Schone Luchtakkoord
Tekst van het document
5. Binnenvaart en havens Inleiding De binnenvaart draagt gemiddeld 7% bij aan de negatieve gezondheidseffecten van luchtvervuiling uit binnenlandse bronnen18. Rondom vaarwegen kan de bijdrage aanmerkelijk hoog zijn. De transitie naar 0-emissie binnenvaart, walstroom en schonere motoren en brandstoffen leveren de belangrijkste gezondheidswinst. Een belangrijk deel van de verbetering van de luchtkwaliteit wordt gerealiseerd door de activiteiten van partijen uit de Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens. Aansluitend op de Verklaring van Mannheim, die op 17 oktober 2018 door de lidstaten van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart is ondertekend, is in de Green Deal 19 het doel vastgelegd om in 2035 de emissies van verontreinigende stoffen met ten minste 35% terug te dringen ten opzichte van 2015. De Green Deal is ondertekend door de ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Defensie en Economische zaken en Klimaat, alsmede door een groot aantal partijen uit het bedrijfsleven, provinciale overheden en de gemeente Nijmegen.
17 18
Interdepartementaal beleidsonderzoek Luchtkwaliteit
In de scheepvaart zijn ook emissies naar de lucht bij het ontgassen van belang. Rijk en decentrale overheden werken hieraan samen in de taskforce varend ontgassen. Het rijk streeft erna varend ontgassen zo snel mogelijk te beëindigen. Vanaf 2020 treedt, conform het aangepaste Scheepsafvalstoffenverdrag, het verbod op varend ontgassen gefaseerd in werking, toewerkend naar een totaalverbod in 2024. 19 Het Schone Lucht Akkoord ondersteunt de doelen van de Green Deal Scheepvaart, partijen ondertekenen het Schone Lucht Akkoord en hiermee niet de Green Deal zeevaart, binnenvaart en havens.
18
De afspraken uit het Schone Lucht Akkoord voor de scheepvaart zijn alleen van toepassing voor de Rijksoverheid en voor gemeenten en provincies met een substantiële scheep- en binnenvaartfaciliteiten binnen hun grondgebied.20 Bij een positieve uitkomst van de pilot spreken partijen af de ontwikkelde aanpak en maatregelen breder toe te passen waarmee een verdere gezondheidswinst mogelijk is. Doel Streven is een reductie van de emissies van verontreinigende stoffen van de binnenvaart van ten minste 35% in 2035 ten opzichte van 2015 te realiseren. Maatregelen: 1. De Rijksoverheid onderzoekt welke vorm van stimulering van walstroom het meest geschikt is (bijvoorbeeld fiscaal of subsidie). Daarbij wordt gekeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de instrumenten. Op basis van deze analyse wordt eind 2019 een politiek besluit genomen over de uiteindelijke vormgeving van de maatregel vanaf 2021.Partijen stellen tot doel om voor alle locaties nabij substantiële bebouwing en hoge blootstelling, walstroomvoorzieningen te realiseren. 2. Waar walstroomvoorzieningen beschikbaar zijn verplichten partijen binnen de grenzen van hun wettelijke mogelijkheden de scheepvaart hiervan gebruik te maken en verbieden zij het gebruik van generatoren/aggregaten. Partijen delen actief de ervaringen en best practices bij de toepassing hiervan.
Partijen streven inzet van gedifferentieerde tarieven/kortingen op het binnenhavengeld ter verduurzaming van de binnenvaart, en streven naar uniformering in de systematiek die wordt gebruikt. 3. Partijen spreken af luchtemissies als belangrijk criterium te hanteren bij de aanbesteding van infrastructurele werkzaamheden (baggeren en onderhoud vaarwegen en havenbekkens), zodat aannemers die dergelijke projecten met lagere emissies realiseren een preferente positie kunnen krijgen. 4. Partijen stappen waar mogelijk over op schepen met elektromotoren als launching customer. 5. Partijen spreken af luchtemissies als belangrijk criterium te hanteren bij de aanbesteding van veerdiensten en vergunningen voor watertaxi’s en nemen waar mogelijk eisen op voor pleziervaart in gebieden met hoge blootstelling 6. De Rijksoverheid zet zich in voor de oprichting van een EU-fonds ter stimulering van schone motoren en waar mogelijk retrofit oplossingen. Inzet is om uiterlijk in 2024 een nieuw Europees sturingsinstrumentarium ontwikkeld te hebben dat het bereiken van de gestelde ambities stimuleert. 7. Gemeenten en provincies met binnenhavens stellen plannen op met het streven naar een duurzame binnenhaven. Daarin wordt onder meer toegewerkt naar een zero-emissie binnenhaven21 in 2035.
Partijen werken daarin onder meer aan walstroomvoorzieningen bij ligplaatsen voor binnenvaart, personenvervoer over water, waar mogelijk pleziervaart en naar zero emissie mobiele werktuigen. Pilot ‘schone havens’ Partijen werken de pilot verder uit vanuit de afspraken die gemaakt zijn in de Declaration of Nijmegen on Clean and Healty Inland Port Cities, Regions and Inland Shipping Sector. Er wordt langs minimaal een corridor gewerkt aan het opbouwen van een 0-emissie infrastructuur waarmee zowel de natte als aan de droge kant op termijn emissieloos of emissiearm kan opereren. Uiterlijk voorjaar 2020 is een plan opgesteld voor de uitvoering van deze pilot. Op 1 januari 2021 wordt de verkennende studie opgeleverd en de realisatie is uiterlijk op 1 januari 2030 gepland.
20
In overleg spreken Partijen af voor wie deelname op basis van de bijdrage van de scheepvaart aan de gezondheidseffecten relevant is. 21 Binnenhavenactiviteiten betrekking hebbende op onder meer de mobiele werktuigen
19
6. Landbouw Inleiding De landbouw draagt 11%22 bij aan de gezondheidseffecten van binnenlandse bronnen. Dit komt enerzijds door secundair fijn stof door de uitstoot van ammoniak en anderzijds door primair fijn stof. Primair fijn stof is vooral afkomstig van de pluimveehouderij. De emissie van ammoniak is vooral afkomstig van stallen en van bemesten. Ammoniak speelt ook een belangrijke rol bij de stikstofdepositie in natuurgebieden. Tot voor kort werd gewerkt aan ammoniakreductie in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Na de uitspraak van de Raad van State over de PAS is duidelijk geworden dat dit beleid moet worden herzien. De Rijksoverheid, provincies en gemeenten werken naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes23 een aanpak uit voor het terugdringen van de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden. Deze aanpak kan, in aanvulling op de maatregelen van het Schone Lucht Akkoord, een substantiële gezondheidswinst opleveren. Concretisering van ammoniakemissiereductiemaatregelen vindt plaats in de kabinetsreacties op de adviezen van de Commissie Remkes over de aanpak van de stikstofproblematiek op de korte termijn, het advies over bemesten en beweiden en het nog op te stellen advies over de lange termijn. Het ministerie van LNV is hiervoor eerstverantwoordelijke.
De afspraken voor de landbouw zijn alleen van toepassing voor de Rijksoverheid en voor overige Partijen met substantiële emissies uit de landbouw binnen hun grondgebied24. Doel Streven is een reductie van de gezondheidseffecten van de emissies van de landbouw van 37%25 in 2030 ten opzichte van 2016 te realiseren. Maatregelen: 1. De Rijksoverheid werkt aan een warme sanering varkenshouderij. De warme sanering varkenshouderij ziet op het op korte termijn verminderen van de geuroverlast door varkensbedrijven in veedichte gebieden door het saneren en beëindigen van locaties of bedrijven die willen stoppen. Hiermee wordt het totaal aantal varkens in Nederland verminderd en daarmee wordt een emissiereductie van ammoniak en fijn stof behaald. Dit zal onder andere worden gerealiseerd door de opkoop en het doorhalen van varkensrechten. Via het Hoofdlijnenakkoord Warme Sanering Varkenshouderij26 hebben provincies en gemeenten zich gecommitteerd aan een effectieve aanpak en uitvoering van dit beleid. 2. De Rijksoverheid heeft in het kader van de verduurzaming van de veehouderij met de verschillende sectoren in de veehouderij27 afspraken gemaakt over een integrale brongerichte reductie van emissies. Zo is met de varkenssector afgesproken om de emissie van ammoniak uit stallen te verminderen met 85%. In 2030 zijn de emissie-reducerende maatregelen in minimaal 60% van de stallen ingevoerd.
Ook de melkveesector werkt naar aanleiding van afspraken uit het Klimaatakkoord en de stikstofaanpak aan de integrale reductie van methaan en ammoniak. Met de pluimveesector zijn afspraken gemaakt over fijn stof. Met deze reeds gemaakte afspraken draagt de landbouwsector bij aan het doel van dit akkoord. 22
Dit aandeel is berekend, conform de huidige methodiek, op gewichtsbasis, als de bijdrage van ammoniak wordt berekend naar rato van de bijdrage aan de vorming van fijnstofmoleculen, dan is dit aandeel groter. 23 Niet alles kan – Eerste advies Adviescollege Stikstofproblematiek 24
In overleg spreken Partijen in de uitvoeringsagenda af voor wie deelname op basis van de bijdrage van de landbouw aan de gezondheidseffecten relevant is. 25 De doorrekening van de gezondheidseffecten van de landbouwsector van het Schone Lucht Akkoord door RIVM laten een gemiddelde afname van 37% zien in 2030 ten opzichte van 2016. 26 Kamerstuk 28973, nr. 200 27
Kamerstuk 28973, nr. 218
20
3. De Rijksoverheid heeft met de sector pluimveehouderij28 afgesproken dat de emissie van fijn stof binnen tien jaar wordt gehalveerd. De sector neemt haar verantwoordelijkheid voor haar aandeel in de productie van fijn stof (PM10), om toe te werken naar het niet-overschrijden van de advieswaarden van de WHO. De kern hiervan is een generieke aanpak, aangevuld met een specifieke gebiedsgerichte aanpak in de zogenaamde ‘hotspots’, waar de fijn stofuitstoot het hoogst is. In die gebieden worden extra maatregelen genomen om in bestaande stallen de emissies verder te reduceren. Mocht blijken dat het plan niet uitvoerbaar is of onvoldoende effect heeft, dan zal een generieke reductie-eis wettelijk worden vastgelegd. 4. Het Besluit emissiearme huisvesting stelt emissie-eisen voor ammoniak en fijn stof aan stallen. Deze emissie-eisen worden periodiek aangescherpt. De Rijksoverheid werkt aan een voorstel om ook emissie-eisen te stellen aan biologisch gehouden pluimvee en varkens en de huidige uitzondering hiervoor te laten vervallen. 5. De Rijksoverheid verkent in samenwerking met provincies en gemeenten hoe de effectiviteit van eisen aan emissiearme stallen kunnen worden versterkt. Het gaat dan met name om de goede werking van luchtwassers en de uitvoering en gebruik van emissiearme vloeren bij melkrundvee.
Gemeenten en provincies nemen maatregelen om, waar nodig, het toezicht en handhaving te versterken. De Rijksoverheid ondersteunt gemeenten en provincies hierbij. 6. De Rijksoverheid streeft ernaar begin 2020 een subsidieregeling open te stellen voor integraal duurzame en emissiearme stal- en managementmaatregelen. Deze regeling is zowel gericht op innovatie- en pilotprojecten als op investeringsprojecten van voorlopers (first movers) voor brongerichte integrale emissiebeperkende maatregelen. Daarnaast onderzoekt het Rijk op korte termijn de mogelijkheden voor experimenteerruimte waarmee de toepassing van innovaties en nieuwe emissiebeperkende maatregelen op een verantwoorde wijze kan worden versneld. 7. De Rijksoverheid faciliteert onderzoek naar het inzetten van meetsensoren voor het feitelijk meten van emissies op de locatie van de veehouderij. De Rijksoverheid gaat na hoe de inzet van meetsensoren in wet- en regelgeving kan worden verankerd en hoe dit bijdraagt aan de reductie van emissies. Pilot Landbouw emissiereductie De Rijksoverheid verkent in 2020 samen met geïnteresseerde lokale overheden de mogelijkheden voor het reduceren van emissies bij veehouderijen. Deze dient als voorbeeld dat herhaalbaar is in andere regio’s. De pilot richt zich op het reduceren van emissies van fijn stof, ammoniak en (vanwege de gewenste integraliteit) geur vanuit de veehouderij.
De pilot bestaat uit een aantal onderdelen, waarbij de insteek is om zowel voor de korte termijn (huidige wetgeving) als voor de iets langere termijn (Omgevingswet) een kader te bieden vanuit het lokale bevoegd gezag voor emissiereductie op veehouderijbedrijven. De pilot bestaat uit drie onderdelen, te weten: 1. beter benutten bestaande technieken en verbeteren toezicht emissiearme stallen (korte termijn); 2. een experiment onder de Crisis en herstelwet (CHW) ten behoeve van de aanpak van bestaande situaties (korte termijn); 3. En een bouwsteen-aanpak via Omgevingsplan (lange termijn). Beter benutten bestaande technieken en verbeteren toezicht emissiearme stallen (korte termijn) De Rijksoverheid werkt samen met provincies, gemeenten en sector aan kennisoverdracht over emissie-reducerende technieken bij de ondernemer, de agrarisch adviseurs, toezichthouders en vergunningverleners. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de belangen van de ondernemer (positieve neveneffecten) en wordt gekeken naar de mogelijkheden om leveranciers van de technieken te betrekken. Ook het verbeteren van toezicht en handhaving door het bevoegd gezag is onderdeel van deze actie. De Rijksoverheid onderzoekt op basis van nieuwe technieken die
28
21
Kamerstuk 28973, nr. 218
beschikbaar zijn gekomen of emissie-eisen voor ammoniak en fijn stof aan stallen kunnen worden aangescherpt. CHW-experiment aanpak bestaande situaties (korte termijn) Provincies en gemeenten hebben in 2019 een aanvraag voor een CHW-experiment ingediend. De Rijksoverheid faciliteert. Met dit CHW-experiment krijgen gemeenten onder andere meer mogelijkheden om emissiereductie uit (bestaande) stallen te realiseren. Het gaat om de reductie van de emissie van geur, ammoniak en fijn stof. Ook wordt met een CHW-experiment voor innovatie het kunnen toepassen van innovatieve systemen of technieken versneld. Bouwsteen-aanpak via Omgevingsplan (lange termijn) De Rijksoverheid werkt samen met een aantal provincies en gemeenten aan een aanpak voor het vormgeven van beleid onder de Omgevingswet. Mede op basis van de ervaringen in de korte termijn aanpak, wordt een bouwsteen voor emissiereductie in het omgevingsbeleid ontwikkeld. Hierbij wordt invulling aan de verschillende instrumenten die de Omgevingswet biedt. Zoals het vastleggen van ambities in de omgevingsvisie, het opstellen van een programma en het verankeren van regels in het omgevingsplan. Dit als voorbeeld voor andere gemeenten/regio’s.
7. Internationaal luchtbeleid Ongeveer de helft van de Nederlandse gezondheidseffecten door luchtverontreiniging is afkomstig van buitenlandse emissies. Ambitieus internationaal beleid is noodzakelijk om ook in het buitenland de emissies te laten dalen29. Het gaat daarbij om Europees bronbeleid voor emissies van voertuigen, schepen, mobiele werktuigen, industrie en landbouw en om luchtkwaliteitsbeleid. Dit loopt voornamelijk via de Rijksoverheid, maar gemeenten en provincies hebben mogelijkheden via Europese samenwerkingsverbanden en instituties. Doel Streven is een sterke afname van de gezondheidsimpact afkomstig uit buitenlandse emissies van fijn stof en NOx en een aanscherping van Europees bronbeleid voor het wegverkeer, de industrie, scheepvaart, mobiele werktuigen, landbouw en huishoudens. Maatregelen 1. Partijen streven, binnen hun mogelijkheden en in hun eigen netwerken naar ambitieus internationaal luchtbeleid gericht op aanscherping van de Richtlijn luchtkwaliteit en met name die van PM2.5. Daarbij streeft de Rijksoverheid naar grotere kosteneffectiviteit door ook internationaal meer op gezondheidswinst en minder op grenswaarden en hotspots te normeren. De Rijksoverheid brengt de ambitie voor internationale luchtbeleid actief in bij Europese besluitvorming en werkt actief met coalities van andere lidstaten samen om dit te realiseren.
Daartoe organiseert de Rijksoverheid in het voorjaar van 2020 een Schone Lucht Dialoog met de Europese Commissie. Het belang van ambitieus luchtbeleid voor gemeenten en provincies die deelnamen aan het Schone Lucht Akkoord wordt daarbij gepresenteerd. Om dat te bereiken, zal de Nederlandse aanpak worden besproken in het kader van de VN-ECE Verdrag inzake langeafstanden grensoverschrijdende luchtverontreiniging (LRTAP) en meer specifiek in het Expert Panel on Clean Air in Cities en de Taskforce Health onder hetzelfde Verdrag. 2. De Rijksoverheid zet actief in op ambitieus Europees bronbeleid waaronder aanscherping van de Richtlijn industriële emissies en BBT-conclusies, van de emissie-eisen en de effectiviteit in de praktijk voor het wegverkeer, mobiele werktuigen en binnenvaart, voor houtkachels, landbouw en duurzame inkoop. Waar mogelijk en kansrijk betrekt de Rijksoverheid hier andere partijen uit het akkoord. De inzet wordt afgestemd met andere duurzaamheidsdoelen zoals
29
Ook is de regering via de motie van Eijs en Dik-Faber verzocht om een internationale schoneluchtsamenwerking op te zetten met omringende landen. Kamerstuk 30175, nr. 300
22
klimaatdoelen en transitieagenda’s en beleid voor verduurzaming van de landbouw en veehouderij. 3. De Rijksoverheid zet actief in op aanscherping van emissie-eisen voor de internationale scheepvaart in Europees en mondiaal verband via de International Maritime Organisation (IMO). Streven is daarbij om de Noordzee tot NECA gebied te maken waardoor de emissies naar de lucht sterk kunnen afnemen. 4. Partijen verkennen de mogelijkheden om effectiever gebruik te maken van internationale regelingen en innovatiefondsen voor het versneld terugdringen van de emissies en ter ondersteuning van effectief luchtbeleid.
8. Participatie Inleiding Participatietrajecten kunnen ervoor zorgen dat de samenleving meer kennis heeft en zich meer bewust is van de oorzaken en gevolgen van slechte luchtkwaliteit. Maatregelen en goede voorbeelden vanuit de samenleving kunnen een stimulans geven aan meer mensen om actief mee te doen. Een open participatieproces kan de kans op begrip en draagvlak voor deze maatregelen vergroten. Voor een complex vraagstuk als luchtkwaliteit is samenwerking tussen overheid, bewoners, bedrijven en organisaties een randvoorwaarde voor succes. Doelstelling is daarom dat alle partijen ook kunnen zien en weten wat hun rol in het geheel is. De overheid zal een samenwerkingspartner moeten zijn die met alle partijen samenwerkt en die de partijen ruimte geeft. Wanneer de overheid en burgers elkaars perspectieven en beleving kennen en respecteren, zal dit er uiteindelijk voor zorgen dat het overheidsbeleid (en de hieruit voortvloeiende maatregelen) beter aansluiten bij de praktijk en ook beter of eerder effect sorteert. In de samenwerking tussen overheid en samenleving is er ook ruimte voor het bereiken van nieuwe inzichten en innovatieve en alternatieve oplossingen. Maatregelen: 1. Alle Partijen nemen deel aan de totstandkoming van een landelijke ‘jongerentop’.
Het resultaat wordt aangeboden aan de minister voor Milieu en Wonen, gedeputeerden van de Provincies en wethouders van de Gemeenten. Partijen onderzoeken op welke wijze de adviezen kunnen worden meegenomen in de uitvoeringsagenda van het Schone Lucht Akkoord en nemen deze vervolgens op in de afspraken en monitoring. 2. Alle Partijen informeren inwoners en bedrijven actief over luchtkwaliteit en gezondheidseffecten, de maatregelen die zij nemen om gezondheidswinst te realiseren en de mogelijkheden voor citizens science. 3. Partijen die actief aan de slag gaan met citizens science werken samen aan het versterken van het kennisnetwerk rond citizens science. Doel is om meer mensen in gelegenheid te stellen de luchtkwaliteit in de omgeving te meten en een kwaliteitsslag in de voorlichting over zelf lucht metingen uitvoeren te realiseren. Onder leiding van het RIVM wordt minimaal tweejaarlijks een luchtkwaliteitdag georganiseerd waarbij gemeenten en andere initiatiefnemers van burgermeetnetten kennis en ervaring kunnen uitwisselen en nieuwe kennis kunnen opdoen. Dit in nauwe samenhang met de hieronder genoemde pilot waarin wordt geëxperimenteerd met het gebruik van sensormeetgegevens in het landelijk meetnet luchtkwaliteit.
Pilot Participatie De Rijksoverheid stelt in samenwerking met RIVM meetstations uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit ter beschikking aan gemeenten en/of provincies die deelnemen aan de Pilot. Deze meetstations zijn eigendom van het RIVM en RIVM zorgt voor het onderhoud en beheer. In sommige gevallen kan worden overwogen om een extra meetstation bij te plaatsen of, in overleg, een station van een ander meetnet in de pilot te betrekken. Burgers en bedrijven kunnen rondom
23
het meetstation (satelliet)sensoren plaatsen om lokaal de luchtkwaliteit te meten. Het RIVM ontwikkelt een (web)platform om de gegevens uit te kunnen wisselen met de gegevens van het Landelijk Meetnet. In de pilot wordt onderzocht op welke manier op een bestendige manier betrouwbare informatie kan worden gegenereerd waarbij zowel burgers, decentrale overheden als de Rijksoverheid relevante informatie over de luchtkwaliteit uitwisselen. De deelnemende gemeenten dragen bij in de kosten van het plaatsen en beheer van het station en de sensoren.
24
Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend,
de Minister voor Milieu en Wonen,
.............................................................................................................................. Mevrouw S. van Veldhoven-van der Meer
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Drenthe,
.............................................................................................................................. De heer T. Stelpstra
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Flevoland,
.............................................................................................................................. Mevrouw C.W. Smelik
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Gelderland,
.............................................................................................................................. De heer J. van der Meer
25
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Noord-Brabant,
.............................................................................................................................. De heer H.J. Grashoff
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Noord-Holland,
.............................................................................................................................. De heer E. Stigter
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Overijssel,
.............................................................................................................................. De heer T.A. de Bree
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Utrecht,
.............................................................................................................................. De heer R.G.H. van Muilekom
26
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Zeeland,
.............................................................................................................................. De heer B.L.L. van der Velde
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Zuid-Holland,
.............................................................................................................................. Mevrouw A.W. Bom-Lemstra
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Alblasserdam,
.............................................................................................................................. De heer A. Kraijo
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Alphen aan de Rijn,
..............................................................................................................................
27
De heer L. Maat
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Amersfoort,
.............................................................................................................................. De heer J.C. Buijtelaar
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Amsterdam,
.............................................................................................................................. Mevrouw G.A.M. van Doorninck
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Arnhem,
.............................................................................................................................. Mevrouw C. Bouwkamp
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
28
de gemeente Bernheze,
.............................................................................................................................. De heer M.A.W.J.M. Wijdeven
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Beverwijk,
.............................................................................................................................. De heer H. Erol
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
.............................................................................................................................. De heer J.L. van den Heuvel
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Breda,
.............................................................................................................................. De heer P.J.L.M. de Beer
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
29
de gemeente Delft,
.............................................................................................................................. De heer S. Brandligt
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Den Haag,
.............................................................................................................................. Mevrouw L. van Tongeren
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Deventer,
.............................................................................................................................. De heer C.J. Verhaar
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Dordrecht,
.............................................................................................................................. De heer H. van der Linden
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
30
de gemeente Ede,
.............................................................................................................................. Mevrouw D.W. Vreugdenhil
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Gouda,
.............................................................................................................................. Mevrouw H. Niezen
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Haarlem,
.............................................................................................................................. De heer R. Berkhout
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Heemskerk,
.............................................................................................................................. De heer Q.J.A. Rijke
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
31
de gemeente Helmond,
.............................................................................................................................. Mevrouw A. Maas
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht,
.............................................................................................................................. De heer R.J. Lafleur
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente ‘s-Hertogenbosch,
.............................................................................................................................. De heer M.J.J. van der Geld
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Hoeksche Waard,
.............................................................................................................................. De heer P.J. van Leenen
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
32
de gemeente Krimpenerwaard,
.............................................................................................................................. De heer A. Bening
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Leiden,
.............................................................................................................................. De heer A. North
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Nederweert,
.............................................................................................................................. De heer F.D.J. Voss
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Nijmegen,
.............................................................................................................................. Mevrouw H. Tiemens
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
33
de gemeente Papendrecht,
.............................................................................................................................. De heer A.M.J.M. Janssen
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Pijnacker-Nootdorp,
.............................................................................................................................. De heer F.J.M. van Kuppeveld
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Rotterdam,
.............................................................................................................................. De heer A. Bonte
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Schiedam,
.............................................................................................................................. De heer J.W. Ooijevaar
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
34
de gemeente Tilburg,
.............................................................................................................................. De heer O. Dusschooten
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Uitgeest,
.............................................................................................................................. De heer J. Brouwer
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Utrecht,
.............................................................................................................................. De heer E. Eerenberg
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Velsen,
.............................................................................................................................. De heer S. Dinjens
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
35
de gemeente Waddinxveen,
.............................................................................................................................. Mevrouw G. Atzema
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Zaanstad,
.............................................................................................................................. De heer W. Breunesse
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Zuidplas,
.............................................................................................................................. De heer J.W. Schuurman
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
36
Bijlage II. Nieuwe partijen
37