Velp 2016 Woongebieden Noord, locatie Hogeweg 1-3_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 4 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
broed
BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. M. Geerts Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Datum
30 april 2021
Kenmerk
BE/2021/390/r
Uw kenmerk
Email d.d. 7 april 2021
Auteur(s)
ing. M.A. Brinkbaumer
Collegiale toets
ing.. G. Fairhurst
Quickscan Wet natuurbescherming Hogeweg 1 te Velp Aan de Hogeweg 1 te Velp is een woning en een koffie belevingscentrum (CasaBarista) gesitueerd. Walvoorts Ontwikkelaars is voornemens alle bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van 6 nieuwe woningen. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk en/of een Groene Ontwikkelingszone? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Hogeweg 1 te Velp (figuur 1). De planlocatie bestaat uit een woning en een koffie belevingscentrum (CasaBarista). De woning en CasaBarista bestaan uit twee bouwlagen, zijn opgetrokken uit gemetselde muren en bevatten zadeldaken belegd met dakpannen. Aan het pand van de CasaBarista is een enkelvloers kantoorpand aangebouwd. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de stedelijke omgeving van Velp. Op een afstand van ca. 660 m ten noordoosten is de dichtstbijzijnde bosrijke omgeving gelegen (de Veluwe). Op een afstand van ca. 540 m ten oosten zijn de dichtstbijzijnde agrarisch akker- en weidepercelen gelegen. De dichtstbijzijnde autosnelweg is de A12 op ca. 1,5 km ten zuidwesten. Het dichtstbijzijnde oppervlaktewater betreft een vijver in het villapark Overbeek.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Hogeweg 1 te Velp (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de huidige bebouwing ten behoeve van 6 nieuwbouwwoningen. De functie van het perceel dient hiervoor te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van boom en struiken: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Weusten en Liedebaum Architecten).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 26 april 2021 en is uitgevoerd door ing. M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 14 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaals beleid Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Voor een ontwikkeling in een Groene Ontwikkelingszone geldt het ‘ja, mits’ principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.
4
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare
per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde akkerboterbloem, groot spiegelklokje, muurbloem, naaldenkervel, ruw parelzaad, spits havikskruid en stijve wolfsmelk (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie betreft een grotendeels verhard woon-werkperceel met een goed onderhouden tuin. Deze tuin bevat enkele struiken (conifeer) en een boom (spar). Door het hoge onderhoudsbeeld en de mate van verharding is uitgesloten dat er sprake is van geschikte groeilocaties van beschermde plantensoorten. Er is verder ook geen muurvegetatie waargenomen op de planlocatie.
De waarnemingen van de beschermde plantensoorten in de omgeving zijn gedaan op specifieke locaties als (oude) stadsparken, agrarisch gebied of de Veluwe. Derhalve is uitgesloten dat vorengenoemde soorten groeien op de planlocatie. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: herderstasje, klimop, paardenbloem en smalle weegbree. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.
5
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, edelhert, egel, haas, konijn, mol, otter, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, das, edelhert, otter, rode eekhoorn, steenmarter, wezel en wild zwijn. De bever en otter komen voor in en rondom watergangen met elk specifieke eigen eisen aan desbetreffend habitat. Wegens volledig ontbreken van oppervlaktewater op en rondom de planlocatie is functioneel leefgebied voor de soort uitgesloten. Aanwezigheid van de bever en offer zijn derhalve uitgesloten van de planlocatie. De boommarter, het edelhert, de rode eekhoorn en het wild zwijn zijn soorten welke voorkomen in aaneengesloten bosgebieden (wild zwijn ook agrarische gebieden) of grotere parken. Wegens de zeer beperkte mate van begroeiing en hoge mate van verstoring op de planlocatie is voor deze soorten geen sprake van geschikt leefgebied. Negatieve effecten ten aanzien van de boommarter, edelhert, rode eekhoorn en wild zwijn zijn derhalve uitgesloten.
Net als de das komen kleine marterachtigen (bunzing en wezel) voor in agrarische gebieden waar voldoende aanbod is van dekking in de vorm van houtopstanden en struwelen. De soorten hebben ieder eigen eisen voor geprefereerd habitat, echter is voor geen van de genoemde soorten sprake van geschikt leefgebied. Anders dan de das en wezel, wordt de bunzing nog wel waargenomen binnen de bebouwde kom. Dit is echter in het geval bij aanwezigheid van (grote) groene tuinen waar sprake is van voldoende; prooiaanbod, dekking en rust. Dit is niet van toepassing op de planlocatie. Derhalve is de aanwezigheid van de bunzing, das en wezel op de planlocatie uitgesloten. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. De steenmarter is een marterachtige die regelmatig in bebouwing huist. Alle bebouwing is grondig geïnspecteerd op mogelijke openingen waar steenmarter toegang tot de bebouwing kan krijgen. Dergelijke sporen of openingen zijn niet aangetroffen. Eveneens zijn op de rest van het plangebied geen sporen zoals uitwerpselen of prooiresten geconstateerd. Derhalve kan worden uitgesloten dat het plangebied een essentiële functie heeft voor de steenmarter.
Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn geen bomen van voldoende diameter aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
6
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een schilddak belegd met dakpannen. De aangebouwde kantoorruimte bevat een stucpleister over de gevel en bevat anders dan de woning een plat bitumen dak. Op plaatsen waar de gevel aan de gootconstructie aanhecht en langs de kozijnen bestaat op verschillende plaatsen waar vleermuizen toegang kunnen vinden tot achterliggende ruimte (figuur 4).
Figuur 4
Plaatsen waar de gootconstructie en kozijnen niet nauwsluitend zijn op de gevel.
De kieren en ruimte onder de dakrand maken dat vleermuizen vaste rust- en/of verblijfplaatsen kunnen vinden in de te slopen bebouwing. Derhalve dient de aan- of afwezigheid van vleermuizen vastgesteld te worden middels aanvullend onderzoek. Dit onderzoek wordt uitgevoerd middels 4 veldbezoeken in de periode april-september (zie Vervolgstappen) Wegens de beperkte grootte van de openingen (<1,8 cm) is er enkel potentie voor verblijfplaatsen van dwergvleermuizen. Wegens ontbreken van habitatseisen zoals agrarische- of bosgebieden en/of oppervlaktewater is uitgesloten dat er sprake is van verblijfplaatsen van soorten als gewone grootoorvleermuis en/of meervleermuis. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Wegens het ontbreken van lijnvormige structuren of opgaande begroeiing van voldoende formaat is uitgesloten dat de planlocatie onderdeel uitmaakt van essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik.
Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
7
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en vinpootsalamander (NDFF 2011-2021). Voor de Alpenwatersalamander, kamsalamander en vinpootsalamander geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De kamsalamander, vinpootsalamander en (in mindere mate) de Alpenwatersalamander stellen strenge eisen aan geschikt voortplantingswater en landhabitat. Echter is wegens volledig ontbreken van oppervlaktewater op de planlocatie en hoge mate van verharding geen sprake van geschikt leefgebied voor deze soorten. Negatieve effecten ten aanzien van de Alpenwatersalamander, kamsalamander en vinpootsalamander zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen.
Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm, levendbarende hagedis, muurhagedis, ringslang en zandhagedis (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De waarnemingen zijn derhalve ook gedaan in de Veluwe, oude parken of open plaatsen waar weinig verstoring is. Op de planlocatie is geen sprake van dergelijke structuurrijke biotopen en is veel sprake van menselijke verstoring. Anders dan de andere reptielen komt de muurhagedis voor op oude gevels met spleten en kieren waar in weg gekropen kan worden. Deze soort is dan ook minder gevoelig voor menselijke verstoring. Echter verkeerd de gevel van de bebouwing in goede staat en zijn er geen kieren of spleten waar een muurhagedis in zou kunnen kruipen. Derhalve is aanwezigheid van vorengenoemde reptielen uitgesloten van de planlocatie. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021).
Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: bosbeekjuffer, gevlekte witsnuitlibel, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en teunisbloemvlinder (NDFF 2011-2021). De waargenomen soorten komen voor in zeer specifieke habitattypen als bosgebieden, beekranden of rondom enkele waardplanten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Verder is de planlocatie van te klein formaat om te voldoen aan de eis van bosrijke omgeving. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gierzwaluw, grote bonte specht, kauw, koolmees, pimpelmees, roodborst en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.
1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied.
8
De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De woning bevat een schilddak belegd met dakpannen met en de voortuin bevat veel jaarrond groene hagen (figuur 5). Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat de planlocatie onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de huismus.
Figuur 5
Het schilddak van de woning met op zichtbaar korte afstand jaarrond groene hagen in de voortuin.
Door de aanwezigheid van mogelijk geschikte nestlocaties en jaarrond geschikte habitatselementen dient de functie van het perceel t.a.v. de huismus middels aanvullend onderzoek onderzocht te worden (zie Vervolgstappen). De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De woning bevat een gootconstructie die niet overal nauw op de gevel aansluit. Echter is zoals beschreven bij het paragraaf over vleermuizen, sprake van zeer smalle openingen (figuur 4). Deze openingen zijn van onvoldoende formaat om toegankelijk te zijn voor gierzwaluwen. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing bevat geen openingen waarmee uilen mogelijk toegang tot de bebouwing kunnen vinden. Verder zijn er geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogels en uilen.
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.
9
De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 660 m ligt het Natura 2000-gebied ‘de Veluwe’ (figuur 6). Op een afstand van circa 430 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 380 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 7).
10
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 660 m tot het Natura 2000-gebied ‘de Veluwe’’ (bron: gelderland.maps.arcgis.com).
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 430 m tot het Gelders Natuurnetwerk en circa 380 m tot een Groene Ontwikkelingszone (bron: gelderland.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. Ten aanzien van mogelijk op te treden effecten rondom stikstof wordt door Buro SRO B.V. een separaat document opgesteld. Voor beoordeling omtrent deze effecten wordt doorverwezen naar dit document.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
11
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar gebouwbewonende vleermuizen en huismus. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk en/of een Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Voor de effecten rondom stikstof wordt verwezen naar het separaat opgestelde document (Buro SRO B.V.). (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels Huismus
Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee
Artikel 3.5
Artikel 3.1
Verblijfplaatsen
Ja
Nestlocaties & foerageergebied
Tabel 3
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Vleermuissoort Potentie Boom Gebouw Onderbouwing bewonend bewonend
12
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Ruige dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Laatvlieger
Nee
Nee
Ja
Meervleermuis
Nee
Nee
Ja
Watervleermuis
Nee
Ja
Nee
Franjestaart
Nee
Ja
Nee
Baardvleermuis Gewone grootoorvleermuis
Nee Nee
Ja Ja
Ja Ja
Potentiële openingen in bebouwing Onvoldoende hoge bebouwing met bufferende vermogen Potentiële openingen in bomen én bebouwing Potentiële openingen van onvoldoende grootte in bebouwing Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving Geen boomholte(s) met voldoende inrotting Geen Agrarisch gebied zonder veel lichtverstoring
Rosse vleermuis
Nee
Ja
Nee
Tweekleurige vleermuis
Nee
Nee
Ja
Vleermuizen algemeen Essentiele vliegroute Essentieel foerageergebied
Nee Nee
N.v.t. N.v.t.
N.v.t. N.v.t.
Geen boomholte(s) voldoende inrotting
Geen lijnvormige structuren Geen houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 4 Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort. Vleermuissoort Zomer Kraam
Paar
Winter
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
Ja Ja
Nee Nee
Tabel 5
Ja Ja
Ja Nee
Overzicht van de Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
660 m
Separaat rapport
Separaat rapport
Natuurnetwerk Nederland
430 m
Geen
N.v.t.
Groene Ontwikkelingszone
380 m
Geen
N.v.t.
Tabel 6
met
Overzicht van de Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
N.v.t.
Bomen
Ja
Ja
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor gebouwbewonende vleermuizen en huismus (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie De sanering van de huidige bebouwing en realisatie van 6 nieuwbouwwoningen aan de Hogeweg 1 te Velp is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
13
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen (gewone- en ruige dwergvleermuis) wordt uitgevoerd middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het Vleermuisprotocol 2021. Hiervan dienen 2 rondes in het voorjaar (15 april – 15 juli) en 2 in het najaar (augustus-september) plaats te vinden. Van een essentiële vliegroute en/of foerageergebied is geen sprake. • Effecten rondom stikstof worden toegelicht in een separaat opgestelde rapportage door Buro SRO.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.
op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
14
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
15
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. M.A. Brinkbaumer Auteur
Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
16
Bijlage 1 Fotografische impressie
17
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Hogeweg 1 te Velp en bestaat uit een woning en een koffie belevingscentrum (CasaBarista).
Figuur 2
De planlocatie is gelegen in een stedelijk deel van Velp met hoge mate van verharding en menselijke verstoring.
18
Figuur 3
De gootconstructie van het dak sluit niet nauw aan op de gevel waardoor vleermuizen toegang tot achterliggende ruimte kunnen vinden.
Figuur 4
De planlocatie is gelegen in een omgeving waar veel sprake is van jaarrond groen, derhalve is het aannemelijk dat er veel huismussen voorkomen in de omgeving.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
19
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
20
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
21