Verordening leerlingenvervoer 2025 AANGEPAST
Tekst van het document
Verordening leerlingenvervoer 2025 Gemeente Rheden De raad van de gemeente Rheden; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van (2); gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
overwegende dat het noodzakelijk is de verordening leerlingen vervoer te actualiseren
Besluit vast te stellen: de verordening Leerlingenvervoer gemeente Rheden 2025
Hoofdstuk 1 Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer;
b.
afstand: afstand, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs,
artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de
Wet op de expertisecentra, gemeten met een professionele routeplanner langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; c.
begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het
d.
buitenschoolse opvang: de buitenschoolse opvang, bedoeld in artikel 1.1, van de Wet
vervoer te begeleiden;
kinderopvang, van de leerling waar de leerling voor of na afloop van de lestijd op school verblijft;
e.
deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of
f.
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden;
verkeerskundig deskundige;
g.
eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid
h.
gehandicapte leerling: een leerling, die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of
i.
inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet
plaatsvindt;
psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;
inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;
j.
leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school;
k.
openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waar iedereen al dan niet
l.
opstapplaats: de opstapplaats bedoeld in artikel 11, eerste lid;
tegen betaling gebruik van kan maken;
m. ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling;
n.
persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden
beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen;
o.
samenwerkingsverband: 1°. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of
3°. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; p.
school: 1°. Basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;
2°. School voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of
3°. School voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; q.
schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;
r.
toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de
Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op
godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt;
s.
vervoersvoorziening:
1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;
2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;
3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of 4°. Gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig van diens begeleider; t.
woning: woning waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel 2. Aanvraag 1. Het college stelt een aanvraagformulier voor een vervoersvoorziening leerlingenvervoer vast.
2. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan worden ingediend voor een leerling die zijn woning in de gemeente heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal aanvraagformulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.
3. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. Artikel 3. Onderzoek 1. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de volgende aspecten:
a. de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en b. de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school, en
c. de mogelijke afstemming van de vervoersvoorziening met andere voorzieningen die in het kader van de WMO 2015, Jeugdwet, Participatiewet en overige minima regelingen aan de leerling of het gezin zijn verstrekt.
2. Het college kan in een gesprek met de ouders en desgewenst de leerling, de noodzakelijk
vervoersvoorziening onderzoeken. Ook kan bij dit gesprek, als het college dat noodzakelijk acht, een medewerker uit een ander domein of een deskundige aansluiten.
3. Tijdens het gesprek als bedoeld in het tweede lid onderzoekt het college:
a. samen met de ouders en de leerling de mogelijkheden voor het zelfstandig reizen van de leerling. b. welke opties de ouders hebben om de leerling naar school te brengen en weer op te halen.
c. welke afspraken kunnen worden gemaakt over het gebruik van deze mogelijkheden en de rol van de ouders daarin.
4. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.
4. Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan het college, in overleg met de ouders en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit.
5. Na afloop van het onderzoek bevestigt het college schriftelijk de gemaakte afspraken met de ouders en neemt een besluit over de aanvraag voor de vervoersvoorziening. Artikel 4. Inzet deskundige 1. Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.
2. De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige.
3. Indien de ouders of de leerling geen medewerking verlenen aan het onderzoek, kan de aanvraag voor een vervoersvoorziening, nadat de ouders of de leerling geen gebruik hebben gemaakt van de geboden hersteltermijn, buiten behandeling worden gesteld. Artikel 5. Beslistermijn 1. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. De beslistermijn wordt dan
opgeschort, waarbij de aanvrager de gelegenheid krijgt om binnen vier weken de ontbrekende informatie aan te vullen.
3. Als binnen de gestelde termijn van vier weken geen volledig te beoordelen aanvraag is ontvangen, wordt
de aanvraag buiten behandeling gesteld, tenzij de ouder om meer tijd heeft verzocht. In dat geval wordt de aanvraag aangehouden voor een nader te bepalen termijn in overleg met de aanvrager.
4. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 5. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. Artikel 6. Ingangsdatum voorziening Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:
a. wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;
b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum. Artikel 7. Besluit 1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.
2. Het college kent, als zij dat noodzakelijk acht, een vervoerstraining toe en voegt als bijlage bij het besluit het vervoersontwikkelingsplan toe.
3. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.
Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria Artikel 8. Algemene bepalingen 1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.
2. Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt.
3. De verantwoordelijkheid om, als dat nodig is, te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij
naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.
4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders.
5. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is: a. per fiets;
b. per openbaar vervoer; c. met eigen vervoer;
d. met aangepast vervoer. Artikel 9. Afwijzingsgronden 1. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan 6 km. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.
2. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij: a.
b.
er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig
gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of
de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig gebruik
kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 10. Andere oplossing 1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op
basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening.
2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van
een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.
Artikel 11. Aanwijzing opstapplaats 1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer.
2. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.
3. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.
4. Het college wijst geen opstapplaats aan als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.
Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt.
2. Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en:
a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of
b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. en ouders daar schriftelijk mee instemmen.
3. Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de
dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college
voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en
b. aan het college is door de ouders of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college
voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is
aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.
Artikel 13. Schooltijden en wachttijden 1. Het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één of meerdere uren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten.
3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde
dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;
b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en
c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke
vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de
gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.
3. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert.
Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat 1. Met inachtneming van de artikelen 8 en 10 kent het college op aanvraag een vervoersvergoeding voor
het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.
2. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het eerste lid genoemde schoolvakanties.
3. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de leerling tijdens de
schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de ouders eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie.
4. Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.
Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens
zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. 5. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken.
6. Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer: a. openbaar vervoer geheel ontbreekt; of
b. het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijvend in een internaat of
pleeggezin, wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig, ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
Artikel 16. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een
vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.
2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a.de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract
b. de stage vindt plaats op één stageadres en de stagetijden sluiten zoveel mogelijk aan op de schooltijden.
c. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan moet het stageadres gelegen zijn binnen de regio. 3. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. Artikel 17. Vervoer tussen de buitenschoolse opvang en de school 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening van de woning of de opstapplaats naar een school en terug kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer van de
buitenschoolse opvang naar de school of terug, indien de buitenschoolse opvang niet in dat vervoer voorziet.
2. De vervoersvoorziening van de buitenschoolse opvang naar de school of terug wordt alleen verstrekt als de kosten voor de gemeente vergelijkbaar zijn met de kosten voor het vervoer van de woning naar de school en terug.
3. In afwijking van het tweede lid kan de vervoersvoorziening van de buitenschoolse opvang naar de school of terug ook worden toegekend als de ouders van de leerling de meerkosten zelf betalen.
Artikel 18. Vervoerstraining 1. Het college kan, naast een vervoersvoorziening, ook een vervoerstraining inzetten ter versterking van de zelfredzaamheid van de leerling, waardoor deze na de training niet langer zal zijn aangewezen op een
vervoersvoorziening, of door de training gebruik leert te maken van een goedkopere vervoersvoorziening. 2. De training sluit aan op het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan. Artikel 19. Vervoersvergoeding voor de leerling 1. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een
vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
2. Als aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders de vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets.
3. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de laatst bekende fietskilometervergoeding volgens het laatst bekende normbedrag voor fietskilometervergoeding genoemd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geldend voor het betreffende schooljaar, te vinden op de website van de VNG, onder basisnormbedragen leerlingenvervoer. Artikel 20. Vervoersvergoeding voor de begeleider 1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op
een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer of het vervoer per fiets van een begeleider van de leerling als:
a. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft jonger dan negen jaar is;
b. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft ouder dan negen jaar is en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.
2. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor vergoeding in aanmerking.
3. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.
4. Artikel 19, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 21. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
2. Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren.
3. De vergoeding voor het door ouders zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer, gebaseerd op twee retourreizen per dag.
4. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit en niet per leerling.
5. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer al een vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt.
6. Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren,
kan het college, in afwijking van het tweede lid, een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. Artikel 22. Aangepast vervoer Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als: a. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 19 en de leerling met
gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden,
overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan
anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;
b. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 19 en openbaar vervoer ontbreekt;
c. aanspraak bestaat op een vergoeding op grond van artikel 20 en naar het oordeel van het
college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden;
d. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken; of
e. dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. Artikel 23. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een
vergoeding verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.
Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten Artikel 24. Drempelbedrag 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer
bedraagt dan het in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs genoemde bedrag van € 17.700,-, de op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel 9
bepaalde afstand van 6 kilometer zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken
vervoersvergoeding of, bij de verstrekking van aangepast vervoer, bij de ouders in rekening gebracht.
2. Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag wordt met ingang van 1 januari 1999 jaarlijks
aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-.
3. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.
4. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen. Artikel 25. Draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de
ouders verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.
2. De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie bedragen: Schooljaar 2024/2025 VNG
Inkomen in euro’s
Eigen bijdragen in euro’s per gezin
€ 0-39.500
Nihil
€ 39.500-46.500
€ 185
€ 46.500-54.000
€ 815
€ 54.000-60.500
€ 1.510
€ 60.500-69.500
€ 2.215
€ 69.500-76.000
€ 2.970
€ 76.000 en verder voor elke € 5.000 + € 710 Voor elke extra € 5.000 erbij: € 655
3. De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.
4. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het
onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.
5. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.
6. Het drempelbedrag genoemd in artikel 24 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan het gezin.
7. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
Hoofdstuk 5 Rechtmatigheid Artikel 26 Doorgeven van wijzigingen De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed
kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.
Artikel 27 Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening 1. Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien, of intrekken, als het vaststelt dat:
a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening;
b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;
c. de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;
d. ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 24 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;
e. ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 25 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;
f. sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of
g. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer.
2. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de meerderjarige
en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding. Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 28. Beslissing in gevallen waarin de regeling niet voorziet In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 29. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders of
de meerderjarige leerling gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.
Artikel 30. Intrekking oude regeling De Verordening Leerlingenvervoer gemeente Rheden 2014 wordt ingetrokken met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze verordening met dien verstande dat deze van toepassing blijft op: a.
Aanvragen die voor inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend tot het tijdstip waarop
b.
Een lopende voorziening verstrekt op basis van die verordening, totdat de voorziening afloopt dan
de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden;
wel het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt ingetrokken, herzien of beëindigd.
Artikel 31 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking onder gelijktijdige intrekking van de verordening 2014;
2. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening leerlingenvervoer Gemeente Rheden 2025’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van: (11)
De Steeg,
De raad voornoemd,
voorzitter.
griffier.
Artikelsgewijze toelichting Doelstelling
Deze verordening heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling, aangepast vervoer of een gehele of gedeeltelijke vergoeding toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Algemeen
Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of
kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening leerlingenvervoer. Ook meerderjarige leerlingen kunnen, nadat zij meerderjarig zijn geworden, een beroep doen op de verordening.
Wettelijke plicht
De raad heeft de wettelijke plicht een verordening vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo), artikel 4, eerste lid, van de Wet op de
expertisecentra (hierna: Wec) en artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: Wvo 2020), heet het: een vergoeding van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal
basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs, als om instellingen voor
cluster 1 en cluster 2 onderwijs (zie voor informatie over clusters 1 t/m 4 toelichting bij definitie “school”). De Verordening leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het gemeentebestuur.
Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders en meerderjarige leerlingen de aanvraag kunnen
indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan het college beoordeelt of de ouders of de
meerderjarige leerling aanspraak maken/maakt op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft.
De Verordening leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vervoersvoorziening wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke voorziening wordt verstrekt.
Naast de verplichte onderdelen bevat deze verordening ook onderdelen die niet verplicht zijn op grond van de Wpo, de Wec, of de Wvo 2020. Dan gaat het bijvoorbeeld om het aanbieden van vervoerstraining.
Vervoersvoorziening
In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan gaan om een vergoeding in geld voor de kosten van een fiets of openbaar vervoer.
Wanneer de leerling door zijn handicap geen gebruik kan maken van de fiets en het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen.
Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.
Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het
college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten of als de toestemming leidt tot een aantasting van de instandhouding van het aangepast vervoer.
Zelfstandigheid en zelfredzaamheid
De Verordening leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen
door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren kan de aanvraag met ouders worden besproken en wordt vanaf een bepaalde leeftijd 9 jaar) van de leerling in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opgesteld (zie artikel 3). Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld. Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities Aangepast vervoer
Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat
verzorgen. Het kan dan gaan om vervoer per besloten (school)busvervoer, maar ook om bijvoorbeeld taxivervoer in individueel of groepsverband.
Afstand
Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer. Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg. Buitenschoolse opvang
De wet spreekt alleen van het vervoer tussen de woning en de school. Er wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de leerling vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag elders wordt
opgevangen. Met het toevoegen van de buitenschoolse opvang als locatie voorziet de verordening in een mogelijkheid voor het toekennen van een vervoersvoorziening in deze situatie. In de definitie wordt aangesloten bij de wettelijke definitie uit de Wet kinderopvang. Deskundige
Een deskundige beschikt over specifieke expertise op basis van zijn opleiding of functie. Dit kan een arts, psychiater of psycholoog zijn, die inzicht kan geven in de mate waarin de leerling door een handicap is
beperkt, maar ook bijvoorbeeld een politiefunctionaris die als verkeersdeskundige kan beoordelen of een route voldoende begaanbaar en veilig is. Gehandicapte leerling
Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet
zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de Verordening leerlingenvervoer. ‘Centraal staat het feit dat de leerling vanwege een
handicap niet in staat is om zelfstandig naar school te reizen, de aard van de handicap is daarbij ondergeschikt’
Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de
zin van de Verordening leerlingenvervoer géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de
handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze
verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. Inkomen
Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de Wpo (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het
tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor vergoeding van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting. Bij het
ontbreken van een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen (het bepaalde belastbare loon). Bij het opvragen van de
Inkomstenbelastingverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan. Leerling
Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar
moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de Wpo). In het
derde lid van artikel 39 van de Wpo is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.
Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten
tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de Verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.
Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van
kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking Wpo). Ouders
van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De
kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. Openbaar vervoer
Het openbaar vervoer is ruim gedefinieerd. Het gaat niet alleen om voor een ieder openstaand
personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor een ieder openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd.
De definitie in deze verordening is daarmee ruimer dan de definitie van openbaar vervoer in artikel 1, Wet personenvervoer 2000.
Opstapplaats
Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het
instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een
dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door het college aangewezen opstapplaats. Ouders
De omschrijving verwijst naar de begripsbepalingen in de Wpo, de Wec en de Wvo 2020. Deze verwijzing is noodzakelijk omdat in de Wpo en de Wec niet is aangegeven dat de daarin opgenomen begripsbepalingen ook van toepassing zijn in de daarop berustende bepaling, zoals deze verordening. De
definitieomschrijving in de Wpo en de Wec wijkt af van de definitie in de Wvo 2020. De toepasselijke omschrijving is afhankelijk van de op de school van de leerling van toepassing zijnde wet. Persoonlijk vervoersontwikkelingsplan
Om de leerling in staat te stellen zelfstandig naar en van school te reizen kan het nodig zijn om de leerling aanvullende vaardigheden aan te leren. Het hiervoor op te stellen plan is het persoonlijk
vervoersontwikkelingsplan, dat door het college, waar nodig op basis van deskundig advies, wordt opgesteld.
Samenwerkingsverband Onder 1°
Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a, van de Wpo alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor
basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het
vijftiende lid van artikel 18a van de Wpo kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot
cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.
Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. Onder 2°
Artikel 28a, van de Wec verwijst naar het samenwerkingsverband genoemd in het tweede lid van artikel
18a, van de Wpo waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten, en naar het samenwerkingsverband
genoemd in artikel 2.47, tweede lid, van de Wvo 2020 waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a, van de Wpo en het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020
kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband Onder 3°
Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens het tweede lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor
voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet
speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster
3 en cluster 4. Volgens het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.
Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. School
Onder 1°
In de Wpo gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs. Onder 2°
In de Wec gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige
spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. De Wec onderscheidt de volgende clusters:
Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap,
Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige
spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps,
Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en
Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.
Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’. Onder 3°
In de Wvo 2020 gaat het om scholen voor vwo, havo, vmbo en praktijkonderwijs. Ook de op grond van
artikel 2.86, van de Wvo 2020 bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen instellingen vallen er onder.
Toegankelijke school
Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid, van artikel 4, van de Wpo staat dat de gemeente in de
verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4 Wpo bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen.
In de Wpo is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling
toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal
onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de Wpo). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen.
De Wvo 2020 kent ook een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs
beoordeelt of een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 2.47, zevende lid, onder c, van de Wvo 2020). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.
Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de Wec is bepaald dat
beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de Wec).
Vervoersvoorziening
De wet bepaalt dat de gemeente het vervoer zelf kan verzorgen, dan wel doet verzorgen. Ook kan zij een vergoeding verstrekken. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt in verschillende varianten. Woning
Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Deze plaats kan ook in meer dan één gemeente zijn (ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249).
Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke
opvang, moet een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel 2. Aanvraag
Als ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling moet dit zelf doen. De
aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de
leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft. Het college stelt hiervoor een digitaal of papieren aanvraagformulier beschikbaar.
Bij de aanvraag kunnen gegevens worden gevraagd. Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele
toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, of een verklaring van de rijksinspecteur van de belasting. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Een advies is wel op te vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Bij twijfel schakelt het college zelf een onafhankelijke deskundige in.
Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze
gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen
juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Als het aanvraagformulier aangevuld of gecorrigeerd moet worden, stuurt het college het
aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college bepaalde termijn van vier weken aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan zal het college moeten afwegen of de aanvraag in behandeling wordt genomen
(artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb zal in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Artikel 3. Onderzoek
In de onderzoeksfase wordt onderzocht of men in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en welke voorziening de goedkoopst passende vervoersvoorziening is. Bij dit onderzoek staan de
mogelijkheden en behoeften van de leerling en de zelfredzaamheid van het gezin om zo zelfstandig
mogelijk te reizen centraal, alsmede de mogelijkheden van de leerling om zich te ontwikkelen naar meer
zelfstandigheid in het vervoer. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven in artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht.
Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor een leerling wordt uitgegaan van hoe de leerling zo zelfstandig mogelijk naar en van zijn school kan reizen.
Om ouders te informeren over het leerlingenvervoer wordt bij voorkeur een gesprek met de aanvrager(s) gevoerd, om:
verwachtingen aangaande het leerlingenvervoer voor de eventuele komende jaren te managen; de aanvraag goed te kunnen beoordelen;
te onderzoeken wat de vervoersmogelijkheden van de leerling zijn.
Als dit mogelijk is, is het van meerwaarde om ook de leerling te betrekken bij het gesprek. Zo nodig kan ook een deskundige betrokken worden bij het gesprek. Dit kan iemand met medische kennis zijn, zoals
een orthopedagoog, iemand van de school, het samenwerkingsverband of anderszins. Ook ouders kunnen zich tijdens het gesprek laten bijstaan, bijvoorbeeld door een onafhankelijke cliëntondersteuner.
In het gesprek wordt onderzocht in welke mate en in welk tempo te verwachten is, dat een leerling
zelfstandig(er) kan reizen en hoe ouders hierbij kunnen ondersteunen en/of welke faciliteiten de gemeente daarbij biedt.
In het onderzoek wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om de vervoersvoorziening af te stemmen op andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein worden verstrekt. Dit sluit aan bij de verplichting uit bijvoorbeeld de Wmo 2015. Daarbij is in de toelichting aangegeven dat het college verplicht is om de problematiek van een betrokkene in het sociale domein (zorg, wonen, welzijn,
jeugdzorg, onderwijs, schulden etc.) in onderlinge samenhang in kaart te brengen en te bevorderen dat de dienstverlening in dat sociale domein zo goed mogelijk op elkaar wordt afgestemd (Kamerstukken II,
2013/14, 33 841, nr. 3, p. 170). Om deze reden zou ook een bij de gemeente werkzame collega uit het
sociaal domein bij het gesprek aan kunnen sluiten, zoals een bij het gezin betrokken (SKJ-geregistreerde) jeugdconsulent.
Als de leerling niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school bezoekt is dit eveneens onderwerp van
gesprek. Wat is er gedaan om wél naar de school dichtbij de woning te gaan? En wat wordt er gedaan, ook door het samenwerkingsverband, om het onderwijs in de toekomst dichterbij te organiseren?
Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar wat een leerling kan
en wil. De vergoedingsstructuur is zodanig opgebouwd, dat, binnen de gestelde criteria (beoordelingsfase), de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling wordt vergoed. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen
met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.
Veel leerlingen hebben door hun ontwikkelachterstand en/of gedragsproblemen extra begeleiding nodig
op weg naar zelfstandigheid. Dit is een verantwoordelijkheid van de ouders, maar de gemeente kan hierbij ondersteuning bieden
Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen de
beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te
kunnen bieden is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin. Derde lid
Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen, kan dat aanleiding zijn om een nieuw gesprek te
voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging zo’n nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid. Vierde lid
Het college stelt, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk
vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke
mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Het
onderwijs heeft ook tot doel om leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij. Onder
meer voor dit doel wordt door de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor de leerling. Dit plan wordt betrokken bij het vervoersontwikkelingsplan en het is aan te raden met scholen frequent overleg te hebben over wat te verwachten valt in het leerlingenvervoer.
Het moment waarop de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, is een goed moment om het eerste
persoonlijke vervoersontwikkelingsplan samen met de ouders en de leerling te maken. Dit plan kijkt twee tot drie jaar vooruit, maar kan jaarlijks naar aanleiding van de nieuwe aanvraag geëvalueerd worden. De
ontwikkeling van kinderen staat immers niet stil en maakt dat een kind zich sneller kan ontwikkelen dan gedacht. Voor de leeftijd van negen jaar in dit artikel geldt geen peildatum, waardoor er spreiding van gesprekken mogelijk is.
Wanneer ouders geen medewerking willen verlenen aan het opstellen van een persoonlijk
vervoersontwikkelingsplan voor de leerling kan het college overwegen om een onafhankelijk medisch
advies in te winnen, waarmee onafhankelijk inzicht in de vervoersmogelijkheden van de leerling verkregen kan worden.
Artikel 4. Inzet deskundige
De verordening bevat, conform artikel 4, vierde lid, van de Wpo, artikel 4, vierde lid, van de Wec en 8.29,
derde lid, van de Wvo 2020, een regeling voor het inwinnen van advies van een deskundige. Dit is nodig op het moment dat er voor het beoordelen van de aanvraag specifieke deskundigheid noodzakelijk is waar het college zelf intern niet over beschikt. Artikel 5. Beslistermijn Eerste lid
Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat de redelijke termijn waarbinnen een beschikking moet worden
gegeven in ieder geval is verstreken als het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden.
Voor de Verordening leerlingenvervoer is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken.
De beslistermijn kan worden opgeschort als de aanvraag onvolledig is. De aanvrager krijgt dan de kans om, gedurende de termijn dat de beslistermijn is opgeschort, de aanvraag volledig te maken. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb.
Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Tweede lid
Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor het college. Hiervan kan
bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of als er sprake is van een bijzondere situatie. Het college kan de beslistermijn dan voor ten hoogste vier weken verlengen.
Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn moet er een beschikking op de ingediende aanvraag door het college zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verlengde termijn onvoldoende is,
bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van deskundigen, moet er toch een beschikking worden afgegeven.
Artikel 6. Ingangsdatum voorziening
Een vervoersvoorziening wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. De vergoeding is bedoeld om de leerling in staat te stellen (in de toekomst) de school te bezoeken. Het is geen inkomensvoorziening. Dit
past ook bij de primaire verantwoordelijkheid van de ouders van de leerling om het schoolbezoek zelf te organiseren en te faciliteren. Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, voor de
praktische organisatie van het vervoer enige tijd nodig zal hebben. Hierbij gaat het onder andere om het
inroosteren van de leerling en het eventueel aanpassen van de vervoersroute, zodat de leerling mee kan. Artikel 7. Besluit Eerste lid
Een besluit moet voldoen aan de eisen die de Awb daaraan stelt. Zo moet er sprake zijn van een
deugdelijke motivering (artikel 3:46, van de Awb). In dit artikel is bepaald welke concrete informatie
minimaal in het besluit moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke
eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Awb te voldoen.
Om enige beleidsruimte te creëren is bepaald dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking moet deze termijn aangegeven worden. Per geval wordt de termijn bepaald. Tweede en derde lid
Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden. Zo kan worden bepaald dat, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar zelfredzaamheid, in de winterperiode
aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het
openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel. Ook is het mogelijk om te verwijzen naar het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan bedoeld in artikel 3, vierde lid.