CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.4.5 Bijlage 3 bij TOE - quick scan natuur

Raadsvergadering 9 november 2021, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Vissersweg 44 te Elst7.398 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

f

BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. T. Oostrom ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Datum

6 november 2020

Kenmerk

BE/2020/783/r

Uw kenmerk

Email d.d. 14 oktober 2020

Auteur(s)

ir. ing. D. de Boer

Collegiale toets

ir. T.W.D. Schrader

Quickscan Wet natuurbescherming Vissersweg 44 te Elst Aan de Vissersweg 44 te Elst zijn een bedrijfswoning en schuur gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfswoning om te zetten naar burgerwoning en de schuur als woning in gebruik te nemen. Het omzetten van de schuur naar een woning zal gepaard gaan met een inwendige verbouwing. Ten behoeve van deze realisatie dient het bestemmingsplan voor zowel de bedrijfswoning als de burgerwoning te worden gewijzigd naar ‘wonen’. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Vissersweg 44 te Elst (figuur 1). Op de planlocatie zijn een bedrijfswoning en een schuur gesitueerd. De bedrijfswoning en omliggende tuin zullen alleen onderhevig zijn aan een functieverandering. Er zullen geen wijzigingen plaatsvinden aan de bedrijfswoning en omliggende tuin. Derhalve beperkt het onderzoeksgebied zich tot de schuur en omliggend terrein. De schuur zal namelijk wel enkele wijzigingen ondergaan, welke zich (voornamelijk) tot de binnenkant zullen beperken. De beoordeling focust zich enkel op het onderzoeksgebied zoals aangegeven in figuur 1. Het onderzoeksgebied heeft een hoog onderhoudsbeeld en is grotendeels verhard met uitzondering van enkele kleine grasstroken en struiken. De schuur is opgetrokken uit gemetselde stenen muren waartegen houten potdeksels bevestigd zijn. De houten potdeksels zijn vanaf circa 70 cm boven de grond tot aan de dakrand bevestigd. Aan alle zijden van het pand zijn open stootvoegen in de stenen muur aanwezig, wat wijst op de aanwezigheid van een open luchtspouw. Het dak betreft een zadeldak bestaand uit dakpannen. Dakbeschot is aanwezig. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in een woonwijk bestaande uit vrijstaande woningen aan de rand van Elst.

De directe omgeving wordt gekenmerkt door groen in de vorm van hagen, struiken en bomen. Tevens zijn er aan de oost- en noordzijde van de planlocatie wei- en akkerlanden aanwezig. De dichtstbijzijnde rivier betreft de Nederrijn op circa 760 meter ten zuiden van de planlocatie. De A12 is de dichtstbijzijnde snelweg en deze is gelegen op circa 6,3 km ten noorden van de planlocatie.

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Vissersweg 44 te Elst (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van het onderzoeksgebied en de directe omgeving hiervan. Links: de oostzijde van de schuur (midden) en de bedrijfswoning (links). Rechts: de westzijde van de schuur.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft een (voornamelijk) inwendige verbouwing van de schuur. Zowel de bedrijfswoning als de schuur zullen onderhevig zijn aan een functieverandering. Onderstaand volgt een korte opsomming van de beoogde ingreep: • •

Inwendige verbouwing van de schuur. Andere ingrepen reeds nog niet vaststaand.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2020 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 11 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie.

3

Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

Wezel Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden;

4

g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van de volgende beschermde vaatplanten bekend: grote leeuwenklauw en korensla (NDFF 2010-2020). Grote leeuwenklauw en korensla zijn soorten met de biotoopvoorkeur ‘kalkrijke akkers’ en ‘kalkarme akkers’ (FLORON verspreidingsatlas, 2020). Het onderzoeksgebied wordt gekenmerkt door een hoge mate van verharding, met slechts een gering oppervlak aan grasveld en struiken. Van de biotoop ‘akkers’ is op de planlocatie geen sprake. Tevens wordt het groen gekenmerkt door een hoog onderhoudsbeeld (c.q. frequent gemaaid gras en gesnoeide struiken/bomen).

Ter plaatse van de planlocatie is sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, een beukenhaag en buxusstruiken. Op de muren van de schuur is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, beverrat, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, muskusrat, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat en wild zwijn (NDFF 2010-2020).

Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, damhert, das, rode eekhoorn en wild zwijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bovengenoemde beschermde soorten zijn veelal gebonden aan gebieden met ‘natuurlijke’ uitstraling en weinig verstoring, zoals bos. Derhalve kan de aanwezigheid van de boommarter, damhert en wild zwijn uitgesloten worden. Aangezien er geen bomen binnen het onderzoeksgebied zijn kan een negatief effect van de beoogde ontwikkeling op de rode eekhoorn ook uitgesloten worden. Het leefgebied van de das wordt gekenmerkt door goed vergraafbare bodem, aanwezigheid van voldoende dekking en weinig verstoring (BIJ12 kennisdocument das, 2017). Aangezien aan al deze kenmerken niet voldaan kan worden, is het voorkomen van de das uitgesloten. De bever leeft in het overgangsgebied van zoete wateren en land. Op de oever dienen goed bereikbare bomen aanwezig te zijn (BIJ12 kennisdocument bever, 2017). Binnen het onderzoeksgebied zijn oppervlaktewater en bomen afwezig. Ook in de directe omgeving zijn

5

geen natuurlijke wateren aanwezig. Derhalve kan het voorkomen van de bever in het onderzoekgebied en de nabije omgeving uitgesloten worden. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat functioneel leefgebied van soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name de egel. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2010-2020).

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Wegens de afwezigheid van bomen binnen het onderzoeksgebied, is de aanwezigheid van een rust- en/of verblijfplaats van boombewonende vleermuizen uitgesloten. De schuur is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Aan alle zijden van de schuur zijn open stootvoegen in de stenen muur aanwezig.

Echter hebben deze stootvoegen slechts een hoogte van circa 20 cm boven het grondoppervlak en zijn derhalve ongeschikt als invliegopening voor vleermuizen. Tussen de houten potdeksels en de stenen muur is ook een kier aanwezig. Aan de onderzijde is deze kier toegankelijk maar aangezien dit een hoogte van circa 70 cm boven het grondoppervlak betreft is deze niet geschikt als invliegopening voor vleermuizen. De houten potdeksels sluiten nauw op elkaar aan waardoor er tussen de potdeksels geen invliegopeningen aanwezig zijn. Aan beide kopgevels zijn houten daklijsten bevestigd (figuur 3). Tussen de potdeksels en de daklijsten zijn kieren aanwezig van circa 2 cm. Wanneer er in deze kieren gekeken wordt, is de onderkant van de dakpannen zichtbaar. Via deze kieren kan een open ruimte tussen het dakbeschot en de dakpannen bereikt worden. Tevens geven deze kieren toegang tot een open luchtspouw de ruimte tussen de potdeksels en stenen muur aan de kopgevels. Deze open ruimten (c.q. in het dak, in de open luchtspouw en tussen de potdeksels en de stenen muur) kunnen gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis, gebruiken als rust- en/of verblijfplaats. Aan beide kopgevels is een raam aanwezig waarnaast (half afgebroken) sierluiken bevestigd zijn. De sierluiken zijn tegen de potdeksels bevestigd.

Er is onvoldoende wegkruip-ruimte achter de sierluiken aanwezig voor een verblijfplaats. Tevens is er geen beschutting rondom de kopgevels aanwezig, waardoor de luiken beïnvloed worden door tochtwerking. Derhalve vervullen de sierluiken geen functie voor vleermuizen. Geconcludeerd kan worden de schuur potentie heeft als vaste rust- en/of verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. De initiatiefnemer is voornemens voornamelijk inwendige werkzaamheden uit te voeren. Voor de uitvoer van kleinschalige inwendige werkzaamheden welke niet tot verstoring van vleermuizen zullen leiden, is aanvullend onderzoek niet

6

noodzakelijk (zoals schilderen of het leggen van een vloer). Grotere inwendige of uitwendige werkzaamheden kunnen mogelijk tot verstoring leiden of tot het ongeschikt raken van een verblijfplaats. Alvorens grotere werkzaamheden welke mogelijk tot verstoring van vleermuizen kunnen leiden uitgevoerd kunnen worden, dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden (zie Vervolgstappen).

Figuur 3

Fotografische indruk van de schuur. (A) de daklijsten waarachter zich een kier bevindt zijn aangegeven in rood. (B) een fotografische indruk van de kier tussen de daklijst en de houten potdeksels. De onderzijde van de dakpannen is zichtbaar. (C) de kier tussen de daklijst en de houten potdeksels is circa 2 cm groot (groter dan een pendikte).

Naast de mogelijkheid dat vleermuizen het onderzoeksgebied gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen het onderzoeksgebied gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Er zijn binnen het onderzoekgebied geen hoge bomen of andere opgaande vegetatie aanwezig waardoor de aanwezigheid van foerageergebied niet waarschijnlijk is. De schuur biedt wel structuur welke mogelijk gebruikt kan worden als oriëntatiepunt binnen een vliegroute. De structuur van de schuur zal binnen de beoogde ontwikkeling onaangetast blijven waardoor er geen oriëntatiepunten verloren zullen gaan. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien

7

verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: poelkikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Binnen het onderzoeksgebied is geen oppervlakte aanwezig. In de nabije omgeving van het onderzoeksgebied zijn enkele vijvers aanwezig.

Mogelijk hebben deze geen of slechts een beperkte functie voor amfibieën. De poelkikker leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren (vennen en hoogveenputten) in de landschapstypen bos, heide en hoogveen. Ook zijn waarnemingen bekend uit halfnatuurlijke graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen en op ruderale terreinen. Slechts zeer zelden wordt de soort aangetroffen bij grote vijvers, meren of stromende wateren (BIJ12 kennisdocument poelkikker, 2017). De vijvers nabij het onderzoeksgebied zijn echter klein en daarnaast voldoet het onderzoeksgebied door de hoge mate van verharding niet de eisen van de poelkikker. Tevens ontbreken de landschapstypen bos, heide en hoogveen in de nabije omgeving. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de poelkikker zijn derhalve uitgesloten. De habitat van de rugstreeppad bestaat uit terrein met een hoge natuurlijke of door mensen ingebracht dynamiek, zoals braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier) duinen en uiterwaarden. Vaak is er goed vergraafbare bodem aanwezig en is er bouwmateriaal om onder te schuilen. Ook is de soort te vinden in stabielere systemen zoals vennen in heideterreinen en sloten in akker- en glaslandgebieden (BIJ12 kennisdocument rugstreeppad, 2017).

Momenteel vervult het onderzoekgebied geen functie voor de rugstreeppad door de hoge mate van verharding en het ontbreken van zandophopingen en goed vergraafbare grond. De initiatiefnemer is voornemens voornamelijk inwendige werkzaamheden aan de schuur te verrichten. Mochten er werkzaamheden uitgevoerd worden waarbij de bestrating (deels) verwijderd wordt of om andere redenen vergraafbare grond (en tijdelijke wateren) gerealiseerd worden, zullen er maatregelen getroffen moeten worden om kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen. De rugstreeppad is namelijk in 2019 op circa 50 meter van het onderzoeksgebied waargenomen waardoor, mits er geschikt habitat gerealiseerd wordt, de mogelijkheid tot kolonisatie niet uitgesloten kan worden (BIJ12 kennisdocument rugstreeppad, 2017; NDFF 2017-2020). Voor maatregelen om kolonisatie te voorkomen, zie te treffen maatregelen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring en verharding is het voorkomen van

8

beschermde reptielen binnen het onderzoeksgebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Binnen het onderzoeksgebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor het voorkomen van (beschermde) vissen uitgesloten kan worden. In de directe omgeving zijn alleen oppervlaktewateren aanwezig in de vorm van kleine vijvers welke niet aangesloten zijn aan andere wateren. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn derhalve uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde dagvlinder: grote vos (NDFF 2010-2020). De habitat van de grote vos bestaat uit vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplant is vooral iep maar soms ook zoete kers of wilgensoorten (Vlinderstichting 2020). Binnen het onderzoeksgebied zijn geen bomen aanwezig. Tevens is er geen sprake van geschikt habitat zoals hierboven toegelicht op of nabij het onderzoekgebied. Derhalve zijn negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de grote vos uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen.

Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus en vink. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Het dak van de schuur is toegankelijk vanuit de onderzijde en voorzien van dakbeschot (figuur 4).

Er is een open ruimte tussen het dakbeschot en de dakpannen aanwezig, welke gebruikt kan worden door huismussen als nestlocatie. Binnen het onderzoeksgebied zijn ten tijde van het veldbezoek meerdere huismussen waargenomen. Tevens zijn binnen het onderzoekgebied en in de nabije omgeving jaarrond groene struiken aanwezig waardoor ook aan het functioneel leefgebied van de soort voldaan wordt. De initiatiefnemer is voornemens voornamelijk inwendige werkzaamheden aan de schuur te verrichten. Aangezien het niet uitgesloten kan worden dat huismussen gebruik maken van het dak als nestlocatie, zullen inwendige werkzaamheden welke voor tijdelijke verstoring van huismussen kunnen zorgen buiten het broedseizoen (maart t/m september) uitgevoerd moeten worden. Er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden in de nabije omgeving aanwezig dat werkzaamheden met een tijdelijke verstoring buiten het broedseizoen geen negatieve invloed op huismussen zullen hebben. Alvorens werkzaamheden waarbij sprake is van langdurige verstoring uitgevoerd kunnen worden, dient met een ter zake deskundige bepaald te worden of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Ook zal te allen tijde voorkomen moeten worden dat de ruimte tussen het dakbeschot en de dakpannen open komt te liggen.

Alvorens werkzaamheden aan het dak uitgevoerd kunnen worden dient met een ter zake deskundige bepaald te worden of aanvullend onderzoek noodzakelijk is (zie Vervolgstappen).

9

Figuur 4

Fotografische indruk van de schuur. (A) de schuur heeft een zadeldak bestaande uit pannen. (B) aan de binnenzijde van de schuur is beplating aanwezig. (C) de eerste dakpan steekt uit. (D) er is beplating onder de dakpannen aanwezig waardoor een ruimte wordt gecreëerd.

De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Er zijn geen geschikte openingen aanwezig van voldoende hoogte (circa 3 m) waar de gierzwaluw gebruik van kan maken. Tevens is de aanwezigheid van een kolonie gierzwaluwen door de ligging in het buitengebied onwaarschijnlijk. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw binnen het onderzoeksgebied uitgesloten worden. De schuur bevat geen openingen welke toegankelijk zijn voor uilen waardoor de aanwezigheid van een nestlocatie uitgesloten is. Ook is er door de hoge mate van verharding geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogels. Op de planlocatie en in de nabije omgeving zijn geen grote nesten en/of horsten in bomen waargenomen waardoor de aanwezigheid van nestlocatie van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil uitgesloten kan worden. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn binnen het onderzoeksgebied geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) Het onderzoeksgebied voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

10

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 670 m ligt het Natura 2000gebied ‘Rijntakken’ (figuur 5). Op een afstand van circa 140 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 670 m tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 140 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

11

Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de inwendige verbouwing van de schuur. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een voldoende afstand van 670 m tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van de Wnb is niet van toepassing.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een functie voor huismussen en vleermuizen. Tijdens de inwendige verbouwing dient verstoring voorkomen te worden. Wanneer er werkzaamheden uitgevoerd worden welke mogelijk tot verstoring van huismussen en vleermuizen kunnen leiden, dient alvorens de werkzaamheden aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van de Wnb is niet van toepassing

+

-

-

-

-

-

-

-

n

n

n

n

+

+

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

670 m

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

140 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

n

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt, mits Vervolgstappen in acht worden genomen, niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

13

Conclusie De functieveranderingen van de bedrijfswoning en schuur naar ‘wonen’ en de (voornamelijk) inwendige verbouwing van de schuur zijn uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6. Bro).

Vervolgstappen • Werkzaamheden welke voor tijdelijke verstoring (bijvoorbeeld geluids- en/of trilling verstoring) kunnen zorgen dienen buiten het broedseizoen van de huismus plaats te vinden. Een voorbeeld hiervan is het saneren van binnenmuren. Het broedseizoen van de huismus loopt van maart t/m september. Alvorens werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden welke mogelijk tot langdurige verstoring leiden, dient contact op te worden genomen met een ter zake deskundige. Bij twijfel over de impact van werkzaamheden dient contact op te worden genomen met een ter zake deskundige. Te allen tijde moet voorkomen worden dat de ruimte tussen het dakbeschot en de dakpannen open komt te liggen. Alvorens werkzaamheden aan het dak uitgevoerd kunnen worden dient met een ter zake deskundige bepaald te worden of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Wanneer er werkzaamheden zullen plaatsvinden welke mogelijke nestlocaties beïnvloeden, dient alvorens deze werkzaamheden aanvullend onderzoek naar huismussen uitgevoerd te worden: o Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017).

Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de uitvoer van kleinschalige inwendige werkzaamheden welke niet voor verstoring van vleermuizen zullen zorgen, is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk (bijvoorbeeld schilderen of het leggen van een vloer). Grotere inwendige en uitwendige werkzaamheden kunnen mogelijk verstoring van vleermuizen of het ongeschikt maken van een verblijfplaats ten gevolge hebben (bijvoorbeeld het saneren van binnenmuren, na-isoleren van muren of vervangen van raamkozijnen). Bij twijfel over de impact van werkzaamheden dient contact op te worden genomen met een ter zake deskundige. Alvorens grotere werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden dient door een ter zake deskundige bepaald te worden of deze mogelijk een invloed op vleermuizen kunnen hebben. Wanneer er mogelijk een invloed van de werkzaamheden op vleermuizen kan plaatsvinden, dient alvorens de werkzaamheden aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden: o Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het Vleermuisprotocol 2017.

Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar (15 april – 15 juli) en 2 in het najaar (augustus-september) plaats te vinden. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Van een essentiële vliegroute en/of foerageergebied is geen sprake.

14

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond.

De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Meer informatie is beschikbaar in bijlage 3. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

15

Literatuur BIJ12, 2-17. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011.

Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.zoogdiervereniging.nl

16

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

17

Bijlage 1 Fotografische impressie

18

Figuur 1

De oostzijde van de schuur gelegen op de planlocatie.

Figuur 2

De oostzijde van de bedrijfswoning gelegen op de planlocatie.

19

Figuur 3

De westzijde van de schuur gelegen op de planlocatie.

Figuur 4

De zuidzijde van de schuur gelegen op de planlocatie.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

20

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

21

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

22

Bijlage 3 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Figuur 1

Determinatie kenmerken van de rugstreeppad.

Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

23

Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is.

Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).

Figuur 2

24

Bij hevige regenval kunnen ontstane geulen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden.

In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

Figuur 3

25

Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dient minimaal 10 cm ingegraven te zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10596733/1