Reactie inspraakbijdrage SBVL
Tekst van het document
Het college heeft kennisgenomen van de inspraakreactie van Stichting Behoud Veluwsch Landschap en dankt de stichting voor haar betrokkenheid bij dit onderwerp. Hieronder wordt ingegaan op de door de stichting aangevoerde punten. 1. Referentiesituatie De stichting stelt dat geen sprake zou zijn van een geldige referentiesituatie en dat om die reden interne saldering en vergunningverlening op grond van de natuurwetgeving niet mogelijk zouden zijn. Het college merkt hierover het volgende op. In de passende beoordeling is aangesloten bij de planologisch toegestane situatie op grond van het bestemmingsplan Landelijk Gebied. Daarbij is uitgegaan van een representatieve invulling van deze planologische mogelijkheden. Deze referentiesituatie vormt de basis voor de beoordeling van de stikstofeffecten. De provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor de natuurvergunning en heeft de passende beoordeling beoordeeld in het ontwerpbesluit. Daarin is geconcludeerd dat het project, met toepassing van intern salderen overeenkomstig de Gelderse beleidsregels, leidt tot een substantiële afname van stikstofdepositie (ten minste 35%) en geen significante negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Veluwe.
De beoordeling of aan de vereisten voor vergunningverlening op grond van de natuurwetgeving wordt voldaan, vindt plaats in de provinciale vergunningprocedure. Voor de gemeenteraad ligt thans de vraag voor of het initiatief vanuit ruimtelijk perspectief aanvaardbaar is en of een verklaring van geen bedenkingen kan worden afgegeven. 2. Recreatiezoneringsplan Veluwe De stichting stelt dat het projectgebied onjuist is aangemerkt binnen de recreatiezonering van de Veluwe. Daarnaast stelt de stichting dat de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte rekening houdt met de toekomstige uitvoering van het Masterplan Veluwezoom en dat het masterplan geen koppeling legt met de ontwikkeling van Buitenplaats Beekhuizen. Het college constateert het volgende. De recreatiezonering Veluwe betreft een provinciaal beleidskader dat richting geeft aan de gewenste ontwikkeling van recreatie in het gebied. Volgens deze zoneringskaart ligt het projectgebied binnen zone A (intensief recreatief medegebruik), waar recreatieve ontwikkelingen in beginsel mogelijk zijn. Buitenplaats Beekhuizen betreft bovendien een bestaand verblijfsrecreatieterrein dat reeds langere tijd op deze locatie aanwezig is. Het initiatief ziet niet op de aanleg van
een nieuw recreatiegebied, maar op de herontwikkeling en kwaliteitsverbetering van een bestaand terrein. Gelet hierop is het college van oordeel dat het initiatief niet in strijd is met de uitgangspunten van het provinciale recreatiebeleid en dat de ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is. Het Masterplan Veluwezoom is een strategisch beleidsdocument dat richting geeft aan de gewenste ontwikkeling van het gebied. Het masterplan bevat echter geen rechtstreeks bindende planologische regels voor individuele initiatieven. Het feit dat een ontwikkeling niet expliciet in het masterplan is benoemd betekent daarom niet dat deze planologisch niet mogelijk zou zijn. Het initiatief wordt beoordeeld op basis van een integrale ruimtelijke afweging. 3. Schaalgrootte De stichting stelt dat het begrip “kleinschalig kamperen” in de ruimtelijke onderbouwing onjuist wordt toegepast en dat de ontwikkeling daarom moet worden aangemerkt als een regulier recreatiepark van te grote schaal. Het college merkt hierover het volgende op. De stichting verwijst naar begrippen uit de voormalige Wet op de openluchtrecreatie. Deze wet is reeds geruime tijd vervallen en vormt geen relevant juridisch toetsingskader voor de beoordeling van het initiatief.
In de ruimtelijke onderbouwing wordt de term “kleinschalig vakantieconcept” gebruikt als beschrijving van het recreatieve concept en de beoogde kwaliteitsverbetering van het terrein. Dit begrip heeft geen zelfstandige juridische betekenis voor de planologische beoordeling van het initiatief. 4. Tijdelijke vergunningen De stichting stelt dat de ontwikkeling sinds 2016 mogelijk is gemaakt met tijdelijke vergunningen en dat destijds al een natuurvergunning en raadsbesluit hadden moeten worden genomen. Het college merkt hierover op dat eerdere tijdelijke vergunningen zijn verleend binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. De beoordeling die nu voorligt betreft het huidige initiatief en de vraag of daarvoor een planologische basis kan worden gelegd. Dat eerdere tijdelijke vergunningen zijn verleend staat een dergelijke beoordeling niet in de weg. 5. Externe gasten De stichting stelt dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte zou zijn aangenomen dat het restaurant uitsluitend wordt gebruikt door gasten van het recreatieterrein en dat geen rekening zou zijn gehouden met externe bezoekers. Het college merkt hierover op dat de effecten van het restaurant, waaronder verkeersbewegingen, zijn betrokken bij de onderzoeken die aan het besluit ten
grondslag liggen. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd met de daarvoor geldende methoden en rekenmodellen. Het college ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de referentiesituatie onjuist is vastgesteld. 6. Parkeren De stichting stelt dat het gebruik van de openbare parkeerplaats Beekhuizen in combinatie met de Buitenplaats niet verdedigbaar zou zijn en dat dit dubbelgebruik niet tot de referentiesituatie behoort. Het college merkt hierover op dat de betreffende parkeerplaats een bestaande openbare voorziening betreft die al langere tijd wordt gebruikt door bezoekers van het gebied. Het gebruik van deze parkeerplaats door verschillende bezoekersgroepen op verschillende momenten van de dag is niet ongebruikelijk en vormt op zichzelf geen ruimtelijk of planologisch beletsel voor het initiatief. De inspraakreactie geeft het college geen aanleiding om het voorstel aan de raad aan te passen.