CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

STAB-Kennisdocument-Houtstook-september-2019

Raadsvergadering 27 mei 2025, gemeente RhedenBij agendapunt: Houtstook - scenariokeuze regelgeving32.803 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

STAB Kennisdocument 2024 (update van 2019)

Gezondheids- en hindereffecten door houtkachels van particulieren

Door STAB is in het kader van een rechtszaak een onderzoeksverslag opgesteld over het beperken van hinder (met name geurhinder) door rookgasemissies van houtkachels van particulieren. Dit kennisdocument gaat in op het formuleren van een objectiveerbare norm voor het beperken van deze hinder en het ontwikkelen van een handhavingskader. Dit kennisdocument richt zich in hoofdzaak op het gebruik van houtkachels door particulieren waarbij alleen uit oogpunt van referentie gebruik gemaakt wordt van gegevens over bedrijfsmatige ruimteverwarming met hout als brandstof.

Auteurs: E. Feringa I. van der Wal R. de Vogel Mei 2024

Inhoud Voorwoord

5

Samenvatting

6

1 1.1 1.2

Inleiding en onderzoeksopzet Inleiding Onderzoeksopzet

13 13 13

2 2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4

Verkenning wettelijke basis en vervolgaanpak Wettelijke grondslagen in Nederland Besluit bouwwerken leefomgeving Besluit kwaliteit leefomgeving Besluit activiteiten leefomgeving Beleidsmatige kaders Geur en lokaal geurbeleid (Noord-Brabant en Helmond) Platform houtrook en gezondheid Ministerie Infrastructuur en Waterstaat en TNO en RIVM Typekeuringen houtkachels Nederlandse normen Buitenlandse normen Overzicht jurisprudentie houtstook particulieren

15 15 15 16 16 17 17 19 19 19 19 20 23

3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3

Brandstofsamenstelling en -kwaliteit Brandstof voor houtkachels Opbouw droog boomhout Brandstofkwaliteit en vochtgehalte Houtsoorten en droogtijden

31 31 31 32 34

4 4.1 4.2 4.3

Verbrandingsproces Essentie van houtverbranding Onvolledige verbranding Opstarten verbrandingsproces

37 37 38 40

5

Tussenconclusie: basisvereisten houtstook

42

6 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4 6.2.5 6.2.6 6.2.7 6.2.8 6.2.9

Emissiekader houtverbranding Relevante toxische stoffen Samenstellen dataset Omrekeningen voor gebruikte eenheden Koolmonoxide (CO) Fijn stof (PM10 en PM2,5) Stikstofdioxide (NO2) Zwaveldioxide (SO2) Onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) PAK's (BaP) Samenvatting en evaluatie Vervolgstap

43 43 43 44 46 48 50 51 51 53 54 54

2

7 7.1 A. 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 B. 7.7 7.8 7.9 7.10 7.11 7.12

Geur als maatstaf voor de beoordeling van houtrook Emissiefactoren voor geur De eerste invalshoek (schadelijkheid) Afleiding maatgevende component bij houtstook Bepaling kritische component bij matige verbranding Bepaling kritische component bij slechte verbranding Bepaling kritische component bij zeer slechte verbranding Nadere beschouwing kritische component De tweede invalshoek (hinderlijkheid) Geur en gezondheid Toepassing hindersystematiek Provinciaal geurhinderbeleid GES methode Totaalbeeld Evaluatie en conclusie emissiematrix

55 55 59 59 62 63 64 64 67 67 67 69 71 72 73

8 8.1 8.2

74 74

8.3 8.4 8.4.1 8.4.2 8.4.3 8.4.4

Afvoer van rookgassen Effect van de afvoerhoogte Afvoerhoogte en verspreiding in Besluit activiteiten leefomgeving en Wet milieubeheer Afvoerhoogte in Besluit bouwwerken leefomgeving Afvoer rookgassen van particuliere houtkachels Vangnetbepaling Bouwbesluit en zorgplicht Bal Afvoer boven nokhoogte Afvoer onder nokhoogte Verdunning in de atmosfeer

9 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5

Mitigerende maatregelen Procesgeïntegreerde maatregelen Nageschakelde maatregelen Verhogen uitmondingsopening Vergroten van de rookgassnelheid Overige mogelijkheden

87 87 88 88 89 89

10 10.1 10.2 10.3 10.3.1 10.3.2

Methode voor handhaving Kwalitatieve methode "zachte aanpak" Kwalitatieve methode "harde aanpak" Kwantitatieve methode Keuze van een geschikte methode Bespreking van de verschillen tussen Stacks en V-Stacks

90 90 92 97 97 99

11 11.1

Geurmodellering met V-Stacks Benodigde invoergegevens

102 102

12 12.1 12.1.1 12.1.2 12.1.3 12.2 12.2.1 12.2.2 12.2.3

Uitwerking van methodiek in twee praktijksituaties Casus Helmond Kwalitatieve methode – zachte aanpak Kwalitatieve methode – harde aanpak Kwantitatieve methode Casus Nieuw Vennep Kwalitatieve methode – zachte aanpak Kwalitatieve methode – harde aanpak Kwantitatieve methode

105 106 106 107 111 113 113 115 116

3

75 75 80 80 81 84 86

13 13.1 13.2

Literatuurlijst Geraadpleegde documenten en rapporten STAB verslagen over houtstook

118 118 120

14 14.1 14.2

121 121

14.3 14.4 14.5 14.6

Validaties emissiematrix en geuremissienorm Eerste validatieronde (april 2019) Vergelijking meetresultaten Blauw met voorlopig toetsingskader STAB Uitspraak Rechtbank Oost-Brabant van juli 2019 Cumulatie door meerdere houtstokers Schone Lucht Akkoord Voorstel CO-metingen en temperatuurmetingen rookgassen

15

Eindconclusie van dit kennisdocument en aanbevelingen

136

Bijlagen Bijlage 1: De 10 stooktips uit de Toolkit Houtstook Bijlage 2: Rekenuitkomsten van de STACKS berekeningen

139 140 142

4

124 126 127 133 134

Voorwoord Door STAB is in het kader van een rechtszaak in 2019 een kennisdocument opgesteld over het beperken van hinder (met name geurhinder) door rookgasemissies van houtkachels van particulieren. Het kennisdocument wil een aanzet geven voor het opstellen van een objectiveerbare norm voor het beperken van deze hinder en het ontwikkelen van een handhavingskader. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Hierbij zijn een groot aantal oude besluiten komen te vervallen, waaronder het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Bouwbesluit 2012. In het oorspronkelijke kennisdocument van september 2019 werd hier nog naar verwezen. STAB heeft met deze versie van het kennisdocument het verslag en met name hoofdstuk 2 en 8 geactualiseerd met verwijzingen naar de nieuwe wetgeving. Tevens is naar aanleiding van reacties op het kennisdocument uit 2019 gebleken dat een aantal getallen in de tabellen in hoofdstuk 8 niet correct waren. Deze getallen zijn in deze versie van het kennisdocument geactualiseerd. STAB heeft in deze versie geen actualisatie uitgevoerd op het gebied van jurisprudentie over gezondheids- en hindereffecten door houtkachels van particulieren. Voor actuele informatie en voorlichtingsmateriaal over houtstook verwijst STAB verder naar: Voorlichtingsmateriaal houtstook 2023/2024 | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl)

5

Samenvatting In dit kennisdocument is op basis van uiteenlopende bronnen en vanuit verschillende invalshoeken de houtstook bij particulieren besproken, met als doel hiervoor een normering en een controlemethode te ontwikkelen om gezondheidsschade en hinder te voorkomen. Geconstateerd is dat dit kan worden gerealiseerd door een goede verbranding van het hout waarmee gestookt wordt en door een goede verspreiding van de rookgassen. Door goede verbranding worden de emissies van schadelijke stoffen laag gehouden en een goede verspreiding zorgt er voor dat de resterende emissies afdoende verdund worden in de atmosfeer. In de praktijk is dit niet altijd het geval waardoor hinder/gezondheidsschade op kan treden door onvolledige verbranding vanwege de stookwijze en/of slechte brandstof. Ook kan sprake zijn van ondoelmatige afvoer door een te lage schoorsteen waardoor rookgassen niet goed worden verdund. In het slechtste geval is sprake van zowel een slechte verbranding, als van slechte verspreiding. In extreme gevallen is bovendien nog sprake van meerdere slecht functionerende bronnen (meerdere kachels). Omwonenden van woningen waar met een houtkachel wordt gestookt, kunnen in overleg treden met de houtstoker om de ondervonden hinder weg te nemen. In een deel van de gevallen kan door beter stookgedrag de mate van hinder naar een aanvaardbaar niveau worden gebracht.

Om dit te kunnen duiden is in dit document ingegaan op de brandstofkwaliteit en het verbrandingsproces in een houtkachel. Er zijn echter ook gecompliceerde gevallen waarin sprake is van een conflictsituatie tussen houtstokers en omwonenden. Klachten kunnen dan worden ingebracht bij de gemeente. Een gemeente heeft voor dit soort conflictsituaties geen duidelijk richtsnoer aan de hand waarvan vastgesteld kan worden of een klacht terecht is en welke maatregel(en) moet(en) worden getroffen. Uitgangspunt is om te komen tot een methode die in de praktijk laagdrempelig alsook eenvoudig is en zonder hoge (meet- en reken)kosten kan worden uitgevoerd. Opstellen richtwaarde voor het voorkomen van gezondheidsschade en hinder Aan de hand van eigen ervaring en kennis, literatuuronderzoek, jurisprudentie en gesprekken met diverse partijen, is aansluiting gezocht bij bestaande normen of normenstelsels. Houtkachels zijn echter slechts een beperkte periode van het jaar in werking, terwijl immissieconcentraties in de buitenlucht, jaargemiddelde concentraties betreffen. Daardoor wordt op de lange termijn veelal aan een grenswaarde voldaan terwijl de blootstelling aan schadelijke stoffen kortdurend is. Bovendien gelden grenswaarden voor industrie en verkeer en niet voor particulieren.

Er zijn twee regelingen die wel direct van toepassing zijn op particuliere houtkachels, namelijk een typekeuring voor houtkachels die betrekking heeft op de emissie en het Besluit bouwwerken leefomgeving (in werking getreden vanaf 1 januari 2024). Wat betreft typekeuring is vastgesteld dat het in Nederland gehanteerde CE-keurmerk inhoudt dat 6

kachels qua emissie moeten voldoen aan ten hoogste 1% koolmonoxide in het rookgas. Er worden verder geen eisen gesteld aan de uitstoot van fijn stof. Op vrijwillige basis wordt in voorkomende gevallen de Duitse DIN-norm als minimale prestatie-eis aangehouden. Vanaf 2022 zijn de landelijke producteisen in de lidstaten van de Europese Unie vervangen door de verplichte Ecodesign producteisen. In het Bouwbesluit was in artikel 7.22, aanhef en onder a bepaald, dat het verboden is om (…) handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid. Deze vangnetbepaling uit het Bouwbesluit bood echter onvoldoende houvast met betrekking tot de vraag wat aanvaardbare emissies/immissies zijn van houtkachels van particulieren naar omwonenden. Ook ontbraken algemeen aanvaarde inzichten over de wijze waarop de concentraties fijn stof in de omgeving ten gevolge van het gebruik van de houtkachels moeten worden gemeten, danwel berekend. In het per 1 januari 2024 geldende Besluit activiteiten leefomgeving zijn geen specifieke eisen opgenomen voor het emitteren van rookgassen ten gevolge van houtstook. Voor eisen met betrekking tot afvoerhoogte en verspreiding van rookgassen wordt verwezen naar het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, zie paragraaf 8.3 van dit kennisdocument.

Met het ontbreken van duidelijke regelgeving omtrent particuliere houtstook blijkt handhaving bij overlast door houtkachels in de meeste gevallen niet uitvoerbaar, uitgezonderd extreme situaties. In dit kennisdocument is een emissiematrix voor houtverbranding ontwikkeld op basis van typekeuringseisen in combinatie met een emissieoverzicht, op basis van literatuurgegevens en eerder uitgebrachte STAB-verslagen. Daaruit is een emissietabel afgeleid voor uiteenlopende verbrandingsomstandigheden, variërend van zeer goede, goede, voldoende, matige, slechte tot zeer slechte verbranding. Bij elk van deze omstandigheden zijn emissieconcentraties toegekend voor CO, stof, onverbrande koolwaterstoffen, benzo(a)pyreen en geur. Daarmee is een eerste (eenvoudig) emissiereferentiekader geschapen waarmee vervolgberekeningen kunnen worden uitgevoerd.

7

Tabel S.1: Uitgebreid overzicht van emissieranges in mg/Nm3 van relevante toxische stoffen bij verschillende verbrandingscondities afgezet tegen geurvrachten als gevolg van 1,8 kg/uur houtverbranding, alle concentraties bij 13% O2; Volledigheid

CO

CO in vol%

Fijn stof

C xH y

BaP

Geur in ou/uur

Zeer goed

< 300

< 0,024%

< 20

< 50

< 0,01

0,3 miljoen

Goed

300 –1.000

0,024 - 0,08%

20 - 40

50 – 80

0,01 - 0,05

1,2 miljoen

Voldoende

1.000 – 1.500

0,08 - 012%

40 - 75

80 – 120

0,05 – 0,10

1,8 miljoen

Matig

1.500 – 4.500

0,12 – 0,36%

75- 100

120 -185

0,10 - 0,15

3,6 miljoen

Slecht

4.500 – 10.000

0,36 – 0,8%

100 - 150

185 – 1.000

0, 15 - 0,30

8,4 miljoen

Zeer slecht

> 10.000

> 0,8%

> 150

> 1.000

> 0,3

20,5 miljoen

verbranding

Het overzicht geldt niet als emissienormenkader, maar is bedoeld als hulpmiddel voor het bevoegd gezag om vervolgacties te kunnen nemen, bijvoorbeeld voor het maken van immissieschattingen of voor het analyseren van de doelmatigheid van bepaalde maatregelen. STAB heeft bij het opstellen van dit document geconstateerd dat geur gebruikt kan worden als richtinggevende component omdat daarmee zowel gezondheidsschade (impliciet), als hinder kunnen worden getoetst. Gebruik makend van de uitkomsten op basis van provinciaal geurbeleid, een interpretatie op basis van de GES-methode en door een verband te leggen met gezondheidsschade vanwege de stof benzo(a)pyreen, zijn door STAB richt- en grenswaarden bepaald. STAB stelt voor dat getoetst wordt aan een geurimmissie van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel indien men naast hinder tevens gezondheidsschade wil voorkomen. Deze 98 percentielwaarde geldt in combinatie met een piekimmissiewaarde van 2,0 ouE/m3 als 99,9 percentiel. Wil men beschikken over een grenswaarde die gericht is op het voorkomen van geurhinder door houtstook, dan stelt STAB een immissiewaarde voor van 1,0 ouE/m3 als 98 percentiel in combinatie met een piekimmissiewaarde van 4,0 ouE/m3 als 99,9 percentiel. Bij overschrijding van voornoemde immissiewaarden kan worden gesteld dat sprake is van geobjectiveerde geurhinder.

Afvoerhoogte rookgas en mitigerende maatregelen In dit document is naast de hoogte van de diverse emissies ook aandacht besteed aan de afvoer van de rookgassen, met name de afvoerhoogte en het effect van regenkappen. Te lage afvoer leidt tot onvoldoende verspreiding en verdunning, terwijl regenkappen zorgen voor een lage uittreedsnelheid van de rookgassen. Ook hierdoor is de verdunning doorgaans onvoldoende. In een apart hoofdstuk zijn alle technische maatregelen opgesomd waarmee zowel de verbranding als de verdunning van de rookgassen kan worden verbeterd. 8

Methode voor het controleren van de richtwaarde Vervolgens is een methode ontwikkeld om de ongewenste effecten van houtstook te kwantificeren en aan te tonen in welke mate er sprake is van overschrijding van de voorgestelde richtwaarde. Daarvoor zijn in de aanpak verschillende gradaties aangebracht, oplopend in dwang. Kwalitatieve methode – zachte aanpak Voor de drie onderdelen die bij het verstoken van hout zijn te onderscheiden (brandstofkwaliteit, verbranding en verspreiding) zijn voor diverse parameters condities gekozen die kunnen worden gecontroleerd als voorwaarde voor handhaving. Om de aangetroffen situatie en de situatie na voorlichting te duiden is een referentiekader met puntenschaal ontwikkeld, lopend van goede situatie (maximaal +9 punten) tot zeer slechte situatie (minimaal -15 punten). Met voorlichting kunnen zo een aantal ongewenste situaties en handelingen ten goede worden gekeerd, bijvoorbeeld het stoken van te nat hout of het meeverbranden van afval. Deze methode zal werken in gevallen waar lichte tot matige hinder wordt ervaren. Door kleine aanpassingen kan de hindersituatie mogelijk weg worden genomen. Kwalitatieve methode – harde aanpak STAB heeft een stappenplan ontwikkeld dat door gemeentelijke controleurs gebruikt kan worden bij het optreden van hindersituaties aan de hand van klachten.

De methode is een checklist met vragen waaruit moet blijken of er bij de houtstook, gezien vanaf de straat, of in voorkomende gevallen bij binnentreden, signalen zijn dat er sprake is van een objectiveerbare hindersituatie en of er sprake is van een bijzondere situatie waardoor verspreiding belemmerd wordt. De hindersituatie moet dan vervolgens gekwantificeerd worden. • Is er geen klacht, dan is er geen hindersituatie; • Is de schoorsteen in strijd met het Besluit bouwwerken leefomgeving, dan wordt eerst daarop gehandhaafd. Signalen worden verkregen als: • Er sprake is van verspreiding van de rookgassen (op enig moment) naar de woningen van omwonenden; • Er wordt gestookt terwijl negatief advies van stookwijzer.nl geldt; • De rookgassen wit, grijs of zwart zijn of dat er sprake van geur; • De temperatuur van de rookgassen te laag is; • Er vochtig of bewerkt hout of afval als brandstof wordt gebruikt (in dat geval direct optreden). Voor het kwantificeren van de hinder is nog van belang dat aan de hand van de waarnemingen bepaald moet worden wat de emissiewaarden van de houtstook zijn (af te leiden uit de emissietabel) en moet de duur van de houtstook worden ingeschat.

9

Kwantitatieve methode Er is gekozen om voor verspreidingsberekeningen gebruik te maken van STACKS welk programma is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model. Het gebruik van STACKS vergt vakkennis en ervaring en ook in STACKS zijn er beperkingen om de specifieke locaties te verwerken in een verspreidingsmodel. Het testen van de geurimmissiewaarden met dit verspreidingsmodel, op basis van de waarden uit de emissiematrix, geeft aan dat de niveaus realistisch zijn en dat de emissiematrix kan dienen als hulpmiddel om de geurbelasting voor omwonenden te beoordelen. Hiertoe zou de toelaatbaar geachte geurblootstelling in ouE/m3 per percentiel kunnen worden vastgelegd in een APV (algemene plaatselijke verordening) of beleidsregel en in een omgevingsplan. De voorgestelde geurimmissieconcentraties kunnen hiermee de status van een grenswaarde krijgen. In het geval dat gebruik van STACKS niet mogelijk of haalbaar is, kan het vrij verkrijgbare en relatief eenvoudig te gebruiken V-Stacks worden gebruikt. V-Stacks is het wettelijk voorgeschreven computermodel voor het berekenen van de verspreiding van geur vanuit dierenverblijven (stallen). V-stacks wordt door veel gemeentes reeds gebruikt in het kader van vergunningverlening van veehouderijen. V-Stacks als berekeningsprogramma voor de bepaling van de geurimmissie vanwege houtkachels zal zeker niet in alle mogelijke gevallen toepasbaar zijn.

Buro Blauw raadt het gebruik van V-Stacks in plaats van het NNM voor het bepalen van overlast als gevolg van houtkachels af, vanwege verschillen met betrekking tot gebouwinvloed, emissieduur, immissieconcentratie en immissiehoogte. V-Stacks heeft daarnaast nog de beperking dat louter getoetst kan worden aan een geurimmissie als 98 percentiel op leefniveau ter plaatse van de woning van omwonenden. De rekenuitkomsten gelden vanwege de beperkingen van dit model dan ook als indicatief. Toetsing methodes De drie voorgestelde methodes zijn getoetst aan de hand van twee praktijksituaties, te weten een casus te Helmond en een tweede locatie in Nieuw Vennep. Op basis van deze exercitie komt naar voren dat in Helmond sprake is van geobjectiveerde geurhinder als gevolg van houtstook. Op de controlelocatie Nieuw Vennep is geen sprake van geobjectiveerde geurhinder. Uit indicatieve berekeningen van STAB, op basis van geuremissies uit de door STAB voorgestelde emissiematrix, uitgevoerd in STACKS, komt naar voren dat de in dit kennisdocument voorgestelde immissienormen realistisch zijn. Hierbij dient wel in acht genomen te worden dat de berekeningen indicatief zijn en er uitgegaan is van het stoken van maximaal 3 uur per dag gedurende 6 (winter)maanden.

De indicatieve berekeningen geven, ondanks alle aannames en onzekerheden, aan dat bij het stoken onder (zeer) goede verbranding de voorgestelde immissienormen haalbaar zijn. Ook bij meerdere bronnen die (zeer) goed gestookt worden lijken de normen haalbaar. Bij meerdere bronnen met matige verbranding beginnen situaties op te treden waarbij de voorgestelde richtwaarden overschreden worden.

10

Voorbehoud De door STAB voorgestelde toetsings- en handhavingsmethode voor het vaststellen van hinder als gevolg van houtstook bij particulieren, moet gezien worden als een eerste aanpak die in de praktijk laagdrempelig, eenvoudig en zonder (dure meet)kosten is uit te voeren. STAB realiseert zich dat de voorgestelde methode niet compleet is, de onderbouwing gebaseerd is op een gering aantal beschikbare metingen aan houtrook en dat de validatie daardoor momenteel beperkt is. Door toepassing in de praktijk bij gemeenten en na afronding van het TNO-onderzoek in opdracht van het ministerie I&W (zie TNO rapport 26 maart 2020: Houtrook uit particuliere kachels: zoektocht naar indicatoren en verkenning van mogelijkheden voor reductie van overlast) kan de STAB-methode worden geactualiseerd en daarmee de aanpak verder worden verbeterd. De thans bestaande kennisleemten hebben vooral betrekking op matige en slechte verbranding. Voor deze condities zal aanvullende kennis moeten worden opgedaan. Conclusies en aanbevelingen In dit document is geconcludeerd om in handhavingssituaties betreffende hinder door houtkachels van particulieren te toetsen op geur. Hiervoor is onderscheid gemaakt in een strenge en een soepele toetsingswaarde wat betreft de toelaatbare geurimmissie.

• De strenge richtwaarde bestaat uit een geurconcentratie van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel (maximaal 175 uren per jaar) in combinatie met een piekwaarde van 2,0 ouE/m3 als 99,9 percentiel (8,8 uren per jaar). Met deze waarde wordt tevens bescherming geboden tegen gezondheidsschade. • De soepele grenswaarde bestaat uit een hoogst toelaatbare geurconcentratie van 1,0 ouE/m3 als 98 percentiel in combinatie met een piekwaarde van 4,0 ouE/m3 als 99,9 percentiel. De benodigde invoergegevens voor de berekeningen kunnen worden verzameld door: • deze ter plaatse vast te stellen, • af te lezen uit bouwtekeningen, • gebruik te maken van de emissiematrix uit dit document. Voor een goed inzicht dient de wijze van verbranding zo goed als mogelijk te worden ingeschat. Dit kan ruwweg op basis van de kleur van de rook of de vochtigheid van het haardhout. Preciezer kan dit door (zelf) de CO-emissie en het zuurstofgehalte in de rookgassen te meten of de geuremissie te laten meten door een geaccrediteerd onderzoeksbureau. Belangrijkste aanbevelingen in dit Kennisdocument zijn: • Hanteren van een maximaal vochtgehalte van het te verstoken hout van 15% als afgelezen waarde op een vochtmeter. • Stoken van hout dat voldoende droog is voor een goede verbranding (minimaal 2 jaar gedroogd; alleen bij gekloofd hout kan deze termijn korter). • Hanteren van de 10 stooktips uit de Toolkit Houtstook.

• Zorgen voor voldoende ventilatie in de ruimte waar gestookt wordt. 11

• • • • • • • • • •

•

Uitlaat schoorsteen minimaal 0,5 meter boven nokhoogte. Eisen stellen aan installatie en onderhoud van houtkachels van particulieren; minstens éénmaal per jaar de schoorsteen laten vegen. Promoten aangepaste regenkappen om verminderde trek te voorkomen. Bij hindersituaties kijken naar de mogelijkheid van het toepassen van mitigerende maatregelen. Geur hanteren als maatstaf voor de bepaling van hinder door houtstook. Indien mogelijk geurmetingen uitvoeren (ook bij goed werkende kachels). Indien geurmetingen niet mogelijk zijn, indicatieve metingen doen (bijvoorbeeld COmetingen). Meten van de rookgastemperatuur met een magnetische temperatuurmeter op de rookgasafvoer van de houtkachel. Rekening houden met cumulatie bij meerdere houtkachels die bij elkaar in de buurt liggen. Toepassen handhavingssystematiek op basis van kwalitatieve methode "zachte aanpak", zo nodig daarna met een kwalitatieve methode "harde aanpak" en eventueel daarna gevolgd door een kwantitatieve methode. Handhavend optreden indien de resultaten van metingen en/of berekeningen uitkomen in de categorie matig, slecht of zeer slecht.

STAB heeft met vertegenwoordigers van het ministerie van I&W, RWS (Infomil), TNO en RIVM gesproken over een aantal aandachtspunten betreffende houtstook. Uit deze gesprekken kwam naar voren dat het meten van CO als een goede indicator van de emissies wordt gezien. In combinatie met de emissiematrix is eenvoudig de geuremissie af te leiden. Voor de component geur worden wel meer meetwaarden nodig geacht. Het streven is om meer praktijksituaties door te meten (CO, O2 en fijn stof in samenhang met geur). Er is een voorkeur uitgesproken om een Stacks versie te maken ('houtstook-Stacks') die specifiek is gericht op het rekenen met emissies van houtkachels in woonwijken. Daarvoor is nodig dat onder andere met gebouwinvloeden rekening wordt gehouden en met verschillende immissiehoogten.

12

1

Inleiding en onderzoeksopzet

1.1

Inleiding

Ongeveer 10% van de Nederlandse huishoudens bezit een houtkachel of open haard. Houtkachels worden gebruikt voor het verwarmen van woningen, voor de sfeer of voor recreatief gebruik. Het stoken van hout kan voor omwonenden overlast en schade opleveren in de vorm van geurhinder, gezondheidsschade en roetneerslag. Aangezien het stoken van houtkachels door particulieren geen vergunnings- of meldingsplichtige activiteit is, zijn daarop geen normen- of beoordelingskaders van toepassing. Mede daardoor verloopt gemeentelijke handhaving ter bescherming van de gezondheid van omwonenden en/of het tegengaan van hinder moeizaam. Alleen extreme gevallen lijken reden te zijn tot ingrijpen. Het doel van dit kennisdocument is het ontwikkelen van een praktisch emissiekader, met de nadruk op praktisch omdat emissieonderzoeken kostbaar zijn en afhankelijk van de medewerking van de veroorzaker. Op basis van dit emissiekader is vervolgens een methode ontwikkeld waarmee tegen geringe kosten een toetsing kan worden verricht om de ernst per situatie vast te stellen. De methode is transparant en laagdrempelig qua uitvoering en kan in hindersituaties als arbitrair middel worden ingezet door een gemeente.

1.2

Onderzoeksopzet

In dit document wordt een verkenning (zie hoofdstuk 2) gemaakt van wat de wettelijke basis is – of zou kunnen zijn – om te komen tot een objectiveerbare norm voor rookgasemissies als gevolg van het verstoken van hout in een houtkachel in een woning. Daarbij is gebruik gemaakt van de beleidsmatige kaders in Nederland, wet- en regelgeving in binnen- en buitenland (typekeur) en relevante jurisprudentie. Dit geeft een eerste indicatie voor een aan te houden referentiekader. Om dit verder uit te werken is vervolgens in technische zin ingegaan op de keten: brandstof → verbrandingsproces → afvoer en verspreiding. Wat betreft de brandstof (zie hoofdstuk 3) is ingegaan op de samenstelling van boomhout, de brandstofkwaliteit en de invloed van het vochtgehalte op het verbrandingsproces. Vervolgens is ingegaan op het verbrandingsproces bij houtkachels (zie hoofdstuk 4). Tevens is het fenomeen van slechte verbranding beschreven, waardoor stank- en roetvorming optreedt en waarbij ook toxische stoffen kunnen vrijkomen. Voorts is ingegaan op het opstarten van het verbrandingsproces en de rookgassamenstelling. Er is op basis hiervan gedefinieerd welke condities moeten gelden als basisvereisten (hoofdstuk 5) die minimaal noodzakelijk zijn voor het verantwoord verbranden van hout in een houtkachel.

In hoofdstuk 6 is een emissiematrix voor houtverbranding ontwikkeld op basis van typekeuringseisen en een emissieoverzicht op basis van literatuurgegevens en eerder uitgebrachte STAB-verslagen. Daaruit is een emissietabel afgeleid voor uiteenlopende

13

verbrandingsomstandigheden, variërend van zeer goede tot zeer slechte verbranding. Bij elk van deze omstandigheden zijn emissieconcentraties toegekend voor CO, stof en onverbrande koolwaterstoffen. Daarmee is een eerste (eenvoudige) emissiematrix geschapen als referentiekader waarmee vervolgberekeningen kunnen worden uitgevoerd. In hoofdstuk 7 is een beschouwing gegeven over geur als maatstaf voor de beoordeling van houtrook. Eerst is nagegaan welke geurimmissienorm moet worden toegepast om tegelijkertijd een gezondheidskundige bescherming te verkrijgen door het leggen van een koppeling met de maatgevende toxische stof. Daarna is gekeken naar de hinderlijkheid van geur. Beschouwd is hoe voor geur een acceptabel hinderniveau vastgesteld kan worden. Hierna vindt een beschouwing plaats over de eindfase van de houtverbranding, als de rookgassen worden afgevoerd naar de atmosfeer (hoofdstuk 8). Hierbij is onder andere de afvoerhoogte en de uittreedsnelheid van de verbrande gassen van belang. Vervolgens wordt aangegeven welke maatregelen (hoofdstuk 9) kunnen worden getroffen om de emissies terug te dringen of beter te verdunnen in de omgeving.

Hierop volgt een afweging over een methode danwel een handhavingsinstrument (zie hoofdstuk 10) waarmee een overheid na kan gaan of in voorkomende gevallen gezondheidsschade en/of hinder afdoende wordt beperkt of eventueel kan worden gereduceerd. Voor een kwantificering van de geurbelasting is in hoofdstuk 11 een voorstel gedaan om met het geurberekeningsprogramma V-Stacks de mate van geurhinder te bepalen. Voor twee casussen zijn in hoofdstuk 12 als test berekeningen uitgevoerd. In hoofdstuk 13 is een literatuurlijst opgenomen die is gebruikt voor het emissiekader en de reductiemaatregelen. In dit hoofdstuk is tevens een lijst met STAB-verslagen opgenomen waar houtstook aan de orde is. De verslagen zijn niet openbaar, maar de relevante geanonimiseerde verslagdelen kunnen bij STAB worden opgevraagd. In hoofdstuk 14 zijn aanpassingen en aanvullingen vanaf de eerste versie van dit kennisdocument beschreven. Op basis van nieuwe inzichten, aanvullende informatie en reacties van partijen op het kennisdocument is de emissiematrix uitgebreid met een extra categorie 'voldoende'. Door het gebruiken van meer gegevens, is de emissiematrix beter onderbouwd en zijn de grenzen tussen de verschillende categorieën aangepast. Ook zijn de resultaten van een beperkt onderzoek door STAB naar de cumulatie van geur bij meerdere bronnen van houtstook weergegeven.

In hoofdstuk 15 zijn de eindconclusies van ons onderzoek opgenomen en hebben wij concrete actiepunten benoemd en beschouwd hoe dit kennisdocument gebruikt kan worden voor handhaving op basis van normering en tot slot zijn een aantal algemene aanbevelingen gedaan.

14

2

Verkenning wettelijke basis en vervolgaanpak

2.1

Wettelijke grondslagen in Nederland

2.1.1

Besluit bouwwerken leefomgeving

In het Besluit bouwwerken leefomgeving 1 (hierna: Bbl) zijn regels opgenomen voor technische eisen waaraan de luchtaanvoer en de rookafvoer moeten voldoen. Omdat de problematiek met houtkachels voornamelijk betrekking heeft op bestaande situaties is paragraaf 3.3.4 van het Bbl relevant waarbij verwezen wordt naar NEN 8757. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen op een ander perceel buiten beschouwing. De regels van het Bbl en van de NEN-norm beogen afdoende luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer van gebouwen met stookinstallaties te waarborgen. Het gaat hierbij dus om de veiligheid en gezondheid van de gebruiker van het bouwwerk (de stoker in dit geval) en niet om het voorkomen van hinder voor omwonenden. De artikelen in paragraaf 3.3.4 Bbl hebben betrekking op de capaciteit, de rookdoorlatendheid en de stromingsrichting van de verbrandingslucht van een verbrandingstoestel. De NEN 8757 beschermt het gehele gebouw met de stookinstallatie en niet alleen het vertrek met de stookinstallatie. In de bruidsschat 2 zijn evenals het geval was in het Bouwbesluit 2012, enkele algemene bepalingen over hinder opgenomen. In artikel 22.18 en 22.20 van de bruidsschat is in artikel 22.18 (Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk) het volgende opgenomen: "1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving."

1 2

Besluit bouwwerken leefomgeving zoals geldend vanaf 1 januari 2024. Bruidsschat omgevingsplan artikelen; geconsolideerde versie 22-12-2023. 15

Artikel 22.18 (bouwwerk) en 22.20 (open erven en terreinen) hebben beide het karakter van een vangnetbepaling. Tot op heden bestaan geen algemeen aanvaarde inzichten over de beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook afkomstig van gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt. 3

2.1.2

Besluit kwaliteit leefomgeving

Om nadere invulling te geven aan "hinderlijke of schadelijke wijze" van luchtverontreiniging kan, bij ontbreken van concrete normen specifiek voor stoken van houtkachels, aansluiting worden gezocht bij de algemene normstelling die wordt gebruikt bij de beoordeling van de kwaliteit van de buitenlucht. In artikel 2.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (omgevingswaarden fijnstof) zijn onderstaande omgevingswaarden 4 voor fijn stof (PM10) opgenomen 1. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. 2. Voor PM2,5 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde; b. 20 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden; en c. 14,4 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden. 3. De omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in het eerste lid, en de omgevingswaarden voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, zijn resultaatsverplichtingen. 4. De omgevingswaarde voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder c, is een inspanningsverplichting. 5.

De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, gelden op stedelijke achtergrondlocaties, zijnde stedelijk gebied waar de concentraties representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen. De parameter fijnstof is een maat voor de schadelijkheid voor de gezondheid als gevolg van houtvuurrook.

2.1.3

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat vrijwel geen regels voor geur. Geur wordt met de nieuwe Omgevingswet lokaal door de gemeente geregeld in de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. De gemeente bepaalt zelf of en welke regels ze hiervoor opneemt in het omgevingsplan. Bij het omgevingsplan kunnen omgevingswaarden worden vastgesteld (zoals voor geur). Wel geldt dat de gemeente moet zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau. 3

4

Dit is ook geconstateerd in onder andere twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 12 november 2014 [ECLI:NL:RVS:2014:4032 (Grootegast) en ECLI:NL:RVS:2014:4038 (Kampen)]. Een omgevingswaarde is een van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moet objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. De rijksomgevingswaarden zijn vastgesteld in hoofdstuk 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 16

Een handig en praktisch document is de "Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen)". Deze handleiding geeft een toelichting op de geurvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit. Een belangrijk onderdeel hiervan is hoe het bevoegd gezag het aanvaardbaar hinderniveau bepaalt. De onderzoeksmethoden zijn opgenomen in de Nederlandse Technische Afspraak NTA 9065 Meten en rekenen geur.

2.2

Beleidsmatige kaders

2.2.1

Geur en lokaal geurbeleid (Noord-Brabant en Helmond)

Geur op zich is niet direct 5 schadelijk maar kan wel hinderlijk zijn en is van belang om nader te beschouwen. Er bestaan geen wettelijke grenswaarden voor geur met betrekking tot het stoken van hout door particulieren. Er is wel sprake van een (landelijk) geurbeleid, primair bedoeld voor inrichtingen, op basis waarvan kan worden besloten of sprake is van een acceptabele geursituatie. In beginsel kan dat kader ook worden toegepast op hinder als gevolg van houtstook door particulieren. Incidentele (ernstige) hinder betekent nog niet dat sprake is van onacceptabele geurhinder. Naast de aard en omvang van de geur dient ook rekening te worden gehouden met het aantal uren per jaar dat de hinder optreedt. Dit hangt samen met het feit dat geur als zodanig niet schadelijk is, waardoor een zekere mate van hinder toelaatbaar kan zijn. De geurconcentratie kan niet in massa-eenheden gemeten worden. Daarom wordt de geëmitteerde geur uitgedrukt in Europese odourunits (ouE/m3) 6. De geurconcentratie wordt vastgesteld door een panel van waarnemers in een laboratorium volgens een gestandaardiseerde procedure. Een geurconcentratie van 1 ouE/m3 kan door een geurpanel met zekerheid onderscheiden worden van geurvrije lucht. Geuren die niet uit één component bestaan, kunnen tot op heden niet met instrumenten gemeten worden.

Hedonische waarde De hedonische waarde is een maat voor de (on)aangenaamheid van een geur. Hierbij wordt gewerkt met een beoordelingsschaal die loopt van uiterst aangenaam (+4) tot uiterst onaangenaam (-4). Volgens artikel 1 onder m, van het Helmonds geurbeleid dient de (gemeten) geuremissie hedonisch gecorrigeerd te worden door de geuremissie van een bron te delen door de hedonische weegfactor F. Deze definitie komt overeen met de definitie die in artikel 1 onder m van het provinciale geurbeleid van Noord-Brabant is omschreven. Hetzelfde effect wordt bereikt door de aan te houden immissienorm te vermenigvuldigen met de hedonische weegfactor F. De NVN 2818:2019 (Geurkwaliteit – ‘Sensorische bepaling van de hedonische waarden van een geur met een olfactometer’) geeft een waarde aan een geur waaruit men af kan leiden hoe (on)aangenaam de geur is.

5

6

Langdurige blootstelling aan stank kan leiden tot psychosomatische klachten. Behalve als gevolg van individuele verschillen kunnen nadelige effecten vooral optreden in situaties waarin de ontvanger er weinig of geen invloed op kan uitoefenen, de voorspelbaarheid klein is en de onbekendheid met de oorzaak groot. Eén Europese odour unit per kubieke meter is de concentratie geurstoffen die door een gemiddeld persoon nog net kan worden geroken. Er wordt hierbij dus geen onderscheid gemaakt naar de herkomst van de geur ("type" geur).

17

Het voorgaande is relevant voor zover geur de maatgevende hindercomponent van de houtrook betreft. Toetsingswaarde Wanneer voor de rookgassen vanuit een houtkachel wordt uitgegaan van een (zeer) onaangename geur kan voor het bereiken van afdoende bescherming tegen geurhinder er vanuit worden gegaan dat in een woonomgeving een maximaal toelaatbare geurconcentratie wordt aangehouden van 0,5 ouE/m3, die gedurende ten hoogste 2% van de tijd overschreden mag worden (98-percentiel). Voor piekconcentraties geldt als regel dat gedurende 0,01% van de tijd (minder dan een uur per jaar) een 10 maal hogere concentratie mag worden waargenomen. Dat komt in het gegeven geval neer op 5 ouE/m3 als 99,99 percentielwaarde. Tabel 2.2: Toetsingswaarden geurhinder voor zeer onaangename geuren

Parameter

Toetsingswaarde

Opmerking

Geur (structureel)

0,5 ouE/m3 (98-percentiel)

Maximaal 175 uur overschrijding per jaar.

Geur (incidenteel)

5 ouE/m3 (99,99 percentiel)

Maximaal 1 uur overschrijding per jaar

Helmonds geurbeleid De gemeente Helmond heeft een eigen lokaal geldend geurbeleid 7 geformuleerd. In de 'Beleidsregel Geurhinder industriële bedrijven Helmond 2024" zijn artikelen opgenomen waarin de beoordelingsruimte voor het college van burgemeester en wethouders is vastgelegd voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor bedrijfsmatige activiteiten. In artikel 7 van de Beleidsregel zijn streef-, richt- en grenswaarden gesteld voor de geurbelasting in drie omgevingscategorieën. Omdat de beleidsregel geurhinder gericht is op industriële bedrijven en van toepassing bij het aanvragen van omgevingsvergunningen, is het niet mogelijk om voor de individuele stook van hout via houtkachels een aanvaardbaar hinderniveau vast te stellen. Wel is het mogelijk om de streef-, richt- en grenswaarden te gebruiken bij de afweging of een houtkachel van een particulier tot geurhinder kan leiden bij een nabijgelegen woning. Provinciaal geurbeleid De Provincie Noord-Brabant heeft op 5 december 2022 de beleidsregel industriële geur Noord-Brabant "Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant" geactualiseerd. In de beleidsregel wordt van dezelfde omgevingscategorieën uitgegaan, waarbij voor woningen de omgevingscategorie "Hoog" geldt . Op basis van de beleidsregel is het niet mogelijk om voor de individuele stook van hout via houtkachels, een aanvaardbaar hinderniveau vast te stellen.

De richt- en grenswaarden zijn voor bestaande activiteiten minder streng dan de 7

Op te vragen via de link:https://www.helmond.nl/bis/2023/RIB%202023/RIB%20122%20Beleidsregel%20Geurhinder%20industri %C3%ABle%20bedrijven%20Helmond%202024).pdf 18

richt- en grenswaarden van het Helmonds geurbeleid en zijn te gebruiken bij de afweging of een houtkachel van een particulier tot geurhinder kan leiden bij een nabijgelegen woning. Door diverse andere provincies en gemeentes is eigen, lokaal geldend geurbeleid geformuleerd. Een voorbeeld van een in 2024 opgestelde beleidsregel geur is: Beleidsregel geur voor milieubelastende activiteiten niet-veehouderijen Gelderland 2024.

2.2.2

Platform houtrook en gezondheid

Om overlast of gezondheidsschade als gevolg van het stoken van hout en andere vaste brandstoffen door particulieren te voorkomen en/of te verminderen, is mede op initiatief van de Rijksoverheid in 2014 het Platform Houtrook en Gezondheid ingesteld. Het Platform is samengesteld uit een brede vertegenwoordiging van partijen uit het veld van onderzoek, maatschappelijke organisaties, ondernemers en overheid. Het Platform heeft diverse oplossingsrichtingen in kaart gebracht om overlast of gezondheidsschade als gevolg van het stoken van hout door particulieren, te voorkomen dan wel te verminderen. Het platform is inmiddels opgeheven en verwijst nu naar het Schone Lucht Akkoord.

2.2.3

Ministerie Infrastructuur en Waterstaat en TNO en RIVM

In een brief van 30 mei 2018 aan de voorzitter van de tweede kamer geeft het Ministerie I&W aan dat men met de volgende drie aanbevelingen van het Platform houtrook en gezondheid al aan de slag wil: • Het ontwikkelen van een methode (mede door TNO) om de gezondheidsschade als gevolg van houtstook vast te stellen; • Het ontwikkelen van Stookalert (mede door RIVM en KNMI), een waarschuwingstool/ telefoonapplicatie die op basis van ongunstige meteo-omstandigheden en achtergrondconcentraties adviseert om af te zien van houtstook; • Communicatie / voorlichting over stookgedrag. Het ministerie I&W en TNO en RIVM zijn gezamenlijk bezig een methode te ontwikkelen voor het vaststellen van gezondheidsschade als gevolg van houtstook (zie ook: kamerbriefschriftelijk-overleg-houtstook) waardoor handhaving mogelijk zou kunnen worden. Beoogd is een technisch relatief simpel uitvoerbare en betaalbare methode die door gemeentes kan worden uitgevoerd. Omdat de opdracht gericht is op het voorkomen van gezondheidsschade, wordt gezocht naar schadelijke en meetbare stoffen/indicatoren, zoals black carbon (roet), fijn stof (PM2,5 en PM10), koolmonoxide en formaldehyde.

2.3

Typekeuringen houtkachels

2.3.1

Nederlandse normen

Voor houtkachels bij particulieren, gold in Nederland tot 2007 een wettelijk verplicht en door het ministerie van VROM uitgevaardigd keurmerk. Sinds 2007 geldt wel een CE typekeur, waarbij de fabrikant kan aangeven dat zijn product aan Europese veiligheidsen/of gezondheidsrichtlijnen voldoet. De fabrikant kan metingen en onderzoeken hiervoor zelf uitvoeren. Wat betreft uitstoot houdt het CE-keurmerk in dat kachels moeten voldoen aan 30 - 50% energierendement en 1% koolmonoxide (CO) in het rookgas. Er worden in het 19

kader van de CE momenteel geen eisen gesteld aan de uitstoot van fijn stof. De Nederlandse fabrikanten en onder de NHK ressorterende vakhandelaren hanteren in de regel de Duitse DIN-norm (zie paragraaf 2.3.2) als minimale prestatie-eis.

2.3.2

Buitenlandse normen

In het buitenland is ook gekeken naar het gebruik van houtkachels en welke normering daarvoor gehanteerd zou kunnen worden. Voor dit kennisdocument hebben we de informatie van ons omringende landen beschouwd, alsook de toekomstige Europese producteisen. In België is sinds 2011 een Koninklijk besluit van kracht dat in drie fasen maatregelen invoert. Fase drie is sinds 2016 van kracht. Er worden -afhankelijk van het type toestel- eisen gesteld aan CO, fijnstof en aan het energetisch rendement. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen voorzetkachels, inzetkachels, accumulerende toestellen, pelletkachels, open haarden, ketels en ketel-kachel combinaties. In de praktijk wordt bij nieuwe kachels en ketels de uitstoot beperkt door onder meer optimale en getrapte zuurstofvervoer, naverbranding van de rookgassen en een betere isolatie van de verbrandingskamer. Voor houtkachels geïnstalleerd vóór 2000 geldt een gemiddelde uitstoot van fijn stof (PM10) van 760 g/GJ, voor kachels geïnstalleerd na 2000 geldt een norm van 380 g/GJ, hetgeen overeenkomt met een emissie lager dan 150 mg/Nm3. Nieuwe kachels op vaste brandstof moeten, vóór ze op de markt gebracht worden, gestandaardiseerde laboratoriumtests ondergaan die aangeven of het toestel voldoet aan de wettelijke emissie- en rendementseisen uit het Koninklijk Besluit.

In Vlaanderen is op 22 oktober 2018 een Green Deal 'Huishoudelijke houtverwarming' ondertekend. Doel van de Green Deal is onder meer om de uitstoot van fijn stof door houtkachels tegen 2030 met 50 procent te beperken ten opzichte van 2016. De Green Deal wil op korte termijn zorgen voor een sanering van vervuilende houtstooktoestellen en het verbeteren van het stookgedrag. In Duitsland geldt een DIN-norm (Deutsches Institut für Normung) en een DIN+ norm, die momenteel is opgehangen aan de verordening voor kleine en middelgrote stookinstallaties, (Erste Verordnung zur Durchführung des Bundes-ImmissionsSchutzgesetzes), hierna te noemen: 1.BImSchV. De regelgeving is er op gericht om de emissie van PM10 uit nieuwe en bestaande kachels terug te dringen. In 2010 is de maximum emissie gereduceerd naar 75 mg stof per m3. Vanaf 2015 is dit verder teruggebracht tot 40 mg stof per m3. Ook bestaande kachels worden aangepakt. Kachels uit de periode 1950 - 1975 mogen niet meer worden gestookt tenzij de eigenaren kunnen aantonen dat ze historisch waardevol zijn of niet meer dan 150 mg fijnstof per m3 emitteren. In Duitsland is het wettelijk verplicht om elke 7 jaar minimaal tweemaal een erkende schoorsteenveger te consulteren, waarbij niet alleen bezien wordt of de kachel voldoet, maar ook of de vochtigheid van het opgeslagen hout voldoet aan de randvoorwaarde van een optimale verbranding.

De schoorsteenveger heeft in dit kader een voorlichtende taak ten aanzien

20

van stookgedrag. Overigens wordt ook verlangd dat particuliere toestellen uitgerust worden met een rookfilter of worden ingeruild als een rookfilter niet mogelijk is. Omdat er veel verschillende factoren zijn die een rol spelen bij de vervuiling door houtstook heeft het Bundesamt voor Milieu een speciaal computerprogramma laten ontwikkelen, het programma ‘Biomis‘. Dit programma maakt het mogelijk nauwkeurige berekeningen te maken voor de uitstoot in woonwijken 8. De onderzoekers ontwierpen eerst een theoretisch rekenmodel en toetsten dat aan de praktijk door gedurende de wintermaanden in een woonwijk met een hoog percentage houtkachels metingen te doen. Daarbij werd bijvoorbeeld rekening gehouden met het soort hout, het type kachel en de kwaliteit van de installatie, maar ook met de weersomstandigheden, de buitentemperatuur en het type bebouwing. Ook de verschillende stadia van het verbrandingsproces speelden hierbij een rol, zoals het aanmaken van het houtvuur, het ‘stationair’ branden en het uitbranden. Om de invloed van de bebouwing op de luchtstromingen en de rookgassen te berekenen werd een speciaal stromingsmodel gebruikt, genaamd MISKAM. Meer dan 10.000 verschillende scenario’s zijn op deze wijze door wetenschappers doorgerekend om de effecten van de emissies op de buitenlucht te kunnen beoordelen.

Het onderzoek concentreerde zich op de uitstoot van stikstofoxiden, fijn stof, koolmonoxide, VOC’s (vluchtige koolwaterstoffen inclusief methaan), benzeen, PAK’s en dioxinen. In Frankrijk is sinds 2000 het Flamme Vert programma gestart met zowel emissie-eisen, kwaliteitslabels als een stimuleringsprogramma voor vervanging van oude houtkachels. Houtkachels zijn in het programma ingedeeld in verschillende kwaliteitscategorieën (sterren), zie tabel 2.4. Per 1 januari 2015 worden houtkachels vanaf 5 sterren gestimuleerd met een subsidie van 30%. Per 1 januari 2018 worden alleen houtkachels vanaf 6 sterren en per 1 januari 2020 alleen houtkachels vanaf 7 sterren gestimuleerd. Dan zijn de emissieeisen wat betreft fijnstof vergelijkbaar met die in Duitsland welke nu al van kracht zijn.

8

https://www.umweltbundesamt.de/themen/luft/regelungen-strategien/ausbreitungsmodelle-fueranlagenbezogene#textpart-1

21

Tabel 2.4: Emissie-eisen betreffende houtstook in Frankrijk

Stuk hout (bois bûche)

Pellets (granules)

Classe énergétique 5 *****

Energetisch rendement [%] ≤ 70

CO [%] ≤ 0,30

Fijn stof [mg/Nm3] ≤ 90

6 ******

≤ 75

≤ 0,15

≤ 50

7 *******

≤ 75

≤ 0,12

≤ 40

5 *****

≤ 85

≤ 0,04

≤ 90

6 ******

≤ 86

≤ 0,03

≤ 40

7 *******

≤ 87

≤ 0,02

≤ 30

Europa Vanaf 2022 worden de landelijke producteisen in de lidstaten van de Europese Unie vervangen door de verplichte Ecodesign producteisen. Daarnaast is sinds 2018 het Europese Energielabel van kracht geworden. De Ecodesign Directive (2009/125/EC) vormt een kaderrichtlijn voor het opstellen van Ecodesign eisen (via Europese wetgeving) voor energie gerelateerde apparatuur. Als onderdeel hiervan zijn onder meer Lot15 en Lot 20 producteisen opgesteld voor nieuwe houtkachels en biomassa-gestookte ketels. Beide voorstellen zijn in maart 2015 goedgekeurd door het Europees Parlement, zodat vanaf 2020 en 2022 de eisen uit de Ecodesign Directive in alle EU lidstaten moeten worden toegepast en gehandhaafd. Schematisch ziet dat er voor dit moment en de komende jaren als volgt uit: Tabel 2.5: Eisen uit de Europese Ecodesign Richtlijn

Beschrijving

Min. seizoen rendement

CO [mg/Nm3]

Stof [mg/Nm3]

CxHy [mg/Nm3]

NOx [mg/Nm3]

Vrijstaande houtkachel EN13240

65%

1500

40

120

200

Inbouw/inzet EN13229

65% 1500

40

120

200

Pellet kachel EN14785

79%

300

20

60

200

Accumulerende toestellen, EN15250

65%

1.500

40

120

200

In overleg met de overheid heeft de Stichting Nederlandse haarden en kachelbranche (NHK) voor Nederland tot 2020 tabel 2.6 ontwikkeld. Daarin is het seizoen rendement vervangen door “minimaal rendement bij nominaal vermogen”, een werkwijze die voor de Nederlandse keuringsinstituten op dit moment al wordt toegepast.

22

Tabel 2.6: Door NHK ontwikkelde eisen voor diverse soorten houtkachels

Beschrijving

Minimaal rendement bij nominaal vermogen

Maximum CO mg/Nm3 bij 13% O2

Maximum stof mg/Nm3 bij 13% O2

Maximum CxHy mg/Nm3 bij 13% O2

Maximum NOx mg/Nm3 bij 13% O2

Berekend en gecertificeer d volgens de normen

Vrijstaande houtkachel

75%

1.250

40

120

200

EN13240; EN12619; EN14792

Inbouw/ inzet houtkachel

75%

1.250

40

120

200

EN13229; EN12619; EN14792

Pelletkachel

85%

300

20

60

200

EN14785; EN12619; EN14792

Accumuleren de toestellen

75%

1.250

40

120

200

EN15250; EN12619; EN14792

Deze emissie-eisen zijn voor nieuwe kachels vergelijkbaar met de huidige Duitse emissieeisen. In tegenstelling tot de Duitse en Franse wetgeving wordt met Ecodesign niet gestimuleerd om bestaande stookinrichtingen te vervangen of te verbeteren, terwijl kachels en open haarden lang mee kunnen gaan.

2.4

Overzicht jurisprudentie houtstook particulieren

Er zijn de laatste twee jaar meerdere uitspraken op het gebied van particuliere houtkachels gedaan. Ook zijn twee uitspraken over houtkachels bij bedrijven nader toegelicht. Hieronder volgt een overzicht: ECLI:NL:RVS:2019:2012; Raad van State; 26 juni 2019; zaak 201805926/1/A1 Appellant woont te Well, naast het perceel. Op het perceel staat een woning met meerdere bijgebouwen. In de bijgebouwen staan twee houtkachels, één in de speelruimte en de ander in het kantoor. Appellant stelt overlast te ervaren van het gebruik van de twee houtkachels en heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de overlast. De afstand van de houtkachels tot de woning van appellant bedraagt respectievelijk ongeveer 11 en 22 m. Appellant stelt dat de houtkachels vrijwel elke dag tussen oktober en mei worden gestookt van de ochtend tot het einde van de middag. Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen, omdat tijdens een controle niet is vastgesteld dat sprake is van overmatige hinder. De rechtbank heeft overwogen dat één controle onvoldoende is om vast te kunnen stellen of sprake is van overmatige hinder. Het besluit is daarom vernietigd wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, maar de rechtsgevolgen van het besluit zijn in 23

stand gebleven omdat nadien uit diverse controles niet is gebleken van overmatige hinder. Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat het niet aan het college is om te beoordelen wanneer sprake is van hinder als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Volgens appellant dient het college beleid vast te stellen waarmee wordt gewaarborgd dat er op een objectieve wijze kan worden bepaald of er sprake is van overmatige hinder. Daarbij verwijst hij naar het rapport van Buro Blauw van 24 mei 2017. Buro Blauw concludeert dat de richtwaarde voor een aanvaardbaar hinderniveau van het Gelders geurbeleid op basis van de ingeschatte gegevens wordt overschreden en ernstige overlast voor appellant niet kan worden uitgesloten. De toezichthouder heeft tijdens diverse controles geen rook- of geuroverlast waargenomen op het perceel van appellant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, vloeit uit artikel 7.22 van het Bouwbesluit niet voort wanneer sprake is van overmatige hinder. Het college is niet gehouden om beleid vast te stellen waarin is bepaald wanneer sprake is van overmatige hinder.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college voor de beoordeling of sprake is van overmatige hinder ook niet gehouden was om aansluiting te zoeken bij het Gelders geurbeleid, nu dit beleid geschreven voor bedrijven en daarom niet toepasbaar met betrekking tot het vaststellen van geuroverlast bij particulieren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich, gelet op de uitgevoerde controles, op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake was van overmatige hinder door de houtkachels. Weliswaar kan het door appellant overgelegde rapport van Buro Blauw een aanwijzing zijn dat sprake kan zijn van overmatige hinder, maar dat rapport is, gelet op de hiervoor genoemde controles, onvoldoende voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft geweigerd om handhavend op te treden. Omdat er geen overtreding is geconstateerd, was het college niet bevoegd om handhavend op te treden tegen het gebruik van de houtkachels. ECLI:NL:RBOVE:2019:1349 Rechtbank Overijssel, 5 juni 2019, zaaknummer: AWB 18/2201 De toezichthouder van de gemeente Oldenzaal heeft ongeveer 60 tot 70 controles ter plaatse uitgevoerd. Tijdens deze controles heeft de toezichthouder zich ervan vergewist wat de windrichting op dat moment was.

De toezichthouder heeft in de omgeving rondgefietst en gekeken of hij rook waarnam en of hij iets kon ruiken van het stoken van de houtkachel. Hij heeft zowel geroken in de omgeving als ook geroken pal voor de woningen van eisers en perceel 1. Hij heeft op verschillende tijdstippen gekeken en geroken, ook ’s-nachts. De toezichthouder heeft geconstateerd dat hij geen of nauwelijks verbrandingslucht kon ruiken. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat de (geur)normen in het provinciale geurbeleid betrekking hebben op industriële emissies zodat deze normen niet zonder meer kunnen worden toegepast op een particuliere houtkachel. Verweerder mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat het gebruik dat van de houtkachel niet resulteert in overmatige (geur)hinder. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van dreigende aantasting van de volksgezondheid. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het 24

standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit. ECLI:NL:RBOVE:2019:1564, 9 mei 2019, zaaknummer C/08/231151 / KG ZA 19-91 Het gaat in deze zaak om de vraag of aan gedaagden, particulieren die in een woonwijk wonen en veelvuldig stoken met een houtkachel, een stookverbod moet worden opgelegd, omdat hun stookgedrag onrechtmatige (geur)hinder oplevert voor eisers. Een verbod op houtkachels voor particulieren is voorlopig niet in aantocht. Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW in samenhang met artikel 6:162 BW. Op gedaagden rust de plicht om de veroorzaakte hinder zodanig te beperken dat hierdoor geen -als onrechtmatig te kwalificeren- overlast ontstaat. De feitelijke begrenzing van deze plicht dient te worden bepaald aan de hand van datgene wat -objectief gezien- voor buren in het maatschappelijk verkeer als hinder nog aanvaardbaar is. Bij overschrijding van die grens is sprake van onrechtmatige hinder. In het kader van het handhavingsverzoek dat eisers bij de gemeente hebben ingediend zijn wel veelvuldig controles ter plaatse uitgevoerd door toezichthouders van de gemeente. Het is aannemelijk dat de schoorsteen en rookkanalen van gedaagden aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 voldoen.

Wel is opgevallen dat gedaagden 24 uur per dag stoken en dat gedaagden de kachel voordat zij gaan slapen smoren, waardoor een onvolledige verbranding ontstaat met hinderlijke rook en rookgeur tot gevolg. Het ontbreekt volgens de toezichthouders echter aan wet- en regelgeving op dit punt. De conclusie van de Rechtbank luidt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van onrechtmatige hinder door het stoken met hout door gedaagden. ECLI:NL:RBOVE:2019:1349, 18 april 2019, zaaknummer ak_18_1814 Eiser heeft verweerder verzocht om handhavend op te treden op grond van artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 omdat hij overlast ervaart van een houtkachel. Eiser heeft vermeld dat de overlast eruit bestaat dat hij op de slaapkamer niet fatsoenlijk kan slapen. Tijdens de controles is gebleken dat derde belanghebbende droog en schoon brandhout stookt. De toezichthouder heeft verder geconstateerd dat de houtkachel voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Verweerder heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit op grond waarvan hij handhavend zou moeten optreden. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3295, waarbij nogmaals is overwogen dat geen algemeen aanvaarde inzichten bestaan over de beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie rook afkomstig van het gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om daar in dit geval anders over te oordelen dan de Afdeling reeds meer dan eens heeft gedaan.

25

ECLI:NL:RBAMS:2019:2584; Rechtbank Amsterdam, 10 april 2019, zaak AMS 18/48 De rechtbank is van oordeel dat het advies van de GGD onvoldoende grondslag biedt voor de vaststelling dat sprake is van een overtreding van artikel 7.22, aanhef en onder a, van het Bouwbesluit. Uit het advies volgt dat adviseur slechts eenmaal ter plaatse is geweest. Het waarnemen van rook, en de geur van rook, brengt niet met zich dat reeds daarom sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit. Verweerder heeft in deze zaak geen officiële geurmetingen verricht en evenmin berekeningen uitgevoerd. De bevestiging van de geurhinder door middel van het bezoek van [adviseur] is onvoldoende, omdat in de Toolkit is bepaald dat hiervoor gebruik moet worden gemaakt van gecertificeerde neuzen. Daarbij is in de Toolkit "Houtstook door particulieren, hoe voorkom je overlast" vermeld dat op meerdere momenten moet worden vastgesteld of er geur wordt waargenomen én dat per situatie moet worden afgewogen wanneer sprake is van onaanvaardbare geurhinder (criteria hiervoor kunnen in beleid worden vastgelegd). Een eventuele last kan vervolgens hierop worden toegespitst. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van verweerder in het onderhavige geval al is gestopt bij stap 3a, waardoor in ieder geval al niet kon worden toegekomen aan handhaving van stap 6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=9923c81e-7ae8-4445-b40f-1b694eeda198