Velp-Zuid, locatie Sophiastraat 51 - Ijsselstraat 63-65_ontwerp_1_Bijlagen bij toelichting_Bijlagen
Tekst van het document
Bestemm Velp-Zuid, locatie Sophiastraat 51 - Ijsselstraat 63-65 Bijlagen Bij Toelichting
Velp
Rheden
De Steeg
Ellecom
Dieren
Spankeren
Laag-Soeren
Landelijk gebied
Velp-Zuid, locatie Sophiastraat 51 Ijsselstraat 63-65
BEELDKWALITEITSPLAN IJsselstraat 63/65 - Sophiastraat 51, Velp Gemeente Rheden 01-11-2022
Inhoud 1
Inleiding
2
Locatie IJsselstraat 63/65 - Sophiastraat 51
3
Stedenbouwkundig plan
4
Beeldkwaliteit: toetsingskader welstand
5
Welstandscriteria binnenterrein IJsselstraat 63/65 - Sophiastraat 51
1 Inleiding Aanleiding
Aanpassing bestemmingsplan en welstandsnota
Het plan voorziet in het revitaliseren van het binnenterrein aan de Sophiastraat te Velp. Op dit binnenterrein was een autobedrijf gevestigd met garage, showroom en opslag van voertuigen. De vervallen gebouwen worden gesloopt.De grond ter plaatse van het autobedrijf is vervuild en wordt gesaneerd. Met beperkte woningbouw kan de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van het gebied verbeterd worden. .
De vigerende bestemming van het terrein (in Bestemmingsplan Velp 2016, Woongebieden-Zuid; hoofdzakelijk bestemming ‘Bedrijf’ en een gedeelte bestemming ‘Gemengd-2’) maakt een ontwikkeling met extra woningbouw niet mogelijk. Ten behoeve van de herontwikkelingsopgave is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Ook de vigerende welstandsnota is niet toereikend om in een later stadium bouwplannen in het kader van de benodigde omgevingsvergunningen te toetsen op redelijke eisen van welstand. De omliggende straten zijn in de Welstandsnota 2017 vervat in “Welstandsgebied H1, Historisch dorpsgebied / dorpse bebouwinglinten woongebieden’ met bijbehorende welstandscriteria. Het binnenterrein is voor een groot deel vervat in “Welstandsgebied W3, Traditionele woningbouw in blokverkaveling” Voor het binnengebied geldt Welstandsniveau 3, Soepel/vrij. Gelijktijdig met het bestemmingsplan wordt een herziening van het toetsingskader ten behoeve van de welstandstoets in procedure gebracht. Het herziene toetsingskader voor het binnengebied wordt gevormd door dit document. Voor de nieuwbouw geldt vervolgens Welstandsniveau 1, Bijzonder. Voor de omliggende straten blijft de huidige Welstandsnota gelijk.
3
2 Locatie IJsselstraat 63/65 - Sophiastraat 51
VELP
traat
ias Soph
stra
de rwe Me
lstra
Ijsse
ARNHEM
at
A12
at Ligging van het plangebied in het dorp (links) en in zijn directe omgeving (rechts). In geel aangeduid het binnengebied waar de aanvulling op de welstandsnota van toepassing is.
De locatie is gelegen in Velp Zuid, op het kruispunt van twee oude routes, de IJsselstraat en de Sophiastraat. De totale omvang van de herontwikkellocatie bedraagt 1.177 m². Het kadastrale nummer is het VEL01-H-2876. 4
Sop
hia
stra
Sophiastraat
Me
rwe
des
traa
t
Ijs s
els
tra
at
at
IJsselstraat vanaf de kruising met de Sophiastraat
ingang plangebied vanaf de Sophiastraat 51
Merwedestraat richting de Sophiastraat 5
3
Stedenbouwkundig plan IJsselstraat 63/65 - Sophiastraat 51
De bestaande panden Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63/65 blijven behouden. Ter plaatse van twee, grote garages komen achtertuinen. Het pand aan de Sophiastraat betreft een hoekwoning, met een kopse gevel aan een ontsluitingspad. In het pand van de voormalige showroom aan de IJsselstraat worden twee woningen gerealiseerd. Op de oude bedrijfslocatie op het binnenterrein komen twee gekoppelde woningen met patio’s als buitenruimte. De ontwikkeling betekent een flinke vergroening van het binnenterrein.
mogelijkheid tot doortrekken weg
t traa
plangebied in bestaand bouwblok met ontsluiting
nieuwbouw
des rwe
Me
at
6
lstra
Doordat de maximale bouwhoogte van de nieuwbouw beperkt blijft tot twee bouwlagen, met een plat dak, voegt deze zich goed in de omgeving. Ook door de ruime afstand tot de omliggende woningen en tuinen ontstaat geen hinder op het gebied van privacy en schaduwwerking.
at
iastra
Soph
Ijsse
De nieuwbouw op het binnenterrein onderscheidt zich duidelijk van de woningen van het gesloten bouwblok. De stedenbouwkundige situering en verschijningsvorm wijken af van de omgeving. De mogelijkheid blijft dat het ontsluitingspad in de toekomst een vervolg krijgt. De voorgevel van het patioblok springt iets terug vanaf de ontsluitingsweg. Een afronding van de achtertuin van de woning aan de Sophiastraat vergroot de zichtbaarheid vanaf de openbare weg. De voortuinen van de patiowoningen krijgen langs de perceelgrens een haag, net als langs de achterzijde van hoekwoning aan de Sophiastraat. De drie rijwoningen gelegen aan de Merwedestraat krijgen aan de achterzijde een begroeide wand die de schuttingen van deze woningen aan het zicht onttrekt.
bouwblok te slopen garages
4 Beeldkwaliteit: toetsingskader welstand Beeldkwaliteitskader
Welstandsniveau
Bij de beoordeling in het kader van de omgevingsvergunning wordt de nieuwbouw getoetst aan de welstandscriteria uit de vigerende welstandsnota, aangevuld met specifiek criteria voor de locatie. Het stedenbouwkundig plan en de beeldkwaliteitsambitie voor de bebouwing en de onbebouwde ruimte vormen als beeldkwaliteitskader de basis voor de welstandstoets. Dit betekent een herziening van het huidige toetsingskader welstand voor de nieuwbouw op de locatie. De transformatie van het pand IJsselstraat 63/65 behoudt toetsing aan de bestaande welstandsnota. Dit geldt ook voor de woning van Sophiastraat 51.
Het toetsingsniveau dat gehanteerd wordt voor het binnenterrein is Niveau 1, Bijzonder. Dit is het hoogste toetsingsniveau. Bij dit toetsingsniveau wordt niet alleen op hoofdlijnen getoetst, maar worden ook deelaspecten en detailuitwerkingen beoordeeld. Dit toetsingsniveau is van toepassing omdat het een nieuwbouwsituatie betreft. Voor de IJsselstraat en de Sophiastraat blijft gelden Niveau 2, Regulier.
Traditionele woningbouw in blokverkaveling Het binnenterrein van plangebied behoort, volgens de huidige welstandsnota, tot “Welstandsgebied W3, Traditionele woningbouw in blokverkaveling”: Tussen 1950 en 1970 zijn veel onbebouwde gebieden binnen het oudere stratenpatroon ingevuld met een eenvoudig patroon van rechte straten met een eenvoudig, symmetrisch straatprofiel met bomen op de trottoirs. Langs deze straten zijn woningen gebouwd, veelal in rijtjes van drie of meer, afgewisseld met dubbele en vrijstaande woningen in sommige gevallen met lage flatgebouwen. Soms is sprake van een geclusterde stedenbouwkundige opzet, waarbij sommige buurten doen denken aan de tuindorpen van voor de Tweede Wereldoorlog. Op sommige plaatsen in de gemeente is een V-vormige verkaveling toegepast met veel ruimte voor groen. De samenhang in het straatbeeld ontstaat onder meer door een ingetogen materiaal- en kleurgebruik. Kenmerkend zijn het blokvormige stratenpatroon en het straatgericht wonen. De straathoeken zijn open, waarbij de woningen veelal een duidelijk onderscheid hebben tussen voorgevel en zijgevel. Rust in het bebouwingsbeeld ontstaat door de eenvoudige hoofdmassa´s en kapvormen, zoals zadelkappen en soms schilddaken. De herhaling van gelijkvormige kappen van bouwblokken geven soms een karakteristiek beeld naar zijstraten.
Voor- en zijtuinen zijn gescheiden van de openbare ruimte door eenvoudige, lage erfafscheidingen. Aanbouwen aan achtergevels en dakkapellen/dakopbouwen voegen zich soepel binnen de hoofdkarakteristiek van het bebouwingsthema.
Welstandscriteria voor kleine bouwwerken Met betrekking tot welstandscriteria voor kleine bouwwerken wordt verwezen naar de desbetreffende criteria in de welstandsnota, met dien verstande dat: Erfafscheidingen grenzend aan de (toekomstige) openbare ruimte integraal zijn mee ontworpen met de desbetreffende hoofdvolumes en slechts ondersteunend zijn aan begroeiing omwille van een groene uitstraling naar de openbare ruimte.
Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen, eventueel op advies van de welstandscommissie, gemotiveerd afwijken van de welstandscriteria. In die gevallen moet verwezen worden naar de algemene welstandscriteria zoals in deze welstandsnota opgenomen. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op art. 4:84 Awb. Daarin staat dat burgemeester en wethouders moeten handelen volgens opgestelde beleidsregels tenzij dat voor belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de beleidsregels.
7
5
Welstandscriteria binnenterrein IJsselstraat 63/65 - Sophiastraat 51
Hoofdaspecten: • • •
Bij nieuwbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek, terwijl het wel duidelijk moet afwijken van de standaardwoning aan de doorgaande straten. Panden richten naar de nieuwe, openbare ruimte. De positie, verkavelingwijze en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing op het binneterrein is bij nieuwbouw richtinggevend.
Deelaspecten: • • • • •
Bebouwing en omgeving
Massa en vorm
De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing. De bouwmassa is afgestemd op de belendende bebouwing. Eenduidige bouwmassa’s in een en twee bouwlagen. Platte of licht hellende daken. Eventuele rookkanalen en/of installaties op het dak worden opgenomen in de architectuur.
Gevelcompositie • • • • •
8
Architectuur, materiaalgebruik en details duidelijk afwijkend van omliggende woningen. Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. De compositie van gevelopeningen vertoont samenhang. De verticale geleding en ritmiek van de gevel benadrukken, bijvoorbeeld door ordening van raampartijen langs verticale assen of door afwijkende behandeling van gevelvlakken. Ook zijgevels een duidelijke expressie geven. De toevoegingen per woning zijn ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de gevelritmiek van het woningblok.
Detailaspecten: • • • •
Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering
Voor de hoofdmaterialen hout (latten of panelen) toepassen, eventueel in combinatie met vlakke, stenen muren. Het kleurgebruik mag duidelijk afwijken van de omgeving, maar niet detoneren. Weinig ornamentiek en eenvoudige details. Daken met sedumbegroeiing en zonnepanelen.
Algemene criteria, zie hoofdstuk 3.6 van de welstandsnota • • • • • • • •
Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen.
Referenties architectuur binnenterrein
duidelijke bouwmassa’s in een of twee lagen, zonder kap
sedum dak met zonnepanelen
opvallende architectuur met hout
contrast in kleur- en materiaalgebruik, verticaal geleed 9
Inrichtingsplan - Sophiastraat/IJsselstraat, Velp formaat A3 | blad 1 | 1:200 | 27-10-2022 0
4
10
at
iastra
www.paulstaats.com
Soph
begroeide kopse gevel keperverband, dikformaat, gebakken klinker, bruin 51
I info@paulstaats.com
53 53a
vloeiende molgoot, keiformaat, gebakken klinker, donkerpaars
I 06 218 168 47
voetpad en parkeerplaats grijze betonklinker, keiformaat sedumdak met zonnepanelen twee lichtarmaturen met spiegel haag, 80 cm hoog
63
t
lstraa
IJsse
10
65
waterdoorlaatbare bestrating, grasbeton
Referenties buitenruimte
sprekende molgoot
keperverband, dikformaat, gebakken klinker, bruin
waterdoorlaatbare bestrating op eigen erf, grasbeton
begroeide zijgevel voor Sophiastraat 51. 11
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SOPHIASTRAAT 51 EN IJSSELSTRAAT 63 TE VELP
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63 te Velp Opdrachtgever
KWA Maritane Diepenbrocklaan 38 6815 AJ Arnhem
Rapportnummer Versienummer
15454.001 D2
Status
Eindrapportage
Datum
14 april 2022
Vestiging
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
De heer J.G. Boogaard, BSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer K. Schilderman, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 12 Ongewervelden............................................................................................................... 12 Vaatplanten..................................................................................................................... 13
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................... 14 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 15 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 15
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 16 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 16 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 17
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 18
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 19
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 15454.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van KWA Maritane opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63 te Velp. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de begrenzing van de onderzoekslocatie is gewijzigd is er ten opzichte van der voorgaande versie (rapport 15454.001 D1), is in april 2022 onderhavige nieuwe versie geschreven. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 1 van 20
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 1.120 m²) ligt aan de Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63, gelegen in de kern van Velp. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 195.335, Y = 444.805. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met twee aanbouwen bestaande uit een enkele bouwlaag. Beide aanbouwen beschikken over een plat dak die gedekt zijn met bitumen dakbedekking. Eén aanbouw betreft de voormalige autogarage, de andere aanbouw betreft de voormalige werkplaats die aan het bijbehorende woonhuis is gebouwd. Beide aanbouwen zijn momenteel nog in gebruik als werkplaats. Verder zijn er nog enkele kleine lage schuurtjes, een afdak en een houthok aanwezig die opgetrokken zijn uit baksteen. Het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit verharding en opslag van (auto)materialen. Tot slot is centraal op de onderzoekslocatie nog een (voormalige) kleine siertuin aanwezig met een coniferenhaag en ruigte. Het woonhuis en de voormalige autogarage, waar de bebouwing van de onderzoekslocatie tegenaan is gebouwd, zijn panden die beschikken over zadeldaken gedekt met dakpannen. De directe omgeving bestaat uit woonwijk met veel diversiteit aan type bebouwing. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 2 van 20
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Oostelijk gelegen aanbouw op de onderzoekslocatie.
Figuur 4. Westelijk gelegen aanbouw.
Figuur 5. Overzicht overig verhard deel van onderzoekslocatie.
Figuur 6. Zicht vanaf het dak vanaf westelijke aanbouw richting de oostelijke aanbouw.
Figuur 7. Te slopen houthok en schuurtje nabij voormalige siertuin.
Figuur 8. Te slopen schuurtje en opslag van materialen nabij oostelijke aanbouw.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 3 van 20
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens de aanbouwen van het voormalige garagebedrijf, schuurtjes en afdak op de onderzoekslocatie te slopen en op het terrein twee nieuwbouwwoningen te realiseren in de vorm van patiowoningen met plat dak van 6 meter hoog (zie figuur 9). Ten behoeve van de realisatie van de woningen zal ook het aanwezige groen worden verwijderd. De twee bestaande panden (Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63) maken ook onderdeel uit van de onderzoekslocatie. Deze panden zullen inpandig verbouwd worden tot woningen. Er vinden bij deze panden geen werkzaamheden plaats aan gevels en daken. De woning aan de Sophiastraat 51 betreft een bedrijfswoning welke omgezet wordt naar een reguliere woning. De voormalige showroom aan de IJsselstraat 63 wordt inpandig verbouwd tot twee woningen.
Figuur 9. Uitsnede van inrichtingsschets van 2 nieuw te bouwen patiowoningen met plat dak en 6 meter hoog (bron: KWA Maritane, verkregen op 16 april 2021).
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 4 van 20
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 16 april 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 5 van 20
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 6 van 20
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 7 van 20
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 8 van 20
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, sperwer, ransuil en slechtvalk. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen, welke ontbreken op de onderzoekslocatie. Huismus en gierzwaluw Huismussen en gierzwaluwen maken gebruik van ruimtes onder dakpannen en andere nisjes in bebouwing om te broeden. De te slopen bebouwing is niet geschikt als nestplaats voor gierzwaluwen en huismussen. De enkellaagse aanbouwen beschikken over een plat dak met bitumen dakbedekking. De dakrand sluit strak aan en er zijn geen kieren, spleten of nisjes aanwezig via waar huismussen of gierzwaluwen potentiele nestlocaties kunnen bereiken. De panden aan de IJsselstraat 63 en Spohiastraat 51, waar de te slopen bouwdelen tegenaan zijn gebouwd, zijn wel geschikt als nestlocatie voor huismussen en gierzwaluwen. Huismussen en gierzwaluwen kunnen de ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot gebruiken als nestlocatie. Door de voorgenomen ingreep worden deze nestlocaties niet aangetast, echter dient wel voorkomen te worden dat nesten worden verstoord als gevolg van de sloopwerkzaamheden (zie hoofdstuk 6).
Sperwer en ransuil In de bebouwde kom kunnen sperwers en ransuilen oude nesten van zwarte kraai en eksters gebruiken om te broeden. Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn geen bomen aanwezig, waardoor nesten van deze soorten op voorhand uit te sluiten zijn. 5.1.2
Overige broedvogels
De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 9 van 20
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Op de onderzoekslocatie zijn geen bomen aanwezig en ook geen nestkasten, daarmee zijn nesten van ekster, zwarte kraai en holenbroeders uit te sluiten. 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, Bechstein's vleermuis, meervleermuis, baardvleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen spouwmuren aanwezig die middels stootvoegen bereikbaar zijn voor vleermuizen. Langs de dakranden is geen ruimte aanwezig via waar vleermuizen een eventuele spouwmuur kunnen bereiken. Ook de platte daken met bitumen dakbedekking zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Verder zijn ook geen gaten, spleten of kieren aanwezig in de bebouwing via waar vleermuizen eventuele verblijfplaatsen kunnen bereiken. De sloop en nieuwbouw zal daarom niet leiden tot negatieve gevolgen voor vleermuizen. De aanbouwen zijn gebouwd tegen bebouwing die wel geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen (panden aan de Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63). Op de plekken waar de aanbouwen aansluiten op de te handhaven bebouwing, zijn geen invliegmogelijkheden aanwezig.
Tevens zal de spouwmuur of andere potentiele verblijfplaatsen in deze bebouwing niet worden aangetast door de voorgenomen inpandige ingrepen aan deze panden. Wel dient voorkomen te worden dat met de bouw- en sloopwerkzaamheden invliegopeningen in de te handhaven bouwdelen worden verlicht, wat tot verstoring van vleermuizen kan leiden (zie hoofdstuk 6).
Figuur 10. Geen ruimte achter metalen dakrandafwerking bij oostelijk gelegen aanbouw.
Figuur 11. Gevel zonder invliegmogelijkheden zoals open stootvoegen en strak afgewerkte dakrand bij westelijk gelegen aanbouw.
Op de onderzoekslocatie zijn geen bomen aanwezig waarmee de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten is.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 10 van 20
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Er zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen geschikte verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig die negatieve gevolgen kunnen ondervinden als gevolg van de voorgenomen ingreep. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat niet, of vrijwel niet gebruikt worden door vleermuizen om te foerageren, vanwege het ontbreken van bomen, struiken (anders dan een kleine coniferenhaag) en oppervlaktewater. De voorgenomen plannen zullen daarom niet leiden tot aantasting van belangrijk foerageergebied van vleermuizen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren die in de bebouwde kom te verwachten zijn: steenmarter en eekhoorn. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn alle te slopen bouwdelen, alsmede de rest van de onderzoekslocatie, volledig geïnspecteerd op sporen van steenmarters. Er zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen.
Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Eekhoorn Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn geen bomen aanwezig, waarmee het voorkomen van vaste rust- of voortplantingsplaatsen en leefgebied van eekhoorns op voorhand uit te sluiten is. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen mogelijk aangetast (zie hoofdstuk 6).
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 11 van 20
5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen reptielen aangetroffen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig en de ligging midden in de bebouwde kom maakt dat het uit te sluiten is dat er beschermde reptielen op de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in het deel van Nederland waar de onderzoekslocatie ligt, de volgende soorten te verwachten: kleine watersalamander, gewone pad, bastaardkikker en bruine kikker. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën en het voorkomen van vissen op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting in de siertuin Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Volgens waarnemingen uit de NDFF blijkt dat er in de afgelopen jaren één imago van de streng beschermde kleine ijsvogelvlinder in de directe omgeving is waargenomen. Naar alle waarschijnlijkheid betrof dit een zwervend individu. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten.
Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 12 van 20
5.6 Vaatplanten Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing en verharding en een kleine siertuin, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Hierbij is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 13 van 20
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels
Huismus en gierzwaluw De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen en gierzwaluwen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. In de te slopen bouwdelen zijn nesten van huismussen en gierzwaluwen uit te sluiten. De panden op de onderzoekslocatie aan de IJsselstraat 51 en Sophiastraat 63, die inpandig verbouwd zullen worden, zijn wel geschikt als nestlocatie voor huismussen en gierzwaluwen. Als gevolg van de sloopwerkzaamheden van de aanbouwen kunnen broedgevallen van huismussen en gierzwaluwen worden verstoord, wat kan leiden tot het verlaten of mislukken van een bezet nest. Dit zou overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming betekenen. Daarom dienen de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden (globaal lopend van 15 maart tot 15 augustus). Als het niet mogelijk is dat de sloopwerkzaamheden buiten deze periode plaatsvinden, zal nader onderzoek naar de functie van de aangrenzende bebouwing voor huismussen en gierzwaluwen noodzakelijk zijn om de effecten van de sloop op deze beschermde soorten te kunnen bepalen. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 14 van 20
6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. De te slopen bouwdelen zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De aangrenzende bebouwing is wel geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Met de voorgenomen sloop en nieuwbouw dient voorkomen te worden dat verblijfplaatsen in de aangrenzende bebouwing niet beschadigd of vernield worden, of dat vleermuizen worden verstoord. Het is daarom ook noodzakelijk om te voorkomen dat er verlichting zoals bouwlampen wordt toegepast die uitstraalt op de gevels van de aangrenzende bebouwing. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van de voorgenomen herinrichting kunnen holen van muizen maar ook overwinteringsplekken van egels worden vergraven. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dit is mogelijk door, indien mogelijk, de aanwezige struiken en ruigte buiten het broedseizoen van vogels (15 maart – 15 augustus) maar ook buiten de winterperiode te verwijderen. Door het aanwezige struweel in het najaar te verwijderen wordt voorkomen dat overwinterende egels worden gedood. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 15 van 20
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, maar wel in de directe nabijheid van gebieden die aangewezen zijn als Natura 2000. Natura 2000-gebied Rijntakken is gelegen op circa 1,3 kilometer ten zuidoosten van de onderzoekslocatie en Natura 2000-gebied Veluwe is gelegen op circa 1,4 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 12).
Veluwe
Rijntakken
Figuur 12. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000 gebied Veluwe en Rijntakken.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 1,3 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 16 van 20
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 800 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. In figuur 13 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 13. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is gelegen op 800 meter afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het GNN of GO niet aan de orde.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 17 van 20
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 18 van 20
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van KWA Maritane een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63 te Velp. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de aanbouwen van het voormalige garagebedrijf, schuurtjes en afdak op de onderzoekslocatie te slopen en op het terrein twee nieuwbouwwoningen te realiseren in de vorm van patiowoningen met plat dak van 6 meter hoog. Ten behoeve van de realisatie van de woningen zal ook het aanwezige groen worden verwijderd. De panden aan de Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63 zullen inpandig verbouwd worden tot woningen, hier vinden geen werkzaamheden plaats aan daken en gevels. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten.
In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
nee
nee
nee
nestplaats huismus en gierzwaluw wordt niet aangetast, sloopwerkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren om verstoring van broedgevallen te voorkomen
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
verlichting van aangrenzende bebouwing dient voorkomen te worden.
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
-
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
minimaal
nee
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
Overige soortgroepen
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
1,3 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
800 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
Broedvogels
Vleermuizen
Amfibieën
Bijzonderheden / opmerkingen*
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 19 van 20
Conclusie In de te slopen bouwdelen zijn nesten van jaarrond beschermde broedvogels uitgesloten. In de aangrenzende bebouwing (Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63) kunnen mogelijk wel nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen voorkomen. Met de sloop bestaat het risico dat broedgevallen in aangrenzende bebouwing worden verstoord. Daarom dienen de sloopwerkzaamheden van de aanbouwen buiten het broedseizoen (15 maart – 15 augustus) uitgevoerd te worden. Omdat aan de panden aan de sophiastraat 51 en IJsselstraat 63 enkel inpandige werkzaamheden worden uitgevoerd, en geen werkzaamheden aan gevels en daken plaatsvinden, zijn negatieve effecten hier op gierzwaluwen en huismussen uitgesloten. Ten aanzien van algemene broedvogels dient het aanwezige groen buiten het broedseizoen verwijderd te worden. Globaal kan hiervoor de periode 15 maart – 15 augustus aangehouden worden, geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Als het groen toch in het broedseizoen verwijderd dient te worden, zal kort voorafgaand aan de werkzaamheden door een terzake kundig ecoloog een inspectie gedaan moeten worden naar de aanwezigheid van een broedgeval in het te verwijderen groen. De te slopen bouwdelen zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
De aangrenzende bebouwing aan de Sophiastraat 51 en IJsselstraat 63 is wel geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Met de voorgenomen sloop en nieuwbouw dient voorkomen te worden dat verblijfplaatsen in de aangrenzende bebouwing niet beschadigd of vernield worden, of dat vleermuizen worden verstoord. Het is daarom ook noodzakelijk om te voorkomen dat er verlichting zoals bouwlampen wordt toegepast die uitstraalt op de gevels van de aangrenzende bebouwing. Tot slot zijn er ten aanzien van beschermde gebieden, provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden met de voorgenomen plannen geen vervolgstappen noodzakelijk.
Econsultancy Doetinchem, 14 april 202
Rapport 15454.001 versie D2
Pagina 20 van 20
GERAADPLEEGDE BRONNEN Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Velpzuid, periode 2016-2021. www.natura2000.nl/gebieden www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.gelderland.nl (GNN en beschermde gebieden in Gelderland) www.gelderland.nl/Kaartenencijfers
Rapport 15454.001 versie D2
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 15454.001 versie D2
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.