geholpen worden. Hoe weten we of dit lukt? • • •

Is de drempel om hulp te vragen lager? Zien we meer mensen bij laagdrempeliger hulpaanbod? Worden deze mensen snel geholpen? Worden ze warm overgedragen naar de plek waar ze moeten zijn voor ondersteuning? Maken mensen meer gebruik van regelingen waar ze recht op hebben? Niet alleen onze eigen gemeentelijke regelingen, maar ook toeslagen etc?

Senioren vormen de grootste groep inwoners met een laag inkomen. • •

We bereiken meer senioren. We brengen samen met deze inwoners in kaart aan welke ondersteuning zij behoefte hebben.

Waar toetsen we op? •

Wij krijgen de jaarverslagen van Hulpmaatje, Jeugdfonds, bibliotheek en een aantal andere organisaties. In de jaarverslagen wordt gerapporteerd hoeveel inwoners er deel hebben genomen/zich aangemeld hebben voor ondersteuning.

20

Hoofdstuk 4 Hoe werkt gemeente Rhenen aan basisvaardigheden? 4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk leest u wat we verstaan onder basisvaardigheden, waarom aandacht voor basisvaardigheden belangrijk is in relatie tot armoede en bestaanszekerheid, hoe gemeente Rhenen werkt aan de basisvaardigheden van haar inwoners en waarop we de komende jaren zullen focussen. 4.2

Het belang van basisvaardigheden

Onder basisvaardigheden verstaan we lezen, schrijven, rekenen en digitale vaardigheden.

Mensen met onvoldoende basisvaardigheden hebben bijvoorbeeld moeite met: • • • • •

het aanvragen van een DigiD begrijpen van rekeningen en contracten sorteren van post uitrekenen van zorgkosten ordenen van administratie

Op dit moment gaan we ervan uit dat iedereen met een opleiding onder vmbo-eindniveau of mbo niveau 2/3, onvoldoende basisvaardigheden heeft om te kunnen voldoen aan de eisen die de samenleving aan mensen stelt. Dit geldt voor 12% van de Nederlanders ouder dan 16 jaar, ofwel ongeveer 2,5 miljoen mensen. Van hen heeft 65% Nederlands als moedertaal, dit is de zogenaamde NT1-doelgroep9. In Rhenen beschikt 5% van de inwoners tussen 16 en 65 jaar over onvoldoende basisvaardigheden (zie figuur hieronder). Dit komt neer op ongeveer 1.000 mensen.

9

NT2 verwijst naar mensen met Nederlands als tweede taal 21

We besteden niet voor niets aandacht aan basisvaardigheden in dit beleidsplan. Het wetenschappelijk bewijs voor de relatie tussen basisvaardigheden en armoede c.q. bestaanszekerheid is namelijk huizenhoog. Een aantal wapenfeiten 10 zijn de volgende: •

• • •

•

De kans om ten minste één jaar onder de armoedegrens te leven, is onder laaggeletterden ruim twee keer zo groot als onder niet-laaggeletterden (19,0% tegenover 9,3%) (Christoffels et al., 2016). Laaggeletterden zijn ruim twee keer zo vaak langdurig arm als niet-laaggeletterden (6,2% tegenover 2,5%) (Christoffels et al., 2016). Bijna 100.000 mensen leven in armoede door laaggeletterdheid. Dit kost de overheid 95 miljoen euro per jaar aan sociale voorzieningen (PwC, 2018). Mensen met financiële problemen hebben vaker een lagere leesvaardigheid. 50,3% van de onderzochte mensen bij Kredietbank Nederland en Syncasso valt in de risicogroep voor laaggeletterdheid (Keizer, 2018). Mensen die moeite hebben met lezen of rekenen zijn oververtegenwoordigd onder mensen die zich aanmelden bij schuldhulpverlening (Madern, Jungmann, & Van Geuns, 2016).

Voldoende kunnen lezen, schrijven en rekenen is dus essentieel om financieel zelfredzaam te zijn en een stabiele financiële situatie te krijgen en te houden. Meer hierover leest u in dit factsheet van Stichting Lezen en Schrijven (zie verwijzingen aan het eind van dit document). 4.3

Hoe werkt gemeente Rhenen aan de basisvaardigheden van haar inwoners?

Het Rijk noemt het instrument ‘volwasseneducatie’ nadrukkelijk om laaggeletterdheid aan te pakken. Het wettelijk kader hiervoor is de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB). Deze is gericht is op het verbeteren van de Nederlandse taal, rekenen en digitale vaardigheden bij inwoners die nietinburgering plichtig zijn doordat ze hun inburgeringsexamen hebben behaald 11. Gemeenten, waaronder Rhenen, ontvangen voor de taken die in de WEB zijn vastgelegd, middelen die te besteden zijn aan: • formeel taalonderwijs: opleidingen waarbij het onderwijs systematisch en doelgericht is opgezet en er vaak klassikaal les wordt gegeven. Bij deze opleidingen wordt een erkend diploma of certificaat afgeven; • non-formeel taalonderwijs: educatie waarbij de nadruk ligt op de persoonlijke leerdoelen en -wensen van de deelnemer die samenhangen met hun dagelijkse leefwereld. Mensen leren bijvoorbeeld de eigen administratie te doen, appen of inlogen met DigiD. Soms wordt het

Uit de Factsheet ‘Laaggeletterdheid en geld’ van stichting Lezen & Schrijven Een gemeente biedt inburgeraars (statushouders) andere leerroutes; de zogenaamde B1-, de onderwijs en de Z-route. Zodra inburgeraars hun inburgeringstraject hebben afgerond, mogen ze wél deelnemen aan het aanbod vanuit de WEB. Dit gebeurt ook veelvuldig, bijvoorbeeld om het taalniveau te onderhouden. 10 11

22

klassikaal uitgevoerd, soms niet. Het non-formele taalonderwijs wordt aangeboden middels zogenaamde Taalhuizen. De trajecten worden niet afgesloten met een diploma dat erkend wordt door het ministerie van OCW. In plaats van de onderwijsinspectie, ziet de gemeente toe op de kwaliteit van dit type educatieaanbod. Voor de monitoring van het non-formele aanbod is belangrijk dat er aandacht is voor de kwalitatieve groei van de deelnemer op het gebied van sociale inclusie, (arbeids-)participatie en zelfredzaamheid. In het kader van de WEB stelden de FoodValley-gemeenten Rhenen, Ede, Veenendaal, Rhenen, Renswoude, Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen een regioplan op voor de periode 2021-2024. Het formele taalaanbod in onze regio wordt uitgevoerd door NLtraining. Het was lang zo dat de kleinere gemeenten in de FoodValleyregio geen eigen groepen hadden. Ook Rhenense inwoners moesten voor het formele taalaanbod naar Veenendaal of Ede. Omdat dit voor veel mensen niet haalbaar was, liep de wachtlijst op. Na overleg met uitvoerder NLtraining start er dit jaar ook een groep in Rhenen. Naast het formele taalaanbod is er het non-formele taalaanbod voor de inwoners van Rhenen. Dat wordt verzorgd door Bibliotheek Z-O-U-T. Bibliotheek Z-O-U-T is actief in de gemeenten Rhenen, Utrechtse Heuvelrug, Renswoude en Wijk bij Duurstede en telt elf vestigingen, waaronder één in Rhenen.

Daarnaast is er een mobiel biebpunt in de Rhenense wijk Achterberg. Gemeente Rhenen subsidieert Bibliotheek Z-O-U-T. Bibliotheek Z-O-U-T stimuleert de ontwikkeling van basisvaardigheden bij onze inwoners door het bieden van een plek waarin lezen vanaf het allereerste moment centraal staat. Concreet kunnen de inwoners van Rhenen er o.a. terecht voor de volgende producten: 1. Basispakket: de fysieke en online collectie en werken studeerplekken; 2. Het Informatiepunt Digitale Overheid (IDO): Bij het IDO kunnen inwoners terecht als zij vragen hebben en begeleiding nodig hebben in het gebruik van de digitale overheid. Daarnaast brengt de IDOcoördinator initiatieven op het gebied van digitaal aanbod bij elkaar en biedt dit aan inwoners van de gemeente; 3. Het (digi)Taalhuis: De Taalhuis-coördinator brengt initiatieven op het gebied van (digi)taalaanbod aan de inwoners van de gemeente, bij elkaar en coördineert het gezamenlijke plan van aanpak tegen laaggeletterdheid; 4. BoekStart en BoekStart in de kinderopvang 0-4 jaar: Een programma dat de taalontwikkeling stimuleert door jonge kinderen lid te maken van de bibliotheek en kennis laat maken met (voor)lezen; 5. DigiTaal is OK: Een gecombineerd pakket van ouder-kind activiteiten en bijbehorende werkmaterialen, waaronder digitaal educatief aanbod voor peuters/ kleuters; 6.

De (digitale) VoorleesExpress: De VoorleesExpress stimuleert de taalontwikkeling van kinderen van twee tot en met acht jaar en verrijkt de taalomgeving bij hen thuis. Hierdoor worden ouders in staat gesteld om zelf de taalontwikkeling te stimuleren; 7. Huiswerkbegeleiding (voor kinderen van ouders die de commerciële huiswerkbegeleiding niet kunnen betalen) en taallessen voor Oekraïners. 23

4.4

Onze focus de komende jaren

De komende jaren is onze focus als volgt: 1. De zorgplicht voor de bibliotheek komt bij gemeenten te liggen. Dit was al gedeeltelijk het geval, maar de verantwoordelijkheid voor het bestaan van bibliotheekvoorzieningen die voldoen aan de kwaliteitsnorm die door de overheid wordt gesteld, ligt vanaf dit jaar bij de gemeenten. 2. Gemeenten krijgen de regie op de Gemeentelijke Gezinsaanpak Geletterdheid. Dit houdt in dat wanneer er wordt geconstateerd bij een kind dat de taalontwikkeling achterblijft, de kans groot is dat ook de ouders daar moeite mee hebben. En als bij een volwassene blijkt dat die over onvoldoende basisvaardigheden beschikt, de kans groot is dat zij hun kinderen daar ook niet voldoende mee kunnen helpen. De insteek van deze aanpak is zoveel mogelijk te proberen een gezin als geheel in beeld te krijgen en te ondersteunen. Die ambitie bestond al, maar als gemeente krijgen we daarin nu de regie. We hebben daarom onderzocht in hoeverre we binnen gemeente Rhenen al aan de taakstelling voldoen. Op dit moment voldoen de activiteiten die al bestaan aan de taakstelling. Samenwerkingsverbanden die nodig zijn om aan de taakstelling te voldoen, liggen er al. Daarop kunnen we voortbouwen. Maar de verbinding tussen scholen en huiswerkgroepen wordt wel verder versterkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14953980/1