S22 318 antwoord vragen CU De Winterrapportage (22.103).docx
Tekst van het document
Antwoord op technische vragen van ChristenUnie over De Winterrapportage (22.103), agendapunt 5, Raadsvergadering 20 december 2022 Datum vraag: 16-12-2022 Indiener: Auke de Vries Nummer: S22/318 Datum antwoord: 5 januari 2023 Het is niet noodzakelijk deze vragen voor dinsdag 20 december 2022 te beantwoorden. Aanleiding: Op 6 december is de winterrapportage besproken in de voorbereidende vergadering. In het sociaal domein zijn enkele afwijkingen, zowel voordeling als nadelig. Onze vragen gaan over de nadelige gevolgen voor de Jeugdzorg en WMO. Vraag 1: Het college was/is voornemens om te werken aan afbouw van ‘verblijf’ binnen de jeugdzorg. In de winterrapportage staat dat er een toename van ‘verblijf’ is. Wat maakt dat het nog niet is gelukt om ‘verblijf’ af te bouwen? Verwacht het college dat dit in de toekomst wel gaat lukken? Wat betekent deze verwachting voor de begroting? Antwoord: Er zijn een aantal zeer intensieve casussen met jeugdhulp verblijf gestart gedurende het jaar. De financiële consequenties daarvan hebben we geconstateerd en gemeld in de winterrapportage. Een enkele casus verblijf met hoge uitgaven, heeft een direct effect op de budgetten. Binnen 2022 zien we inderdaad een lichte stijging van het aantal clienttrajecten met verblijf ten op zichtte van 2021. Dit aantal ligt nog wel lager dan in de jaren 2019 en 2020.
Wat dat betreft is er dus sprake van een afname – in plaats van stijging - van cliënttrajecten met verblijf in de afgelopen jaren. De inspanningen van de gemeente Rheden blijven er op gericht om jeugdhulp met verblijf te verminderen. Wat betreft de begroting zal dit effect moeten sorteren in lagere uitgaven voor jeugdhulp met verblijf. Daarentegen is de verwachting dat er wel een stijging komt in de uitgaven voor (intensieve) ambulante hulpverlening (als substitutie van verblijf). Op dit moment is nog niet te bepalen hoe dat in de toekomst in de begroting gaat doorwerken. Vraag 2: In de winterrapportage staat genoemd dat we (binnen de jeugdzorg) te maken hebben gekregen met enkele kostbare casussen’. Vallen deze kostbare casussen binnen of buiten de Lumpsum-afspraken (LA)? Als de kostbare casussen buiten de LA vallen, is hier dan sprake van een ‘maatwerkconstructie’ met een niet door de gemeente Rheden gecontracteerde zorgaanbieder? Zijn deze kostbare casussen incidenteel of verwacht het college dat dit in de toekomst vaker gaat gebeuren en wat betekent dit voor de begroting? Antwoord: We hebben geconstateerd dat er een aantal casussen gedurende 2022 zijn gestart met hoge uitgaven. Het gaat hierbij met name om casussen met jeugdhulp verblijf gecombineerd met hoge intensiteit van begeleiding en/of behandeling. Deze casussen vallen buiten de lumpsum-afspraken.
In het algemeen verblijven deze jeugdigen bij regionaal dan wel landelijk gecontracteerde zorgaanbieders. In een enkel geval hebben we een ‘cliëntgebonden overeenkomst’ afgesloten met een ‘niet-gecontracteerde’ zorgaanbieder, omdat de zorg elders in het land geboden wordt. Aan de ene kant gaat het om incidentele individuele casuïstiek die op de gehele populatie gezien weinig voorkomt. Aan de andere kant zien we de ontwikkeling van transformatie van zware verblijfsvormen zoals de gesloten jeugdzorg en driemilieu-voorzieningen naar kleinere groepen en dus hogere tarieven per kind. Of dit ook effect heeft op de begroting is nog niet direct te bepalen, omdat dit ook afhankelijk is van de instroom en duur van het verblijf.
Vraag 3: Het personeelsbudget voor WMO en Jeugdzorg wordt met €120.000,- overschreden. Waar komt dit door? Wat is de verwachting voor de toekomst en is er structureel meer FTE nodig? Antwoord: In verband met beperkte vaste formatie en de grote werkdruk zijn er extra (inhuur)medewerkers ingezet bij zowel de afdeling Wmo als Jeugd. Wij onderzoeken de noodzakelijke capaciteit voor de uitvoering van Wmo en jeugdzorg. Mogelijk dat op basis van dit onderzoek aanvullende capaciteit wordt aangevraagd.