Minima-effectrapportage gemeente Rheden 2025
Tekst van het document
Tabel 11: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, exclusief IIT
4.1
Huishoudtype
100
110
120
125
150
01. alleenstaande tot AOW-leeftijd
110
140
275
326
607
02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd
369
397
535
577
793
03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen
123
198
369
382
551
04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen
423
447
604
649
918
05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen
537
417
451
492
668
06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen
330
338
473
452
788
07. paar met 2 jonge kinderen
357
422
593
594
738
08. paar met 2 oudere kinderen
175
240
411
353
496
09. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg
254
310
419
405
550
10. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen met zorg
32
106
275
212
302
Bestedingsruimte per huishoudtype
1. Alleenstaande In de gemeente Rheden heeft een alleenstaande met een inkomen op bijstandsniveau een positief saldo van € 110 nadat alle noodzakelijke uitgaven inclusief die aan sociale participatie zijn voldaan. Bij 110 procent van de norm resteert € 140. Op 125 procent is het saldo een stuk hoger, namelijk € 275 per maand. Dit loopt op naar € 607 op 150 procent.
2. Alleenstaande oudere Een alleenstaande oudere heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. Met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen is er een bestedingsruimte van € 369 per maand. Dit loopt op naar € 793 bij 150 procent. Het maandelijkse AOW-bedrag is hoger dan de bijstand waardoor deze huishoudens meer bestedingsruimte hebben. 3. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een positief saldo van € 123 per maand. Bij een inkomen van 110 procent is de bestedingsruimte € 198 per maand, wat oploopt naar € 551 op 150 procent. 4. Ouder paar Een ouder paar met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen heeft een bestedingsruimte van € 423 per maand. Dit loopt op naar € 918 op 150 procent. 5. Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Ook het eenoudergezin met twee jonge kinderen heeft voldoende inkomsten om de uitgaven uit het basispakket inclusief die aan sociale participatie te kunnen bekostigen. Op bijstandsniveau houdt dit gezin € 537 vrij te besteden over. Op 110 procent is de bestedingsruimte ruim € 100 lager met € 417; bij de inkomensniveaus boven 110 procent loopt de bestedingsruimte weer op tot € 668 op 150 procent.
In de volgende paragraaf gaan we dieper in op de oorzaak achter de lagere bestedingsruimte op 110 procent ten opzichte van de bijstandsnorm. 6. Eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met twee oudere kinderen houdt op bijstandsniveau minder over dan het eenoudergezin met jonge kinderen: € 330 op bijstandsniveau. Dit bedrag loopt op tot € 788 op 150 procent. Dat de bestedingsruimte op bijstandsniveau lager is dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten van onderwijs, voeding en vervoer voor oudere kinderen. Op de inkomensniveaus boven bijstand is dit verschil minder evident, omdat eenoudergezinnen met jonge kinderen hier te maken hebben met (de eigen) kosten voor kinderopvang. 7. Paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van € 357 per maand. Dit loopt op naar € 738 op 150 procent. Dat het paar met jonge kinderen meer ruimte heeft dan het paar zonder kinderen, komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en het kindgebonden budget) plus de gemeentelijke ondersteuning de extra kosten van de twee jonge kinderen meer dan compenseren. 8. Paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen heeft op bijstandsniveau een bestedingsruimte van € 175. Dit loopt op naar € 411 op 120 procent.
Bij 125 procent vallen er tegemoetkomingen vanuit het minimabeleid weg en daalt de bestedingsruimte naar € 353. Hier gaan we in paragraaf 4.2 dieper op in. Op 150 procent stijgt het saldo naar € 496.
De bestedingsruimte van een paar met oudere kinderen is op alle onderzochte inkomensniveaus lager dan van het paar met jonge kinderen. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen aan onder meer onderwijs, voeding en kleding. Ook de vergoedingen voor kinderen uit het minimabeleid (die in zijn totaliteit voor oudere kinderen hoger liggen dan voor jonge kinderen) kunnen dit niet compenseren. 9. Alleenstaande oudere met een motorische beperking De alleenstaande oudere met een motorische beperking heeft op bijstandsniveau een bestedingsruimte van € 254 per maand. Op 120 procent is er een saldo van € 419. Op 125 procent daalt dit naar € 405. Op 150 procent stijgt dit weer naar € 550. De bestedingsruimte is lager dan bij de alleenstaande oudere zonder zorgvraag en het verschil loopt op naarmate het inkomen toeneemt. Dit komt door de draagkracht van de bijzondere bijstand en door het wegvallen van de collectieve zorgverzekering, die de eigen bijdrage Wmo en de eigen betalingen aan medicijnen dekt. 10. Paar tot de AOW-leeftijd, waarvan een van de partners een spierziekte heeft Ook het paar met een zorgvraag heeft minder bestedingsruimte dan zonder zorgvraag, maar ook hier zijn geen tekorten zichtbaar. Bij alleen een bijstandsuitkering resteert er € 32 per maand.
Dit loopt op naar € 275 per maand bij 120 procent. Op 125 procent daalt het naar € 212 en dit stijgt weer naar € 302 op 150 procent. Ook hier zien we dat bij de hogere inkomensniveaus, boven 120 procent, het verschil in bestedingsruimte (tussen met en zonder zorgkosten) toeneemt. Dit komt door de hogere draagkracht voor de bijzondere bijstand en het wegvallen van vergoedingen voor diverse zorgkosten.
4.2
Armoedeval
Voor elk huishoudtype zijn verschillende inkomensniveaus doorgerekend. Naast het minimuminkomen zijn inkomens op 110, 120, 125 en 150 procent van het netto minimuminkomen gespecificeerd. Soms leidt een hoger inkomen tot een beperktere bestedingsmogelijkheid. Dit komt doordat landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zoals huurtoeslag en kindregelingen, er niet op voorhand toe leiden dat een huishouden meer te besteden heeft bij een hoger inkomen. Een armoedeval kan ontstaan door een stijging van het salaris, bijvoorbeeld als iemand meer uren gaat werken. Deze armoedeval wordt ook wel doorstroomval genoemd. Een andere situatie ontstaat wanneer huishoudens vanuit een uitkering uitstromen naar betaald werk. Deze armoedeval wordt ook wel de uitstroomval genoemd. Op dat moment nemen de kosten door werk toe en komen rechten op diverse inkomensondersteunende regelingen (gedeeltelijk) te vervallen. In de volgende figuur is in één oogopslag te zien welke huishoudtypen te maken hebben met een uit- of doorstroomval. Idealiter zie je over de hele linie een stijgende lijn. Dat betekent dat een hoger inkomen ook leidt tot een hoger besteedbaar inkomen.
Figuur 1: Ontwikkeling saldo naar inkomensniveaus
4.2.1 Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Rheden doet zich dit alleen voor bij de alleenstaande met twee jonge kinderen: op 110 procent van de norm is de bestedingsruimte lager dan op bijstandsniveau. De alleenstaande met twee oudere kinderen heeft niet met een uitstroomval te maken, maar houdt op 110 procent € 8 meer over dan bijstandsniveau.
De uitstroomval bij de alleenstaande met jonge kinderen wordt vooral veroorzaakt door de kosten voor kinderopvang en andere werkgerelateerde kosten. De eigen betaling aan kinderopvang bedraagt op 110 procent ruim € 200 per maand, op 120 en 130 procent ruim € 300 en op 150 procent ruim € 400 per maand. Voor de overige werkgerelateerde kosten rekenen we een bedrag van € 67 per maand. Bij de alleenstaande met oudere kinderen spelen ook de werkgerelateerde de kosten. Daarnaast is er geen recht meer op kwijtschelding van lokale belastingen, wat bijdraagt aan de uitstroomval. Hierdoor is de bestedingsruimte op 110 procent niet lager dan op bijstandsniveau, maar ook nauwelijks hoger. (De alleenstaande met jonge kinderen heeft nog wel recht op kwijtschelding, aangezien de kosten voor kinderopvang meetellen bij de berekening van de betalingscapaciteit.) Overigens zien we ook bij de andere onderzochte huishoudtypen dat de bestedingsruimte op 110 procent niet evenredig toeneemt met het netto inkomen. Ook hier zijn het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en werkgerelateerde kosten de oorzaak.
4.2.2 Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In de gemeente Rheden is bij het eenoudergezin met oudere kinderen en bij het paar met oudere kinderen een doorstroomval zichtbaar bij een overgang van een inkomen van 120 naar 125 procent van het minimum. Bij paren met jonge kinderen neemt de bestedingsruimte op 125 procent met € 1 toe. De doorstroomval bij 125 procent wordt veroorzaakt door het wegvallen van de tegemoetkomingen vanuit de Stichting Leergeld en doordat volwassenen geen recht meer hebben op de GelrePas. Bovendien krijgen paren te maken met de afbouw van een aantal landelijke toeslagen (te weten de huurtoeslag en de zorgtoeslag). Ten slotte moet bedacht worden dat het inkomensstijging op 125 procent ten opzichte van 120 procent kleiner is dan tussen de andere onderzochte inkomensniveaus. Behalve bij het paar met oudere kinderen zien we ook bij de huishoudens met een zorgvraag dat de bestedingsruimte op 125 procent niet toeneemt. Bij deze huishoudens moet de oorzaak voornamelijk gezocht worden in de zorgkosten, of nauwkeuriger geformuleerd in de lagere vergoedingen voor de zorgkosten.
4.3
Huishoudens met langdurig een laag inkomen
Huishoudens in de gemeente Rheden, die gedurende 3 jaar of langer een inkomen tot 110 procent van de bijstandsnorm hebben gehad, komen in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de toeslag varieert per huishoudtype. In tabel 12 staan de saldi van de inkomsten min de uitgaven uitgewerkt waarbij ook rekening is gehouden met de IIT.
Tabel 12: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, inclusief IIT Huishoudtype
100
110
120
125
150
01. alleenstaande tot AOW-leeftijd
135
165
275
326
607
02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd
369
397
535
577
793
03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen
164
239
369
382
551
04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen
423
447
604
649
918
05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen
558
438
451
492
668
06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen
351
359
473
452
788
07. paar met 2 jonge kinderen
403
468
593
594
738
08. paar met 2 oudere kinderen
221
286
411
353
496
09. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg
254
310
419
405
550
10. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen met zorg
73
147
275
212
302
De IIT heeft een positief effect op de bestedingsruimte van huishoudens met een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. De IIT kan een extra armoedeval veroorzaken: een huishouden met recht op IIT kan een hogere bestedingsruimte hebben dan een huishouden op een hoger inkomensniveau, zonder recht op IIT. In de gemeente Rheden is dit bij geen van de onderzochte huishoudtypen het geval. Overigens kan erover gediscussieerd worden in hoeverre er gesproken kan worden van een armoedeval wanneer het saldo inclusief IIT vergeleken wordt met een hoger inkomensniveau waar geen recht op de IIT bestaat. De IIT is immers bedoeld voor huishoudens die langdurig op het minimum leven en zeer weinig kans hebben om hun inkomen te verhogen.
5 Gevolgen van bezuinigingen op het minimabeleid De gemeente Rheden heeft het voornemen enkele bezuinigingen door te voeren op het minimabeleid. De bezuinigingen hebben betrekking op de volgende tegemoetkomingen: • • •
De collectieve zorgverzekering: deze vervalt per 1 januari 2026; De GelrePas: de inkomensgrens voor volwassenen zal worden teruggebracht van 120 procent naar 100 procent. Voor kinderen blijft de grens op 150 procent; De IIT: de inkomensgrens wordt verlaagd van 110 procent naar 100 procent en de referteperiode wordt verlengd van drie naar vijf jaar.
In dit hoofdstuk wordt in beeld gebracht hoe de begrotingen eruit zien als deze bezuinigingen zijn doorgevoerd en wat mogelijk andere consequenties zijn. Aandachtspunt hierbij is dat we rekenen met de cijfers van 2025, terwijl deze bezuinigingen pas in 2026 effectief zullen zijn. Door mogelijke wijzigingen in landelijk beleid zal de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudens er dan anders uitzien dan nu wordt gepresenteerd.
5.1
Resultaten exclusief Individuele Inkomenstoeslag
In hoofdstuk 4 van deze rapportage is weergegeven hoe de financiële situatie van de onderzochte huishoudtypen eruit ziet bij diverse inkomensniveaus. In tabel 13 wordt naast elkaar gezet hoe de bestedingsruimte eruit ziet in de huidige situatie en als er geen gebruik meer gemaakt kan worden van een collectieve zorgverzekering en als de inkomensgrens van de GelrePas voor volwassenen wordt verlaagd van 120 procent naar 100 procent. Tabel 13: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s excl. IIT, huidige situatie en na bezuinigingen Huidige Situatie
Na bezuinigingen
Huishoudtype
100
110
120
125
150
100
110
120
125
150
01. alleenstaande tot AOW-leeftijd
110
140
275
326
607
111
124
259
326
607
02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd
369
397
535
577
793
370
388
526
577
793
03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen
123
198
369
382
551
124
166
337
382
551
04. paar vanaf AOWleeftijd zonder kinderen
423
447
604
649
918
424
427
584
649
918
05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen
537
417
451
492
668
538
402
436
492
668
06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen
330
338
473
452
788
331
322
457
452
788
07. paar met 2 jonge kinderen
357
422
593
594
738
358
390
561
594
738
08. paar met 2 oudere kinderen
175
240
411
353
496
176
208
379
353
496
09. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg
254
310
419
405
550
222
264
373
405
550
10. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen met zorg
32
106
275
212
302
-18
23
192
212
302
Bij een verlaging van de inkomensgrens van de GelrePas voor volwassenen naar 100 procent neemt vanzelfsprekend de bestedingsruimte bij alle onderzochte huishoudtypen op 110 en 120 procent af, omdat er dan geen recht meer is op een tegoed voor sportieve en culturele activiteiten. De bestedingsruimte blijft echter voor huishoudtypen positief. Het vervallen van de collectieve zorgverzekering lijkt te leiden tot een (zeer kleine) verhoging van de bestedingsruimte, omdat de premie van het pakket GarantVerzorgd1 van de collectieve zorgverzekering, waar we in deze rapportage van uitgaan, net iets hoger is dan die van de gemiddelde zorgverzekering waar wij mee rekenen (voor de huishoudens die niet in aanmerking komen voor de collectieve verzekering). Dit zegt echter niet alles, omdat de vergoedingen vanuit het gemeentepakket uitgebreider kunnen zijn dan die van een gemiddelde verzekering, iets waar huishoudens op het moment dat zij zorg nodig hebben van kunnen profiteren. Dat valt uit de resultaten van deze rapportage niet af te lezen omdat we in de begrotingen niet rekenen met zorgkosten. Daarnaast hebben we naar de situatie van twee huishoudens gekeken, die wel met extra zorgkosten te maken hebben. Het gaat om een alleenstaande oudere met een motorische beperking en een paar waarvan een van de partners een spierziekte heeft.
Voor deze personen met een zorgvraag hebben we tot een inkomen van 120 procent gerekend met het pakket GarantVerzorgd3. Ook van dit pakket is de premie hoger dan van de meer uitgebreide verzekering waar wij mee rekenen. Echter, GarantVerzorgd3 vergoedt de eigen bijdrage Wmo en de eigen betalingen aan medicijnen, waardoor de huishoudens met een zorgvraag beter af zijn in de huidige situatie dan wanneer zij deze kosten zelf moeten betalen of verzekeren. Een ander gevolg van het feit dat de zorghuishoudens zelf de kosten voor de eigen bijdrage Wmo en de eigen bijdrage voor medicijnen moeten betalen, is dat de doorstroomval op 125 procent zich niet meer voordoet. De individuele Inkomenstoeslag (IIT) is niet in deze tabellen meegenomen, omdat niet iedere inwoner met een laag inkomen van deze toeslag gebruik kan maken. De IIT in de gemeente Rheden is bedoeld voor huishoudens vanaf 21 jaar tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd, waarvan het inkomen in de afgelopen drie jaar niet hoger was dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm en die geen zicht hebben op een inkomensverbetering in de toekomst. Wat de invloed is van de komende bezuinigingen op de bestedingsruimte van huishoudens met recht op IIT, komt aan bod in de volgende paragraaf.
5.2
Resultaten inclusief Individuele Inkomenstoeslag
In tabel 14 is weergegeven hoe de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen eruit ziet als (naast de bezuinigingen op de collectieve zorgverzekering en de GelrePas) ook rekening wordt gehouden met de IIT. In de eerste twee kolommen wordt huidige situatie weergegeven. In de twee kolommen daarna is de situatie gepresenteerd waarbij rekening is gehouden met alle geplande bezuinigingen. Omdat de bezuiniging op de IIT geen invloed heeft op inkomensniveaus boven de 110 procent, zijn deze niet in de tabel opgenomen.
Tabel 14: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s, inclusief IIT
Huishoudtype
Huidige situatie
Na bezuinigingen
100
110
100
110
01. alleenstaande tot AOW-leeftijd
135
165
136
124
02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd
369
397
370
388
03. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen
164
239
165
166
04. paar vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen
423
447
424
427
05. eenoudergezin met 2 jonge kinderen
558
438
559
402
06. eenoudergezin met 2 oudere kinderen
351
359
352
322
07. paar met 2 jonge kinderen
403
468
404
390
08. paar met 2 oudere kinderen
221
286
222
208
09. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg
254
310
222
264
10. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen met zorg
73
147
23
23
Alle huishoudtypen die in aanmerking komen voor de IIT gaan er bij een inkomensniveau van 110 procent op achteruit. Geen van de huishoudens krijgt met een tekort op de maandbegroting te maken. Alleenstaanden tot de AOW-leeftijd en alle huishoudens met kinderen krijgen te maken met een uitstroomval op 110 procent: als zij op bijstandsniveau in aanmerking komen voor de IIT hebben zij een hogere bestedingsruimte dan wanneer zij een inkomen hebben van 110 procent van de norm en niet in voor IIT in aanmerking komen. (Bij het eenoudergezin met jonge kinderen doet deze uitstroomval zich ook al voor als geen rekening wordt gehouden met de IIT.) Bij de overige huishoudtypen zien we dat de bestedingsruimte op 110 procent weliswaar toeneemt, maar vaak slechts met een paar euro. Voor het paar met zorg blijft de bestedingsruimte gelijk. Het verlengen van de referteperiode van drie naar vijf jaar kan uit deze cijfers niet worden afgelezen. Huishoudens die langer dan drie jaar een inkomen op minimumniveau hebben gehad en in de huidige situatie wel recht hebben op IIT, zullen in de toekomst deze toeslag pas ontvangen na vijf jaar op minimumniveau te hebben geleefd. Deze groep gaat er dus op achteruit. Zeker voor de huishoudens met weinig bestedingsruimte, zoals alleenstaanden zonder kinderen, kan dit voor problemen zorgen. In het volgende hoofdstuk gaan we hier dieper op in.
6 Conclusies en aanbevelingen Dit hoofdstuk beschrijft, naar aanleiding van de resultaten in de vorige hoofdstukken, de conclusies. Daarnaast worden er verschillende adviezen gegeven voor de aanpassing van regelingen in het kader van minimabeleid van de gemeente Rheden.
6.1
Voorwaarden
De berekening van de bestedingsruimte van de voorbeeldhuishoudens in dit onderzoek is gebaseerd op een drietal voorwaarden: 1. Men moet zeer goed met geld kunnen omgaan; 2. Men moet alle inkomensondersteuning aanvragen waar men recht op heeft; 3. Men moet niet of zeer beperkt te maken hebben met persoonlijk onvermijdbare uitgaven. Dit geldt voor bijvoorbeeld huishoudens met een hogere huur dan hier opgenomen. Of voor mensen met een noodgedwongen hogere energierekening, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een slecht geïsoleerde woning. De conclusies van dit rapport moeten met die voorwaarden in het achterhoofd geïnterpreteerd worden. Kijkend naar de voorwaarden kan gesteld worden dat er heel veel verwacht wordt van huishoudens met een laag inkomen. Het gaat dus eigenlijk om de meest ideale situatie. De daadwerkelijke situatie van huishoudens kan hiervan afwijken. Om hoeveel huishoudens het gaat en in welke mate is niet bekend, hierover zijn geen gemiddelden gepubliceerd. Het Nibud adviseert de gemeente Rheden om actief de betreffende huishoudens te (blijven) helpen aan deze voorwaarden te kunnen voldoen.
6.2
Bestedingsruimte en armoedeval
Bestedingsruimte In de gemeente Rheden kunnen alle onderzochte huishoudtypen de maandbegroting rondkrijgen, ook als sprake is van extra zorgkosten. Dit is opvallend gelet op de sterke inflatie, die al enige tijd aanhoudt. De landelijke koopkrachtreparaties van de afgelopen jaren doen hier duidelijk hun werk. Echter, er blijft er grote onzekerheid over het verloop van alle prijzen in de komende jaren. Weten waar je financieel aan toe bent, is nodig om te kunnen begroten en uit te kunnen rekenen hoeveel budget er is voor andere uitgavenposten. Hogere inkomens hebben meer ruimte in hun begroting om te kunnen schuiven met uitgavenposten en hebben vaker een buffer om op terug te vallen. Iets wat huishoudens met een laag inkomen meestal niet hebben. In de huidige situatie is de bestedingsruimte van het paar onder de AOW-leeftijd met een zorgvraag het laagst: € 32 op bijstandsniveau en € 106 op 110 procent van de norm. Dat maakt dit huishouden erg kwetsbaar. Als er sprake is van hogere kosten, bijvoorbeeld meerkosten in verband met de zorgvraag, dan zal dit al snel tot tekorten leiden. Ook alleenstaanden zonder zorgvraag en paren zonder kinderen onder de AOW-leeftijd hebben een relatief lage bestedingsruimte. Deze huishoudens profiteren het minst van de koopkrachtreparaties van de afgelopen jaren, die vooral gericht zijn op huishoudens met kinderen.
Paren met oudere kinderen hebben wel veel baat van de maatregelen van het Rijk, zoals de verhoging van het kindgebonden budget. Hierdoor hebben zij, in tegenstelling tot voorgaande jaren, niet meer met tekorten op de maandbegroting te maken. De bestedingsruimte van € 175 op bijstandsniveau is echter nog steeds niet heel ruim. Daarnaast laten de resultaten van deze rapportage zien dat alleenstaande ouders een hogere bestedingsruimte hebben dan paren met kinderen. Dit komt doordat paren de kosten van twee volwassenen moeten dragen, terwijl het bijbehorende inkomen in verhouding lager ligt: een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm. Paren ontvangen 100 procent van de norm. De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Op bijstandsniveau houden alleenstaande ouders met twee oudere kinderen per maand € 330 over tegenover € 175 per maand voor paren met oudere kinderen. Armoedeval Van een armoedeval is sprake als er op een bepaald inkomensniveau minder bestedingsruimte is dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau.
Hierbij maken we onderscheid tussen een uitstroomval (er blijft minder over dan op bijstandsniveau) en een doorstroomval (op een bepaald inkomensniveau blijft minder over dan op het voorliggende inkomensniveau). In de gemeente Rheden zien we een uitstroomval bij alleenstaande ouders met jonge kinderen. De alleenstaande met twee oudere kinderen heeft niet met een uitstroomval te maken, maar houdt op 110 procent € 8 meer over dan bijstandsniveau. De uitstroomval bij de alleenstaanden met jonge kinderen wordt vooral veroorzaakt door de kosten voor kinderopvang en andere werkgerelateerde kosten. Bij de alleenstaanden met oudere kinderen spelen ook werkgerelateerde kosten een rol, maar zij hebben geen kosten voor kinderopvang. Wel hebben deze huishoudens geen recht meer op kwijtschelding van lokale belastingen, wat bijdraagt aan de uitstroomval. Hierdoor is de bestedingsruimte op 110 procent niet lager dan op bijstandsniveau, maar ook nauwelijks hoger. Overigens zien we ook bij de andere onderzochte huishoudtypen dat de bestedingsruimte op 110 procent niet evenredig toeneemt met het netto inkomen. Ook hier zijn het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en werkgerelateerde kosten de oorzaak. Bij de eenoudergezinnen met oudere kinderen en bij de paren met oudere kinderen is sprake van een doorstroomval op 125 procent.
Hier speelt vooral het wegvallen van de vergoedingen vanuit Stichting Leergeld. Ook komen volwassenen niet langer in aanmerking voor de GelrePas. Paren hebben bovendien te maken met lagere landelijke toeslagen, zij ontvangen minder huurtoeslag en minder zorgtoeslag. Ook bij de huishoudens met een zorgvraag is sprake van een doorstroomval op 125 procent. Dit wordt voornamelijk bepaald door het wegvallen van enkele vergoedingen voor de zorgkosten.
6.3
Aanbevelingen
Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek én de voorwaarden die wij hierbij gesteld hebben, volgen hieronder een aantal aanbevelingen. Houd oog voor het verhaal achter de cijfers Ook in voorgaande jaren heeft de gemeente Rheden een Minima-effectrapportage laten opstellen. Deze huidige cijfers geven de impressie dat de situatie steeds verder verbetert. Hierbij moet het in gedachten worden gehouden dat het niet per definitie gemakkelijker is geworden om rond te komen. In paragraaf 6.1 is een aantal voorwaarden benoemd waaraan voldaan moet worden om tot de bestedingsruimte te komen zoals die in dit rapport berekend is. Nu is het de laatste jaren zeker niet gemakkelijker geworden om aan deze voorwaarden te voldoen. De G40 merkt in het manifest “Geen pleisters meer” op, dat inwoners afhankelijk zijn geworden van lokale inkomensondersteuning in een stelsel dat te ingewikkeld is en waarbij het vertrouwen in de overheid laag is: “Het is voor inwoners lastig om bekend te zijn met de veelheid van alle lokale en landelijke regelingen. Het is complex om ze vervolgens aan te vragen, als het taboe op geldzorgen hen al niet heeft tegengehouden. Gelijktijdig speelt nu ook mee dat inwoners minder vertrouwen hebben in de overheid en onder andere terughoudend zijn in het aanvragen van regelingen en toeslagen.
Bijvoorbeeld doordat ze bang zijn dat ze het ontvangen budget weer terug zullen moeten betalen. Dit geldt zeker niet alleen voor de lokale regelingen, maar voor het landelijke inkomensstelsel in het geheel.”5 Ook het Nibud constateert in de analyse van het hoofdlijnenakkoord dat huishoudens steeds afhankelijker worden van toeslagen: “De maatregelen in het hoofdlijnenakkoord zorgen volgens het CPB voor een lichte gemiddelde stijging van de koopkracht van alle huishoudens en een afname van de armoede. Daarvoor wordt voor huishoudens met lage inkomens teruggegrepen op toeslagen om hun koopkracht op peil te houden. (…) Tegelijkertijd hebben we gezien dat het stelsel van toeslagen vaak tot problemen en onzekerheid bij huishoudens leidt. [Daardoor weten huishoudens] op de langere termijn niet waar zij aan toe zijn en blijven ze overgeleverd aan een complex systeem.”6 Het is dus belangrijk dat de gemeente zich ervan bewust is en blijft dat veel inwoners met een laag inkomen moeite hebben om rond te komen en daarbij afhankelijk zijn van verschillende vormen van inkomensondersteuning. De volgende aanbevelingen kunnen daarbij helpend zijn. Stimuleer goed financieel beheer Om rond te kunnen komen van een minimuminkomen is een goed financieel beheer van het huishouden noodzakelijk. Men reserveert om zo nodig grote uitgaven te kunnen doen voor de vervanging van de inboedel.
We gaan ervan uit dat het huishouden niet leent, zodat er niet nog extra kosten van rente en aflossing bijkomen. Veel huishoudens die van een minimum inkomen moeten rondkomen, voeren een goed financieel beheer, maar een deel ook niet. Voor deze huishoudens is het aan te bevelen cursussen of begeleiding te organiseren. Het Nibud, en ook andere (lokale) organisaties, hebben hiervoor een uitgebreid aanbod. ____________________
Verminder niet-gebruik regelingen In deze rapportage wordt ervan uitgegaan dat alle regelingen waarop men recht heeft ook worden aangevraagd! Uit diverse onderzoeken 7 blijkt echter dat dit niet altijd gebeurt en dat er een behoorlijke mate van niet-gebruik is. Voor de groep die niet alle regelingen gebruikt waarop recht is, geldt dat de bestedingsruimte in deze rapportage lager is. Het Nibud adviseert dan ook in het beleid sterk de nadruk te leggen op het verminderen van niet-gebruik. Bijvoorbeeld door gerichte communicatie te stimuleren met hulp van verschillende lokale organisaties, waaronder die in de gezondheidzorg. En zorg voor eenvoudige procedures met betrekking tot toekenning, bijvoorbeeld door aanvragen te combineren. Het niet-gebruik is vooral groot onder werkenden. Dat versterkt de armoedeval. In de handreiking Het beter bereiken van werkende armen (Platform31, 2022)8 staan suggesties om het niet-gebruik van voorzieningen door werkenden tegen te gaan. Help energielasten verlagen De afgelopen periode zijn de energielasten sterk gestegen. Het kabinet heeft in 2023 de gevolgen voor alle huishoudens gedempt met het prijsplafond op de energietarieven. Voor huishoudens met een laag inkomen is de energietoeslag in het leven geroepen. Deze zijn in 2024 weer afgeschaft. Omdat de energieprijzen weer gedaald zijn, is dit niet meer nodig voor elk huishouden.
Het is misschien niet meer voor iedereen noodzakelijk, maar wonen in een huis met een slecht energielabel veroorzaakt wel degelijk persoonlijk onvermijdbare uitgaven. Het Nibud adviseert om voor die huishoudens die vanwege een slecht geïsoleerde woning moeite hebben met rondkomen, de mogelijkheid van bijzondere bijstand open te houden. Hetzelfde geldt voor huishoudens met een bovengemiddeld hoog noodzakelijk elektriciteitsverbruik, bijvoorbeeld als gevolg van een medische aandoening of een energie-onzuinige woning. Ook voor deze huishoudens blijft een (extra) tegemoetkoming vanuit de gemeente zeer wenselijk. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de energiekosten per label en per woningtype. Hieruit wordt duidelijk wat het effect van een hoger energielabel is op de bestedingsruimte van diverse huishoudtypen. Bij een- en tweepersoonshuishoudens gaan we in deze rapportage uit van een flatwoning, voor meerpersoonshuishoudens rekenen we met de energielasten van een tussenwoning.
____________________
Tabel 12: Gaskosten in euro’s naar cluster van energielabel AB CD rij-tussenwoning 139 160 flatwoning 109 127
EFG 176 145
Bij het schrijven van dit rapport is bekend geworden dat er ook in 2025 weer een Noodfonds voor Energie zal zijn, waar mensen met een laag inkomen en een hoge energierekening ondersteuning kunnen krijgen. Voor het eerst komen ook huishoudens met een blokaansluiting in aanmerking voor steun uit het fonds. De energietoeslag kan worden aangevraagd door huishoudens met een inkomen van maximaal 200 procent van het sociaal minimum, waarvan de energiekosten hoger zijn dan 8 tot 10 procent van het bruto-inkomen per maand. Het Nibud adviseert de gemeente Rheden actief de ontwikkelingen rondom het Noodfonds te blijven volgen. Daarnaast adviseert het Nibud de gemeente Rheden huishoudens te ondersteunen bij het verlagen van de energielasten. Ten aanzien van energieverbruik en isolatie, blijkt uit onderzoek dat juist minima vaak in minder goed geïsoleerde woningen wonen en daardoor een hoger dan gemiddeld verbruik hebben. De energielasten zullen een groter deel van de woonlasten, en daarmee ook van de totale begroting, gaan innemen. De toekomstige energietransitie zal ook de nodige kosten met zich meebrengen. Daarbij is het voor bewoners van een huurwoning niet duidelijk of de woningbouwcorporaties dit gaan doorberekenen aan hun huurders.
Het Nibud adviseert de gemeente om hierin samen op te trekken met de verhuurders en ook samen middelen in te zetten om de energieverbetering van woningen door te voeren. Huishoudens met een laag inkomen kunnen mogelijk hulp van energieadviseurs of gratis en goedkope energieboxen aangeboden krijgen. Producten zoals ledlampen en isolatiefolies, waarvan de aanschafkosten voor deze doelgroep vaak te hoog zijn maar met een snelle terugverdientijd hebben, zijn dan het meest effectief. Zorg voor een goed alternatief voor de collectieve zorgverzekering Net als veel andere gemeenten biedt de gemeente Rheden inwoners een collectieve zorgverzekering aan. Met een dergelijke verzekering zijn deelnemers vaak uitgebreider verzekerd dan huishoudens met een gemiddelde verzekering. Echter, niet alle inwoners hebben zo’n uitgebreid pakket nodig, terwijl de premies navenant hoog zijn en de collectiviteitskorting vaak laag is. Er ligt een voorstel om vanaf 1 januari 2026 geen collectieve zorgverzekering meer aan te bieden. Een alternatief is om inwoners, die voorheen gebruik maakten van de collectieve verzekering, te ondersteunen bij hun keuze voor een zorgverzekering. Door per inwoner naar hun persoonlijke situatie te kijken kan bovendien het risico op onder- of oververzekering zo klein mogelijk worden gehouden.
Stimuleer paren met oudere kinderen bij het verhogen van hun inkomen Paren met oudere kinderen hebben het minder ruim dan eenoudergezinnen met oudere kinderen en dan paren met jonge kinderen. In het onderzoek gaan we uit van de minst gunstigste situatie waarbij een van de volwassenen werkt. Inzetten op de begeleiding naar werk van beide partners levert extra op. Zo blijkt een klein baantje van de andere partner
veel meer op te leveren dan alleen het maandelijks bruto inkomen: fiscaal houdt een stel meer over als beide partners parttime werken dan als één persoon fulltime werkt 9. Laat (meer) werken lonend zijn Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Rheden doet zich dit voor bij het eenoudergezin met jonge kinderen. Bij de overige huishoudtypen zien we dat de bestedingsruimte op 110 procent vaak niet evenredig toeneemt met het inkomen. Naast het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale heffingen, spelen vooral werkgerelateerde kosten hierbij een rol. Bij een inkomen boven het minimum wordt er in deze rapportage van uitgegaan dat er sprake is van een (parttime) baan die extra (vervoers)kosten met zich meebrengt. Deze kosten zijn in de begrotingen boven bijstandsniveau opgenomen. Het gaat om een gemiddeld bedrag. In de praktijk kunnen deze kosten hoger liggen of juist lager, bijvoorbeeld als deze kosten door de werkgever vergoed worden of als er geen reiskosten zijn omdat het werk op loop- of fietsafstand gesitueerd is. Het Nibud adviseert per situatie te bekijken of werkgerelateerde kosten tot financiële problemen kunnen leiden en zo nodig een vergoeding te verstrekken.
De gemeente kan inwoners ook ondersteunen bij het vinden van werk in de buurt, waardoor er geen of minder reiskosten zijn. Houd aandacht voor de inkomenspositie van huishoudens zonder kinderen Van de onderzochte huishoudtypen in dit onderzoek hebben de huishoudens onder de AOW-leeftijd zonder kinderen de laagste bestedingsruimte. Als het paar met extra zorgkosten te maken heeft resteert op bijstandsniveau € 32 per maand. Dit maakt dit huishouden zeer kwetsbaar; mochten er onverwacht meer (zorg)kosten zijn, dan zal dit al snel leiden tot een tekort. Het paar zonder zorgkosten heeft iets meer ruimte, namelijk € 123 op bijstandsniveau. Als deze huishoudens met hogere kosten te maken krijgen dan waar we in dit onderzoek rekening mee hebben gehouden (bijvoorbeeld een combinatie van een hogere huur en een onzuinige woning) kan het saldo veel lager uitvallen. Het Nibud adviseert de positie van huishoudens zonder kinderen onder de AOWgerechtigde leeftijd, en met name huishoudens met extra zorgkosten, goed in de gaten te houden. Deze huishoudens profiteren het minst van de landelijke maatregelen en daarom is juist voor deze groep de gemeentelijke ondersteuning van belang. Overweeg compensatie van zorgkosten Huishoudens met een zorgvraag zijn op alle onderzochte inkomensniveaus slechter af dan huishoudens zonder een dergelijke zorgvraag.
Dit verschil wordt groter als ook de collectieve zorgverzekering volgend jaar weg zou vallen. Deze verzekering dekt nu de eigen bijdrage Wmo en de eigen betalingen aan medicijnen. Als dit voordeel wegvalt kan het paar met een zorgvraag op bijstandsniveau de maandbegroting niet meer rondkrijgen.
____________________ 9
Omdat zorgkosten altijd zwaar zullen drukken op de begroting van huishoudens met een laag inkomen, adviseert het Nibud om dergelijke persoonlijk onvermijdbare uitgaven voor kwetsbare huishoudens te compenseren. Onderzoek de mogelijkheid om de vergoeding voor sociale participatie voor volwassenen te verhogen De gemeente Rheden stimuleert inwoners met een laag inkomen om deel te nemen aan sportieve en culturele activiteiten middels een persoonlijk budget op de GelrePas. Voor volwassenen is het budget op de GelrePas lager dan voor kinderen terwijl de kosten voor volwassenen vaak hoger zijn. Het verhogen van het budget voor volwassenen kan helpen om sociale uitsluiting tegen te gaan, wat ook de kansen op de arbeidsmarkt kan vergroten. Daarom adviseert het Nibud om het budget voor inwoners vanaf 18 jaar te verhogen. Een andere optie is om de regeling voor kinderen uit te breiden naar 27 jaar. Kinderen wonen momenteel langer thuis (onder ander als gevolg van de huizenmarkt). Zodra zij 18 jaar worden, valt dan een deel van de ondersteuning weg. Bovendien stoppen juist jongeren in de leeftijdscategorie van 12 tot 18 jaar vaak met sporten. Door de regeling uit te breiden kan gestimuleerd worden dat zij blijven sporten of weer gaan sporten.
Heroverweeg de bezuiniging op de GelrePas De gemeente Rheden is voornemens de inkomensgrens voor volwassenen die gebruik willen maken van de GelrePas te verlagen van 120 naar 100 procent. Voor kinderen blijft die grens op 150 procent. De resultaten van dit onderzoek (zoals weergegeven in tabel 11) laten zien dat juist de lagere inkomensniveaus de laagste bestedingsruimte hebben, terwijl op 150 procent van de geldende norm de bestedingsruimte meestal boven de € 500 uitkomt. Zoals hierboven al aangegeven is het van belang dat ook volwassenen deel kunnen nemen aan het maatschappelijk leven en dat sociale uitsluiting wordt voorkomen. Een alternatief bezuinigingsvoorstel zou daarom zijn om voor volwassenen de inkomensgrens te behouden en deze voor kinderen iets te verlagen.
Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Nibud gebruikt diverse bronnen voor de referentiecijfers. Hieronder volgt een korte verantwoording van keuzes en bronnen van de pakketten die leiden tot de begrotingsposten. De bedragen in de posten zijn de bedragen voor januari 2023. De inhoud van de uitgavenpakketten worden in overleg met andere organisaties regelmatig aangepast. De prijzen van de pakketten worden elk jaar herijkt en aangepast.
Huur Voor een- en twee-persoonshuishoudens is gerekend met een huur van € 682. Voor meerpersoonshuishoudens bedraagt de huur € 731. Alle genoemde bedragen zijn inclusief servicekosten. Voor het berekenen van de huurtoeslag is uitgegaan van de deze huurprijzen. Energie Dit is de prijs van gemiddeld verbruik naar huishoudtype met een opslag van 10 procent voor huishoudens vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd en voor de huishoudens met een zorgvraag. Lokale lasten Dit zijn de gemeentelijke- en waterschapsheffingen verminderd met de eventuele kwijtschelding. Telefoon, televisie en internet Deze bedragen zijn gebaseerd op het bellen met een mobiele telefoon met een sim-only abonnement voor 100 tot 150 belminuten per maand met een databundel tot maximaal 2 GB, een basisabonnement voor internet en een basis digitaal televisie abonnement. We gaan er van uit dat iedereen in het huishouden van 12 jaar en ouder een eigen mobiele telefoon heeft. Zorgverzekeringen Dit betreft de nominale premie van de basis- en aanvullende verzekering inclusief een tandartsverzekering. Voor huishoudens die voldoen aan de voorwaarden zijn de tarieven voor de collectieve basisverzekering en de aanvullende verzekering (incl. tand) gehanteerd.
Overige verzekeringen Dit betreft een aansprakelijkheidsverzekering, een inboedelverzekering en voor volwassenen in huishoudens onder de pensioengerechtigde leeftijd een uitvaartverzekering. Onderwijs Deze bedragen zijn gebaseerd op onderzoek van SEO, zoals gepubliceerd in de Schoolkostenmonitor. Het betreffen onder andere de vrijwillige schoolbijdrage, leermiddelen en gereedschappen, ICT-benodigdheden en kosten voor extra schoolactiviteiten.
Kinderopvang/peuteropvang Dit zijn de kosten inclusief de landelijke vergoeding die wordt gegeven. Bij de alleenstaande huishoudens met jonge kinderen bij een inkomen boven de bijstand gaan we uit van 20 uur werk (bij 110 procent inkomen) of 30 uur werk (hoger dan 110 procent). Voor een alleenstaande ouder met jonge kinderen op bijstandsniveau en voor een paar met jonge kinderen bij alle inkomens gaan we ervan uit dat er gemaakt van de peuteropvang. Vervoerskosten Voor ieder lid van het huishouden zijn dit de kosten van een fiets en de kosten voor stadsen streekvervoer met de bus. Hierbij is uitgegaan van een beperkte hoeveelheid vervoer per maand. Voor huishoudens met zorgkosten zijn de kosten van een fiets niet meegerekend. Uitgaven in verband met het verkrijgen of behouden van werk We houden rekening met kosten in verband met werkgerelateerde kosten (vervoer, representatieve kleding). Hiervoor houden we een vast bedrag aan. Kleding en schoenen Deze bedragen zijn gebaseerd op het Nibud-basispakket voor kleding. Het gaat hierbij net als bij alle andere uitgavenposten om een goedkoop pakket met nieuwe artikelen. De bedragen zijn gebaseerd op de prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Inboedel en onderhoud Bedragen zijn gebaseerd op het Nibud-basispakket voor inventaris en onderhoud. Dit betreft o.a. de stoffering, keukeninventaris en huishoudelijk apparatuur.
Zelfzorgmiddelen In het basispakket zitten kosten die elk huishouden heeft. De kosten betreffen de huisapotheek met pleisters, aspirines e.d. plus het bedrag dat een huishouden maximaal kwijt kan zijn aan het eigen risico van de zorgverzekering. Eigen risico Dit bedrag is gebaseerd op € 385, waarbij we ervan uitgaan dat het gehele bedrag gereserveerd moet worden. Voeding De bedragen zijn gebaseerd op de aanbevolen hoeveelheden voor een gezonde voeding van het Voedingscentrum en de prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Was- en schoonmaakmiddelen Dit is een bedrag per huishouden en een bedrag per persoon op basis van Nibudonderzoek. Persoonlijke verzorging Uitgegaan is van een bedrag per persoon op basis van Nibud-onderzoek. Diversen Dit is een bedrag per huishouden en een bedrag per persoon voor diverse uitgaven.
Pakket voor sociale participatie Op basis van het onderzoek door het Nibud en het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) voor de commissie Sociaal Minimum (2023) is een pakket samengesteld van activiteiten die onder sociale participatie en ontspanning vallen. Het Nibud stelt de bedragen vast die verschillende leden van een huishouden hiervoor minimaal nodig hebben. De uitgavenposten waar rekening mee is gehouden staat hieronder weergegeven evenals de richtbedragen voor deze uitgavenposten. Het gaat hierbij om een voorbeeld van een invulling van activiteiten. Bij vakanties/uitgaan kan ook gedacht worden aan andere activiteiten zoals het bezoeken van een museum of zwembad. Uitgaven aan sociale participatie, bedrag per maand € Contributies en abonnementen per kind 4 tot 8 jaar 12,50 per kind 8 tot 16 jaar 16,00 Per persoon vanaf 16 jaar 21,50 per huishouden 3,00 Bezoek ontvangen per persoon 12,00 per huishouden 16,00 Op bezoek gaan per persoon 7,00 Vakantie/uitgaan per persoon 21,50 per huishouden 28,50 Vervoer per kind 4 tot 12 jaar 12,50 per persoon vanaf 12 jaar 19,00 Bron: SCP/Nibud 2024, CBS 2024, berekeningen Nibud 2024
Bijlage 2 | Begrotingen In de volgende tabellen zijn de begrotingen van de verschillende voorbeeldhuishoudens opgenomen. Bovenaan staan de inkomsten en daaronder de uitgaven aan het basispakket en aan sociale participatie. Het basispakket is verdeeld in vaste lasten, reserveringsuitgaven en huishoudelijke uitgaven. In de begrotingen zijn landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen van de gemeente verwerkt. De uitgavenposten waar lokale tegemoetkomingen tegenover staan zijn aangeduid. De bedragen worden weergegeven in hele euro’s, waardoor optellingen een euro te laag of te hoog kunnen lijken.
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
1.345 1.480 1.615 1.682 2.018 0 0 0 0 0 131 131 131 131 131 411 411 411 411 356 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1.887 2.022 2.157 2.224 2.505
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
682 682 682 682 682 143 143 143 143 143 17 17 17 17 17 0 38 38 38 38 64 64 64 64 64 180 180 180 179 179 26 26 26 26 26 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 3 3 3 3 3 28 28 28 28 28 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 67 67 67 67 1.143 1.248 1.248 1.247 1.247
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
62 87 31 6 32 0 0 218
62 87 31 6 32 0 0 218
62 87 31 6 32 0 0 218
62 87 31 6 32 0 0 218
62 87 31 6 32 0 0 218
267 7 26 0 0 0 5 305
267 7 26 0 0 0 5 305
267 7 26 0 0 0 5 305
267 7 26 0 0 0 5 305
267 7 26 0 0 0 5 305
111
111
111
128
128
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 1.777 1.882 1.882 1.898 1.898 Saldo inkomsten min uitgaven 110 140 275 326 607
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
1.595 1.651 1.801 1.876 2.252 0 0 0 0 0 131 131 131 131 114 411 411 409 385 242 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 2.137 2.193 2.341 2.392 2.608
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
682 682 682 682 682 154 154 154 154 154 17 17 17 17 17 0 28 38 38 38 64 64 64 64 64 180 180 180 179 179 15 15 15 15 15 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 3 3 3 3 3 23 23 23 23 23 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1.138 1.166 1.176 1.175 1.175
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
62 87 31 9 32 0 0 221
62 87 31 9 32 0 0 221
62 87 31 9 32 0 0 221
62 87 31 9 32 0 0 221
62 87 31 9 32 0 0 221
259 7 26 0 0 0 5 297
259 7 26 0 0 0 5 297
259 7 26 0 0 0 5 297
259 7 26 0 0 0 5 297
259 7 26 0 0 0 5 297
112
112
112
122
122
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 1.768 1.796 1.806 1.815 1.815 Saldo inkomsten min uitgaven 369 397 535 577 793
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
1.922 2.114 2.306 2.403 2.883 0 0 0 0 0 251 251 230 208 97 413 413 413 383 183 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 2.586 2.778 2.949 2.994 3.163
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
682 682 682 682 682 165 165 165 165 165 21 21 21 21 21 0 50 50 50 50 74 74 74 74 74 359 359 359 358 358 42 42 42 42 42 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 10 10 10 10 10 54 54 54 54 54 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 67 67 67 67 1.407 1.524 1.524 1.523 1.523
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
123 98 31 10 64 0 0 326
123 98 31 10 64 0 0 326
123 98 31 10 64 0 0 326
123 98 31 10 64 0 0 326
123 98 31 10 64 0 0 326
486 8 52 0 0 0 7 553
486 8 52 0 0 0 7 553
486 8 52 0 0 0 7 553
486 8 52 0 0 0 7 553
486 8 52 0 0 0 7 553
177
177
177
210
210
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 2.463 2.580 2.580 2.612 2.612 Saldo inkomsten min uitgaven 123 198 369 382 551
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
2.188 2.259 2.464 2.567 3.039 0 0 0 0 0 251 248 219 204 130 413 413 400 377 248 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 2.852 2.921 3.083 3.148 3.417
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
682 682 682 682 682 176 176 176 176 176 21 21 21 21 21 0 45 50 50 50 74 74 74 74 74 359 359 359 358 358 19 19 19 19 19 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 10 10 10 10 10 44 44 44 44 44 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1.385 1.430 1.435 1.434 1.434
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
123 98 31 13 64 0 0 329
123 98 31 13 64 0 0 329
123 98 31 13 64 0 0 329
123 98 31 13 64 0 0 329
123 98 31 13 64 0 0 329
471 8 53 0 0 0 7 539
471 8 53 0 0 0 7 539
471 8 53 0 0 0 7 539
471 8 53 0 0 0 7 539
471 8 53 0 0 0 7 539
176
176
176
197
197
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 2.429 2.474 2.479 2.499 2.499 Saldo inkomsten min uitgaven 423 447 604 649 918
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
1.345 1.427 1.554 1.617 1.934 0 53 61 65 84 131 131 131 131 131 445 445 445 445 445 191 191 191 191 191 701 701 701 701 701 0 1.045 1.568 1.568 2.091 0 0 0 0 0 2.813 3.993 4.651 4.718 5.577
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
731 731 731 731 731 205 205 205 205 205 25 25 25 25 25 0 0 0 0 60 64 64 64 64 64 180 180 180 179 179 33 33 33 33 33 12 12 12 12 12 13 1.246 1.870 1.870 2.493 3 3 3 3 3 37 37 37 42 42 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 67 67 67 67 1.303 2.603 3.227 3.231 3.914
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
127 108 31 6 32 0 0 304
127 108 31 6 32 0 0 304
127 108 31 6 32 0 0 304
133 108 31 6 32 0 0 310
133 108 31 6 32 0 0 310
397 8 60 0 0 0 8 473
397 8 60 0 0 0 8 473
397 8 60 0 0 0 8 473
397 8 60 0 0 0 8 473
397 8 60 0 0 0 8 473
196
196
196
212
212
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 2.276 3.576 4.200 4.226 4.909 Saldo inkomsten min uitgaven 537 417 451 492 668
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
1.345 1.480 1.615 1.682 2.018 0 0 0 0 0 131 131 131 131 131 445 445 445 445 445 273 273 273 273 273 838 838 838 838 838 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 3.031 3.166 3.301 3.368 3.704
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
731 731 731 731 731 205 205 205 205 205 25 25 25 25 25 0 60 60 60 60 84 84 84 84 84 180 180 180 179 179 33 33 33 33 33 116 116 116 132 132 0 0 0 0 0 3 3 3 3 3 45 45 45 71 71 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 67 67 67 67 1.422 1.549 1.549 1.590 1.590
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
169 114 31 6 32 0 0 352
169 114 31 6 32 0 0 352
169 114 31 6 32 0 0 352
194 119 31 6 32 0 0 382
194 119 31 6 32 0 0 382
619 8 78 0 0 0 8 713
619 8 78 0 0 0 8 713
619 8 78 0 0 0 8 713
619 8 78 0 0 0 8 713
619 8 78 0 0 0 8 713
214
214
214
231
231
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 2.701 2.828 2.828 2.916 2.916 Saldo inkomsten min uitgaven 330 338 473 452 788
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
1.922 2.114 2.306 2.403 2.883 0 0 0 0 0 251 251 230 208 97 445 445 445 415 215 191 191 191 191 191 418 418 418 418 393 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 3.227 3.419 3.590 3.635 3.779
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
731 731 731 731 731 217 217 217 217 217 31 31 31 31 31 0 60 60 60 60 74 74 74 74 74 359 359 359 358 358 47 47 47 47 47 12 12 12 12 12 13 13 13 13 13 10 10 10 10 10 64 64 64 70 70 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 67 67 67 67 1.558 1.685 1.685 1.690 1.690
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
189 122 31 10 64 0 0 416
189 122 31 10 64 0 0 416
189 122 31 10 64 0 0 416
195 122 31 10 64 0 0 422
195 122 31 10 64 0 0 422
533 9 86 0 0 0 10 638
533 9 86 0 0 0 10 638
533 9 86 0 0 0 10 638
533 9 86 0 0 0 10 638
533 9 86 0 0 0 10 638
258
258
258
291
291
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 2.870 2.997 2.997 3.041 3.041 Saldo inkomsten min uitgaven 357 422 593 594 738
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
1.922 2.114 2.306 2.403 2.883 0 0 0 0 0 251 251 230 208 97 445 445 445 415 215 273 273 273 273 273 555 555 555 555 530 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 3.446 3.638 3.809 3.854 3.997
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
731 731 731 731 731 217 217 217 217 217 31 31 31 31 31 0 60 60 60 60 93 93 93 93 93 359 359 359 358 358 47 47 47 47 47 116 116 116 132 132 0 0 0 0 0 10 10 10 10 10 73 73 73 98 98 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 67 67 67 67 1.677 1.804 1.804 1.844 1.844
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
231 128 31 10 64 0 0 464
231 128 31 10 64 0 0 464
231 128 31 10 64 0 0 464
256 133 31 10 64 0 0 494
256 133 31 10 64 0 0 494
729 9 104 0 0 0 10 852
729 9 104 0 0 0 10 852
729 9 104 0 0 0 10 852
729 9 104 0 0 0 10 852
729 9 104 0 0 0 10 852
278
278
278
311
311
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 3.271 3.398 3.398 3.501 3.501 Saldo inkomsten min uitgaven 175 240 411 353 496
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
1.595 1.651 1.801 1.876 2.252 3 3 2 2 1 131 131 131 131 114 448 448 446 421 279 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 2.177 2.233 2.380 2.431 2.646
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
773 773 773 773 773 154 154 154 173 206 17 17 17 17 17 0 0 38 38 38 64 64 64 64 64 206 206 206 195 195 17 17 17 17 17 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 6 6 6 6 6 20 20 20 20 20 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1.257 1.257 1.295 1.303 1.336
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
62 87 31 9 32 8 0 229
62 87 31 9 32 8 0 229
62 87 31 9 32 8 0 229
62 87 31 9 32 51 0 272
93 87 31 9 32 51 0 303
259 7 26 0 0 0 5 297
259 7 26 0 0 0 5 297
259 7 26 0 0 0 5 297
259 7 26 0 0 0 5 297
259 13 26 0 0 0 5 303
140
140
140
154
154
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 1.923 1.923 1.961 2.026 2.096 Saldo inkomsten min uitgaven 254 310 419 405 550
uitgavenposten
100
110
120
125
150
INKOMEN Netto inkomen Voorlopige aanslag Zorgtoeslag Huurtoeslag Kinderbijslag Kindgebonden budget Kinderopvangtoeslag Lokale tegemoetkomingen Netto besteedbaar inkomen
1.922 2.114 2.306 2.403 2.883 10 9 7 6 1 251 251 230 208 97 413 413 413 383 183 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 2.596 2.787 2.956 3.000 3.164
VASTE LASTEN Huur Energie Water Lokale lasten Telecom Zorgverzekering Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Contributies en abonnementen Vervoer Levensonderhoud anderen Betalingsverplichtingen Werkgerelateerde kosten Totaal vaste lasten
682 682 682 682 682 165 165 165 189 226 21 21 21 21 21 0 50 50 50 50 76 76 76 76 76 386 386 386 393 393 64 64 64 64 64 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 10 10 10 10 10 64 64 64 64 64 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 67 67 67 67 1.468 1.585 1.585 1.616 1.653
RESERVERINGSUITGAVEN Kleding Inboedel Onderhoud Zelfzorgmiddelen Eigen risico Eigen betalingen zorg Vrijetijdsuitgaven Totaal reserveringsuitgaven
123 98 31 10 64 29 0 355
123 98 31 10 64 29 0 355
123 98 31 10 64 29 0 355
123 98 31 10 64 72 0 398
154 98 31 10 64 72 0 429
486 8 52 0 0 0 7 553
486 8 52 0 0 0 7 553
486 8 52 0 0 0 7 553
486 8 52 0 0 0 7 553
486 14 52 0 0 0 7 559
188
188
188
221
221
HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Voeding Was- en schoonmaakartikelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening Huisdieren Roken Diversen Totaal huishoudelijke uitgaven SOCIALE PARTICIPATIE Sociale participatie TOTAAL Totaal uitgaven 2.564 2.681 2.681 2.788 2.862 Saldo inkomsten min uitgaven 32 106 275 212 302