CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

PlanMER - Hoofdrapport

Raadsvergadering 26 september 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: PlanMER RES33.742 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Tabel 6.13 Beoordelingsschaal effecten van zonnevelden op ruimtelijk-visuele kenmerken en elementen Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen ingreep heeft geen of zeer beperkte effecten de ruimtelijk-visuele waarden

0/-

licht negatief effect

er bestaat een klein risico dat de voorgenomen ingreep negatieve effecten heeft op de ruimtelijk-visuele. Deze effecten leiden tot verstoring (visuele hinder), deze zijn wel te beperken/voorkomen met de keuze voor de juiste landschapsstrategie, waarbij één factor de negatieve effecten mitigeert (locatiefactor of opstellingsfactor)

-

negatief effect

er bestaat een risico dat de voorgenomen ingreep negatieve effecten heeft op de ruimtelijk-visuele. Deze effecten leiden tot verstoring (visuele hinder), deze zijn wel te beperken/voorkomen met de keuze voor de juiste landschapsstrategie, waarbij meer dan één factor de negatieve effecten mitigeert (locatiefactoren en opstellingsfactoren)

--

sterk negatief effect

de voorgenomen ingreep heeft sterk negatieve (onherstelbare) effecten op de ruimtelijkvisuele waarden, deze effecten leiden tot verstoring (visuele hinder) en zijn niet te beperken/voorkomen met de keuze voor de juiste landschapsstrategie

85 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Invloed op cultuurhistorische waarden In het plangebied zijn cultuurhistorische waardevolle gebieden en rijksmonumenten aanwezig. De volgende gebieden zijn beschouwd als cultuurhistorisch waardevol gebied: - beschermde stads- en dorpsgezichten; - de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW); - waardevol open gebied; - molenbiotopen; - historische buitenplaatsen. Windturbines en zonnevelden hebben op twee manieren effect op cultuurhistorische: - de fysieke aantasting van cultuurhistorische waardevolle gebieden en/of rijksmonumenten: tijdens de aanlegfase van windturbines en zonnevelden kunnen door trillingen cultuurhistorisch waardevolle gebieden1 en/of rijksmonumenten aangetast worden (-). In onderstaand tekstkader is opgenomen hoe in dit planMER wordt omgegaan met de beoordeling van de effecten op molenbiotopen; - de beleving van cultuurhistorische waardevolle gebieden en/of rijksmonumenten: windturbines en zonnevelden binnen de begrenzing van of nabij de cultuurhistorisch waardevolle gebieden en/of rijksmonumenten hebben een verstorende werking op de (zicht-)beleving. De bestaande kenmerkende cultuurhistorische waarden worden licht negatief (0/-) beïnvloed door het ruimtebeslag. Het uitgangspunt voor dit planMER hierbij is ligging binnen 100 m van cultuurhistorische waardevolle gebieden en/of rijksmonumenten2.

Molenbiotopen Voor inpassing van windturbines rondom molenbiotopen gelden hoogtebeperkingen die gerelateerd zijn aan effecten door windvang en beleving van de molens (zie ook paragraaf 4.2.2). Hieruit volgt dat inpassing van windturbines in een zone van 400 m rondom de molenbiotopen vanuit milieuperspectief niet haalbaar is. Dit vanwege de hoogte van windturbines en de daardoor te verwachten effecten op windvang van zichtbeleving van de molenbiotopen. Voor windturbines geldt daarom een sterk negatieve beoordeling bij ligging in de molenbiotoop. Voor zonnevelden geldt dat realisatie binnen 100 m rondom de molenbiotopen naar verwachting negatieve (-) effecten heeft. In de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.64) is namelijk opgenomen dat rekening gehouden dient te worden met de belevingswaarde en het historisch karakter van de omgeving van de molen. In een zone tussen 100 en 400 m rondom de molenbiotopen zijn zonnevelden echter niet op voorhand niet haalbaar. Dit omdat de beperkte hoogte van een zonneveld naar verwachting tot minder effecten leidt op de windvang en zichtbeleving van de molenbiotopen en daardoor mogelijk is onder voorwaarden (licht negatief (0/-) effect). Dit moet per project nader worden onderzocht.

Gelet op de aanwezigheid van cultuurhistorisch waardevolle gebieden en rijksmonumenten worden de effecten van de zoekgebieden op deze gebieden in de effectenanalyse van dit planMER onderzocht en beoordeeld aan de hand van de beoordelingsschaal in tabel 6.14. Een sterk negatieve (--) beoordeling is in dit planMER niet van toepassing. De vernietiging of aantasting van cultuurhistorische waarden en rijksmonumenten is te vermijden door hiermee rekening te houden in de opstelling. Hiervoor is op projectniveau een nadere afweging nodig. Daarnaast zijn rijksmonumenten als harde belemmering opgenomen in dit planMER. Op projectniveau is het denkbaar dat cultuurhistorische waarden door 1

In het waardevol open gebied ten zuiden van Beuningen, zoals aangewezen in de Omgevingsverordening, worden windturbines ontwikkeld. Voor dit criterium wordt gekeken naar de effecten op cultuurhistorie. Dit betekent dus niet dat de windturbines in dit gebied niet mogelijk is, maar vanuit cultuurhistorie geldt hiervoor een negatieve (-) beoordeling.

2

De afstand van 100 m is gekozen om aan te geven dat het gaat om een aandachtsgebied. Het is hierbij belangrijk om te vermelden dat de gebieden die zich direct buiten de begrenzing van de verschillende cultuurhistorisch waardevolle gebieden en rijksmonumenten bevinden, niet vanzelfsprekend geschikt zijn voor inpassing. Dit geldt ook voor realisatie buiten de gekozen afstand van 100 m. Het realiseren van windturbines en/of zonnevelden net buiten de begrenzing van cultuurhistorisch waardevolle gebieden en rijksmonumenten kan mogelijk wel effecten hebben op het betreffende gebied of object. In een latere fase is het wenselijk om op een groter detailniveau de effecten van windturbines en/of zonnevelden net buiten de ruimtelijke grenzen uit te werken.

86 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

windturbines en/of zonnevelden versterkt kunnen worden, waarmee positieve effecten kunnen ontstaan. Een dergelijke beoordeling past echter niet bij het schaalniveau van dit planMER. Op projectniveau dient dit verder onderzocht te worden.

Tabel 6.14 Beoordelingsschaal criterium invloed op cultuurhistorische waarden Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen ontwikkeling heeft geen of zeer beperkte effecten op cultuurhistorische waarden ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

licht negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op de beleving van cultuurhistorie ten opzichte van de referentiesituatie, omdat windturbines en/of zonnevelden binnen 100 m van de grens van nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle gebieden en/of rijksmonumenten liggen

-

negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling heeft een negatief effect op cultuurhistorie ten opzichte van de referentiesituatie. De cultuurhistorische waarden kunnen worden aangetast door ontwikkeling in cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Voor molenbiotopen geldt voor zonnevelden binnen 100 m rond de molen een negatief effect

--

sterk negatief effect

niet van toepassing

Aantasting van bekende en verwachte archeologische waarden Bij het ontwikkelen van windturbines en zonnevelden vinden bodemroerende activiteiten plaats. Zo is er tijdens de aanleg van de windturbines bodemverstoring door aanleg van de fundering en een bouwvlak voor onder andere een kraanopstelling. Hiermee kunnen de archeologische waarden die zich in de bodem bevinden worden aangetast. Zoals beschreven in paragraaf 4.2.2 zijn er in het plangebied gebieden aanwezig van ((zeer) hoge) archeologische waarde en gebieden die onderdeel zijn van de Romeinse Limes. Dit zijn de bekende archeologische waarden. Daarnaast zijn er gebieden aanwezig met verwachte archeologische waarden, volgend uit de IKAW. Deze informatie is meer generiek opgesteld. Iedere gemeente heeft eigen archeologisch beleid en per ontwikkeling kan archeologisch onderzoek nodig zijn voor het verkrijgen van een vergunning Per alternatief is daarom onderzocht in hoeverre negatieve effecten te verwachten zijn voor de alternatieven binnen de gebieden met een bekende archeologische waarde (--) en verwachte (middel)hoge archeologische waarde (0/-) is gelegen. De daadwerkelijke effecten van het planvoornemen dienen in het vervolg nader onderzocht te worden. De sterk negatieve beoordeling geldt hierbij als een sterk aandachtspunt, omdat sterk negatieve effecten niet zijn uitgesloten.

Tabel 6.15 toont de beoordelingsschaal voor bekende en verwachte archeologische waarde.

Tabel 6.15 Beoordelingsschaal criterium aantasting bekende en verwachte archeologische waarden Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen ontwikkeling heeft geen tot een beperkt effect op archeologie ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

licht negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op archeologie ten opzichte van de referentiesituatie door ligging in gebieden met verwachte (middel) hoge archeologische trefkansen. Hierdoor worden verwachte archeologische waarden mogelijk aangetast

-

negatief effect

niet van toepassing*

--

sterk negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling heeft een sterk negatief effect op archeologie ten opzichte van de referentiesituatie, door ligging op/in een bekende wettelijk beschermd archeologisch monument en gebieden van archeologische waarde. Bekende archeologische waarde worden hiermee mogelijk aangetast

* Om een ontwikkeling mogelijk te maken is een nadere lokale afweging nodig van de bekende archeologische waarden. Op basis van de voor dit planMER toegepaste informatie kan geen eenduidige

87 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

categorisering worden gemaakt die een passend beeld kan geven van de lokale situatie. Lokaal onderzoek is nodig, omdat een negatieve (-) beoordeling wellicht ten onrechte gebieden als minder geschikt aanmerkt.

6.3.4

Veiligheid

De onderstaande criteria hebben alleen betrekking op de ontwikkeling van windturbines. De effecten van zonnevelden met betrekking tot veiligheid worden niet beoordeeld, omdat de invloed van zonnevelden op externe veiligheid zeer beperkt is en bovendien niet doorslaggevend in de keuze voor een techniek en locatie. Zo is het middels maatwerk bijvoorbeeld mogelijk dat in enkele gevallen zonnevelden onder een bovengrondse hoogspanningsverbinding worden gerealiseerd, bovenop een ondergrondse buisleiding of in de nabijheid van een spoorweg. Op projectniveau dient dit, indien relevant, wel onderzocht te worden. Daarnaast is er een trend gaande waarbij zonnevelden worden gerealiseerd met een batterij, waarbij de stoom wordt opgeslagen. Dit heeft mogelijk risico’s ten aanzien van externe veiligheid. Een dergelijk detailniveau is een inpassingsvraagstuk en niet passend is bij het detail- en schaalniveau van dit planMER. Invloed op (beperkt) kwetsbare objecten Effecten op (beperkt) kwetsbare objecten, zogenaamde risico-ontvangers (zie kader), worden kwalitatief beoordeeld aan de hand van indicatief bereik PR10-5 voor beperkt kwetsbare objecten en PR10-6 voor kwetsbare objecten uit de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW). Op basis van artikel 3.15a lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is de PR-norm voor een kwetsbaar object 10-6.

De HRW biedt richtlijnen voor het bepalen van de PR-10-6 contour, hierbij wordt de tiphoogte van een windturbine als bereik aangenomen. Het plaatsgebonden risico voor een beperkt kwetsbaar object mag niet groter zijn dan 10-5, hierbij wordt ½ rotordiameter als bereik aangehouden. De beoordelingsschaal wordt gecombineerd met ‘invloed op andere risicobronnen’. Dit is opgenomen in tabel 6.17. Afbeelding 6.1 toont een schematische weergave van de PR 10-6 en PR10-5 contour.

Afbeelding 6.1 Schematische weergave PR10-6 en PR10-5 contour

Risicobronnen en risico-ontvanger Externe veiligheid maakt onderscheid tussen: - risicobronnen zijn veroorzakers van een risico en zijn in twee groepen te verdelen: · transportassen, zoals buisleidingen, wegen en spoorwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; · inrichtingen waar productie, gebruik, verstrekking en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Windturbines (op land) vallen ook onder inrichtingen (type B inrichtingen in Activiteitenbesluit); - risico-ontvangers zijn beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten. Individuen die zich bevinden in (beperkt) kwetsbare objecten moet worden beschermd volgens het Nederlandse externe veiligheidsbeleid. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, scholen en grote kantoorpanden. Voorbeelden van beperkt kwetsbare objecten zijn winkels, restaurants, sporthallen en bedrijfswoningen. Woningen in een gebied met een woningdichtheid van twee woningen per ha of minder, worden ook beschouwd als een beperkt kwetsbaar object.

88 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Plaatsgebonden risico en andere onderzochte risico’s Bij het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen moet worden getoetst of het realiseren van het plan een extern veiligheidsrisico oplevert. Voor dit planMER wordt alleen het plaatsgebonden risico beschouwd. Het groepsrisico is ook onderdeel van externe veiligheid, maar de beoordeling hiervan is niet opgenomen voor windturbines in het Activiteitenbesluit. Voor deze fase is het groepsrisico niet bepalend voor de locatiekeuze. Het plaatsgebonden risico (PR) is het risico uitgedrukt in de kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt door een calamiteit waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Het PR wordt weergegeven met behulp van de norm PR 10-6 voor kwetsbare objecten en met de norm PR 10-5 voor beperkt kwetsbare objecten. Hoe dichter bij de bron, hoe groter het plaatsgebonden risico: - de PR 10-6 risicocontour is een gebied waar de kans gelijk of groter is dan 1 op de miljoen per jaar; - de PR 10-5 risicocontour is een gebied waar de kans gelijk of groter is dan 1 op de honderdduizend per jaar. Invloed op overige risicobronnen Effecten op (beperkt) kwetsbare objecten worden kwalitatief beoordeeld aan de hand van de aanwezige risicobronnen en daaruit volgende beperkingen.

De aanwezigheid van windturbines heeft een risico verhogende werking op andere risicobronnen, zoals het hoogspanningsnet, buisleidingen en wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarom zijn in de HRW2020 adviesafstanden opgenomen. Tabel 6.16 geeft een overzicht van de norm- en adviesafstanden tot overige risicobronnen. Een deel van deze afstanden is al (deels) opgenomen als harde belemmering. Als windturbines zich binnen deze afstandscriteria bevinden, kunnen ze leiden tot een verhoogd risico op nabijgelegen kwetsbare objecten. Daarnaast hebben beheerders van infrastructurele werken wensen in de vorm van adviesafstanden voor situaties van uitval van belangrijke infrastructurele werken, zoals buisleidingen en hoogspanningsverbindingen. Om hier rekening mee te houden zal bij het plaatsen van windturbines binnen deze adviesafstanden gekeken moeten worden naar de invloed op de leveringszekerheid van de nabije infrastructurele werken. Wanneer windturbines worden geplaatst binnen de adviesafstand moet tevens uit aanvullend onderzoek blijken dat het veiligheidsrisico op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten aanvaardbaar is en zo nodig moet dat risico verantwoord worden.

Tabel 6.16 Afstanden tussen windturbines en veelvoorkomende objecten (Bron: Handreiking Risicozonering Windturbines, 2020) Type object

Adviesafstanden of normafstanden

Harde belemmering

Juridische status/beleid

rijkswegen

ten minste ½ rotordiameter uit de rand van de verharding adviesafstand

object + 15 m

artikel 3 lid 1 in van de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken

waterwegen

½ rotordiameter uit de rand van de vaarweg met een minimum van 50 m normafstand

½ rotordiameter

artikel 4 lid 1 van de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken

waterkeringen

kern- en beschermingszone van een waterkering adviesafstand

niet van toepassing

artikel 3 lid 1 en artikel 7 in van de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken

spoorwegen

½ rotordiameter + 7,85 m, met een minimum van 30 m adviesafstand

object + 15 m

Spoorwegwet

ondergrondse buisleidingen

de grootste afstand van:

object + 15 m

advies door leidingbeheerder

89 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Type object

Adviesafstanden of normafstanden

Harde belemmering

Juridische status/beleid

de 10-6 contour (PR) van de ondergrondse leiding reikt niet verder dan 5 m uit het hart van de leiding normafstand

object + 15 m

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

hoogspanningsinfrastructuur (≥110 kV)

-

de grootste afstand van: · de maximale werpafstand bij een nominaal toerental · ashoogte + ½ rotordiameter, of; op een afstand van meer dan 245 m adviesafstand

- ½ rotordiameter (bovengronds) - object + 15 m (ondergronds)

advies door TenneT

inrichtingen met opslag gevaarlijke stoffen, waaronder BRZO

afhankelijk van de inrichtingen grenswaarde PR10-5 als basis genomen normafstand

½ rotordiameter

besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

-

de maximale werpafstand bij een nominaal toerental ashoogte + ½ rotordiameter adviesafstand

Voor de criteria ‘invloed op (beperkt) kwetsbare objecten’ en ‘invloed op overige risicobronnen’ is een gecombineerde beoordelingsschaal opgesteld. De veiligheidsnormen zijn vastgelegd in besluiten (voor (beperkt) kwetsbare objecten), wettelijke normafstanden (voor (vaar/spoor)wegen) en adviesafstanden door beheerders (voor buisleidingen en hoogspanningsinfrastructuur). De ontwikkeling binnen normafstanden die vastgelegd zijn in besluiten en wetten zijn sterk negatief (--) beoordeeld, omdat deze leiden tot situaties met sterk negatieve effecten. Dit betekent dat bij een afstand minder dan ½ rotordiameter van een beperkt kwetsbaar object of de wettelijke normafstanden een sterk negatieve (--) beoordeling geldt. Deze beoordeling is niet toegekend in dit planMER, omdat deze afstanden als harde belemmering zijn uitgesloten. Een negatieve (-) beoordeling is van toepassing bij ligging binnen de adviesafstanden van beheerders (tabel 6.16). Op projectniveau dient hier een nadere overweging en/of onderzoek naar de daadwerkelijke belemmering plaats te vinden. Ligging buiten de adviesafstanden (PR10-6 van kwetsbare objecten en afstanden uit tabel 6.16) leidt tot een neutrale (0) beoordeling. De beoordelingsschaal in 6.17 beschrijft hoe invloed op (beperkt) kwetsbare objecten en overige risicobronnen wordt beoordeeld.

Tabel 6.17 Beoordelingsschaal invloed op (beperkt) kwetsbare objecten en overige risicobronnen Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

geen knelpunten aanwezig van externe veiligheidsrisico’s en zonder mitigerende maatregelen kan worden voldaan aan de afstandscriteria

0/-

licht negatief effect

niet van toepassing

-

negatief effect

de ontwikkeling vindt plaats binnen de adviesafstanden van beheerders van risicobronnen of objecten

--

sterk negatief effect

de ontwikkeling voldoet niet de normwaarden voor risicobronnen of objecten

90 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Invloed op Defensie, radar en luchtvaart In de ‘Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters’ zijn binnen het plangebied gebieden aangewezen voor gebruik door Defensie. Voor de in paragraaf 4.2.4 beschreven laagvliegterreinen geldt een minimale vlieghoogte van minimaal 30 m boven hindernissen, of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is. In de praktijk betekent dit dat ieder object hoger dan 30 m dat wordt gerealiseerd in de aanvliegroute een negatief effect heeft op de referentiesituatie. Voor de laagvliegroute VO geldt een minimum vlieghoogte van 75 m boven hindernissen. Daarnaast zijn er bouwhoogtebeperkingen in het aanvlieggebied rond vliegbasis Deelen. Verspreid over het plangebied bevinden zich nog diverse zweefvliegterreinen en helikopterplatforms. In dit planMER is geen sprake van een sterk negatieve (--) beoordeling voor het criterium invloed op Defensie, radar en luchtvaart. Ontwikkelingen binnen de laagvliegroute VO, laagvlieggebied Maas en Waal, het aanvlieggebied rond vliegbasis Deelen, de diverse zweefvliegterreinen en helikopterplatforms zijn onder voorwaarden wellicht wel mogelijk, bijvoorbeeld door een ontheffing of mitigerende maatregelen. Hoewel er hoogtebeperkingen gelden, is niet eenduidig in hoeverre deze belemmerend zijn voor de ontwikkeling van windturbines.

De hoogtebeperkingen zijn namelijk niet eenduidig geformuleerd. Gekozen is om uit te gaan van een licht negatief effect (0/-), waarbij geldt dat afstemming met de betrokken partijen over de mogelijkheden nodig is. De ontwikkeling van windturbines is binnen gebieden met een hoogtebeperking daardoor niet bij voorbaat uitgesloten en er is geen eenduidig negatief (-) effect van toepassing voor het huidige gebruik van de betreffende gebieden. De exacte mogelijkheden dienen per project bepaald te worden. Voor de militaire oefenterreinen en de munitieopslagplaats geldt in principe een negatieve (-) beoordeling. Omdat deze locaties volledig binnen de zone van 1 km rond de Veluwe, is deze beoordeling in dit planMER niet gegeven. Ten aanzien van radarverstoring geldt dat het gehele plangebied een maximale bouwhoogte van 90 m geldt. Middels een radartoets kan worden aangetoond dat hiervan kan worden afgeweken. Dit dient op projectniveau beschouwd te worden. Omdat de bouwhoogtebeperking vanuit radarverstoring in het gehele plangebied gelijk is, is dit aspect niet onderscheidend voor dit planMER. Daarom worden de alternatieven voor windturbines hierop niet beoordeeld. Op projectniveau is dit echter wel relevant en zal dit onderzocht moeten worden. Tabel 6.18 toont de beoordelingsschaal voor invloed op Defensie en luchtvaart.

Tabel 6.18 Beoordelingsschaal invloed op Defensie en luchtvaart Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt niet of slechts beperkt tot effecten ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

licht negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt mogelijk tot een negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie voor Defensie door ligging in laagvlieggebied, aanvlieggebieden en de laagvliegroute VO

-

negatief effect

de ontwikkeling zorgt voor een beperking ten aanzien van het huidige gebruik. In afstemming kunnen hier mogelijk wel windturbines worden ontwikkeld.

--

sterk negatief effect

niet van toepassing

91 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

6.3.5

Leefomgeving

Overschrijding geluidsnorm op geluidsgevoelige objecten (gebruiksfase) Windturbines Windturbines maken geluid. Dit geluid is grotendeels afkomstig van de bewegende delen (zoals de rotorbladen) die door de wind worden aangedreven. Een kleiner deel van het geluid wordt veroorzaakt door de aandrijving. Dit kan zorgen voor geluidhinder op gevoelige functies, zoals woningen. In een modelstudie naar geluid is een situatie onderzocht met een aantal windturbines in lijnopstelling op een willekeurige locatie in het plangebied. Hiermee kan de geluidhinder worden bepaald die is gebruikt bij het uitvoeren van de onderzoeken. Bij de windturbines in lijnopstelling speelt cumulatie van geluid tussen de windturbines onderling een rol, waardoor de contourafstand1 groter wordt. Bij de lijnopstelling is een scenario doorgerekend met vier windturbines met een tussenafstand van drie keer de rotordiameter (3D). Dit is de minimale afstand die de windturbines uit elkaar moeten staan, en levert voor geluid een maximale contourafstand op. Het geluid van de windturbines onderling beïnvloeden elkaar dan het sterkst, waardoor het cumulatieve effect het grootst is, dit levert een worst-case scenario op. De bodemfactor in het model is ingesteld op halfzacht, half hard (B=0,5). Dit betekent dat er uitgegaan wordt van een oppervlakte met 50 % landbouwgrond en natuur, en 50 % stedelijk gebied en water.

Voor de windverdeling van de windturbines is uitgegaan van de KNMI-windgegevens voor het zoekgebied. Tabel 6.19 toont de specificaties van de windturbines die gebruikt zijn voor het bepalen van de afstanden.

Tabel 6.19 Specificaties van de 120 m en 166 m windturbine 120 m windturbine

166 m windturbine

Nordex N117

Enercon E-160

vermogen (MW)

3,6

5,5

ashoogte (m)

120*

166**

rotordiameter (m)

116,8

160

maximale geluidemissie (dB)

105***

107,0***

naam

*

Deze windturbine is leverbaar met een ashoogte tussen de 76 en 141 m, gekozen is voor een ashoogte van 120 m.

**

Deze windturbine is leverbaar met een ashoogte tussen de 120 en 166 me, gekozen is voor de maximale ashoogte van 166 m.

*** Inclusief trailing edge serrations, toevoeging aan het blad van een windturbine waardoor minder geluid produceren.

Van de 120 m en 166 m windturbines is de maximale afstand tot de 47 dB Lden2 contour bepaald. Dit is gedaan in Geomilieu versie 5.20. Geomilieu is een softwarepakket voor het berekenen, presenteren, beoordelen en het voorspellen van onder andere geluidshinder. De genoemde 47 dB Lden is de grenswaarde die geldend was vanuit het Activiteitenbesluit. Deze grenswaarde bepaalt de afstand die tussen een windturbine en een gevel moet zitten om aan de geluidnorm te voldoen. Wordt een windturbine dichterbij geplaatst, dan is de geluidbelasting te hoog en voldoet deze niet. Deze norm biedt voldoende bescherming tegen laagfrequent geluid (zie kader).

1

De contourafstand is de afstand rond de windturbine(s) waar de geluidseffecten waarneembaar zijn.

2

Lden staat voor Level day, evening, night, ofwel het tijdgewogen jaargemiddelde geluidniveau in de dag-, de avond- en de nachtperiode. ’s Avonds geldt er een correctie van +5 dB en ‘s nachts van +10 dB (Lnight). Er is gekozen voor deze weging om recht te doen aan de omstandigheden. ’s Avonds en ’s nachts zijn mensen vaker in rust, is het omgevingsgeluid minder, maar waait het vaak harder. Daarom wegen de avond en de nacht zwaarder mee dan de dag.

92 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Laagfrequent geluid Een gedeelte van het geluid dat windturbines produceren heeft een frequentie van 4-125 Hz en wordt daarom geclassificeerd als laagfrequent geluid. Laagfrequent geluid is geluid dat zich in het grensgebied tussen normaal hoorbaar en onhoorbaar geluid bevindt. In de discussie rondom windturbines en gezondheid wordt vaak de vraag gesteld of laagfrequent geluid van windturbines effecten kan hebben op de menselijke gezondheid. Het laagfrequente geluid van windturbines is vergelijkbaar met andere bronnen van geluid, zoals verkeer (Factsheet RIVM 20211). Infrageluid van windturbines is niet sterker dan infrageluid van andere bronnen, zoals wegverkeer en wind en in de praktijk meestal ook niet hoorbaar. Voor laagfrequent geluid zijn hinder en mogelijk slaapverstoring gevonden als gezondheidseffecten, maar er zijn geen aanwijzingen dat laagfrequent geluid en infrageluid andere effecten hebben op omwonenden dan gewoon geluid. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van het RIVM dat de normen van 47 dB en 45 dB voldoende rekening houden met laagfrequent geluid. In dit planMER worden de effecten van de plaatsingszones met betrekking tot laagfrequent geluid daarom ook niet specifiek onderzocht. De contouren zijn in het onderzoek geprojecteerd op de geluidsgevoelige bestemmingen.

Dit zijn de volgende gebouwen: - woningen; - stand- en ligplaatsen (woonboten, stacaravans); - gebouwen met een gezondheidszorgfunctie; - gebouwen met een onderwijsfunctie. In tabel 6.20 staan de bepaalde contourafstanden van de referentieturbines.

Tabel 6.20 Bepaalde contourafstanden van de 120 m en 166 m windturbine Omschrijving

Afstand in [m] Lijnopstelling

47 dB Lden, 120 m windturbine

340

47 dB Lden, 120 m windturbine, inclusief 3 dB mitigatie

210

47 dB Lden, 166 m windturbine

620

47 dB Lden, 166 m windturbine, inclusief 3 dB mitigatie

385

Voor dit planMER is uitgegaan van een relatief stille 120 m windturbine, waarmee de geluidscontouren relatief beperkt in omvang zijn. Er bestaat hierdoor het risico dat bij uiteindelijke projectrealisatie onvoldoende keus in te plaatsen windturbines resteert, omdat kan blijken dat de zoekgebieden minder ruimte bieden dan verwacht op grond van dit planMER. Dit wordt onderschreven door de Cie-m.e.r. in haar advies. Dit planMER wil echter ook de maximaal beschikbare ruimte in beeld brengen en daarnaast worden nieuwe windturbines steeds stiller. Hierdoor sluit het toepassen van de contouren uit tabel 6.20 aan bij het doel en schaalniveau van het planMER. Op projectniveau is nadere invulling van een gebied aan de hand van nog te bepalen normen noodzakelijk. In paragraaf 6.4.3 is daarnaast weergegeven wat de effecten zijn van het toepassen van strengere geluidsnormen, namelijk 40, 45 en 47 dB Lden, en dus grotere geluidscontouren en het alternatief Leefomgeving hanteert een afstand van 700 m rond geluidsgevoelige objecten. Ondanks dat er geen geldende normen zijn voor geluid, wordt in dit planMER een waardeoordeel toegekend aan de geluidbelasting. Hierbij wordt aangesloten bij de normen uit het Activiteitenbesluit. Bij concrete 1

RIVM (2021). Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid, geraadpleegd via https://www.rivm.nl/sites/default/files/2021-08/Factsheet-windturbines.pdf.

93 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

ontwikkelingen dient een lokale afweging plaats te vinden of kan aangesloten bij de nieuwe windturbinenormeringen die op dat moment landelijk van toepassing zijn en volgen uit het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving. Een sterk negatieve beoordeling (--) is in dit planMER niet van toepassing, omdat is uitgegaan van een minimale afstand van 210 m (120 m windturbine) en 385 m (166 m windturbine) als harde belemmering. Dit is de voor dit planMER berekende 47 dB Lden contour inclusief 3 dB mitigatie. Uitgaande van deze normering is er geen zoekruimte binnen 210 m of 385 m van geluidgevoelige objecten. Wel is een negatieve (-) beoordeling van toepassing. Hiervan is sprake bij ligging in de 47 dB contour, zonder mitigatie. Dit zijn dus locaties die liggen binnen het gebied tussen de 210 m en 340 m (120 m windturbines) en binnen het gebied tussen de 385 en 620 m (166 m windturbines) van geluidsgevoelige bestemming. Mitigerende maatregelen zijn hierbij een vereiste. Een licht negatieve (0/-) beoordeling is niet van toepassing, omdat voor dit planMER het uitgangspunt van de beoordeling de 47 dB Lden contour is gehanteerd. Paragraaf 6.4.3 toont de effecten van een strengere geluidsnorm. Tabel 6.21 toont de beoordelingsschaal voor geluidbelasting op gevoelige bestemmingen.

Tabel 6.21 Beoordelingsschaal geluidbelasting op gevoelige bestemmingen door windturbines Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot geluidbelasting boven de norm

0/-

licht negatief effect

niet van toepassing

-

negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op de leefomgeving door windturbines ten opzichte van de referentiesituatie door geluidbelasting boven de 47 dB op geluidsgevoelige bestemmingen, mitigerende maatregelen zijn mogelijk

--

sterk negatief effect

niet van toepassing

Zonneveld Voor wat betreft geluid van zonnevelden zijn over het algemeen alleen de bijbehorende omvormers en transformatoren relevant. De zonnepanelen zelf zijn geen bron van geluid. Voor het geluid van de omvormers en transformatoren biedt de VNG-brochure ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’ inzicht in de minimaal aan te houden afstand tot geluidsgevoelige bebouwing. In de uitgave valt dit onder de activiteit ‘electriciteitsdistributiebedrijven, met een transformatorvermogen’. Tabel 6.22 toont de aan te houden richtafstanden per aansluitvermogen.

Tabel 6.22 Aanbevolen richtafstanden per aansluitvermogen en omgevingstypering Omgevingstypering Aansluitvermogen

Rustige woonwijk

Gemengd gebied

<= 10 MVA (15 ha)

30 m

10 m

10-100 MVA

50 m

30 m

De tabel toont de geadviseerde minimale afstand tot geluidsgevoelige bebouwing. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn gebaseerd op een rustige woonwijk, maar zijn ook voor een gemengd gebied toepasbaar. De tabel laat zien dat voor een aansluitvermogen tot 10 MVA een minimale afstand van 30 m (vanaf de grens van het terrein) zou moeten worden aangehouden in een rustige omgeving. Voor een drukker gebied kan in dit voorbeeld een kleinere afstand, van 10 m, worden aangehouden. Dan is de geluidnorm voor een goede ruimtelijke ordening namelijk minder streng (50 in plaats van 45 dB(A) etmaalwaarde). In dit stadium is nog niets bekend over een gewenste parkgrootte of beoogde capaciteit. In

94 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

een inpassingsfase kan rekening gehouden worden met de geluidbelasting van zonnevelden door geluidproducerende onderdelen van zonnevelden op grotere afstand van bebouwing te plaatsen. In dit planMER is geen sprake van een sterk negatieve beoordeling (--). Er is geen wet- en regelgeving rondom zonnevelden en leefomgeving. Een negatieve beoordeling (-) wordt gegeven aan gebieden met afstand van maximaal 30 m tot gevoelige bestemmingen. Voor overige geluidsgevoelige bestemmingen als gezondheidscentra of onderwijsgebouwen is dit niet het geval. Van een licht negatieve (0/-) beoordeling is sprake als een geluidsgevoelige bestemming binnen 30-50 m ligt (zie ook tabel 6.23). Uitgangspunt hierbij is een aansluitvermogen van 10-100 MVA en ligging in een rustige woonwijk.

Tabel 6.23 Beoordelingsschaal geluidbelasting op gevoelige bestemmingen door zonnevelden Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een negatief effect op de leefomgeving ten opzichte van de referentiesituatie door zonnevelden op meer dan 50 m van een geluidsgevoelige bestemming

0/-

licht negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een licht negatief effect op de leefomgeving ten opzichte van de referentiesituatie door zonnevelden binnen 30 - 50 m van een geluidsgevoelige bestemming

-

negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op de leefomgeving ten opzichte van de referentiesituatie door zonnevelden binnen 30 m van een geluidsgevoelige bestemming

--

sterk negatief effect

niet van toepassing

6.3.6

Gebruiksfuncties

Invloed op ruimtegebruik De opwek van duurzame energie leidt tot ruimtebeslag, waardoor de ontwikkeling van wind- en zonneenergie kan leiden tot oppervlakteverlies voor andere gebruiksfuncties. De invloed op het ruimtegebruik is onderzocht in een kwalitatieve analyse. Voor ruimtegebruik geldt dat hoofdzakelijk de keuze voor windturbines of zonnevelden bepalend is voor het ruimtebeslag. De locaties zijn beperkt van invloed op de effecten, tenzij de voorgenomen ontwikkelingen zijn gepland in bijvoorbeeld recreatiegebieden of op (geschikte) woningbouwlocaties. Afhankelijk van de locatie kunnen windturbines en zonnevelden wel invloed hebben op deze functies. In de effectanalyse worden de volgende gebruiksfuncties beschouwd: - recreatiefunctie (recreatieve gebieden en verbindingen); - agrarische functie (akkerland, (glas)tuinbouw, grasland). In de effectanalyse voor ruimtegebruik is enkel gekeken naar ruimtebeslag op bovenstaande gebruiksfuncties. Woon- en werkfuncties zijn niet beschouwd, omdat deze op basis van de harde belemmeringen al zijn uitgesloten en hiermee geen onderdeel zijn van de alternatieven. Effecten door bijvoorbeeld (geluid)hinder zijn beschouwd onder leefomgeving. Het gebruik van het gebied voor natuur is al meegenomen bij natuur en de verkeersfunctie is opgenomen bij veiligheid.

Voor de beoordeling van het criterium ruimtegebruik is het belangrijk om te benoemen dat het criterium ‘invloed op ruimtegebruik’ niet bij voorbaat vanuit milieuperspectief niet haalbaar is. Dit onderzoek brengt slechts in beeld wat de effecten zijn. Daarnaast bestaan er voldoende maatregelen voor dubbel ruimtegebruik. Er is daarom niet sprake van een sterk negatieve (--) beoordeling.

95 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Wel geldt een negatieve (-) beoordeling bij de ontwikkeling van zonnevelden op gronden met een recreatieve functie en gronden die in gebruik zijn ten behoeve van akkerbouw en (glas-)tuinbouw. Voor ontwikkelingen op grasland geldt een licht negatieve (0/-) beoordeling, omdat hier kansen zijn voor multifunctioneel ruimtegebruik, bijvoorbeeld door dieren te laten grazen onder de zonnepanelen. Voor windturbines geldt een licht negatieve (0/-) beoordeling voor gronden met een recreatieve functies. Voor ontwikkeling op agrarische functies geldt een neutrale (0) beoordeling. Dit komt omdat het ruimtegebruik beperkt is en het huidige gebruik veelal grotendeels kan worden voortgezet. Dit criterium kan worden beoordeeld met hulp van de beoordelingsschaal in tabel 6.23.

Tabel 6.23 Beoordelingsschaal invloed op ruimtegebruik Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

beperkt oppervlakteverlies voor bestaande gebruiksfuncties

0/-

licht negatief effect

oppervlakteverlies is beperkt en/of er zijn kansen voor multifunctioneel ruimtegebruik

-

negatief effect

grote mate van oppervlakteverlies en/of verloren gaan van huidige gebruiksfuncties

--

sterk negatief effect

niet van toepassing*

* Gebruiksfuncties zijn niet wettelijk beschermd, waardoor gebieden op basis van het criterium ‘invloed op gebruiksfuncties’ niet bij voorbaat niet haalbaar zijn vanuit milieuperspectief.

6.4

Niet-maatgevende effecten

Deze paragraaf beschrijft de milieueffecten van criteria die in paragraaf 6.2 als ‘niet-maatgevend’ zijn aangemerkt. Dit zijn criteria die met name voor de verdere uitwerking van projecten kunnen leiden tot aandachtspunten. De aandachtspunten zijn vooral van invloed op de keuze tussen windturbines en zonnevelden en zijn beperkt van invloed op de uiteindelijke locatiekeuze. De effecten op de nietmaatgevende criteria zijn in dit planMER niet beoordeeld, omdat de effecten op deze criteria naar verwachting niet leiden tot een risico voor de uitvoerbaarheid. Er zijn hiervoor over het algemeen namelijk (voldoende) maatregelen beschikbaar om effecten op deze criteria te voorkomen of beperken.

6.4.1

Effectanalyse bodemkwaliteit

Invloed op bodemkwaliteit Op grond van de Wet bodembescherming (Wbb) dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. De Wbb is erop gericht bodemkwaliteit te waarborgen of te verbeteren indien nodig. De wet schrijft voor dat eenieder die de bodem verontreinigt verplicht is maatregelen te nemen om deze verontreiniging tegen te gaan. Eventuele aanwezige (spoedeisende) gevallen van bodemverontreiniging binnen het zoekgebied moeten volgens de Wbb gesaneerd of beheerd worden. Verspreiding van een verontreiniging kan bijvoorbeeld plaatsvinden via stroming van grond- en oppervlaktewater. Wanneer sprake is van een te hoge concentratie van een bepaalde stof, maar niet aangetoond kan worden dat het risico van verspreiding aanwezig is, dient sanering uitgevoerd te worden bij nieuwe ontwikkelingen in het gebied. Dit geldt zowel voor de bouw van windturbines als zonnevelden. Aangezien het wettelijk niet is toegestaan de kwaliteit van de bodem te verslechteren en/of verontreiniging zonder meer te verplaatsen of verspreiden, is geen sprake van een negatieve beïnvloeding van de bodemkwaliteit. Daarmee draagt dit criterium niet bij aan het in beeld brengen van onderscheidende aspecten die ten grondslag liggen aan de locatiekeuze of een keuze voor een techniek.

96 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Chemische en fysische kwaliteit van de bodem In dit planMER worden de chemische, fysische en biologische kwaliteit van de bodem niet beoordeeld. De volgende onderdelen zijn bij de uitwerking van plannen echter wel relevant om te beschouwen, maar zorgen op het regionale schaalniveau van dit planMER niet voor onderscheidende effecten. Daarom worden hieronder kort de aandachtspunten benoemd. Chemische kwaliteit: - afspoeling of uitloging van gebruikte materialen, bijvoorbeeld zink van de draagconstructie van zonnepanelen; - invloed op reeds aanwezige bodemverontreiniging, bijvoorbeeld bij het doorboren van afdichtende bodemlagen. Fysische en biologische kwaliteit: - zettingen en verdichting van de bodem, bijvoorbeeld door het gebruik van zwaar materieel bij de aanleg (zie volgende paragraaf ‘zettingen’); - achteruitgang gehalte humus, diverse mineralen en de biodiversiteit door onvoldoende licht, lucht en water. Achteruitgang treedt op als de bodem chemisch en fysisch niet in goede conditie is. Om te zorgen voor een goed functionerende bodem na het verwijderen van de windturbines en zonnevelden dient de chemische, fysische en biologische kwaliteit zoveel mogelijk in stand gehouden te worden tijdens de aanleg-, gebruiksen verwijderingsfase.

Bodemkwaliteit bij toekomstige ontwikkelingen Wel dient ter voorbereiding van de uitvoering van een initiatief inzicht verkregen te worden in (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreinigingen. Hierbij gelden de volgende, algemene, aandachtspunten: - indien ook daadwerkelijk grondroerende werkzaamheden ter plaatse van deze locaties plaatsvinden, dan is de kans aanwezig dat er sanerende werkzaamheden moeten plaatsvinden, hetgeen de bodemkwaliteit doet verbeteren. Grondroerende werkzaamheden zijn in ieder geval te verwachten voor: · de fundering van windturbines (graafdiepte van 5 m onder maaiveld), heipalen voor windturbines (tot 30 m diep op land); · de fundering van zonnevelden (circa 0,30 m-mv); - om een beter beeld te krijgen van de actuele bodemkwaliteit in een volgende fase is inzage van beschikbare rapportages aan te raden. Voor de verdachte locaties binnen zoekgebieden voor wind en zon wordt een historisch vooronderzoek geadviseerd om uit te voeren conform NEN 5725 en als op basis daarvan aanleiding is voor vervolgonderzoek is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk conform de NEN 5740; - vanuit milieuperspectief is bodemkwaliteit niet bepalend voor de keuze van een locatie en/of techniek, omdat effecten door sanering volledig te voorkomen zijn en omdat bij sanering zelfs sprake is van een verbetering van de bodemkwaliteit.

Het aantreffen van (grootschalige) bodemverontreinigingen brengt wel een risico voor planning en kosten met zich mee. Risico op zettingen Zettingen kunnen optreden als gevolg van ingrepen in de bodem/ondergrond. Bovengrondse en ondergrondse constructies kunnen, indien zwaarder dan de omliggende lithologie, tot zettingen leiden. Ook een aanpassing in de dominante bodemopbouw kan (op termijn) leiden tot zettingen. Omgekeerd kunnen zettingen ook leiden tot negatieve gevolgen aan boven- en ondergrondse functies. Dit kan onder meer effecten hebben op de waterbergingscapaciteit van de bodem. Dit criterium draagt niet bij aan het in beeld brengen van onderscheidende aspecten die ten grondslag liggen aan de locatiekeuze of een keuze voor een techniek Gevoeligheid van bodemtypen Het risico op zettingen houdt sterk verband met de lithologische samenstelling van de bodem, waar in meer of mindere mate druk op wordt uitgeoefend. Hierbij zijn textuur, structuur en het watergehalte van de grond belangrijke parameters. Door lucht en water uit poriënruimte te persen (consolidatie) klinkt de grond in. Veen is zeer gevoelig voor zetting, aangezien dit veel water en lucht bevat (groot volume dat makkelijk kan

97 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

worden samengedrukt). Klei en zand zijn aanmerkelijk beter bestand tegen zetting, waarbij geldt dat zand vanwege de gunstige textuur en structuur en een laag watergehalte (water stroomt makkelijk weg uit de poriën tussen zandkorrels) het minst gevoelig is voor zetting. In paragraaf 4.2.5 is een kaart opgenomen met de bodemtypen in de regio (afbeelding 4.23). Uit bovenstaande beschrijving volgen de volgende algemene aandachtspunten voor het risico op zettingen die relevant zijn voor de uitwerking van eventuele projecten in de regio: - er wordt aanbevolen om zettingsgevoelige gebieden (zoals klei en veen) zo veel mogelijk te vermijden bij de locatiekeuze van windturbines. Als zettingsgevoelige gronden niet kunnen worden vermeden dan is het mogelijk om de effecten te mitigeren. Met mitigerende maatregelen kan een stabiele bodem worden gecreëerd door voorbelasting. Voorbelasting houdt een kunstmatige inklinking in door het verwijderen van de zettingsgevoelige laag en het toevoegen van een zandlaag. De creatie van een stabiele bodem zorgt voor het volgende risico: · ontstaan van heterogene zettingen waardoor kabels moeilijker kunnen worden geplaatst door het hoogteverschil. Kabels kunnen dan worden geplaatst in een zandbed.

Een zandbed heeft ook als voordeel dat de kabels hun warmte beter kunnen afgeven; - zonnevelden zijn mogelijk op zettingsgevoelige gebieden, omdat de risico op zettingen laag is.

6.4.2

Effectanalyse grondwater

Risico op verzilting In het NRD is het risico op verzilting opgenomen als niet-maatgevend criterium in het beoordelingskader. Verzilting is de toename van het zoutgehalte in de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater. De beschikbaarheid van zoet grond- en oppervlaktewater is van belang voor gebruiksfuncties zoals landbouw, industrie, drinkwater en natuur. Verzilting komt voornamelijk voor in het westen en noorden van Nederland, waar zout water vanuit de zee of via kwel aan de oppervlakte komt. Door de ligging van het plangebied op grote afstand tot zoutwaterbronnen is verzilting naar verwachting geen risico bij de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden. Daarom is dit criterium niet bepalend voor de locatiekeuze of keuze voor wind- of zonne-energie

6.4.3

Effectanalyse leefomgeving

Geluidgehinderden Hoewel de vergunbaarheid bij dit criterium op dit moment nog geen rol speelt, bieden de geluidscontouren behorende bij normen lager dan 47 dB Lden (‘onder de norm’) toch inzicht. Dit is te meer relevant, omdat de geluidscontouren aangepast kunnen worden naar aanleiding van de resultaten uit het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving. Het criterium normoverschrijding geeft het speelveld aan waarbinnen gezocht moet worden om hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Dit criterium geeft dus nadere informatie over de locaties waar de geluidseffecten op de omgeving het kleinste zijn. Het onderzoek richt zich op windturbines. Analyse geluidgehinderden door windturbines Dit criterium hanteert als uitgangspunt de 40 en 45 dB Lden geluidscontour. Daarnaast is ook de 47 dB Lden contour in beeld gebracht die van toepassing is zonder mitigerende maatregelen. Bij de 40 dB Lden is circa 1 % van de bevolking ernstig gehinderd, volgens onderzoek van RIVM1. Dit is dus de geluidbelasting waarbij de kans op hinder zeer klein is (‘onder de norm’). De berekeningen in deze paragraaf tonen de volgende contouren middels een voorbeeldsituatie: - 40 dB Lden contour van de 120 m windturbine in lijnopstelling; - 40 dB Lden contour van de 166 m windturbine in lijnopstelling.

1

Rapportage ‘Windturbines: invloed op de beleving van gezondheid van omwonenden - GGD informatieblad medische milieukunde (update 2013), met kenmerk 200000001/2013 door Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

98 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

De 45 dB Lden ís afkomstig van de advieswaarden van de WHO-richtlijnen. De berekeningen in deze paragraaf tonen de volgende contouren middels een voorbeeldsituatie: - 45 dB Lden contour van de 120 m windturbine in lijnopstelling; - 45 dB Lden contour van de 166 m windturbine in lijnopstelling. De contouren van de 40, 45 en 47 dB Lden reiken een stuk verder dan de 47 dB Lden contouren (met 3 dB mitigatie, zie paragraaf 7.5). Overeenkomstig de methodiek bij normoverschrijding, is voor het criterium geluideffecten onder de norm de contourafstanden naar de 40, 45 en 47 dB Lden contour berekend. Hiervoor zijn de referentieturbines uit tabel 6.18 als uitgangspunt gebruikt. Tabel 6.24 beschrijft de resultaten van windturbines in lijnopstelling.

Tabel 6.24 Berekende 40, 45 en 47 dB contourafstanden van de 120 m en 166 m windturbine in lijnopstelling Omschrijving

Afstand [m] Lijnopstelling

40 dB Lden, 120 m windturbine

800

40 dB Lden, 166 m windturbine

1.315

45 dB Lden, 120 m windturbine

450

45 dB Lden, 166 m windturbine

800

47 dB Lden, 120 m windturbine

340

47 dB Lden, 166 m windturbine

620

Tabel 6.24 laat zien dat de 40 dB Lden contour van een 120 m windturbine op circa 800 m ligt. Voor een grotere windturbine is deze afstand 1.315 m. Onderstaande afbeelding 6.2 toont de berekende 40 dB Lden contouren van een lijnopstelling op een indicatieve locatie in Arnhem. Deze afbeelding is slechts bedoeld om een beeld te geven van de schaalgrootte van de contouren.

99 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

Afbeelding 6.2 40 dB Lden contourafstanden 120 m en 166 m windturbines in lijnopstelling op indicatieve locatie in Arnhem

Afbeelding 6.3 geeft de geluideffecten onder de norm weer voor het plangebied voor 40 dB Lden. De geluidscontouren zijn in deze afbeelding om geluidsgevoelige objecten gelegd. De gebieden die niet grijs zijn ingekleurd zijn gebieden waar windturbines geplaatst kunnen worden zonder een negatief effect te veroorzaken op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor 166 m windturbines (afbeelding 6.3b) betreft dit een gebied aan de oostkant van de Veluwe. Voor 120 m windturbines (afbeelding 6.3a) geldt dit eveneens, daarnaast zijn verspreid over het plangebied kleine gebieden aanwezig waar windturbines minimale geluidbelasting (maximaal 40 dB) veroorzaken op geluidsgevoelige bestemmingen.

100 | 208

Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=41e79a33-bc2b-4756-aeb1-3d72d68468a2