Minima-effectrapportage gemeente Rheden 2025 - DEFINITIEF (2)
Tekst van het document
Minima-effectrapportage gemeente Rheden 2025 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Corinne van Gaalen, Nouschka Veerman
30 april 2025
Minima-effectrapportage gemeente Rheden 2025
De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Auteurs Corinne van Gaalen Nouschka Veerman
Nibud, 30 april 2025 In opdracht van de gemeente Rheden
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor het publiek (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.
Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Rheden. Met dit onderzoek wil de gemeente Rheden inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, april 2025
Samenvatting Doel en opzet onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat de invloed is van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Rheden. In dit onderzoek is voor tien verschillende huishoudtypen op vijf verschillende inkomensniveaus (100, 110, 120, 125 en 150 procent van het wettelijk sociaal minimum) doorgerekend hoe hun maandbegrotingen eruitzien. De maandbegrotingen zijn opgebouwd uit een basispakket aan minimaal onvermijdbare uitgaven, aangevuld met een pakket met uitgaven voor sociale participatie. In de begrotingen hebben we rekening gehouden met de volgende lokale regelingen: de kwijtschelding van lokale lasten; de collectieve aanvullende zorgverzekering; de Gelrepas; vergoedingen via Stichting Leergeld; de Individuele Inkomenstoeslag. In de begrotingen zijn alle bovengenoemde gemeentelijke voorzieningen verwerkt, zodat duidelijk wordt wat de bestedingsruimte is van de diverse huishoudtypen wanneer zij van al deze voorzieningen gebruik maken. Daarnaast hebben we ook doorgerekend wat de mogelijke gevolgen zijn voor minimahuishoudens van de voorgenomen bezuinigingen op de IIT, de Gelrepas en het afschaffen van de collectieve zorgverzekering per januari 2026.
Resultaten De financiële situatie van huishoudens Inclusief gemeentelijke voorzieningen hebben alle onderzochte huishoudens op de vijf onderzochte inkomensniveaus voldoende inkomsten om alle noodzakelijke uitgaven, inclusief sociale participatie, te betalen zonder dat er tekorten ontstaan. Paren zonder kinderen (onder de AOW-leeftijd) waarvan een van de partners een spierziekte heeft hebben een zeer lage bestedingsruimte van € 32. Mochten deze huishoudens (al dan niet onverwacht) met persoonlijk onvermijdbare kosten te maken krijgen, dan zal dit al snel tot tekorten op de begroting leiden. In dit onderzoek is tevens gekeken naar de bestedingsruimte van huishoudens wanneer de gemeente Rheden enkele bezuinigingsmaatregelen doorvoert. Concreet gaat het om de volgende voorstellen: • De collectieve zorgverzekering: deze vervalt per 1 januari 2026; • De GelrePas: de inkomensgrens voor volwassenen zal worden teruggebracht van 120 procent naar 100 procent. Voor kinderen blijft de grens op 150 procent; • De IIT: de inkomensgrens wordt verlaagd van 110 procent naar 100 procent en de referteperiode wordt verlengd van drie naar vijf jaar.
In onderstaande tabel is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen weergegeven in zowel de huidige situatie als in de situatie waarin de bezuinigingen zijn doorgevoerd. (Let op: Hierbij hebben we gebruik gemaakt van de cijfers van 2025, terwijl de bezuinigingen pas per 1 januari 2026 in zouden gaan.) Na het doorvoeren van de bezuinigingen zouden de meeste huishoudtypen de maandbegroting rond kunnen krijgen. Uitzondering is het paar waarvan een van de partners een zorgvraag (spierziekte) heeft. Door de extra zorgkosten wordt de bestedingsruimte negatief. Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s exclusief IIT, huidige situatie en na bezuinigingen Huidige Situatie
Na bezuinigingen
Huishoudtype
100
110
120
125
150
100
110
120
125
150
01. alleenstaande tot AOW-leeftijd
110
140
275
326
607
111
124
259
326
607
02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd
369
397
535
577
793
370
388
526
577
793
03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen
123
198
369
382
551
124
166
337
382
551
04. paar vanaf AOWleeftijd zonder kinderen
423
447
604
649
918
424
427
584
649
918
05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen
537
417
451
492
668
538
402
436
492
668
06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen
330
338
473
452
788
331
322
457
452
788
07. paar met 2 jonge kinderen
357
422
593
594
738
358
390
561
594
738
08. paar met 2 oudere kinderen
175
240
411
353
496
176
208
379
353
496
09. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg
254
310
419
405
550
222
264
373
405
550
10. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen met zorg
32
106
275
212
302
-18
23
192
212
302
Armoedeval Van een armoedeval is sprake als een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). In de gemeente Rheden zien we een uitstroomval bij de eenoudergezinnen met jonge kinderen: op 110 procent is de bestedingsruimte lager dan op bijstandsniveau. Deze uitstroomval wordt vooral veroorzaakt door werkgerelateerde kosten (vervoer en kinderopvang). Ook alleenstaanden met oudere kinderen hebben met werkgerelateerde kosten te maken, maar niet met kosten voor kinderopvang. Verder heeft dit huishouden op 110 procent geen recht meer op kwijtschelding van lokale belastingen. Alles bij elkaar heeft dit huishouden niet te maken met een uitstroomval, maar de bestedingsruimte is op
110 procent slechts € 8 hoger dan op bijstandsniveau. Als volgend jaar de bijdrage vanuit de Gelrepas op 110 procent wegvalt (doordat de inkomensgrens voor volwassenen verschuift naar 100 procent), wordt ook bij de alleenstaande met oudere kinderen een armoedeval zichtbaar op 110 procent. Overigens zien we ook bij de andere onderzochte huishoudtypen dat de bestedingsruimte op 110 procent niet evenredig toeneemt met het netto inkomen. Ook hier zijn het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en werkgerelateerde kosten de oorzaak. Als in 2026 de inkomensgrens van de Gelrepas verlaagd zou worden naar 100 procent, wordt het verschil in bestedingsruimte tussen bijstandsniveau en 110 procent van de norm nog kleiner. Bij het eenoudergezin met oudere kinderen, het paar met oudere kinderen en bij de huishoudens met een zorgvraag is op 125 procent een doorstroomval zichtbaar. Bij de huishoudens met oudere kinderen wordt dit voornamelijk veroorzaakt door het wegvallen van vergoedingen vanuit de GelrePas (voor volwassenen) en vanuit de Stichting Leergeld. Bij de huishoudens met een zorgvraag speelt het wegvallen van vergoedingen voor zorgkosten de grootste rol. Voor paren geldt bovendien dat enkele landelijke toeslagen worden afgebouwd.
Positieve aspecten De gemeente Rheden kent voor alle soorten huishoudens verschillende vormen van inkomensondersteuning die een positief effect hebben op de bestedingsruimte van de inwoners. De gemeente zet sterk in op de ondersteuning van kinderen: Vanuit de Stichting Leergeld zijn diverse vergoedingen mogelijk, onder andere voor schoolgerelateerde kosten en (sport)kleding. Dit is een extra stimulans om kinderen deel te laten nemen aan sportieve en culturele activiteiten. Met de GelrePas creëert de gemeente Rheden extra ruimte op de begroting voor deelname aan maatschappelijke en recreatieve activiteiten. Dit heeft een positief effect op de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen en het vergroot de kans dat huishoudens met een laag inkomen blijven participeren in de samenleving. Bovendien zijn meerdere regelingen gekoppeld aan de GelrePas; eenmaal in het bezit van zo’n pas maakt dit de aanvraag van verschillende regelingen gemakkelijker. Voor personen met een zorgvraag kent de gemeente Rheden diverse vergoedingen, vanuit de bijzondere bijstand (voor extra waskosten en extra kosten vanwege kledingslijtage ), de Wmo (vervoer) en de collectieve zorgverzekering (eigen bijdrage Wmo en eigen betalingen medicijnen). Hiermee blijven de extra kosten als gevolg van de zorgvraag beperkt voor chronisch zieken in de gemeente.
In de gemeente Rheden kunnen huishoudens onder de AOW-leeftijd met een inkomen op bijstandsniveau in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag. Daarbij is het positief dat de gemeente Rheden bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag rekening houdt met de gezinssamenstelling.
Aanbevelingen De berekening van de bestedingsruimte van de voorbeeldhuishoudens in dit onderzoek is gebaseerd op een drietal voorwaarden. 1. Men moet zeer goed met geld kunnen omgaan; 2. Men moet alle inkomensondersteuning aanvragen waar men recht op heeft; 3. Men moet niet of zeer beperkt te maken hebben met persoonlijk onvermijdbare uitgaven. Dit geldt voor bijvoorbeeld huishoudens met een hogere huur dan hier opgenomen, en voor mensen met een noodgedwongen hogere energierekening, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een slecht geïsoleerde woning. De conclusies van dit rapport moeten met die voorwaarden in het achterhoofd geïnterpreteerd worden. Kijkend naar de voorwaarden kan gesteld worden dat er heel veel verwacht wordt van huishoudens met een laag inkomen. Op basis van deze voorwaarden en de resultaten van het rapport, heeft het Nibud de volgende aanbevelingen voor de gemeente Rheden: • • • • • • • • • • •
Houdt oog voor het verhaal achter de cijfers Stimuleer goed financieel beheer Verminder niet-gebruik regelingen Help energielasten verlagen Zorg voor een goed alternatief voor de collectieve zorgverzekering Stimuleer paren met oudere kinderen bij het verhogen van hun inkomen Laat (meer) werken lonend zijn Houd aandacht voor de inkomenspositie van huishoudens zonder kinderen Overweeg compensatie van zorgkosten Onderzoek de mogelijkheid om de vergoeding voor sociale participatie voor volwassenen te verhogen Heroverweeg de bezuiniging op de GelrePas
In hoofdstuk 6 van dit rapport zijn de aanbevelingen verder uitgewerkt.
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Bezuinigingen 1.2.4 Armoedeval 1.2.5 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 De GelrePas 3.2.4 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.5 Particuliere fondsen 3.2.6 Bijzondere bijstand 3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.2 Collectieve zorgverzekering 3.3.3 Meerkosten huishoudens met zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Bestedingsruimte per huishoudtype 4.2 Armoedeval 4.2.1 Uitstroomval 4.2.2 Doorstroomval 4.3 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 5 Gevolgen van bezuinigingen op het minimabeleid 5.1 Resultaten exclusief Individuele Inkomenstoeslag 5.2 Resultaten inclusief Individuele Inkomenstoeslag 6 Conclusies en aanbevelingen 6.1 Voorwaarden 6.2 Bestedingsruimte en armoedeval 6.3 Aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen
1 Inleiding 1.1
Centrale vraag
Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Rheden? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente het best ondersteund worden door middel van het gemeentelijke minimabeleid en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage eventuele armoedevallen inzichtelijk. In de begrotingen worden alle minimaal onvermijdbare uitgaven afgezet tegen verschillende inkomensniveaus.
1.2
Kern minima-effectrapportage
Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.
1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Rheden is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: 1. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; 2. Een alleenstaande vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd; 3. Een paar zonder kinderen onder de AOW-gerechtigde leeftijd; 4. Een paar vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd; 5. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); 6. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); 7. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); 8. Een paar met twee oudere kinderen (16 en 14 jaar); 9. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een motorische beperking; 10. Een paar zonder kinderen, waarvan een van de partners met een spierziekte.
Het Nibud heeft na de zomer van 2024 een landelijk onderzoek gedaan naar de gemiddelde kosten waarmee huishoudens die te maken hebben met een zorgvraag worden geconfronteerd.1 De resultaten van dit rapport zijn, in overleg met de gemeente Rheden ook doorgerekend, voor de twee zorghuishoudens. Bij de huishoudens met een zorgvraag worden in de begroting extra kosten meegenomen die gemiddeld gezien vaak voorkomen wanneer een persoon binnen het huishouden een chronische ziekte of beperking heeft.
1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Rheden is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstands-/AOW-niveau en voor 110, 120, 125 en 150 procent van de bijstandsnorm.
1.2.3 Bezuinigingen De gemeente Rheden heeft het voornemen enkele bezuinigingen door te voeren op het minimabeleid. De bezuinigingen hebben betrekking op de volgende tegemoetkomingen: • • •
De collectieve zorgverzekering: deze vervalt per 1 januari 2026; De GelrePas: de inkomensgrens voor volwassenen zal worden teruggebracht van 120 procent naar 100 procent. Voor kinderen blijft de grens op 150 procent; De IIT: de inkomensgrens wordt verlaagd van 110 procent naar 100 procent en de referteperiode wordt verlengd van drie naar vijf jaar.
In deze rapportage wordt in beeld gebracht hoe de begrotingen eruit zien als deze bezuinigingen zijn doorgevoerd en wat mogelijk andere consequenties zijn. Aandachtspunt hierbij is dat we rekenen met de cijfers van 2025, terwijl deze bezuinigingen pas in 2026 effectief zullen zijn. Door mogelijke wijzigingen in landelijk beleid zal de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudens er dan anders uitzien dan nu wordt gepresenteerd.
1.2.4 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere vrije bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen. ____________________
1.2.5 Voorbeeldhuur Uit het Woononderzoek Nederland (WoON) van het CBS blijkt dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. Hierbij sluiten we aan bij de wetgeving rondom passend toewijzen. Sinds 1 januari 2016 moeten woningcorporaties bij het toewijzen van sociale huurwoningen voldoen aan de passendheidsnorm. Dat betekent dat de woningcorporaties hun sociale huurwoningen moeten verhuren aan woningzoekenden met een inkomen dat volgens de wet 'past' bij de huurprijs. Zo wordt voorkomen dat mensen met de laagste inkomens in te dure huurwoningen gaan wonen, en andersom. De huren volgens het passend toewijzen zijn in 2025 € 682 voor één- of tweepersoonshuishoudens en € 731 voor huishoudens met drie of meer personen.
1.3
Leeswijzer
Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? In hoofdstuk 5 wordt bekeken wat de effecten zijn bij het voorgestelde bezuinigingsbeleid ten aanzien van de gemeentepolis, de GelrePas en de Individuele Inkomenstoeslag. Ten slotte staan in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en staan de begrotingen per huishoudtype naar inkomen.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1
Inleiding
Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens.2
2.2
Inkomsten
In deze rapportage worden op vijf inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstands-/AOW-niveau), 110 procent, 120 procent, 125 procent en 150 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 sub c. Gemiddelde maandbegrotingen De begrotingen die gepresenteerd worden in dit rapport zijn gemiddelde maandbegrotingen. In die begrotingen wordt het totaal besteedbaar maandinkomen weergegeven. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en vakantietoeslag. De vakantietoeslag wordt meestal niet maandelijks uitgekeerd en de kinderbijslag wordt een keer per kwartaal uitbetaald. In de begrotingen zijn die bedragen opgenomen als gemiddelde maandbedragen. De toeslagen die worden getoond in de begrotingen zijn afhankelijk van het bruto belastbare inkomen. Bij elk inkomensniveau hebben we het belastbare inkomen berekend dat bij het netto inkomen hoort. Hierbij hebben we rekening gehouden met de heffingskortingen, waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
____________________
Voor paren wordt uitgegaan van een situatie waarin slechts een van beide partners werkt. Deze eenverdienerssituatie is de minst gunstige situatie. Als beide partners werken, dan hebben zij bij hetzelfde bruto inkomen een hoger netto inkomen dan eenverdieners. Dat komt doordat beide partners dan recht hebben op heffingskortingen. Dat betekent ook dat we in dit rapport voor paren met kinderen tot 12 jaar geen rekening hebben gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als beide ouders werken, dan hebben zij daar wel recht op en ziet de inkomenssituatie er iets beter uit dan in de begrotingen in dit rapport. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Op welke manier de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke regelingen.
2.3
Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie
De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket waarvan een pakket voor sociale participatie een onderdeel vormt. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket inclusief het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. De pakketten bestaan uit relatief goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. De pakketten zijn vastgesteld in samenwerking met andere deskundigen. Zo bestaat het voedingspakket uit gezonde voeding zoals vastgesteld door het Voedingscentrum. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1.
Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen.
In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum.
2.4
Uitgavensoorten
In alle begrotingen onderscheidt het Nibud vier soorten uitgaven: • Vaste lasten. Dit zijn periodiek terugkerende uitgaven, waarbij het bedrag veelal elke periode hetzelfde is. Vaak is er een contract afgesloten voor deze uitgaven. Bijvoorbeeld de huur, energie of verzekeringen. • Reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet iedere maand terugkomen. De bedragen voor de verschillende reserveringsuitgaven zou een huishouden in principe maandelijks opzij moeten zetten om deze onregelmatige uitgaven direct te kunnen betalen. Het gaat bijvoorbeeld om witgoed, kleding of de reservering voor het eigen risico. • Huishoudelijke uitgaven. Dit zijn regelmatig terugkerende uitgaven, waarvan het bedrag per keer (per aankoopbeurt) verschilt. Bijvoorbeeld de dagelijkse boodschappen. • Sociale Participatie. Dit zijn uitgaven die een huishouden wat vrijer kan invullen. In deze rapportage vallen daaronder: contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer.
Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5
Voorwaarden aan de begrotingen
In de begrotingen wordt gerekend met minimale bedragen. Naast de cijfermatige kant moet daarom rekening worden gehouden met drie belangrijke voorwaarden. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken.
2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Tegelijkertijd zien we dat huishoudens soms bewust afzien van het gebruik van inkomensondersteuning, omdat zij angst hebben dat zij het gekregen geld weer terug moeten betalen, zeker sinds het toeslagenschandaal. Ook hier moet aandacht voor zijn. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer.
Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.
2.6
De begrotingen
Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1
Landelijk beleid
Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke uitkeringen, de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. In 2025 zijn er op dit terrein een aantal onderdelen aangepast die van invloed zijn op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen. Het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen zijn met ruim 5 procent verhoogd naar aanleiding van de hoge inflatie van de afgelopen jaren. Ook de toeslagen zijn aangepast: • Het kindgebondenbudget is iets omhoog gegaan, het maximale bedrag per kind gaat € 6 per maand omhoog voor ieder kind. Het extra bedrag voor alleenstaande ouders gaat € 7 per maand omlaag; • De huurtoeslag verandert zodat alle meerpersoonshuishoudens ook een deel van de huur boven de aftoppingsgrens vergoed krijgen (40 procent) net als al voor alleenstaanden en ouderen het geval is; • De maximale zorgtoeslag stijgt met ongeveer € 8 per maand per persoon. Daar staat tegenover dat de premie basiszorgverzekering gemiddeld met € 10 per maand zal stijgen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting.
Er zijn verschillende heffingskortingen: • Algemene heffingskorting: voor iedereen vanaf 18 jaar die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. • Arbeidskorting: voor iedereen die betaald werk doet, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. • Inkomensafhankelijke combinatiekorting: voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouders of aan de minstverdienende fiscale partner. • Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting: voor AOW-gerechtigden. Tabel 1: Landelijke heffingskortingen in bedragen per jaar Algemene heffingskorting Arbeidskorting Inkomensafhankelijke combinatiekorting Ouderenkorting Alleenstaande ouderenkorting
Onder AOW-leeftijd Vanaf AOW-leeftijd
2025 € 3.068 € 1.536 € 5.599 € 2.986
2024 € 3.362 € 1.735 € 5.532 € 2.950
€ 2.035 € 531
€ 2.010 € 524
Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren, bijvoorbeeld inkomen of vermogen. Bij het inkomen wordt verwezen naar het toetsingsinkomen, ook wel verzamelinkomen genoemd. Dit bestaat uit: inkomen uit werk en woning (box 1), inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De volgende toeslagen (2025) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. Hoe lager het toetsingsinkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Tabel 2: Zorgtoeslag bedragen Inkomensgrens alleenstaand Inkomensgrens paar Vermogensgrens alleenstaand Vermogensgrens paar Maximaal maandbedrag alleenstaand Maximaal maandbedrag paar
€ 39.719 € 50.206 € 141.896 € 179.429 € 131 € 250
€ 37.496 € 47.368 € 140.213 € 177.301 € 123 € 236
Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het toetsingsinkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag is per persoon. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur3 volledige huurtoeslag tot aan de kwaliteitskortingsgrens. Vanaf deze huur wordt 65 procent vergoed, tot aan de aftoppingsgrens. Daarboven ontvangen huishoudens nog 40 procent huurtoeslag tot aan de maximale huurgrens. De verschillende huurgrenzen zijn in tabel 3 opgenomen. Tabel 3: Huurtoeslag bedragen Vermogensgrens per persoon Kwaliteitskortingsgrens Aftoppingsgrens huurtoeslag 1p en 2p Aftoppingsgrens huurtoeslag 3p of meer Maximale huurgrens
____________________ 3
€ 37.395 € 477,20 € 682,96 € 731,93 € 900,07
€ 36.952 € 454,47 € 650,43 € 697,07 € 879,66
Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. Tabel 4: Kinderopvangtoeslag bedragen per uur Maximale vergoeding dagopvang Maximale vergoeding buitenschoolse opvang
€ 10,71 € 9,52
€ 10,25 € 9,12
Kindgebonden budget Huishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar kunnen in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Er geldt een inkomensgrens (waarbij gekeken wordt naar het toetsingsinkomen). Na de inkomensgrens wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het maximale bedrag per kind bedraagt € 209,25 per maand. Huishoudens met kinderen van 12 jaar of ouder, krijgen een extra bedrag per jaar. De maximale bedragen zijn: • tussen de 12 en 16 jaar: maximaal € 58,58 extra per kind per maand; • tussen de 16 en 17 jaar: maximaal € 78,00 extra per kind per maand. Alleenstaande ouders krijgen nog een extra bedrag: maximaal € 282,42 per maand per huishouden. Tabel 5: Kindgebonden budget Inkomensgrens alleenstaande Inkomensgrens paar
€ 28.406 € 37.545
€ 26.819 € 35.849
Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. Tabel 6: Kinderbijslag per kwartaal 0 – 6 jaar 6 – 12 jaar 12 – 18 jaar
€ 286,45 € 347,83 € 409,21
€ 279,49 € 339,38 € 399,27
3.2
Lokaal minimabeleid
Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Rheden voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. Deze regelingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Ook wordt aangegeven hoe het lokale minimabeleid is verwerkt in de begrotingen.
3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Rheden kan voor alle lokale lasten die voor huurders gelden, kwijtschelding worden aangevraagd. De gemeente toetst bij het vaststellen van de kwijtschelding aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies. Tabel 7: Gemeentelijke en waterschapsheffingen (tarieven 2025)
Bedrag Afvalstoffenheffing
1 of 2 persoon (container 140 liter restafval) 3 personen of meer (240 liter restafval)
€ 167,20 € 284,74
Rioolheffing huurders
Bij een waterverbruik tot en met 299 m3
€ 139,47
Hondenbelasting*
Eerste hond
€ 40,20
Waterzuiveringsheffing
1 persoon 2 personen of meer
€ 68,02 € 204,06
Ingezetenenheffing * in de begrotingen wordt geen rekening gehouden met de kosten van een huisdier
€ 86,60
De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Rheden maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers, en houdt ook rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Rheden heeft te maken met twee waterschappen: Waterschap Rijn en IJssel (grootste deel) en Waterschap Vallei en Veluwe. We rekenen in dit onderzoek met de tarieven van Rijn en IJssel Bij dit waterschap is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De betalingscapaciteit (en daarmee de kwijtschelding) van de gemeentelijke heffingen en het waterschap wordt apart berekend.
3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Voor inwoners met een laag inkomen biedt de gemeente Rheden een collectieve zorgverzekering aan van zorgverzekeraar Menzis. Inwoners kunnen kiezen uit een vaste basisverzekering met drie verschillende aanvullende pakketten: GarantVerzorgd1, GarantVerzorgd2 of GarantVerzorgd3. De gemeente levert een bijdrage aan de premie en er geldt een collectiviteitskorting. Tabel 8: Premie en bijdrage collectieve zorgverzekering gemeente Rheden 2025 Menzis GarantVerzorgd1 GarantVerzorgd2 Basisverzekering € 156,25 € 156,25 Aanvullende verzekering € 19,43 € 34,23 Collectiviteitskorting 9% - € 1,75 - € 3,08 Gemeentelijke bijdrage - € 7,50 - € 11,00 GarantTandVerzorgd250 € 14,60 € 14,60 Collectiviteitskorting 9% - € 1,31 - € 1,31 Premie € 179,72 € 189,69
GarantVerzorgd3 € 156,25 € 58,13 - € 5,23 - € 16,34 € 14,60 - € 1,31 € 206,10
In dit onderzoek rekenen we met de premie van GarantVerzorgd1. Voor de huishoudens met een zorgvraag rekenen we met de premie voor de meest uitgebreide verzekering, GarantVerzorgd3. Dit zijn ook de pakketten die het meest gekozen worden. Daarnaast gaan we bij beide pakketten uit van een tandartsverzekering: de GarantTandVerzorgd250. Om voor de gemeentepolis in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Rheden een inkomensgrens van 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Bij inkomens boven 120 procent rekenen we met de premie van een gemiddelde zorgverzekering (de nominale premie van een basis- en aanvullende verzekering, inclusief een tandartsverzekering). Voor de huishoudens met een zorgvraag gaan we uit van een uitgebreider en dus duurder pakket. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavenpost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. Het is mogelijk om het verplichte eigen risico gespreid te betalen. In de begrotingen gaan we ervan uit dat het volledige bedrag voor het verplichte eigen risico opzij wordt gelegd. Deze reservering is opgenomen in de post “eigen risico zorgverzekering”. Vanaf 2026 vervalt de collectieve zorgverzekering. De financiële gevolgen hiervan worden beschreven in hoofdstuk 5.
3.2.3 De GelrePas Met de GelrePas kunnen inwoners van de gemeente Rheden met een laag inkomen kortingen krijgen of gratis meedoen aan allerlei activiteiten. Met de GelrePas heeft elke persoon in het huishouden een zelf te besteden tegoed voor activiteiten op het gebied van sport, cultuur en recreatie. Denk hierbij aan een dagje uit, het volgen van cursussen, bezoek aan theater of concert of lid worden van een sportvereniging. Daarnaast krijgen GelrePas-houders korting op verschillende activiteiten.
Huishoudens kunnen de GelrePas aanvragen als het huishoudinkomen niet meer bedraagt dan 120 procent van de bijstandsnorm. Daarnaast wordt rekening gehouden met de vermogensgrens uit de Participatiewet. Voor kinderen van 4 tot en met 17 jaar geldt een inkomensgrens van 150 procent van de bijstandsnorm. Dat betekent dat in huishoudens met kinderen en een inkomen tussen de 120 en 150 procent, alleen de kinderen recht hebben op een jaarlijks tegoed en de ouders niet. Er ligt een bezuinigingsvoorstel om de inkomensgrens voor volwassenen te verlagen naar 100 procent. De consequenties hiervan worden behandeld in hoofdstuk 5. Het maximale tegoed op de GelrePas per jaar verschilt met de leeftijd: 4 t/m 11 jaar: € 275 12 t/m 17 jaar: € 325 18 t/m 66 jaar: € 200 67 jaar en ouder: € 125 Het budget voor de GelrePas is voor de verschillende huishoudens in de begrotingen verrekend met de post “sociale participatie”. Daarnaast ontvangen kinderen van 4 tot en met 17 jaar met een Gelrepas een bijdrage voor schoolkosten. Bijvoorbeeld voor schrijfspullen, schriften, atlas, woordenboek, agenda, rekenmachine, rugzak, praktijkkleding, eventuele kosten voor tussenschoolse opvang op de basisschool (als er geen continue rooster is) enzovoort. Kinderen van 4 t/m 11 ontvangen een tegoed van € 40. Kinderen van 12 t/m 17 ontvangen een tegoed van € 70. Dit wordt als apart tegoed op de Gelrepas gezet.
In de begrotingen is dit verrekend met de post “onderwijs”.
3.2.4 Individuele Inkomenstoeslag De individuele Inkomenstoeslag (IIT) is bedoeld voor huishoudens vanaf 21 jaar tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd, die drie jaar of langer een inkomen hebben dat niet hoger is dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm. De hoogte van de IIT bedraagt per twaalf maanden: • € 299 voor alleenstaanden; • € 248 voor alleenstaande ouders ; • € 493 voor gehuwden/samenwonenden; • € 555 voor gehuwden/samenwonenden met kind(eren; Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd. Er ligt een bezuinigingsvoorstel om de inkomensgrens van de IIT te verlagen naar 100 procent en de referteperiode te verhogen naar vijf jaar. Hier komen we in hoofdstuk 5 op terug.
3.2.5 Particuliere fondsen Naast het minimabeleid van de gemeente kunnen inwoners van Rheden met een laag inkomen ook gebruikmaken van vergoedingen via particuliere stichtingen en fondsen, te weten het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld.
Stichting Leergeld Via de Stichting Leergeld zijn diverse vergoedingen mogelijk. In principe geldt hiervoor een inkomensgrens van 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Is het inkomen hoger maar blijft er door omstandigheden (bijvoorbeeld schulden) toch geen geld over, dan kan in overleg wordt gekeken wat er mogelijk is. •
Voor jonge kinderen in de leeftijd van 0 tot 6 jaar is er een pakket met speelgoed en educatief materiaal. Passend bij de leeftijd van het kind zit daar speelgoed, een knuffel, boeken, spelletjes en puzzels in.
•
Vaak is er op school meer nodig dan alleen schoolspullen, die vergoed kunnen worden vanuit de GelrePas. Daarom biedt de Stichting Leergeld de volgende voorzieningen: o Een (2e hands) fiets, dit is verrekend met de post “vervoer”; o Een laptop of computer voor kinderen op het voortgezet onderwijs. Dit is verrekend met de post “onderwijs”; o Een smartphone (voor brugklassers), waarbij we uitgaan van een levensduur van vijf jaar. Dit is verrekend met de post “inboedel”; o Oefensoftware voor het basisonderwijs (squla). Dergelijke software is niet in onze begrotingen opgenomen en daarom ook niet verrekend; voor deze rapportage is het wel goed te benoemen dat deze mogelijkheid geboden wordt. o Een kledingtegoed: kinderen 4 t/m 11 jaar komen in aanmerking voor € 75, voor kinderen van 12 t/m 17 jaar is het tegoed € 150. Dit geld wordt na aanvraag als apart tegoed op de Gelrepas van het kind gezet. Het tegoed kan jaarlijks worden aangevraagd. In de begrotingen is dit verrekend met de post “kleding”.
•
Soms komen er nog andere kosten bij school kijken. Bijvoorbeeld praktijkkleding voor het (v)mbo, of kosten voor een excursie of andere buitenschoolse activiteit. Er is geen standaard vergoeding, maar in overleg kan Stichting Leergeld maatwerk leveren. Omdat de maatwerkvergoeding afhankelijk is van de persoonlijke situatie is dit niet in de begrotingen meegenomen.
Jeugdfonds Sport & Cultuur Wanneer in het huishouden geen geld is voor sport en cultuur en er bestaat geen recht op de GelrePas, dan kan een beroep worden gedaan op het Jeugdfonds Sport & Cultuur. De bijdrage bedraagt maximaal € 225 voor sport en € 425 voor cultuur. Kinderen met een Gelrepas die hun zwemdiploma A willen halen maar daarvoor niet uitkomen met het Gelrepas-tegoed, kunnen van het Jeugdfonds Sport en Cultuur een extra bijdrage krijgen van maximaal € 225. In de begrotingen gaan we uit van recht op de GelrePas, daarom is de bijdrage vanuit het Jeugdfonds niet meegenomen.
3.2.6 Bijzondere bijstand De gemeente Rheden verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Hierbij wordt rekening gehouden met draagkracht. Bij een inkomen tot en met 120 procent van de geldende bijstandsnorm wordt geen draagkracht verondersteld. Voor een aantal kostensoorten (verhuiskosten, woonkostentoeslag, levensonderhoud 18-21 jarigen, vaste lasten bij verblijf in inrichting) is dit 100 procent. Bij een inkomen boven 120 procent wordt draagkracht berekend volgens een oplopend schijvenstelsel: • 25 procent voor het meerinkomen tot en met € 1.500 per jaar; • 50 procent voor het meerinkomen vanaf € 1.501 tot en met € 3.000 per jaar; • 75 procent voor het meerinkomen vanaf € 3.001 per jaar. Daarbij wordt 100 procent van het in aanmerking te nemen vermogen boven het bescheiden vermogen zoals genoemd in artikel 34 Participatiewet meegenomen. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Uitzondering zijn de huishoudens met een zorgvraag. Bij deze huishoudtypen gaan we uit van een aantal veronderstellingen die worden beschreven in paragraaf 3.3. Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting.
3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Voor deze eigen bijdrage is geen tegemoetkoming mogelijk. Kinderopvang Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang voor het kind van drie jaar. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij 120 en 125 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang en bij een inkomen van 150 procent rekenen we met 40 uur opvang per week. Bij ieder inkomensniveau gaan we uit van 45 weken kinderopvang per jaar. De kinderopvangtoeslag vergoedt de kosten voor kinderopvang tot een bepaald maximum. In de gemeente Rheden liggen de tarieven voor kinderopvang gemiddeld € 1,50 per uur hoger dan dit maximum tarief. Die € 1,50 moeten huishoudens dus zelf betalen. Dit is in de begrotingen meegenomen. Peuterspeelzaal Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat peuters voor hun sociale ontwikkeling naar de peuteropvang gaan voor twee dagdelen per week.
Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen boven bijstandsniveau), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang maar van de peuteropvang, omdat de niet-werkende partner op de kinderen kan passen.
Als een of beide ouders niet werken, is er geen recht op kinderopvangtoeslag. In de gemeente Rheden betalen ouders een inkomensafhankelijke bijdrage op basis van de VNG-tabel. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post ‘kinderopvang’. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
3.3
Huishoudens met een zorgvraag
In dit onderzoek worden twee huishoudens met extra zorgkosten onderzocht: Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een motorische beperking; Een paar zonder kinderen, waarvan een van de partners een spierziekte heeft. Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de voorzieningen van de gemeente Rheden voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna worden de profielen van deze huishoudtypen nader omschreven en wordt bekeken wat het effect van de regelingen is op de maandbegroting van de huishoudens met een zorgvraag. Bij de berekeningen gaan we er ook van uit dat de huishoudens gebruik maken van de aftrek specifieke zorgkosten bij de belastingaangifte. Het gaat daarbij om de netto kosten, de zorgkosten die het huishouden nog maakt nadat gebruik is gemaakt van de landelijke en lokale regelingen. De hoogte van het bedrag staat vervolgens als inkomstenpost als “voorlopige aanslag” in de begroting.
3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier. Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is.
3.3.2 Collectieve zorgverzekering Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven, kent de gemeente Rheden een uitgebreide collectieve zorgverzekering waar huishoudens met extra zorgkosten veel profijt van kunnen hebben: GarantVerzorgd3. Via dit pakket wordt onder meer de eigen bijdrage voor Wmo maatwerkvoorzieningen vergoed (tot een bedrag van € 370 per jaar).
3.3.3 Meerkosten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, moeten zogenoemde zorgprofielen worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishoudens heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan. De profielen zijn opgesteld door het Nibud, in opdracht van Ministerie van VWS en in samenspraak met Ieder(In)4. Alleenstaande oudere met een motorische beperking Het profiel voor de AOW-gerechtigde met een motorische beperking ziet er als volgt uit: Het gaat om een alleenstaand persoon met een minimuminkomen die vanwege een motorische beperking rolstoelgebonden is. De beperking is niet ontstaan door een andere chronische aandoening. Deze persoon woont in een flatwoning met lift. Voor mobiliteit buitenshuis maakt hij/zij gebruik van een scootmobiel. Het opladen hiervan heeft een hogere energierekening tot gevolg. Voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en verder weg gelegen bestemmingen wordt gebruik gemaakt van de regiotaxi en Valys.
Overige meerkosten betreffen een uitgebreidere zorgverzekering, lidmaatschap van twee patiëntenverenigingen, begeleiding bij het sporten, kledingslijtage en extra waskosten, eigen bijdrage Wmo voor woningaanpassingen, eigen betalingen van medicijnen in verband met chronische ontstekingen en bloedsomloopproblemen, en vakantie in een aangepaste recreatiewoning (zie tabel 9). Tabel 9: Meerkosten alleenstaande oudere met een motorische beperking Meerkosten
____________________ Ieder(In) is een belangenorganisatie voor mensen met een beperking of een chronische ziekte.
Een paar zonder kinderen, waarvan een van de partners met een spierziekte Bij het tweepersoonshuishouden zonder kinderen gaat het om één persoon met een progressieve erfelijke spierziekte. Deze spierziekte kenmerkt zich door spierzwakte in met name de spieren van het gezicht, schouderblad, bovenarmen en benen. De persoon met de spierziekte is arbeidsongeschikt. De meerkosten die voortvloeien uit dit ziektebeeld zijn vergelijkbaar met die van mensen met andere chronische ziekten, zoals vergevorderde MS of reuma. In tabel 10 zijn deze meerkosten in beeld gebracht. Tabel 10: Meerkosten paar zonder kinderen, waarvan een van de partners met een spierziekte UITGAVEN
Meerkosten
Aanpassingen in de begroting voor beide huishoudens met een zorgvraag De daadwerkelijke extra kosten van beide huishoudens met een zorgvraag zijn in de begrotingen als volgt verrekend: Hogere huur in verband met aanwezigheid lift De alleenstaande oudere woont in een flatwoning met een lift. Dit geeft een hogere huur van gemiddeld € 67 per maand. Dit wordt voor een deel (40 procent) gecompenseerd door een hogere huurtoeslag. Daarnaast zijn er servicekosten voor de lift van € 24 per maand. Ook deze kosten kunnen gedeeltelijk vanuit de huurtoeslag worden vergoed. De rest komt voor rekening van de zorgbehoevende zelf. Het paar met kinderen en zorgvraag woont in een tussenwoning waarvan de huur niet hoger is dan bij het andere voorbeeldhuishouden zonder zorg. Hogere energierekening Vanwege het gebruik van hulpmiddelen waaronder een scootmobiel, die thuis opgeladen moet worden, heeft de oudere met een zorgvraag een hogere energierekening. Daarnaast heeft deze persoon hogere stookkosten omdat zij vaak thuis is en veel stilzit. Dit scheelt € 52 per maand. Ook het paar met een zorgvraag heeft een hoger energieverbruik, dit scheelt € 61 per maand. In Rheden is bijzondere bijstand mogelijk voor deze meerkosten, waarbij we rekening houden met de draagkracht. De uiteindelijke kosten worden verrekend met de post “energie”.
Een uitgebreidere zorgverzekering Voor de huishoudens met een zorgvraag en een inkomen tot en met 120 procent van de norm rekenen we met de GarantVerzorgd3. Boven deze inkomensgrens rekenen we ook met een uitgebreider aanvullend pakket dan voor de huishoudens zonder zorgvraag. Voor de oudere scheelt dit € 16 per maand, het paar betaalt € 33 per maand extra. Overige verzekeringen Voor de alleenstaande rekenen met een uitgebreidere inboedelverzekering, wat € 2 per maand kost. Het paar heeft een rechtsbijstandsverzekering voor € 22 per maand. Deze kosten zijn verrekend met de post “overige verzekeringen”. Lidmaatschap patiëntenvereniging We gaan ervan uit dat de alleenstaande lid is van twee patiëntenverenigingen. Hiervoor rekenen we € 3 euro per maand. Dit is meegenomen bij de post “contributies en abonnementen”. Abonnement onbeperkt bellen Het paar met een zorgvraag maakt gebruik van een abonnement onbeperkt bellen. Dit scheelt € 2 euro per maand. De kosten hiervan zijn opgenomen bij de post “Telecom”. Begeleiding bij het sporten De kosten van een sportabonnement zijn opgenomen bij de post “sociale participatie”. De alleenstaande met zorg zal ook een begeleider nodig hebben. We gaan uit van een bezoek aan het zwembad, wat neerkomt op € 25 per maand. Vanuit de Gelrepas is een begeleiderspas aan te vragen die een vergoeding van € 50 per jaar biedt.
De resterende extra kosten zijn verrekend bij de post “sociale participatie”. Vervoer De huishoudens met een zorgvraag maken voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en andere bestemmingen gebruik van de regiotaxi en Valys in plaats van het reguliere openbaar vervoer. Daarnaast veronderstellen we dat de personen met een zorgvraag geen gebruik maken van de fiets; de kosten daarvan zijn daarom uit de begroting gehaald. De vervoerskosten die uiteindelijk resteren zijn opgenomen onder de post ”vervoer”. Kledingslijtage en extra waskosten Voor de extra waskosten gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op € 6 per maand. De slijtage van kleding die daar het gevolg van is geeft extra kosten van € 31 per maand. Voor de extra waskosten en de extra kosten vanwege kledingslijtage is bijzondere bijstand mogelijk, waarbij we rekening houden met de draagkracht. Kosten die eventueel zelf nog betaald moeten worden zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “was- en schoonmaakartikelen” en “kleding”. Eigen bijdrage Wmo Beide huishoudens met een zorgvraag betalen de eigen bijdrage Wmo. Deze eigen bijdrage bedraagt € 21 per maand en wordt vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering voor huishoudens met een inkomen tot 120 procent. De huishoudens met een hoger inkomen betalen de eigen bijdrage zelf.
In de begrotingen wordt dit verrekend met de uitgavenpost “eigen betalingen zorg”.
Medicijnen Voor de eigen betalingen voor medicijnen rekenen we € 22 per maand. Deze worden vergoed via de collectieve zorgverzekering. Supplementen De kosten van supplementen zijn bij de zorgvraag van het paar € 21 per maand. In Rheden is hiervoor geen bijzondere bijstand mogelijk. Dit wordt verrekend met de uitgavenpost “Eigen betalingen zorg”. Vakantie in een aangepaste recreatiewoning Omdat de zorgbehoevenden slechter ter been zijn wordt daar bij de vakantiekeuze rekening mee gehouden. Dit leidt tot extra kosten, die neerkomen op € 7 per maand voor de alleenstaande en € 11 per maand voor het paar. Dit is verrekend met de post “sociale participatie”. Attentiekosten Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog € 8 per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post “Eigen betalingen zorg”.
4 Resultaten Dit hoofdstuk bevat de resultaten van de berekeningen naar het effect van landelijke en lokale inkomensondersteuning op de begroting van huishoudens. De begrotingen zijn gepresenteerd in bijlage 2, hierbij zijn de inkomsten afgezet tegen de uitgaven. Het resultaat van deze begroting (inkomsten minus uitgaven) geeft het beeld weer wat het huishouden overhoudt of te kort komt als alle uitgaven zijn gedaan. Deze resultaten zijn in onderstaande tabel gepresenteerd en kunnen positieve of negatieve waarden opleveren, het huishouden houdt geld over of komt geld te kort. Als het huishouden te maken heeft met een tekort op de maandbegroting dan is dit in rood weergegeven. In de gemeente Rheden is dat bij geen van de onderzochte huishoudtypen het geval. Wanneer het huishouden minder overhoudt bij een hoger inkomen in vergelijking tot één of meerdere lagere inkomens (armoedeval), dan is dit zichtbaar gemaakt via een oranje kleur. Een gele kleur betekent dat het inkomen weliswaar stijgt ten opzichte van het direct voorliggende inkomensniveau, maar niet ten opzichte van de inkomensniveaus die daar weer aan vooraf gaan. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering € 110 per maand resteert nadat alle uitgaven zijn gedaan. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen.