Rapportage Transitievisie Warmte gemeente Rheden
Tekst van het document
TRANSITIEVISIE WARMTE GEMEENTE RHEDEN
RAPPORTAGE
Transitievisie Warmte gemeente Rheden
Opdrachtgever:
Arthur Hofstad
Organisatie:
Gemeente Rheden
Datum:
17-07-2020
Contactpersoon:
Jules Gielen
Telefoon:
+31 623922624
E-mail:
j.gielen@hetenergiebureau.nl
Website:
www.hetenergiebureau.nl
E-mail:
info@hetenergiebureau.nl
Postadres:
Postbus 6252 5600 HG Eindhoven
Bezoekadres:
Frederiklaan 10E 5616 NH BA Eindhoven Pollartstraat 19 6041 GC Roermond
KvK-nummer:
17212433
1
LEESWIJZER In bijlage 1 is een lijst van begrippen en afkortingen opgenomen. In de rapportage worden veelal afkortingen gebruikt om de tekst leesbaar te houden. In bijlage 1 kunt u de betekenis van deze afkortingen vinden. De rapportage bestaat in de basis uit een samenvatting van de uitgangspunten, het proces en de uitkomsten van de Transitievisie Warmte voor de gemeente Rheden. In de bijlage zijn de analyses en de (technische) achtergrondinformatie opgenomen.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
2
SAMENVATTING De gemeente Rheden wordt aardgasvrij. Dat is geen proces dat van vandaag op morgen lukt, maar stapsgewijs gaan we naar dat doel toebouwen. Om de transitie haalbaar, betaalbaar en zo logisch mogelijk te laten verlopen hebben we een planning opgesteld. Hierin geven we richting voor hoe, en in welke volgorde de verschillende buurten aardgasvrij worden. Voor deze transitie staat de gemeente niet alleen, maar samen met de inwoners en andere belangrijke stakeholders gaan we hiermee aan de slag. Deze transitievisie warmte (TVW), die is opgesteld in samenwerking tussen de gemeente en de georganiseerde stakeholders, geeft richting aan de warmtetransitie. De opgave die voor ons ligt is groot. In de komende tijd moeten er alternatieven gevonden worden voor bijna 40 miljoen kubieke meter aan aardgas die op dit moment nog wordt ingezet voor het verwarmen van woningen en utiliteitsbouw. Uitgangspunten voor de transitie In samenwerking met de stakeholders hebben we de uitgangspunten voor de transitie bepaald. Daarbij is uiteraard gekeken naar de kosten voor een oplossing en de technische geschiktheid van de woningen maar is vooral het inspelen op koppelkansen belangrijk gebleken. Daarnaast is gekeken naar: de aanwezigheid van bronnen, aanwezigheid van lokaal initiatief, het aandeel van de corporaties en de mate van besparing die te behalen is in een buurt.
Globale planning De opgave is groot en niet alles kan tegelijk. Op basis van de gezamenlijk vastgestelde uitgangspunten en een uitgebreide analyse van zowel lokale als nationale data hebben we gezocht naar de buurten die het best scoorden op deze criteria. Op basis daarvan hebben we een globale planning gemaakt voor de gemeente Rheden.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
3
Aanpak Uiteindelijk moet de Transitievisie Warmte een uitvoerbare en realistische visie zijn waarbij de burger uitermate goed betrokken wordt. De gebouwen kunnen technisch nog zo geschikt zijn om aardgasloos te worden, wanneer de burger niet wil of niet kan, zal er niets gebeuren. We zetten daarom in op een kleinschalige en gebiedsgerichte aanpak om deze vervolgens uit te gaan breiden. We houden niet noodzakelijk vast aan de CBS-buurtgrenzen maar gaan op zoek naar logische clusters. Het neerzetten van 1 techniek, één jaartal en een organisatie voor een hele buurt heeft in tal van gemeenten geleid tot veel weerstand en het verliezen van draagvlak. De TVW is daarom al schetsmatig op straatniveau uitgewerkt waardoor de visie uitstekend aansluit op de vervolgstappen (o.a. Uitvoeringsplannen). De analyse is erop gericht om het draagvlak en de participatie voorop te stellen en met een spectrum aan technieken te werken naar voldoende kritische massa1. Daarbij is de eerste stap het nemen van no-regret maatregelen. In de praktijk komt dit vaak neer op het isoleren van de gebouwen. Op het moment dat er in een gebied een bepaalde kritische massa bereikt is, kan de laatste stap naar aardgasvrij gezet worden. Het is daarbij belangrijk om te zoeken naar koppelkansen en natuurlijke momenten.
Daarom betrekken we in een vroeg stadium de stakeholders zodat we gezamenlijk kunnen bouwen aan een breed gedragen en passende visie. Isoleren, Isoleren, Isoleren. Alle energie die niet gebruikt wordt, hoeft ook niet bespaard te worden. Voor veel duurzame alternatieven is een bepaald niveau van isolatie wenselijk en het is daarom aan te bevelen om de schil van een woning aan te pakken. Door de inwoners voor te lichten over de mogelijkheden en de voordelen van isolatie (verhoogd comfort, lagere energierekening) kan een eerste stap gemaakt worden in de warmtetransitie. Mogelijk daarbij is het opstellen van een isolatieadvies aan de inwoners/pandeigenaren. Startbuurten & alternatieve warmtevoorzieningen Globaal gezien zijn er drie alternatieve warmtevoorzieningen. All-electric oplossingen zoals de welbekende warmtepomp, collectieve systemen zoals een warmtenet en hernieuwbaar gas zoals groen gas of biogas. Binnen de verdiepende analyse zijn er drie oplossingsrichtingen bepaald. Een collectief systeem op basis van lage temperatuur (LT), een back-up alternatief op basis van all-electric systemen en een collectief systeem op basis van hoge temperatuur (HT) warmte. Op basis van de analyse zijn er clusters van woningen geselecteerd die geschikt lijken voor één of meerdere van deze oplossingsrichtingen (zie figuur 1).
1
Een bepaalde kritische massa is bijvoorbeeld een bepaald volume aan aantal woningen die op lage temperatuur
kunnen functioneren. TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
4
All-electric
Collectieve systemen
Hernieuwbaar gas
Uit de analyse komt naar voren dat de buurten: Dieren-noord boven spoorlijn, Rheden en Velp-zuid beneden spoorlijn het meest geschikt zijn om de transitie te starten. In deze buurten zijn een aantal kansrijke warmtebronnen aanwezig (o.a. TEO en ruimte voor zonthermie/zonnepanelen voor het opwekken van elektriciteit). Dit betekent niet dat deze buurten in z’n geheel in één keer aangepakt worden. De eerste stappen richting logische en kleinschalige gebieden zijn reeds gezet. In figuur 1 zijn de clusters weergegeven. Dit betekent dat binnen de genoemde buurten in bepaalde gebieden gestart gaat worden en dat andere gebieden nog even buiten beschouwing blijven. Hoe deze gebieden er precies uitzien moet in de Uitvoeringsplannen onderzocht worden. Vervolgstappen na de Transitievisie Warmte 2040 lijkt nog ver weg maar er moet ook veel gebeuren. Daarom is het van belang om op korte termijn te starten met de eerste stappen. Uit de planning blijkt dat er direct gestart moet worden met het opstellen van de uitvoeringsplannen voor de top-buurten. In die plannen wordt verder uitgewerkt hoe en waar de transitie daadwerkelijk in de 3 gekozen buurten gaat starten. Daarnaast kan er in de gehele gemeente gestart worden met het isoleren van de woningen. Immers: alle energie die niet gebruikt wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden.
Daarbij ligt er op dit moment een belangrijke rol voor de gemeente, namelijk het informeren van de inwoners en het organiseren van de participatie. Dat zijn trajecten die tijdens de gehele transitie van belang blijven. Alle aspecten van deze aanpak zijn erop gericht om de transitie haalbaar, betaalbaar en realistisch te maken. Door de verschillende keuzes in deze visie, geven we richting aan de transitie maar zijn de keuzes nog niet in beton gegoten. Het is zaak dat de transitie in samenwerking met alle stakeholders verder vormgegeven wordt en dat de groep betrokkenen steeds blijft groeien.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
5
Figuur 1: Boven: voorkeursalternatieven, links beneden: back-up alternatieven, rechts beneden: HT-alternatieven. Blauw: LT/MT collectief, paars: all-electric, rood: HT collectief, oranje: aansluiten bij omringende alternatieven/innovatie
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
6
1
INLEIDING
Nederland is een van de ondertekenaars van het Klimaatakkoord van Parijs. Het klimaatakkoord is onderdeel van het VN-klimaatverdrag en moet wereldwijd gaan zorgen voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen om opwarming van de aarde tegen te gaan.
CO2 is één van de
belangrijkste broeikasgassen en komt vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen. Aardgas is een fossiele brandstof en momenteel de belangrijkste warmtebron voor ruimteverwarming in ons land. In het landelijke Klimaatakkoord worden de doelstellingen uit het Parijs-akkoord vertaald naar concretere afspraken op verschillende uitvoeringsniveaus. Een van de afspraken is het opstellen van een Transitievisie Warmte (TVW), waarin de route naar een aardgasvrije, duurzaam verwarmde samenleving wordt beschreven. Om te komen tot een volledig aardgasvrije gebouwde omgeving, zal voor 2030 een kwart van alle woningen in Nederland van het aardgas af moeten. Bij de Gemeente Rheden, gaat het om ongeveer 7.100 woningen en een onbekend aantal bedrijfspanden. Dit is een stevige opgave die ervoor zorgt dat we snel aan de slag moeten. Dit betekent niet dat er roekeloze en gehaaste beslissingen en maatregelen uitgevoerd moeten worden. De Transitievisie Warmte geeft structuur en richting aan de warmtetransitie voor de woningen en bedrijven in Rheden. De warmtetransitie heeft een grote impact op zowel huishoudens als bedrijven. Vandaar dat deze stakeholders nauw betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van deze visie.
Deze lokale visie staat bovendien niet op zichzelf maar is gelinkt aan de Regionale Structuur Warmte (RSW) die in het kader van de Regionale Energie Strategie (RES) wordt ontwikkeld. Elke RES-regio in Nederland levert, als onderdeel van de RES en in samenwerking met de provincie, gemeenten en stakeholders een Regionale Structuur Warmte op. In de RSW wordt inzicht verkregen in de warmtevraag en het warmteaanbod. Tevens worden mogelijkheden beschreven voor nieuw te ontwikkelen warmte-infrastructuur. In de RSW gaat het voornamelijk over bovengemeentelijke infrastructuur. De Transitievisie Warmte vormt de basis voor uitvoeringsplannen op wijk-, buurt-, straat- en complexniveau. Met de vaststelling van de Transitievisie Warmte is de warmtetransitie tot 2050 niet in beton gegoten. Omdat we niet alle buurten tegelijk kunnen aanpakken en (technische) inzichten nog continu veranderen, wordt de transitievisie elke vijf jaar geüpdatet.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
7
INHOUD Leeswijzer ................................................................................................................................................. 2 Samenvatting ........................................................................................................................................... 3 1
Inleiding ................................................................................................................................... 7
2
De basis voor de transitie ................................................................................................ 10
2.1
Wereldwijde temperatuurstijging ......................................................................................................10
2.2
Internationale en nationale afspraken .............................................................................................10
2.3
Regionale uitwerking ..............................................................................................................................10
2.4
De Rhedense klimaatambities .............................................................................................................10
3
De opgave ............................................................................................................................ 11
3.1
Rheden 2040 energieneutraal .............................................................................................................12
3.2
Autonome ontwikkeling ........................................................................................................................12
4
Stakeholders ........................................................................................................................ 13
5
Analyse gemeente Rheden .............................................................................................. 15
5.1
De woningvoorraad .................................................................................................................................15
5.2
Bouwperiode woningen .........................................................................................................................15
5.3
Woningdichtheid & warmtedichtheid .............................................................................................16
5.4
Conclusie ......................................................................................................................................................17
6
Duurzame alternatieven ................................................................................................... 18
6.1
Bronnen in de gemeente Rheden .....................................................................................................18
6.2
Alternatieve technieken .........................................................................................................................19
6.2.1
Isoleren altijd aan te bevelen ..............................................................................................................19
6.3
Van transitiebron naar duurzame eindbron .................................................................................19
7
Selectie buurten .................................................................................................................. 20
7.1
Conclusies multi-criteria analyse........................................................................................................20
7.2
Planning ........................................................................................................................................................21
7.3
Alternatieve warmtevoorzieningen meest kansrijke buurten ................................................22
7.3.1
Voorkeursalternatief: LT/MT collectieve voorziening ................................................................22
7.3.2
Dieren-Noord boven spoorlijn ...........................................................................................................23
7.3.3
Rheden ..........................................................................................................................................................24
7.3.4
Velp-Zuid beneden spoorlijn ...............................................................................................................24
7.4
Alternatieve warmtevoorziening middengroep ...........................................................................25
7.5
Alternatieve warmtevoorziening minst kansrijke buurten ......................................................26
7.6
Spectrum aan technieken .....................................................................................................................26
7.7
Financiële aspecten ..................................................................................................................................27
7.7.1
Kosten en baten aardgasloze woningen ........................................................................................28
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
8
8
Participatie & vervolgstappen ........................................................................................ 29
8.1
Van theorie naar praktijk.......................................................................................................................29
8.2
In de praktijk: 1: belang, momentum en doelgroep bepaling .............................................31
8.2.1
Communicatie na analyse .....................................................................................................................32
8.3
In de praktijk 2: Activeren .....................................................................................................................32
8.4
In de praktijk 3: Ontwerpsessies ........................................................................................................33
8.4.1
Voortdurende interne inventarisatie ................................................................................................33
8.5
In de praktijk 4: Interactieve bijeenkomsten ................................................................................34
8.6
Vervolgstappen ..........................................................................................................................................34
9
Conclusie & Aanbevelingen ............................................................................................. 35
De bijlagen ............................................................................................................................................ 36
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
9
2
DE BASIS VOOR DE TRANSITIE
2.1
Wereldwijde temperatuurstijging
De gemiddelde temperatuur op aarde stijgt. Deze temperatuurstijging wordt voornamelijk veroorzaakt door het handelen van de mens. Dit behoeft niet langer discussie. De hoeveelheid wetenschappelijk bewijs voor deze stelling is namelijk overweldigend. Een belangrijke oorzaak voor de temperatuurstijging is de uitstoot van broeikasgassen. Eén van de belangrijkste broeikasgassen is koolstofdioxide, oftewel CO 2. Dit broeikasgas komt onder meer vrij bij de verbranding van olie en aardgas.
2.2
Internationale en nationale afspraken
In 2015 ondertekende Nederland het Klimaatakkoord van Parijs. Daarmee committeerde Nederland zich in te zetten voor het beperken van de opwarming van de aarde tot maximaal twee graden. De Nederlandse klimaatambities die gebaseerd zijn op de internationale afspraken zijn vastgelegd in de Klimaatwet en de afspraken die hieruit voortvloeien (met o.a. gemeenten, het bedrijfsleven, natuur- en milieuorganisaties en energiebedrijven) zijn of worden verankerd in het landelijke Klimaatakkoord. Vóór 2030 moet de uitstoot van broeikasgassen met 49% zijn verminderd ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot zijn teruggebracht met 95%. Op provinciaal niveau is er in Gelderland het Gelders Energie Akkoord (GEA) gesloten. Daarin is opgenomen dat er gestreefd moet worden naar 55% minder CO2 uitstoot in 2030. Belangrijke maatregel om deze doelstellingen te behalen is het stoppen met het gebruik van aardgas in woningen en utiliteitsbouw. Sinds juli 2018 mogen nieuwbouwwoningen niet meer op het gas aangesloten worden, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit wel te doen.
2.3
Regionale uitwerking
De uitwerking van het landelijke Klimaatakkoord vindt voor een groot deel op regionaal en lokaal niveau plaats. Om de regionale uitwerking vorm te geven, is Nederland opgedeeld in 30 energie-regio’s waarin gemeenten, provincies en waterschappen samenwerken aan een Regionale Energie Strategie (RES). Rheden vormt onderdeel van de RES-regio Arnhem/Nijmegen. Het is de bedoeling dat in de RES keuzes worden gemaakt die betrekking hebben op de opwekking van duurzame elektriciteit (vooral wind en zon), de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de benodigde opslag en energie-infrastructuur. Het onderdeel Warmte wordt binnen de RES uitgewerkt in de vorm van een Regionale Structuur Warmte (RSW), waarin op regionaal niveau inzicht wordt verschaft in de totale (toekomstige) warmtevraag binnen de regio, de beschikbare duurzame warmtebronnen en de bestaande en geplande infrastructuur. Ook moet de RSW duidelijk maken hoe de regio de toekomstige warmtevraag, het aanbod en de infrastructuur op elkaar gaat afstemmen en hoe partijen in de samenleving hierbij betrokken worden. Conform de huidige planning moet de concept-RES uiterlijk 1 oktober 2020 gereed zijn.
2.4
De Rhedense klimaatambities
De gemeente Rheden heeft grote ambities en wil in 2040 energieneutraal zijn. Dat wil zeggen dat in 2040 alle woningen en utiliteitsbouw in de gemeente Rheden zonder aardgas functioneren. En dat alle energie die in de gemeente wordt gebruikt ook duurzaam opgewekt moet zijn.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
10
3
DE OPGAVE
De gemeente Rheden heeft 43.725 inwoners die gezamenlijk in 21.375 woningen wonen. Deze huishoudens verbruiken samen met de bedrijven en instellingen,
industrie,
1.836 TJ
landbouw,
bosbouw en visserij jaarlijks 1.836 TJ aan energie, verdeeld over 37.197.000 m3
aardgas
en
182.969.000
kWh
elektriciteit. In figuur 1 is de verdeling zichtbaar.
Landbouw,
bosbouw
en
Figuur 1: weergave van de verhouding van het energiegebruik in de
visserij lijkt hier niet vertegenwoordigd. gebouwde omgeving van de gemeente Rheden (Klimaatmonitor 2018) In werkelijkheid is er natuurlijk wel wat verbruik in deze sector maar dit is zo marginaal dat het niet zichtbaar is in de grafiek. Mobiliteit is nog niet meegenomen in deze cijfers maar de verwachting is wel dat de energievraag ook in die sector in de toekomst zal groeien. Woningen en bedrijven & instellingen zijn qua aardgasverbruik goed met elkaar te vergelijken. Beiden gebruiken aardgas voornamelijk voor warm tapwater en gebouwverwarming. Dit maakt dat de aanpak voor deze twee typen bebouwing ook redelijk vergelijkbaar is, al is er in de gemeente Rheden een opvallend hoog elektriciteitsgebruik bij de bedrijven en instellingen. De reden van dit verbruik is niet bekend. In de industrie wordt aardgas vaak gebruik voor de productieprocessen. Het verduurzamen hiervan vraagt een volledig andere aanpak. Voor de alternatieve warmtevoorziening is maatwerk nodig per bedrijf. Deze TVW richt zich
1.184 TJ
Figuur 2: verhouding energieverbruik in de woningen
Figuur 3: Energiegebruik in de woningen verder gespecificeerd
(Klimaatmonitor 2018)
465 TJ Aardgas Elektriciteit Figuur 4: verhouding energiegebruik in de bedrijven & instellingen (Klimaatmonitor 2018) TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
11
dan ook voornamelijk op woningen en bedrijven & instellingen. In figuur twee, drie en vier is voor de woningen en bedrijven & instellingen de hoeveelheid gebruikt energie inzichtelijk gemaakt. De bedrijven en instelling gebruiken gezamenlijk jaarlijks 465 TJ energie en de woningen 1.184TJ.
3.1
Rheden 2040 energieneutraal
Zoals zichtbaar in de bovenstaande figuren bestaat een groot deel van de gebruikte energie uit aardgas. In de komende jaren moet daar een alternatief voor gevonden worden. De Nederlandse regering heeft als doelstelling opgenomen dat in 2030 anderhalf miljoen bestaande woningen aardgasvrij moeten zijn. Deze prognose is gebaseerd op het uiteindelijke doel om in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. De gemeente Rheden heeft echter een hogere ambitie; energieneutraal in 2040. Als we ervan uitgaan dat er ieder jaar evenveel woningen aardgasvrij gemaakt gaan worden betekend dat, dat er in 2030 ongeveer 10.000 woningen aardgasvrij zouden moeten zijn om de doelstelling ‘aardgasvrij in 2040’ te behalen. Een andere mogelijkheid om te kijken naar de opgave is te kijken naar de benodigde energiebesparing die behaald moet worden. Een woning in Rheden verbruikt gemiddeld 1.590 m 3 aardgas per jaar2. Dit betekent dat er in 2030 11.289.000 m3 aardgas in de woningen van de gemeente Rheden bespaard moet zijn. Een deel van deze besparing komt voor rekening van woningen die volledig aardgasvrij zijn. Het andere deel wordt behaald door het isoleren van woningen om ze klaar te maken voor de stap naar aardgasvrij.
3.2
Autonome ontwikkeling
De komende tijd zal deze opgave ook zonder maatregelen van de gemeente veranderen. De voorspelling is dat door autonome ontwikkelingen en energiebesparende maatregelen het aardgasverbruik met ongeveer 1% per jaar zal afnemen. Bij autonome ontwikkelingen kan gedacht worden aan; -
Sloop en aardgasvrije nieuwbouw
-
Isolatie van bestaande woningen
-
Verbetering van warmte leverende installaties
De voorspelling is dat het aardgasverbruik van de bedrijven en instellingen op basis van het huidige beleid tot 2030 met 6.5% dalen3. Uit de praktijk (gesprekken met handhavers van bijvoorbeeld milieuwetgeving) weten we dat 10-20% ook haalbaar moet zijn. Dit betekent dat aanvullende wet- en regelgeving en maatregelen voor de overige 80-90% aan besparing en duurzame opwekking moet zorgen.
2
Klimaatmonitor, 2018
3
Klimaat- en Energieverkenning PBL, 2019 TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
12
4
STAKEHOLDERS
De gemeente kan de warmtetransitie niet zonder de andere stakeholders realiseren. Iedereen in de gemeente zal een steentje bij moeten dragen. Zonder samenwerking is het onmogelijk om de transitie op een goede manier te realiseren. De samenwerking gaat ook voorbij de gemeentegrenzen. Het is van belang om ook in regionaal en provinciaal verband samen te gaan werken. De RES 4 loopt hier al op vooruit. In dit hoofdstuk beschrijven we de verschillende stakeholders en de rollen die deze partijen hebben binnen de warmtetransitie. De Gemeente De rijksoverheid heeft alle gemeenten de regierol toebedeeld. De gemeente gaat het proces en de organisatie van de transitie sturen om zo de warmtetransitie wijk voor wijk, buurt voor buurt en straat voor straat uit te gaan voeren. De bestaande samenwerking met de stakeholders in Rheden is daarbij essentieel. Bij dit traject is het van belang dat de gemeente zorgt voor draagvlak bij inwoners en bedrijven. Daarnaast heeft de gemeente als taak om het maatschappelijk belang te borgen. Woningcorporaties en woningstichtingen De grootste woningstichting in de gemeente Rheden is Vivare. Daarnaast is ook Veluwonen in de gemeente actief. De woningcorporaties zijn vanwege het grote woningbezit een belangrijke partner in de warmtetransitie. Op wijk- en buurtniveau is de corporatie is sommige buurten eigenaar van 30-50% van de woningen.
Hierdoor kan de woningvoorraad van de corporaties als een startmotor dienen voor de transitie in de rest van een wijk. Waar bij koopwoningen (en in mindere mate particuliere huur) per woning één aanspreekpunt is, kan er door de woningcorporatie schaalvoordeel behaald worden door voor meerdere woningen één alternatief te realiseren. Daarnaast is de corporatie, in tegenstelling tot particuliere eigenaren, gebonden is aan bepaalde prestatieafspraken om de transitie te versnellen. Vivare heeft de laatste jaren al actief het woningbezit verduurzaamt. Een aanzienlijk deel van de woningen is inmiddels gerenoveerd naar energielabel B of hoger (een hoger energielabel betekent een energiezuinigere woning). Particuliere woningeigenaren De meeste woningen in de gemeente Rheden zijn in eigendom van particuliere eigenaren (54%). De woningeigenaren zijn van groot belang voor het slagen van de warmtetransitie. Wanneer de gemeente er niet in slaagt om de bewoners mee te krijgen in de transitie, worden de doelen niet bereikt. In vrijwel alle bestaande woningen moeten namelijk energiebesparende maatregelen getroffen worden. Om dat te realiseren is het belangrijk dat woningeigenaren goed en tijdig geïnformeerd en geadviseerd worden. In hoofdstuk 8 wordt een eerste aanzet gegeven voor het informatie- en participatietraject.
4
Regionale EnergieStrategie (RES) is een regionaal samenwerkingsverband voor de ruimtelijke inpassing van de
energietransitie. TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
13
Bedrijven Naast de woningen zijn bedrijven één van de grootste gebruikers van warmte in een gemeente. Een aantal van deze bedrijven gebruikt niet alleen warmte, maar heeft ook warmte over. Deze restwarmte kan mogelijk ingezet worden als alternatieve energiebron voor andere bedrijven of woningen. Dit maakt de bedrijven een belangrijke partner in de warmtetransitie. Wanneer bedrijven zich verenigen, hebben ze ook een bepaalde slagkracht waardoor ze, net als woningcorporaties, als startmotor kunnen dienen voor de warmtetransitie. Netbeheerder In de gemeente Rheden is Liander de netbeheerder. De netbeheerder is verantwoordelijk voor het transport van de energie (elektriciteit en aardgas). Het is goed mogelijk dat de netbeheerder ook na de transitie verantwoordelijk gaat zijn voor het transport van energie, maar dan mogelijk in andere vormen. Denk aan collectieve voorzieningen, het transport van biogas of misschien wel het transport van waterstof. Elektriciteit gaat in de transitie een steeds belangrijkere rol spelen en dat heeft gevolgen voor het netwerk. Liander is zich bewust van haar verantwoordelijkheid en werkt op een proactieve manier mee aan de warmtetransitie. Daarbij blijft Liander met de gemeente in gesprek om gezamenlijk te zoeken naar koppelkansen voor de transitie. Vastgoedontwikkelaars Vastgoedontwikkelaars staan aan de basis van bouw- en renovatietrajecten.
Hierdoor kunnen deze partijen invloed uitoefenen op de duurzaamheid van de gebouwde omgeving. De keuzes van vastgoedontwikkelaars in het ontwikkel- en ontwerptraject zijn van invloed op het warmtegebruik van het te bouwen of te renoveren gebouw. Mogelijk dat er gelijk ook energielevering voor de omliggende gebouwen gerealiseerd kan worden. Denk aan een gezamenlijke bron voor aardwarmte, een warmtenet of zonnepanalen die elektriciteit leveren aan de gebouwen in de omgeving. Vastgoedontwikkelaars kunnen in ieder geval laten zien dat gebouwen energieneutraal of zelfs energieleverend kunnen zijn. Energiecoöperaties en bewonersinitiatieven In de gemeente Rheden zijn een aantal actieve lokale groepen aanwezig die zich o.a. bezighouden met energiebesparing en verduurzaming: Duurzaam Dieren-west, Ellecom Energieneutraal, Klimaatactief Dierenzuid, Wijkplatform Dieren Noordoost en energiecoöperatie Rijn en IJssel. Ze zijn het eerste contactpunt met de bewoners en weten heel goed wat er speelt in de verschillende buurten. Tevens worden er al heel veel projecten opgezet die te maken hebben met duurzaamheid, energiebesparing en participatie van burgers. Zonder de energiecoöperaties en bewonersinitiatieven is de kans van slagen van de warmtetransitie aanzienlijk kleiner. Deze partijen moeten daarom betrokken blijven bij de uitvoering van deze visie.
Andere stakeholders Er zijn (mogelijk) andere partijen die al bezig zijn met het aardgasvrij maken van woningen (dit kunnen ook individuele burgers zijn). Iedereen kan daarin zijn of haar eigen rol nemen. Vastgoedeigenaren (ook particuliere woningeigenaren) en verhuurders kunnen op natuurlijke onderhoudsmomenten zoveel mogelijk doen om aardgasvrij te worden of stappen te zetten richting aardgasvrij. Je hoeft immers niet in één keer naar aardgasvrij, dat kan ook in tussenstappen.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
14
5
ANALYSE GEMEENTE RHEDEN
In dit hoofdstuk wordt aan de hand van verschillende thema’s geanalyseerd wat de stand van zaken is in de gemeente Rheden. Deze analyse vormt de basis voor de keuzes die uiteindelijk gemaakt worden. De analyse is uitgevoerd op drie niveaus: gemeenteniveau, buurtniveau en straatniveau. In bijlage 1 is een uitgebreide analyse van de gemeente Rheden verwerkt. Hieronder worden de belangrijkste conclusies kort worden toegelicht.
5.1
De woningvoorraad
De gemeente Rheden heeft 21.375 woningen. Het grootste deel daarvan zijn koopwoningen de rest is huur. Als we op buurtniveau kijken zien we dat in vrijwel alle buurten het aandeel koopwoningen het grootst is. Dit betekent dat de bewoners van de meeste woningen zelf kunnen beslissen over de maatregelen die men wil nemen. Alleen in Velp-Zuid zijn er procentueel meer corporatiewoningen dan koopwoningen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er in de andere buurten geen corporatiewoningen te vinden zijn. Er
zijn
zelfs
een
aantal
buurten
waar
corporatiewoningen meer dan 30% van het totaal omvatten. Dat zijn de buurten Rheden, Spankeren, Dieren-west boven spoorlijn, DierenNoord boven spoorlijn en Velp-Zuid beneden Figuur 5: weergave van clusters van corporatiewoningen in de spoorlijn. Als we verder inzoomen zien we binnen deze, en een aantal andere buurten,
verschillende buurten van de gemeente Rheden (zie bijlage 6 voor een grotere kaart)
clusters van corporatiewoningen. Een groot aandeel corporatiewoningen in een buurt kan de warmtetransitie bespoedigen. De corporatie is een aanspreekpunt voor een groot aantal woningen terwijl een eigenaar van een particuliere woning het aanspreekpunt voor maar één woning is. Tevens heeft een woningcorporatie meer financiële slagkracht en wordt er over het algemeen een lange-termijn visie gehanteerd.
5.2
Bouwperiode woningen
Het bouwjaar van woningen geeft een eerste indicatie van de isolatiewaarden van een woning en de kansen voor aanvullende isolatie. Dit maakt het dan ook erg relevante informatie bij het bepalen van de meest geschikte aardgasloze warmtevoorziening. De meeste woningen in de gemeente Rheden zijn gebouwd tussen 1955 en 1995. In die groep woningen is vaak nog een forse besparing op het aardgasverbruik te realiseren door middel van isolatie. Daarmee is een alternatieve warmtevoorziening gemakkelijker in te passen dan in woningen waar aanvullende isolatie lastig
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
15
is. Moeilijk isoleerbare woningen moeten op een hoge
temperatuur
verwarmd
worden
(bijv.
restwarmte of hernieuwbaar gas) en dat is in Rheden op dit moment nog lastig (zie ook hoofdstuk 7). Uit de cijfers op buurtniveau blijkt dat in het buitengebied voornamelijk oudere woningen staan van vóór 1955. Een uitzondering is de buurt Verspreide huizen Rheden, daar staat nog een relatief groot aandeel nieuwe woningen. Deze woningen hebben over het algemeen geen extra isolatie meer nodig waardoor aardgasloze alternatieven relatief gemakkelijk in te passen zijn. Daarom worden woningen gebouwd tussen 1995 en 2007 gezien als de woningen waarin het beste
gestart
kan
worden
met
de
warmtetransitie (zie ook bijlage 3, prioriteringscriterium 3: Technische categorisering) Op straatniveau is in figuur 6 zichtbaar gemaakt waar zich clusters van jonge woningen (gebouwd na 1995, groene vlekken), relatief oude woningen (gebouwd voor 1955, rode vlekken) en clusters van historische bebouwing (zwarte stippellijn).
5.3 In
Woningdichtheid & warmtedichtheid gebieden
of
buurten
met
een
hoge
woningdichtheid is de kans op het realiseren van een
collectief
alternatief
(bijvoorbeeld
warmtenetten) groter dan in buurten met een lage woningdichtheid. Als vuistregel wordt een woningdichtheid van 20-25 woning per hectare als ondergrens voor de realisatie van een collectief alternatief gehanteerd. Op buurtniveau voldoet alleen Velp-zuid beneden spoorlijn aan deze ondergrens. Buurten die er als geheel dichtbij in de buurt komen zijn: Dieren-Noord boven spoorlijn en Velp-Zuid ten zuiden van waterstraat. Wanneer er ingezoomd wordt op straatniveau valt op dat er ook in andere buurten gebieden zijn met een hoge woningdichtheid. Naast woningdichtheid is ook warmtedichtheid een goede graadmeter voor de mate waarin collectieve oplossingen kansrijk zijn. Door dit mee te nemen in de analyse wordt ook het verbruik van bedrijven en instellingen gevangen. Gegevens van
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
16
deze
gebouwen
zijn
immers
niet
in
de
woningdichtheid zichtbaar. Op figuur 7 en figuur 8 (volgende pagina) zijn de gebieden met een hoge
woning-
en/of
warmtedichtheid
weergegeven.
5.4
Conclusie
Uit deze analyse wordt duidelijk dat de meeste kansrijke gebieden op basis van technische specificaties zich vooral in de dichtbebouwde gebieden bevinden. In het buitengebied is het vaak moeilijker om te komen tot haarbare collectieve oplossingen. Dit wil echter niet zeggen
dat
objecten
in
het
buitengebied
allemaal moeilijker te transformeren zijn dan objecten binnen de kernen. Wanneer we uitgaan van enkel technische gegevens komen de kernen er echter het best uit.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
17
6
DUURZAME ALTERNATIEVEN
Er zijn meerdere alternatieve technieken en bronnen die in de toekomst In Rheden het aardgas kunnen vervangen. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van deze alternatieve technieken en bronnen.
6.1
Bronnen in de gemeente Rheden
Binnen de gemeentegrenzen van Rheden zijn er geen grootschalige bronnen die een wijk of een buurt van hoogwaardige restwarmte kunnen voorzien. Buiten de gemeente liggen wel enkele bronnen van restwarmte die in de Startanalyse van het PBL aan wijken in Rheden worden toegewezen. DS Smith Paper De Hoop Mill en de AVR in Duiven zijn daarbij de grootste bronnen van warmte. Daarnaast zijn er binnen de gemeentegrenzen voornamelijk veel bronnen van condenswarmte aanwezig. Dit zijn vaak supermarkten die op kleine schaal warmte over houden. In de kern Rheden is De Meteoor Beton aanwezig. Van dit bedrijf is niet bekend hoeveel warmte er beschikbaar is maar het zou in potentie een goede bron kunnen zijn. De grootste kansen voor de gemeente Rheden liggen bij TEO, TEA, zonthermie en duurzame opwek van elektriciteit uit wind en zon. Deze kunnen ook als bron ingezet worden voor de alternatieve technieken. Naast de echte bronnen is er in Arnhem al een bestaand warmtenet gevoed met restwarmte van de AVR. Mogelijk kan (delen van) Velp aangesloten worden op dit warmtenet. Aansluiten op een bestaand net is financieel interessant maar er zijn ook een aantal bezwaren. Zo is de bron niet duurzaam en wordt het warmtenet gevoed door maar één bron. Wanneer die bron om wat voor Rheden wegvalt, ontstaat er een probleem (zie ook bijlage 9.3 waarin o.a.
de mogelijke uitbreiding van het warmtenet wordt besproken). In de inventarisatiekaart (zie figuur 9 en kaart in separate bijlage) worden alle kansrijke warmtebronnen weergegeven.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
18
6.2
Alternatieve technieken
Er zijn op dit moment grofweg drie manieren om woningen zonder aardgas te verwarmen.: •
All-electric, o.a. Elektrische warmtepomp (met de bodem of de buitenlucht als bron), elektrische cv-ketel, infraroodpanelen en hybride warmtepomp (tussenoplossing);
•
Collectieve systemen, op basis van: restwarmte, zonthermie, aquathermie, asfaltthermie, biomassa (alleen als transitiebron) en/of geothermie;
•
Hernieuwbaar gas, o.a. groen gas, biogas, micro-WKK en waterstof.
Waarschijnlijk zullen er in de toekomst nog innovatieve warmtetechnieken ontwikkeld worden die op termijn nieuwe oplossingen bieden. In bijlage 2 worden de verschillende alternatieven kort beschreven.
6.2.1
Isoleren altijd aan te bevelen
Voor een aantal alternatieve bronnen is het een vereiste om de schil van een gebouw goed te isoleren. Maar ook wanneer het niet direct nodig is (omdat er een bron met hoge-temperatuur energie toegepast wordt), is het aan te bevelen om toch zoveel mogelijk te isoleren. Alle energie die niet gebruikt wordt vanwege een goede isolatie hoeft immers niet opgewekt en getransporteerd te worden. Isolatie kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat we tegen dezelfde kosten veel meer gebouwen op een warmtenet aan kunnen sluiten of dat er minder biogas nodig is om eenzelfde aantal woningen te verwarmen. In hoofdstuk 8 en bijlage 7 wordt uitgebreid ingegaan op het isoleren van gebouwen.
6.3
Van transitiebron naar duurzame eindbron
In de praktijk is het goed mogelijk dat de transitie in een woning of een gebied van start gaat zonder dat er gelijk gebruik gemaakt kan worden van een duurzame warmtebron. In dat geval is het mogelijk om gebruik te maken van een transitiebron, mits er op termijn voldoende zicht is op inpassing van een duurzame bron. Een voorbeeld: een woningcorporatie heeft grootschalige renovaties in een buurt gepland staan en in die buurt wordt een warmtenet als meest gunstig alternatief bepaald. In de toekomst wordt zonthermie als kansrijke duurzame bron voor het warmtenet gezien, maar het is nu nog niet haalbaar om het warmtenet op deze bron aan te sluiten. Dan kan ervoor gekozen worden om het warmtenet wel aan te leggen (om aan te sluiten bij de renovatieplannen van de woningcorporatie) en het net voorlopig aan te sluiten op een transitiebron. In veel gevallen wordt biomassa toegepast, echter zijn er veel bezwaren tegen deze brandstof. Er is namelijk een groot verschil in duurzaamheid tussen de verschillende vormen van biomassa. Zie bijlage 2 voor meer informatie over natte en droge biomassa. Aardgas kan voorlopig ook nog als een transitiebron ingezet worden. Landen rondom ons heen stappen nu over op aardgas omdat dit een van de ‘schoonste’ fossiele brandstoffen is. Natuurlijk is het wel aan te bevelen om in dit geval zoveel mogelijk te besparen op het energiegebruik.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
19
7
SELECTIE BUURTEN
Een belangrijk onderdeel van de transitievisie warmte is het opstellen van een planning waarin is opgenomen wanneer, en in welke buurten/gebieden er gestart wordt met de transitie. Daarbij is het belangrijk inzicht te verkrijgen in welke alternatieve warmtevoorziening voor de verschillende buurten het meest geschikt zijn. Om een rationele keuze te kunnen maken tussen meerdere alternatieven in samenwerking met de stakeholders een multi-criteria analyse (MCA) uitgevoerd (zie ook bijlage 3 voor de uitgebreide uitleg van de analyse).
7.1
Conclusies multi-criteria analyse
In samenspraak met de stakeholders zijn de 6 belangrijkste criteria bepaald. Om inzicht te krijgen in het belang van ieder criteria zijn er scores toegekend. •
Aanwezigheid natuurlijke momenten (score 29). Een buurt scoort hoog op deze categorie als er op de middellange termijn (grootschalige) werkzaamheden gepland staan waarvoor bijvoorbeeld infrastructuur moet worden aangepakt. Dat kunnen nieuwbouwplannen zijn of onderhoud aan nutsvoorzieningen. Door hierop in te spelen kunnen de kosten voor het aanleggen van bijvoorbeeld een warmtenet gedrukt worden.
•
Technische categorie (score 23). Alle buurten in de gemeente Rheden zijn ingedeeld in een bepaalde technische categorie. Deze indeling is gemaakt op basis van een aantal kenmerken van de woningen waaronder bouwjaar en woningdichtheid. De hoogste score wordt toegekend aan buurten waar het overgrote deel van de woningen in de categorie eeuwwisseling valt.
•
Aanwezigheid van bronnen (score 21). De aanwezigheid van alternatieve warmtebronnen is van belang om te kunnen bepalen welk duurzaam alternatief in een buurt toegepast kan worden. Buurten waar zich (grootschalige) warmtebronnen bevinden scoren het best op dit criterium. In Rheden betreft het voornamelijk buurten met een aanwezigheid van oppervlaktewater en ruimte voor zonthermie.
•
Initiatieven uit de samenleving (score 18). Eerder is al beschreven dat het overgrote deel van de woningen in de gemeente in particulier bezit is. De aanwezigheid van buurtinitiatieven kan ervoor zorgen dat de inwoners van een buurt gemakkelijker te motiveren zijn. Buurten waar zich actieve initiatieven bevinden scoren het best op dit criterium.
•
Aandeel corporatiewoningen (score 7). Buurten waar procentueel veel corporatiewoningen te vinden zijn scoren het best op dit criterium. Hoe meer corporatiebezit hoe groter het aandeel woningen dat getransformeerd kan worden waarvoor slechts één gesprekspartner is. Dit maakt dat het transformeren van corporatiewoningen vaak een stuk gemakkelijker is dan het bewegen van individuele woningeigenaren.
•
Bijdrage aan de doelstellingen (score 2). Buurten waar het aardgasverbruik het hoogst is, scoren het best op dit criterium. Als een buurt waar momenteel veel aardgas wordt verstookt aardgasvrij wordt zorgt dat voor een grote bijdrage aan de uiteindelijke doelstelling aardgasvrij.
Als we de punten die de verschillende buurten scoren op de bovenstaande criteria bij elkaar optellen komen we tot een ranking van alle buurten in de gemeente Rheden. Deze ranking geeft de mate van geschiktheid van de gehele buurt aan voor de transitie naar aardgasvrij. Op basis van deze criteria scoren drie buurten significant beter dan de anderen. Het lijkt daarom het meest logisch om de transitie naar aardgasvrij in deze TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
20
buurten te starten. De drie buurten zijn: Dieren-Noord boven spoorlijn, Rheden en Velp-Zuid beneden spoorlijn. Dat wil niet zeggen dat alle woningen in deze buurten tegelijk van het aardgas losgekoppeld kunnen worden maar de omstandigheden in deze buurten als geheel zijn het meest gunstig.
600 500 400 300 200 100 0
Om te toetsen of de uitkomst van deze multi-criteria analyse niet drastisch verandert als er kleine veranderingen in de weging plaatsvinden, is er een check uitgevoerd. In op pagina 72 van bijlage 3 is zichtbaar wat er met de top 6 buurten gebeurt wanneer de weging verandert. Hieruit blijkt dat kleine aanpassingen aan de weging van een criteria weinig effect hebben op de buurten in de top 6. Daaruit valt te concluderen dat deze buurten daadwerkelijk het meest geschikt lijken om te starten met de transitie.
7.2
Planning
Uit de MCA wordt duidelijk welke buurten het meest geschikt zijn om de transitie naar aardgasvrij te starten. Dat wil niet zeggen dat er voor de andere buurten geen stappen gezet hoeven te worden. We adviseren een stapsgewijze aanpak waarbij overal gestart kan worden met informeren en isoleren. Wanneer een buurt als geheel slechter scoort dan een andere buurt, wil dat niet zeggen dat er geen woningen in die buurt zijn waar de transitie naar aardgasvrij gemakkelijker is dan in andere woningen. Zoals in planning (zie figuur volgende pagina) goed zichtbaar is, zijn er een aantal trajecten waarmee direct gestart kan worden. Daarnaast zijn de trajecten isoleren, participeren en informeren doorlopende trajecten. Hoe de communicatie en participatie kan worden vormgegeven is opgenomen in hoofdstuk 9. Doordat de gemeente Rheden in 2040 energieneutraal wil zijn, is er relatief weinig tijd voor het transitieproces.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
21
7.3
Alternatieve warmtevoorzieningen meest kansrijke buurten
Om te kunnen bepalen welk alternatief voor aardgas het beste past bij de situatie in een buurt is er voor de drie meest kansrijke buurten een verdiepende analyse gemaakt. We kiezen ervoor om niet voor de gehele buurt één alternatief aan te wijzen maar om binnen de buurt te zoeken naar gebieden waar dit het beste toegepast kan worden. Tevens zien we de buurtgrenzen niet als harde barrières en is het in een aantal gevallen voorstelbaar dat gebieden in meerdere buurten liggen. Belangrijkste reden hiervoor is dat binnen een buurt veel verschillende typen woningen staan die vaak maatwerk behoeven. De drie meest kansrijke buurten zijn: 1)
Dieren-Noord boven spoorlijn
2)
Rheden
3)
Velp-Zuid beneden spoorlijn
Voor elk van de drie buurten is er een voorkeursalternatief opgesteld, een back-up alternatief en een hogetemperatuur alternatief. De voorkeur gaat bij alle drie de buurten uit naar een LT/MT collectieve voorziening. In dit hoofdstuk beschrijven we waarom dat de voorkeur geniet en geven we per buurt aan welke karakteristieken tot deze keuze hebben geleid. Een uitgebreide omschrijving van de verschillende alternatieven (ook de back-up- en HT-alternatieven is terug te vinden in bijlage 8.
7.3.1
Voorkeursalternatief: LT/MT collectieve voorziening
We zetten in op het zo goed mogelijk benutten van de bestaande warmtebronnen binnen de gemeente/regio. Binnen de gemeente Rheden zijn geen grootschalige HT-warmtebronnen aanwezig, en voor de bronnen in de omliggende gemeenten is het onduidelijk of deze zonder veel warmteverlies naar de gemeente Rheden getransporteerd kan worden. Bronnen die wel ingepast kunnen worden binnen de gemeentegrenzen zijn aquathermie (TEA/TEO) en zonnethermie. Dit zijn LT/MT warmtebronnen. Voor het toepassen van deze TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
22
warmtebronnen moeten gebouwen minimaal tot een basis isolatieniveau geïsoleerd worden (zie ook paragraaf 8.1). Riothermie (warmte uit riool) is mogelijk ook kansrijk al zijn er op dit moment meerdere geluid hoorbaar. Verschillende onderzoeken laten een bepaalde potentie zien terwijl verschillende betrokkenen ook aangeven dat de debieten in de rioleringen te laag zijn en dat er teveel vervuiling met regenwater is. Dat laatste zorgt voor een te lage temperatuur om de rioleringen als warmtebron in te zetten. In de uitvoergingsplannen is het goed om deze warmtebron nader te onderzoeken zodat de definitieve potentie vastgesteld kan worden. We kiezen ervoor deze warmtebronnen in te zetten als een collectieve voorziening. Daarbij kan gedacht worden aan een warmtenet dat in de gehele buurt wordt uitgerold maar dit kan ook op kleinere schaal (bijvoorbeeld straatniveau) worden gerealiseerd. De keuze voor een collectief systeem is gemaakt omdat dit, ten opzichte van individuele oplossingen, vaak tegen lagere maatschappelijke kosten gerealisseerd kan worden.
7.3.2
Dieren-Noord boven spoorlijn
Dat Dieren-Noord boven spoorlijn goed scoort bij de multicriteria analyse, komt doordat er in deze buurt relatief veel initiatieven vanuit de samenleving spelen, er een aanzienlijk aantal corporatiewoningen aanwezig zijn en er plaatselijk een hoge woningdichtheid is. De meeste woningen in de buurt zijn gebouwd tussen 19551995. Deze woningen bieden een goede kans op het toepassen van aanvullende isolatiemaatregelen. Dit samen maakt dat het relatief eenvoudig is om de woningen in de buurt te verwarmen met een collectieve voorziening gevoed door een LT- of MT-warmtebron. Voor deze warmtebronnen is een basis isolatieniveau vereist (zie ook hoofdstuk 8.1). In en rondom deze buurt zijn er verschillende (mogelijke) warmtebronnen: -
Omliggende locaties waar zonneparken gerealiseerd kunnen worden;
-
TEO uit de plas aan de overzijde van de IJssel (waarschijnlijk wel hoge kosten om de warmte te transporteren en deze plas bevindt zich in een Natura2000 gebied, een andere gemeente en een ander RES-gebied);
-
Restwarmte van bedrijven: Verzinkerij Dieren, Linde Gas Benelux en een aantal supermarkten die condenswarmte kunnen bieden;
-
Zonnepanelen (thermisch en/of elektrisch) op daken;
-
Mogelijke locaties voor windmolens.
Op de kaart (figuur 12) is in blauw aangegeven welke delen van de buurt zich het beste lenen voor een transformatie en in het geel welke delen van de buurt hier mogelijk relatief gemakkelijk bij kunnen aansluiten. Een deel van de blauwe gebieden zijn buurt overschrijdend omdat het logisch is (zelfde bouwjaren en TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
23
aanwezigheid corporatiewoningen) om de gebieden in de naastgelegen buurt bij de voorgestelde aanpak te betrekken.
7.3.3
Rheden
Rheden scoort na Dieren-noord als beste in de multi-criteria analyse. Binnen de buurt
Rheden
zijn
er
relatief
veel
corporatiewoningen en veel naoorlogse woningen. De woningdichtheid van de buurt in zijn geheel is niet heel erg hoog maar er zijn binnen de buurt wel een aantal
gebieden
waar
de
woningdichtheid/warmtedichtheid hoog is. Dit zorgt ervoor dat het ook in deze buurt aantrekkelijk is om de woningen te verwarmen
met
een
collectieve
voorziening gevoed met een LT- of MTwarmtebron. Voor toepassing van deze warmtebronnen is een basis isolatieniveau vereist (zie ook hoofdstuk 8.1). Op relatief korte termijn zijn er plannen voor de renovatie van 500 corporatiewoningen en zal er onderhoud plaatsvinden aan het straatwerk. Dit maakt het een goede buurt om te starten met de warmtetransitie. Ook in Rheden zijn een aantal LT/MT bronnen beschikbaar: -
Mogelijke zonnevelden aan de westzijde van de kern;
-
TEO uit Steegse Haven, of plassen aan de overzijde van de IJssel (waarschijnlijk wel hoge kosten om de warmte te transporteren en de plassen bevinden zich in een Natura2000 gebied, een andere gemeente en een ander RES-gebied);
-
Warmte uit asfaltcollectoren in de A348.
-
Bron voor restwarmte: De Meteoor Beton BV.
7.3.4
Velp-Zuid beneden spoorlijn
Velp-Zuid beneden spoorlijn kenmerkt zich door een groot aandeel corporatiewoningen, een hoge woningdichtheid en relatief veel oudere woningen gebouwd vóór 1955. Woningcorporatie Vivare gaat hier op korte termijn aan de slag met een woningenrenovatieproject voor een opwaardering van de woningen naar energielabel A. Ook zijn er in Velp-Zuid een aantal bedrijven en instellingen met een aanzienlijke warmtevraag. Hierdoor leent ook deze buurt zich bij uitstek voor het realiseren van een LT/MT collectieve
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
24
voorziening. hiervoor
De
gebouwen
minimaal
tot
moeten
een
basis
isolatieniveau geïsoleerd worden (zie ook hoofdstuk 8.1). De volgende bronnen zijn daarvoor binnen deze buurt beschikbaar: -
Mogelijkheden voor zonthermie en asfaltcollectoren op en langs de
A12.
De
kansen
voor
zonthermie zijn recent genoemd in
een
onderzoek
naar
de
verduurzaming van Velp en het oostelijk deel van Arnhem5. In dit onderzoek is alleen zonthermie aangestipt als kansrijke bron. Vervolgonderzoek
moet
aan-
tonen of zonthermie ook echt kansrijk is en wat de financiële en technische gevolgen zijn. -
TEO uit kleine omliggende (kleine) plassen;
-
Zonnepanelen (thermisch en/of elektrisch op daken;
-
Supermarkten die mogelijk condenswarmte kunnen leveren.
Doordat Vivare op korte termijn de woningen gaat renoveren, is de kans klein dat deze woningen direct aan kunnen sluiten op het voorkeursalternatief. Dit hoeft geen belemmering te zijn omdat de woningen mogelijk in de toekomst alsnog aangesloten kunnen worden. Veel andere woningen in de buurt moeten immers ook nog eerst van basis isolatie voorzien worden.
7.4
Alternatieve warmtevoorziening middengroep
De middengroep bestaat uit 10 buurten (zie figuur 10 in paragraaf 7.1) en wordt aangevuld met Ellecom. Uit de overleggen met de stakeholders is gebleken dat er in Ellecom een actief bewonersinitiatief aanwezig is en dat er in de directe omgeving van Ellecom concrete kansen voor grootschalige zonnevelden zijn. Daarom wordt deze buurt, ondanks de lage score in de MCA (zie bijlage 3) toch toegevoegd aan de middengroep. Omdat er in de middengroep voor 2030 (met de huidige kennis) waarschijnlijk geen grootschalige ingrepen plaats gaan vinden, is deze groep minder gedetailleerd uitgewerkt dan de groep met meest kansrijke buurten. De kaart op figuur 15 (zie bijlage 13 voor een grotere weergave) laat zien welke alternatieven er kansrijk zijn in de verschillende buurten. De tabel in bijlage 12 beschrijft de betreffende buurten gedetailleerder.
5
Bos Witteveen, Warmteverkenning gebied HAN/Van Hall Larenstein. 28 januari 2020 TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
25
7.5
Alternatieve warmtevoorziening minst kansrijke buurten
De minst kansrijke buurten bestaan veelal uit de buitengebieden met een zeer lage woningdichtheid. Hierdoor is het lastig om deze buurten grootschalig aan te pakken. In de praktijk wordt er geen echte tijdlijn voor deze buurten opgesteld maar worden de betreffende woningen gedurende de komende 30 jaar (tot 2050) aardgasloos gemaakt. Daarbij is het aansluiten op natuurlijke momenten het belangrijkste. Wellicht dat een deel van de woningen in het buitengebied ook gesloopt gaat worden wanneer bijvoorbeeld het bijbehorende bedrijf ophoudt te bestaan. In het algemeen is er voor de buitengebieden maatwerk nodig (zie figuur 15 en bijlage 13 voor een grotere kaart). De meeste woningen gaan voorzien worden van een individuele all-electric configuratie. Dit vraagt minimaal een basis isolatieniveau. Voor die woningen waarbij een all-electric configuratie echt niet mogelijk is, wordt een andere oplossing gezocht. Dit kan hernieuwbaar gas zijn, maar dat is op dit moment (en waarschijnlijk ook in de toekomst, zie bijlage 2) onvoldoende beschikbaar. De verwachting is dat een deel van de woningen in de minst kansrijke buurten moet wachten op een toekomstige innovatie. Velp-zuid ten zuiden van Waterstraat en Rheden-west ten westen van Oranjeweg en Haver kunnen mogelijk nog aansluiten bij de collectieve voorzieningen in de naastgelegen buurten.
Daarom is voor deze buurten in figuur 15 de optie van een MT/LT collectief alternatief voorgesteld.
7.6
Spectrum aan technieken
In deze fase spreken we bewust van een spectrum aan mogelijkheden per buurt of gebied. Het neerzetten van één techniek, één jaartal en één organisatie heeft in tal van gemeenten geleid tot weerstand en het verliezen van draagvlak. Onze energieanalyse is erop gericht om het draagvlak en de participatie voorop te stellen en met een spectrum aan technieken te werken naar een bepaalde ‘kritische massa’. Een bepaalde kritische massa is bijvoorbeeld een bepaald aantal woningen die op lage temperatuur kunnen functioneren. Wanneer de kritische massa bereikt is, is een bepaald gebied klaar om een alternatieve techniek aan te sluiten.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
26
7.7
Financiële aspecten
De benodigde investeringen voor de warmtetransitie zijn grofweg te verdelen in 2 groepen: investeringen in de woningen en investeringen in de openbare ruimte. Investeringen in de woningen bestaan uit het toepassen van isolatiemaatregelen (zie hoofdstuk 8) en het aanpassen van installaties. De investeringen in de openbare ruimte bestaan uit investeringen in het realiseren of toegankelijke maken van een duurzame bron en investeringen in de infrastructuur. Dat kan bijvoorbeeld het uitbreiden van het bestaande elektriciteitsnetwerk zijn, maar ook het realiseren van een warmtenet. Afhankelijk van het gekozen alternatief varieert de verhouding van investeringen. Voor investeringen in de gebouwen kunnen we een redelijke inschatting maken (zie bijlage 7). Voor de investeringen in de openbare ruimte is dit lastiger. De kosten in de openbare ruimte zijn sterk afhankelijk van keuzes die we op dit moment bewust nog niet make. Daarom beperken we ons in de Transitievisie tot inschattingen voor wat betreft de investeringen in de openbare ruimte. In de vervolgstappen (uitvoeringsplannen) worden de kosten in de openbare ruimte verder uitgewerkt. In de onderstaande tabel is een indicatie gegeven van de verhouding van de investeringen voor het opwekken van de energie (energiebron), de infrastructuur voor het transporteren van de energie en de benodigde aanpassingen in het gebouw.
In hoofdstuk 8 en bijlage 7 worden de kosten voor isolerende maatregelen in maatgevende woningtypen van de gemeente Rheden besproken. In de volgende paragraaf en bijlage 14 worden de kosten en baten van aardgasloze woningen besproken. Energiebron
Infrastructuur
Gebouw
Elektrische warmtepomp 1
€
€€
€€€
Elektrische CV-ketel 1
€
€€
€€€
Infraroodpanelen 1
€
€€
€€€
€€€
€€
€
Restwarmte2
€
€€€
€€
Aquathermie2
€
€€€
€€
Zonthermie2
€
€€€
€€
Biomassa
€€€
€€
€
Geothermie
€€€
€€
€
Groen gas
€€€
€€
€
Biogas
€€€
€€
€
Micro-WKK
€€€
€
€€
Waterstof
€€€
€
€
Hybride warmtepomp
1. Sterk afhankelijk van lokale (op eigen dak) of decentrale opwekking (bijv. windmolens en grootschalige zonnevelden) 2. Afhankelijk van het temperatuurniveau van het systeem kunnen er meer kosten verplaatsen richting het gebouw
Tabel 1: Indicatie kostenverdeling investering.
In bovenstaande tabel is een indicatie weergegeven van de kosten voor het ontsluiten van een bepaalde energiebron. Daarnaast is ook inzichtelijk gemaakt waar deze kosten voornamelijk terecht komen. De €tekens zeggen niets over de hoogte van de investering maar enkel over de allocatie van de kosten.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
27
7.7.1
Kosten en baten aardgasloze woningen
Het is vanzelfsprekend dat de warmtetransitie tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten uitgevoerd moeten worden. Er wordt gesproken over maatschappelijke kosten omdat nog niet bekend is wie de verschillende investeringen gaat doen. Het is op dit moment onmogelijk om gedetailleerde berekeningen voor de verschillende buurten in Rheden te maken. Wel kunnen we op basis van indicatieve berekeningen (zie bijlage 14) een aantal interessante conclusies trekken: •
Waarschijnlijk gaat de warmtetransitie meer geld kosten dan het direct oplevert. Er wordt bewust gesproken over direct omdat de woningen en gebouwen comfortabeler en gezonder worden, er ontstaat een duurzame en gezonde leefomgeving (kolen- en gascentrales zorgen jaarlijks voor vele doden, voornamelijk vanwege luchtvervuiling 6) en met de verduurzaming zijn vele extra banen gemoeid7.
•
Het toepassen van minimale en basis isolatie is financieel interessant;
•
Collectieve alternatieven zijn in de meest gevallen financieel interessant;
•
Het plaatsen van zonnepanelen op een woning heeft een positief effect op de totale businesscase.
6
https://ourworldindata.org/safest-sources-of-energy
7
http://www.nvde.nl/nvdeblogs/11-000-extra-banen-door-aardgasvrije-wijken/ TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
28
8
PARTICIPATIE & VERVOLGSTAPPEN
Vanuit de rijksoverheid is aan de gemeenten de regierol toegekend om de transitie in goede banen te leiden. Dat wil zeggen dat de gemeente ervoor moet zorgen dat er beweging komt in de transitie en deze beweging coördineert. Er zijn verschillende stakeholders nodig om de warmtetransitie tot een succes te maken. Een van de belangrijkste (en vaak onderbelichte) groep stakeholders is de inwoners. Deze groep is niet uniform en bestaat uit allerlei mensen met verschillende achtergronden, meningen en mogelijkheden. Het is daarom onmogelijk om voor ‘de inwoner’ een stappenplan op te stellen voor de manier waarop deze het best betrokken kan worden bij de warmtetransitie. In dit hoofdstuk reiken we een aantal handvaten aan die ingezet kunnen worden bij het opzetten van een participatietraject, dat in de schematische opzet hieronder pas echt start bij het kopje Activeren.