CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 toelichting bijlagen (21.24)

Raadsvergadering 26 april 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Vaststellen bp Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (22.24)27.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019

2 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)

Bijlagen toelichting

3 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)

4 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)

Bijlage 1

Uitspraak 200908372 vovo

5 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)

Uitspraak 200908372/2/R2 | Raad van State

Page 1 of 4

Uitspraak 200908372/2/R2 DATUM VAN UITSPRAAK TEGEN PROCEDURESOORT RECHTSGEBIED

vrijdag 26 februari 2010 het college van gedeputeerde staten van Gelderland Voorlopige voorziening Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Gelderland

200908372/2/R2. Datum uitspraak: 26 februari 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: [verzoekers], beiden wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 september 2009, kenmerk 2009-003348, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Rheden bij besluit van 27 januari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk gebied". Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2009, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 februari 2010, waar [verzoekers], bijgestaan door mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door M. van der Leeden, werkzaam bij de gemeente, daar als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1.

Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het plan betreft een actualisatie van het landelijke gebied van de gemeente Rheden. Het plan is voor een deel conserverend van aard en voorziet daarnaast in enkele nieuwe ontwikkelingen. 2.3. [verzoekers] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding ‘spuitvrije zone’ op hun perceel [locatie] en in samenhang daarmee aan het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zover het betreft de in het plan voorziene woningbouw op het perceel Lentsesteeg 13. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van deze planonderdelen te voorkomen. Daartoe voeren zij aan dat de aanduiding en de woningbouw zullen leiden tot een belemmering in de bedrijfsvoering, hetgeen volgens hen in strijd is met het gemeentelijke beleid inzake functieverandering. In dit verband voeren zij aan dat ook de gronden waarop de aanduiding ligt, worden gebruikt voor de bedrijfsvoering en dat het spuitverbod op die gronden invloed zal hebben op de teelt in de hele boomkwekerij. 2.4. Het college heeft de planonderdelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft deze goedgekeurd.

Het college stelt dat ten tijde van het vaststellen van het plan de in het plan aangewezen spuitvrije zone niet werd gebruikt voor de teelt van gewassen en dat derhalve de spuitvrije zone niet leidt tot een beperking in de bedrijfsvoering. 2.5. De voorzitter heeft twijfel of de goedkeuring van de aan de gronden van [verzoekers] op het perceel [locatie] toegekende aanduiding ‘spuitvrije zone’ in de bodemprocedure zal standhouden. In dit verband overweegt de voorzitter dat gelet op de aan het perceel toegekende bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden" voldoende aannemelijk is dat deze gronden binnen de planperiode zullen worden gebruikt voor de teelt van gewassen, en daarmee op voorhand niet passend is dat een deel van deze gronden wordt uitgesloten van teelt. Niet bestreden is dat bespuiting van de gewassen noodzakelijk is voor de teelt.

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=4...

26-6-2013

Uitspraak 200908372/2/R2 | Raad van State

Page 2 of 4

Evenmin in geschil is dat het gebruik van de gronden waaraan de aanduiding ‘spuitvrije zone’ is toegekend voor teelt van gewassen ingevolge het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1995" is toegestaan en dat in dit bestemmingsplan niet is voorzien in een spuitvrije zone. In zoverre brengt het onderhavige plan, nu daarin wel is voorzien in een spuitvrije zone, naar het voorlopige oordeel van de voorzitter een beperking van het gebruik van de gronden met zich. Gelet hierop sluit de voorzitter niet uit dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de functieverandering naar wonen op het perceel Lentsesteeg 13 in strijd is met het gemeentelijke beleid ter zake. Hierin is bepaald dat, zo volgt uit de plantoelichting, omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden geschaad. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding om de goedkeuring van de aanduiding ‘spuitvrije zone’ op het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden" ter plaatse van het perceel [locatie]2 te schorsen. Nu hierdoor spuiten met bestrijdingsmiddelen op korte afstand van de voorziene woningbouw op het perceel Lentsesteeg 13 mogelijk is, heeft de voorzitter twijfel of deze woningbouw in de bodemprocedure in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zal worden geacht.

De voorzitter ziet daarom ook aanleiding om de goedkeuring van dit plandeel, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, te schorsen. 2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 11 september 2009, kenmerk 2009-003348, voor zover het betreft: a. de aanduiding ‘spuitvrije zone’ op het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden" ter plaatse van het perceel [locatie] te [plaats]; b. het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel Lentsesteeg 13 te Rheden, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1; II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 911,65 (zegge: negenhonderdelf euro en vijfenzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; III.

gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Huszar voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010 533-573.

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=4...

26-6-2013

Uitspraak 200908372/2/R2 | Raad van State

Page 3 of 4

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=4...

26-6-2013

Uitspraak 200908372/2/R2 | Raad van State

Page 4 of 4

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=4...

26-6-2013

10 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)

Bijlage 2

Uitspraak 200908372 bodemprocedure

11 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)

Uitspraak 200908372/1/R2 | Raad van State

Page 1 of 7

Uitspraak 200908372/1/R2 DATUM VAN UITSPRAAK

woensdag 22 december 2010

TEGEN

het college van gedeputeerde staten van Gelderland

PROCEDURESOORT

Eerste aanleg - meervoudig

RECHTSGEBIED

Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Gelderland

200908372/1/R2. Datum uitspraak: 22 december 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], 2. de vereniging Belangengemeenschap De Steeg en Havikerwaard, gevestigd te De Steeg, gemeente Rheden, 3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats], 4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], en anderen, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 september 2009, kenmerk 2009-003348, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Rheden bij besluit van 27 januari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk gebied". Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2009, de Belangengemeenschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2009, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2009, en [appellant sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2009, beroep ingesteld. [appellante sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 23 december 2009. [appellant sub 4] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 9 december 2009. [appellanten sub 1] en de Belangengemeenschap hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister) en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna in enkelvoud: [belanghebbende A]) een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2010, waar [appellanten sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen, de Belangengemeenschap, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de vereniging, [appellant sub 4] en anderen, in de persoon van [appellant sub 4] en bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door M. van der Leeden, werkzaam bij de gemeente, [belanghebbende A], beiden in persoon en bijgestaan door mr. C. Lubben, en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, vertegenwoordigd door J.J.H.M. Mannaerts en Y.G.M. Borgers, werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb),

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=5...

26-6-2013

Uitspraak 200908372/1/R2 | Raad van State

Page 2 of 7

rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. 2.2. Het plan betreft een actualisatie van het landelijke gebied van de gemeente Rheden. Het plan is voor een deel conserverend van aard en voorziet daarnaast in enkele nieuwe ontwikkelingen. [appellanten sub 1] 2.3. [appellanten sub 1] stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 2.1., onder B, sub 2 en onder j, van de planvoorschriften. Zij voeren aan dat deze bepaling in strijd is met de rechtszekerheid omdat niet duidelijk is welk gebruik op hun perceel is toegestaan. Volgens hen wordt ten onrechte verwezen naar de SBI-code 014-3 en had voor de omschrijving van het toelaatbare gebruik moeten worden volstaan met het begrip boomkwekerij, te meer nu het begrip SBI-code in de begripsbepalingen niet nader is omschreven. 2.4. [appellanten sub 1] exploiteren een boomkwekerij op het perceel [locatie 1].

Naar aanleiding van hun zienswijze is de boomkwekerij bij de vaststelling van het plan alsnog als zodanig bestemd. In het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarde" toegekend. Voorts is aan het zuidwesten van het perceel tevens de aanduiding "spuitvrije zone" toegekend. 2.5. Ingevolge artikel 2.1., onder A, sub 1 en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart aangegeven gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarde" bestemd voor agrarische bedrijven, uitgezonderd het gebruik als boomkwekerij. Ingevolge artikel 2.1., onder B, sub 2 en onder j, van de planvoorschriften is in afwijking van het onder A bepaalde tevens binnen het bouwperceel voor zover niet nader op de plankaart beperkt door een zone toegelaten afwijking, toegestaan aan de [locatie 1] te [plaats], het gebruik binnen de SBI-code 014-3 (boomkwekerij). Ingevolge artikel 1.1., onder 7, van de planvoorschriften moet onder een boomkwekerij worden verstaan een agrarisch bedrijf dat is gericht op het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en (sier)heesters. 2.6. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de bestreden bepaling, gelet op de begripsomschrijving van boomkwekerij in artikel 1.1.

van de planvoorschriften, voldoende duidelijk is en heeft daaraan goedkeuring verleend. Ter zitting heeft het college zijn standpunt in zoverre aangevuld dat de verwijzing in de bestreden bepaling naar de SBI-code overbodig is en tot onnodige verwarring kan leiden. Zowel het college als de raad heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat de verwijzing naar de SBIcode kan worden geschrapt. Nu het college zich op een ander standpunt stelt dan in het goedkeuringsbesluit en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellanten sub 1] is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. Nu ook de raad zich wat betreft dit artikelonderdeel ter zitting op een ander standpunt heeft gesteld dan in het vaststellingsbesluit, ziet de Afdeling aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan de zinsnede "binnen de SBI-code 014-3" in artikel 2.1., onder B, sub 2 en onder j, van de planvoorschriften. 2.7.

Verder stellen [appellanten sub 1] dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3.3 van de planvoorschriften, voor zover dit artikel op hun perceel voor diepploegen een aanlegvergunning, waaronder thans moet worden verstaan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voorschrijft. Zij stellen dat zij hierdoor onevenredig in hun bedrijfsuitoefening worden belemmerd. In dit verband voeren zij aan dat hun gronden ten onrechte zijn aangemerkt als archeologisch aandachts- en onderzoeksgebied, nu de bodem in

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=5...

26-6-2013

Uitspraak 200908372/1/R2 | Raad van State

Page 3 of 7

het verleden al dermate diep is omgeploegd dat eventuele archeologische waarden reeds verloren zijn gegaan. 2.8. Het college heeft geen reden gezien de planvoorschriften in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd. 2.9. Het perceel [locatie 1] is op de Waardenkaart Cultuurhistorie in zijn geheel aangewezen als "archeologisch aandachtsgebied" en voor een deel als "archeologisch onderzoeksgebied". Ingevolge artikel 3.3., eerste lid, van de planvoorschriften en de tabel die van dit artikel deel uitmaakt, voor zover thans van belang, is het op gronden die zijn aangewezen als "archeologisch aandachtsgebied" en "archeologisch onderzoeksgebied" verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders te diepploegen. 2.10. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad het gebied waarin de gronden van [appellanten sub 1] liggen niet heeft kunnen aanmerken als archeologisch waardevol. Niet in geschil is dat diepe grondbewerkingen onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering van [appellanten sub 1]. Dat deze werkzaamheden onomkeerbare schade kunnen toebrengen aan ondergrondse bodemschatten acht de Afdeling voorts niet onaannemelijk.

Met het opnemen van het aanlegvergunningstelsel kunnen dan ook de gevolgen van ingrepen in de bodem voor een concreet geval worden beoordeeld. Nu de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden niet vergunningplichtig zijn voor zover deze werkzaamheden reiken tot een diepte waarvoor kan worden bewezen dat in het verleden reeds sprake is geweest van diepploegen en nu voorts ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende is komen vast te staan dat de gronden van [appellanten sub 1] reeds dusdanig waren verstoord dat het opleggen van voormelde aanlegvergunningplicht niet meer zinvol kon worden geacht, biedt hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre leidt tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering en heeft het college in zoverre met dit vergunningstelsel kunnen instemmen. Het betoog faalt. 2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden planonderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.12.

Verder stellen [appellanten sub 1] dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel Lentsesteeg 13, alsmede aan de aanduiding "spuitvrije zone" op hun perceel [locatie 1]. Daartoe voeren zij aan dat de gronden met de aanduiding "spuitvrije zone" worden gebruikt voor de bedrijfsvoering, dat het spuitverbod op die gronden invloed zal hebben op de teelt in de hele boomkwekerij en dat zij in zoverre door het plan in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Dit is volgens [appellanten sub 1] in strijd met het gemeentelijke en provinciale beleid inzake functiewijziging. Verder betogen zij dat bij het toekennen van de aanduiding ten onrechte is uitgegaan van de perceelsgrens van het perceel Lentsesteeg 13 en niet van het bouwvlak van de daarop voorziene woningen. 2.13. Het plan maakt op het perceel Lentsesteeg 13 als compensatie voor de sloop van een bedrijfsgebouw ter plaatse de bouw van twee woningen mogelijk. Om ter plaatse van deze nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen is op het zuidwesten van het perceel van [appellanten sub 1] voorzien in een spuitvrije zone. 2.14. Het college heeft de bestreden planonderdelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft deze goedgekeurd.

Het college heeft daarbij gesteld dat ten tijde van het vaststellen van het plan de in het plan aangewezen spuitvrije zone niet werd gebruikt voor de teelt van gewassen en dat derhalve de spuitvrije zone niet leidt tot een beperking in de bedrijfsvoering. Ter zitting heeft het college zich echter op het standpunt gesteld dat bij nadere beschouwing gelet op het gemeentelijke en provinciale beleid geen goedkeuring had kunnen worden verleend aan de woonbestemming op het perceel Lentsesteeg 13 en derhalve ook goedkeuring had moeten worden onthouden aan de vanwege deze woonbestemming toegekende spuitvrije zone op het perceel [locatie 1]. Nu het college zich in

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=5...

26-6-2013

Uitspraak 200908372/1/R2 | Raad van State

Page 4 of 7

zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit reeds hierom in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 2.15. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de verlening van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel Lentsesteeg 13, alsmede aan de aanduiding "spuitvrije zone" op het perceel [locatie 1], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond. Gelet hierop wordt aan de overige bezwaren van [appellanten sub 1] tegen voormelde planonderdelen niet toegekomen. De Belangengemeenschap 2.16. De Belangengemeenschap stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" wat betreft het plandeel direct ten oosten van [locatie 2] te [plaats], gemeente Rheden, voor zover dat de bouw van een kantoorpand met twee dienstwoningen mogelijk maakt (hierna: plandeel Hoofdstraat).

Volgens de Belangengemeenschap verwijst het college voor de ruimtelijke onderbouwing van deze bestemming ten onrechte naar de reeds verleende bouwvergunning eerste fase, nu deze vergunning nog niet onherroepelijk is omdat de Belangengemeenschap daartegen beroep heeft ingesteld. Deze ontwikkeling had naar haar mening niet in het plan mogen worden opgenomen. De Belangengemeenschap vindt dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan haar bezwaren gericht tegen de gevolgde procedure en betoogt dat het college, gelet op de aanhangige procedure over de bouwvergunning en de door haar daartegen aangevoerde bezwaren, zich vroegtijdig op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan past in het toepasselijke planologische regime. 2.17. Het college heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Het college acht de aan het plandeel Hoofdstraat toegekende bestemming passend omdat deze bestemming in overeenstemming is met de voor het plandeel verleende bouwvergunning en het bouwplan waarvoor de vergunning is verleend past binnen het toepasselijke planologische regime. 2.18. Op het plandeel Hoofdstraat staat thans ongeveer 250 m2 bebouwing. Op grond van de herziening van het uitbreidingsplan "De Steeg" dat dateert uit 1954 mocht op het plandeel Hoofdstraat 1550 m2 bebouwing worden opgericht.

Bij besluit van 18 februari 2008 is op grond van laatst genoemde bouwmogelijkheid aan [vergunninghouder] bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een kantoor met dienstwoningen van ongeveer 220 m2. Ingevolge artikel 2.4., onder C, sub 2, onder a en onder b, gelezen in samenhang met bijlage 1 van de planvoorschriften maakt het plan op het plandeel Hoofdstraat de bouw van een kantoorpand met twee dienstwoningen mogelijk. 2.19. Niet in geschil is dat de bestemmingsregeling voor het plandeel Hoofdstraat naar aanleiding van een zienswijze van [vergunninghouder] gewijzigd is vastgesteld overeenkomstig de voor het plandeel Hoofdstraat verleende bouwvergunning. Vooropgesteld wordt dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat deze bouwvergunning thans niet ter beoordeling voorligt en dat derhalve aan de bezwaren gericht tegen die vergunningverlening niet wordt toegekomen. Het onderhavige plan houdt voorts een forse beperking in van de onder het vorige planologische regime aan het plandeel toegekende bouwmogelijkheden. De raad acht het niet redelijk om alle bestaande bouwmogelijkheden direct weg te bestemmen en daarenboven is sprake van concrete bouwplannen voor het plandeel die aan het gemeentebestuur kenbaar zijn gemaakt en die ter plaatse inpasbaar zijn.

Gelet hierop heeft het college ondanks dat de bouwvergunning nog niet onherroepelijk is, in zijn beoordeling een doorslaggevend belang mogen toekennen aan die verleende vergunning. Er is in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de door het college gemaakte belangenafweging in zoverre niet toereikend is. 2.20. De conclusie is dat hetgeen de Belangengemeenschap heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden planonderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=5...

26-6-2013

Uitspraak 200908372/1/R2 | Raad van State

Page 5 of 7

het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. [appellante sub 3] 2.21. [appellante sub 3] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het bouwblok op het plandeel met de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" wat betreft het perceel [locatie 3], te [plaats] (hierna: het plandeel Havikerwaard). Daartoe voert zij aan dat het college ten onrechte er van is uitgegaan dat het plan voorziet in een verruiming van de bouwmogelijkheden, nu het onderhavige plan een beperking inhoudt van de bouwmogelijkheden ten opzichte van het vorige planologische regime. 2.22. Het college heeft naar aanleiding van een bedenking van de staatssecretaris van verkeer en waterstaat goedkeuring onthouden aan het bouwblok op het plandeel Havikerwaard omdat niet kan worden uitgesloten dat de in het plan voorziene vergroting van de bebouwingsoppervlakte tot 4.200 m2 in strijd is met de Beleidsregels grote rivieren (hierna: de Beleidsregels). 2.23. Op het plandeel Havikerwaard wordt een betonsteenfabriek geëxploiteerd. De bestaande bebouwing heeft een oppervlak van ongeveer 1.900 m2. Het plan voorziet op het plandeel in een bouwvlak van 4.200 m2.

Dit bouwvlak is vastgesteld naar aanleiding van een reeds ingediend bouwplan dat onder meer voorziet in een uitbreiding van de bestaande bebouwing met 920 m2. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1975" was op het plandeel Havikerwaard voorzien in een bebouwingsoppervlak van 5.175 m2. 2.24. De minister heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting gesteld dat uitbreiding van de bestaande bebouwing op het plandeel Havikerwaard in strijd is met de Beleidsregels omdat de betonsteenfabriek volgens hem als "niet-riviergebonden activiteit" moet worden aangemerkt en geen beroep kan worden gedaan op de in de artikelen 3, 4, en 6 van de Beleidsregels opgenomen uitzonderingen. Hij acht een uitbreiding van tien procent van het bestaande bebouwde oppervlak aanvaardbaar. 2.25. De Beleidsregels zijn door het college als eigen beleid waaraan onder meer bij de goedkeuring van bestemmingsplannen zal worden getoetst, aanvaard. Het doel van de Beleidsregels is het behouden van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed en het voorkomen van feitelijke belemmeringen voor toekomstige verruiming van het rivierbed. Volgens artikel 6, aanhef en onder a, van de Beleidsregels van 4 juli 2006, gepubliceerd in de Staatscourant van 12 juli 2006, nr. 133, p.

19, voor zover thans van belang, wordt geen toestemming gegeven voor niet-riviergebonden activiteiten, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd. 2.26. [appellante sub 3] merkt terecht op dat het onderhavige plan een beperking inhoudt van de bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het vorige planologische regime. Het college heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat de Beleidsregels ook van toepassing zijn bij de vaststelling van een plan dat voorziet in bebouwingsmogelijkheden die reeds onder het vorige planologische regime bestonden maar waarvan geen gebruik is gemaakt. Niet in geschil is dat de betonsteenfabriek in het stroomvoerend deel van de rivier de IJssel ligt en dat de Beleidsregels voor het plandeel Havikerwaard van kracht zijn. Tussen [appellante sub 3] en het college is verder niet in geschil dat de betonsteenfabriek geen riviergebonden activiteit is, zodat uitbreiding van de bebouwing ingevolge de Beleidsregels valt onder het 'nee-tenzij' criterium in artikel 6, aanhef en onder a, van de Beleidsregels.

Nu [appellante sub 3] niet aannemelijk heeft gemaakt dat met het oprichten van extra bebouwing op het plandeel Havikerwaard een groot openbaar belang wordt gediend, moet de voorziene uitbreiding van de bebouwing reeds hierom in strijd met het 'nee-tenzij' criterium worden geacht. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre in strijd is met het provinciale beleid en heeft hij in zoverre terecht goedkeuring aan het plan onthouden. In het aangevoerde

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=5...

26-6-2013

Uitspraak 200908372/1/R2 | Raad van State

Page 6 of 7

wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. [appellant sub 4] en anderen 2.27. [appellant sub 4] en anderen stellen in beroep dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuur- en bosgebied" wat betreft de gronden ten noordwesten van het perceel [locatie 4] te [plaats], kadastraal bekend als sectie A, nummer 811 (hierna: het perceel [appellant sub 4]). Zij vinden deze bestemming niet passend en willen overeenkomstig het vorige planologische regime een woonbestemming voor het perceel om aldus ter plaatse een woning te kunnen realiseren. Volgens hen kan het perceel [appellant sub 4] niet worden aangemerkt als natuurgebied, nu dit aan drie kanten ingeklemd is tussen bestaande en geplande woningbouw en bovendien aan de noordzijde door Natuurmonumenten en aan de oostzijde door het gemeentebestuur een afrastering is geplaatst waardoor het perceel aan deze zijden niet in verbinding staat met het aangrenzende bosgebied. Verder voeren [appellant sub 4] en anderen aan dat bij de vaststelling van het plan het perceel ten zuiden van het perceel [appellant sub 4] ten onrechte buiten het plan is gelaten met de bedoeling om daar wel woningbouw mogelijk te maken. Zij vinden dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. 2.28.

Het college onderschrijft het standpunt van de raad dat het perceel [appellant sub 4], nu dat ligt achter de woningen aan de Beekhuizenseweg, begroeid is en niet bebouwd is, duidelijk het karakter heeft van een natuur- en bosgebied en ziet geen aanleiding het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. 2.29. [appellant sub 4] woont op het perceel [locatie 4], ten zuidoosten van het perceel [appellant sub 4]. Ten zuiden van laatstgenoemde percelen ligt het perceel kadastraal bekend als sectie A, nummer 804, dat in eigendom is van [belanghebbende C] en [belanghebbende D] (hierna: het perceel [belanghebbende B]). Aan het perceel [appellant sub 4] en het perceel [belanghebbende B] is in het vorige bestemmingsplan "Velp-Noord" de bestemming "VA verspreide bebouwing" toegekend die in de bouw van acht woningen voorziet. In het ontwerpplan is aan beide percelen de bestemming "Natuur- en bosgebied" toegekend die geen woningbouw mogelijk maakt. Het plan is bij amendement gewijzigd vastgesteld, waarbij het perceel [belanghebbende B] alsnog buiten het plan is gelaten. Daartoe heeft de raad overwogen dat de eigenaar van het perceel te lang in onzekerheid is gebleven over de mogelijkheden van zijn perceel en dat het derhalve onredelijk is aan het perceel de bestemming "Natuur- en bosgebied" toe te kennen.

De bestemming "Natuur- en bosgebied" voor het perceel [appellant sub 4] is bij de vaststelling van het plan wel gehandhaafd. 2.30. De Afdeling begrijpt het vaststellingbesluit en het amendement in het bijzonder aldus dat de raad niet instemt met de bestemming "Natuur- en bosgebied" voor het perceel [belanghebbende B] vanwege de voorgeschiedenis van dit perceel en dat hij het, gelet op die voorgeschiedenis, noodzakelijk acht dat nader onderzoek wordt gedaan naar een passende bestemming voor dit perceel. [appellant sub 4] en anderen hebben echter onvoldoende weersproken gesteld dat zowel de juridische status als de gebruiksgeschiedenis van het perceel [appellant sub 4] gelijk is aan die van het perceel [belanghebbende B]. De raad heeft in de stukken noch ter zitting aangegeven waarin beide percelen van elkaar verschillen, zodat naar het oordeel van de Afdeling niet duidelijk is geworden waarom voor het perceel [appellant sub 4] de bestemming "Natuur- en bosgebied" wel passend moet worden geacht en nader onderzoek niet noodzakelijk is. Bij de vaststelling van het plan is de overeenkomst tussen beide percelen dan ook onvoldoende onderkend. Het betoog van [appellant sub 4] en anderen slaagt. 2.31. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond. Gelet hierop wordt aan het betoog voor het overige niet toegekomen. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bos- en natuurgebied" wat betreft het perceel [appellant sub 4]. De Afdeling ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Awb, zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=5...

26-6-2013

Uitspraak 200908372/1/R2 | Raad van State

Page 7 of 7

2.32. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellant sub 4] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de beroepen van de Belangengemeenschap en [appellante sub 3] bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] gedeeltelijk en het beroep van [appellant sub 4] en anderen geheel gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 11 september 2009, kenmerk 2009-003348, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan: a. de zinsnede "binnen de SBI-code 014-3" in artikel 2.1., onder B, sub 2 en onder j, van de planvoorschriften; b. het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel Lentsesteeg 13; c. de aanduiding "spuitvrije zone" op het perceel [locatie 1]; d. het plandeel met de bestemming "Natuur- en bosgebied" wat betreft de gronden ten noordwesten van het perceel [locatie 4] te [plaats], kadastraal bekend als sectie A, nummer 811; III. onthoudt goedkeuring aan de onder II.a. en II.d. genoemde planonderdelen; IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit; V.

verklaart het beroep van [appellanten sub 1] voor het overige en de beroepen van de Belangengemeenschap de Steeg en Havikerwaard en van [appellante sub 3] geheel ongegrond; VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant sub 4] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 912,91 (zegge: negenhonderdtwaalf euro en eenennegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 4] en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J.A.

Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Smit-Colenbrander, ambtenaar van staat. w.g. Hoekstra w.g. Smit-Colenbrander voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2010 432.

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=5...

26-6-2013

Bijlage 3 Besluit GS goedkeuring bestemmingsplan Landelijk Gebied

19 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)

Bijlage 4

Uitspraak 201107216

27 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)

Uitspraak 201107216/1/R2 | Raad van State

1 van 3

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspr...

Uitspraak 201107216/1/R2 DATUM VAN UITSPRAAK TEGEN PROCEDURESOORT RECHTSGEBIED

woensdag 29 februari 2012 het college van gedeputeerde staten van Gelderland Eerste aanleg - enkelvoudig Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Gelderland

201107216/1/R2. Datum uitspraak: 29 februari 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Rheden, en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 29 april 2011 heeft het college opnieuw beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Rheden bij besluit van 27 januari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk gebied". Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2011, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en [personen] hebben nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn de raad, vertegenwoordigd door ing. M. van der Leden, werkzaam bij de gemeente, en [personen], bijgestaan door mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen, ter zitting verschenen. 2. Overwegingen 2.1.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. 2.2. Het beroep is gericht tegen de bij het bestreden besluit gegeven onthouding van goedkeuring aan de aanduiding "spuitvrije zone" voor het perceel [locatie A] en aan het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie B]. 2.3. Het college heeft aan de aanduiding "spuitvrije zone" goedkeuring onthouden omdat de desbetreffende gronden in gebruik zijn ten behoeve van een kwekerij van [personen] en het uit deze aanduiding voortvloeiende verbod daar gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken de bedrijfsvoering van deze kwekerij beperkt.

Deze onthouding van goedkeuring heeft tot gevolg, aldus het college, dat tot een afstand van ongeveer 20 meter van het perceel [locatie B] met de bestemming "Wonen" gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, waarmee wordt afgeweken van de richtlijn om een afstand van 50 meter aan te houden tussen gevoelige functies en bestemmingen waar deze middelen kunnen worden gebruikt. Het college heeft naar voren

25-4-2014 9:54

Uitspraak 201107216/1/R2 | Raad van State

2 van 3

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspr...

gebracht dat weliswaar in bijzondere omstandigheden van deze afstand kan worden afgeweken, maar dat het aan het gemeentebestuur is daarvoor een motivering te geven. Nu hiervan niet is gebleken, heeft het college ook aan het plandeel met de bestemming "Wonen" goedkeuring onthouden. 2.4. [appellant] stelt dat op het perceel [locatie A] geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Gelet hierop en omdat het deel van het perceel waarvoor de aanduiding "spuitvrije zone" is opgenomen als grasland en voor de opslag van stenen en grond werd gebruikt, leidt deze aanduiding niet tot een belemmering van de bedrijfsvoering van de kwekerij op het perceel [locatie A], aldus [appellant]. Hierbij heeft [appellant] erop gewezen dat het gebruik ten behoeve van een boomkwekerij in het vorige bestemmingsplan niet was toegestaan. Verder voert hij aan dat van de vaste gedragslijn dat een minimale afstand van 50 meter als spuitvrije zone wordt gehanteerd, gemotiveerd kan worden afgeweken, waardoor handhaving van de bestemming "Wonen" voor zijn perceel mogelijk zou zijn. Een dergelijke afwijking is volgens [appellant] in dit geval gerechtvaardigd. 2.4.1. Ingevolge het plan rust op het perceel van [personen] de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden". Ingevolge artikel 2.1, lid A, van de planvoorschriften zijn deze gronden, onder meer, bestemd voor agrarische bedrijven.

Uit artikel 2.1, lid B, onder 2, onder j, van de planvoorschriften volgt dat op het perceel een boomkwekerij is toegestaan. [personen] zijn derhalve ingevolge dit bestemmingsplan, dat in zoverre onherroepelijk is goedgekeurd, gerechtigd op het perceel, waaronder het gedeelte waaraan de aanduiding "spuitvrije zone" is gegeven, bedrijfsmatig een boomkwekerij te exploiteren. Dit in aanmerking genomen ziet de Afdeling niet in wat het belang is bij het betoog van [appellant] dat dit gebruik onder het voorgaande bestemmingsplan niet was toegestaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts aannemelijk geworden dat [personen] al ten tijde van de vaststelling van het plan en meer nog ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ook feitelijk bedrijfsmatig een boomkwekerij ter plaatse exploiteerden. Dat [personen] naast hun boomkwekerij ander werk hebben en geen volledige dagtaak hebben aan de werkzaamheden ten behoeve van de boomkwekerij doet aan dit bedrijfsmatige karakter niet af. Gelet op het bovenstaande en op de uiteenzetting ter zitting van [personen] omtrent het belang van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor hun kwekerij, kan de Afdeling het college volgen in zijn standpunt dat de aanduiding "spuitvrije zone" leidt tot een beperking van de bedrijfsvoering.

Het wegvallen van deze aanduiding brengt met zich dat de gronden op het perceel [locatie B] met de bestemming "Wonen", waar [appellant] woningbouw wil ontwikkelen, liggen binnen een afstand van 50 meter van gronden waar bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Niet in geschil is dat dit zich niet verdraagt met de door het college gehanteerde vuistregel dat tussen gevoelige functies, waaronder een woonfunctie, en agrarische bedrijvigheid in, onder meer, de boomteelt, in het algemeen een afstand van 50 meter dient te worden aangehouden in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 juni 2004, nr. 200400297/1 is toepassing van deze vuistregel in het algemeen niet onredelijk te achten. Voorts blijkt uit deze uitspraak dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd en het college ook heeft onderkend, het onder omstandigheden aangewezen kan zijn van de indicatieve afstand van 50 meter af te wijken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college echter het standpunt mogen innemen dat hem van dergelijke omstandigheden niet is gebleken en dat het op de weg van het gemeentebestuur ligt daarnaar onderzoek te doen.

Daarbij dient het gemeentebestuur aan de hand van de naar voren gekomen feiten en omstandigheden, de belangen van [appellant] bij een woonbestemming op zijn perceel enerzijds en de belangen van [personen] bij de mogelijkheid om op hun (gehele) perceel bestrijdingsmiddelen te mogen gebruiken anderzijds tegen elkaar af te wegen. 2.4.2. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding "spuitvrije zone" voor het perceel [locatie A] en het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie B]. Het beroep is ongegrond. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin:

25-4-2014 9:54

Uitspraak 201107216/1/R2 | Raad van State

3 van 3

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspr...

verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat. w.g. Slump w.g. Vreugdenhil lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012 59-726.

25-4-2014 9:54

Bijlage 5

Uitspraak 20160615

31 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)

Uitspraak 201502405/1/R1 | Raad van State

1 van 6

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitsp...

Uitspraak 201502405/1/R1 Datum van uitspraak: woensdag 15 juni 2016 Tegen:

de raad van de gemeente Rheden

Proceduresoort:

Tussenuitspraak/bestuurlijke lus

Rechtsgebied:

Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Gelderland

ECLI:

ECLI:NL:RVS:2016:1648

201502405/1/R1. Datum uitspraak: 15 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Rheden, appellanten, en de raad van de gemeente Rheden, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 27 januari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied, locatie Lentsesteeg" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De raad, [partij A] en [partij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij]) alsmede [appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2015, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen, vergezeld door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door D.J.L.J. van Dun, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. C. Lubben, als partij gehoord. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Awb en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening verzocht een deskundigenbericht uit te brengen.

[appellant A] en [appellant B], de raad en Aalbers hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 19 april 2016, waar [appellant A] en [appellant B],

16-6-2016 10:36

Uitspraak 201502405/1/R1 | Raad van State

2 van 6

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitsp...

bijgestaan door mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen, en de raad, vertegenwoordigd door D.J.L.J. van Dun, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. C. Lubben, als partij gehoord. Overwegingen 1. Het plan voorziet in de bouw van twee woningen op het perceel van [partij] aan de [locatie]. Het plangebied beslaat onder andere dit perceel alsmede naastgelegen gronden waarop de boomkwekerij van [appellant A] en [appellant B] is gevestigd. [appellant A] en [appellant B] vrezen dat de oprichting van de woningen op relatief korte afstand van hun bedrijf, tot beperkingen zal leiden voor de verdere ontwikkeling van hun bedrijf. Zij wensen mogelijkheden voor het telen van fruit te behouden. 2. Tijdens de zitting van 5 augustus 2015 hebben [appellant A] en [appellant B] de beroepsgrond die betrekking had op het toekennen aan hun gronden van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3A" ingetrokken. 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend.

Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad geen deugdelijke motivering aan de gekozen begrenzing van het plangebied ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe voeren zij aan dat de vernietiging door de Afdeling van het vorige plan en de onthouding van goedkeuring van het college van gedeputeerde staten van Gelderland slechts betrekking had op een klein deel van hun boomkwekerij en dat omvang van het plangebied daarop had moeten worden afgestemd. Daarnaast wijzen zij erop dat niet hun hele boomkwekerij in het plangebied ligt, met als gevolg dat daarvoor nu twee verschillende planologische regimes gelden voor hun bedrijf. 4.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij is van belang dat - anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen - de begrenzing van een plan niet hoeft te worden beperkt tot de plandelen die in een voorgaande procedure zijn vernietigd. Een relatief klein stuk grond in het noordwestelijke deel van hun boomkwekerij ligt niet binnen het plangebied. Daarvoor geldt het bestemmingsplan "Landelijk gebied". Op basis van dat bestemmingsplan mogen die gronden worden gebruikt als boomkwekerij en is dat huidige gebruik derhalve als zodanig bestemd. Het enkele feit dat voor de boomkwekerij van [appellant A] en [appellant B] niet één bestemmingsplan geldt, geeft geen reden om de gekozen planbegrenzing onjuist te achten. Dit betoog treft dan ook geen doel. 5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat in het plan het gebruik van hun gronden voor fruitteelt ten onrechte is uitgesloten. In hun boomkwekerij leggen zij zich steeds meer toe op het kweken van fruitbomen, met name bomen die al een aantal seizoenen vruchten hebben gedragen.

Volgens hen was in het voorheen geldende plan fruitteelt wel toegestaan en leidt het plan tot een beperking van hun bedrijfsvoering. 5.1. De raad stelt dat op de gronden van [appellant A] en [appellant B] een boomkwekerij van relatief beperkte omvang is gevestigd die zich met name richt op de teelt van sierbomen en struiken en dat geen fruit wordt geteeld op een wijze die vergelijkbaar is met een fruitteeltbedrijf. In dit verband wijst de raad erop dat een gemiddeld fruitteeltbedrijf doorgaans meer dan 20 hectare aan fruitbomen heeft en de boomkwekerij van [appellant A] en [appellant B] ongeveer 1,8 hectare beslaat, waarvan op ongeveer 300 m2 fruitbomen zijn geplant. Ook worden fruitbomen die worden geteeld voor de verkoop volgens de raad minder intensief bespoten, omdat de bedrijfsvoering niet is gericht op de verkoop van de vruchten en bovendien de vruchten de eerste jaren worden verwijderd om de groei van de fruitbomen te bevorderen. Verder wijst de raad erop dat 16-6-2016 10:36

Uitspraak 201502405/1/R1 | Raad van State

3 van 6

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitsp...

het plan het telen van fruitbomen in een boomkwekerij toestaat en dat geen sprake is van een belemmering van de bedrijfsvoering van [appellant A] en [appellant B]. 5.2. Aan het plandeel dat ziet op de gronden van [appellant A] en [appellant B] is de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden boomkwekerij' toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn gronden met deze bestemming mede bestemd voor een boomkwekerij. In artikel 1, lid 1.13, van de planregels is bepaald dat onder een boomkwekerij een agrarisch bedrijf wordt verstaan dat is gericht op het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en (sier)heesters. Voorts ziet het gebruiksverbod in artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels op het gebruik van gronden voor fruitteelt. Uit het voorgaande vloeit voort dat in de planregels het kweken van fruitbomen niet gelijk is gesteld met het telen van fruit. De raad stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat het kweken van fruitbomen als zodanig is bestemd in het plan en leidt het plan in zoverre niet tot een belemmering van de huidige bedrijfsvoering van [appellant A] en [appellant B]. Dit betoog treft geen doel. 5.3.

Dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" fruitteelt was toegestaan op de gronden van [appellant A] en [appellant B] is niet in geschil. Evenmin in geschil is dat het bedrijf van [appellant A] en [appellant B] een boomkwekerij is en geen fruitteeltbedrijf. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Aan het verbod in artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels om gronden te gebruiken voor fruitteelt ligt een ruimtelijke afweging ten grondslag, te weten het beperken van mogelijke overlast van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor omwonenden. Nu [appellant A] en [appellant B] geen fruitteeltbedrijf exploiteren en ook niet is gebleken van concrete initiatieven daaromtrent van hun zijde, ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid fruitteelt op de gronden van [appellant A] en [appellant B] heeft kunnen uitsluiten in de planregels. Dit betoog treft geen doel. 5.4. Voor zover [appellant A] en [appellant B] vrezen dat de bouw van twee nieuwe woningen op het naburige perceel van Aalbers zal leiden tot een beperking van hun bedrijfsvoering, overweegt de Afdeling als volgt.

De raad heeft in dit verband terecht gewezen op de bestaande woningen aan de [locaties], die beide dichterbij de boomkwekerij van [appellant A] en [appellant B] staan dan de toekomstige woningen op het perceel van Aalbers. Desgevraagd is ter zitting meegedeeld dat die twee bestaande woningen op een afstand van ongeveer 15 en 7 meter staan. De twee toekomstige woningen zullen op een afstand van minimaal 18 meter komen te staan. De nieuwe woningen die in het plan zijn voorzien leiden derhalve niet tot een verdere beperking van de bedrijfsvoering van [appellant A] en [appellant B], nu de twee bestaande woningen aan de Lentstesteeg reeds maatgevend zijn. 5.5. Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan is in strijd met gemeentelijk beleid, omdat in de notitie 'Functieveranderingenbeleid', die op 28 mei 2013 is vastgesteld door de raad, is vermeld dat de functieverandering omliggende bedrijven niet mag belemmeren, verwijst de Afdeling naar hetgeen hiervoor is overwogen. Nu het plan niet leidt tot een belemmering van de bedrijfsvoering van de boomkwekerij van [appellant A] en [appellant B], faalt dit betoog reeds hierom. 6. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat in het plan ten onrechte nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt binnen een afstand van 50 meter van hun boomkwekerij.

Hierbij wijzen zij erop dat de fruitbomen die zij kweken op dezelfde wijze met bestrijdingsmiddelen worden behandeld als in fruitteeltbedrijven gebeurt. Door dit gebruik van bestrijdingsmiddelen kan geen goed en verantwoord woonklimaat worden gerealiseerd ter plaatse van de nieuwe woningen. Volgens [appellant A] en [appellant B] heeft de gemeente verzuimd onderzoek te doen naar de bedrijfsvoering van hun boomkwekerij, waaronder de gebruikte bestrijdingsmiddelen en de wijze van bespuiten. Ter onderbouwing van hun betoog hebben [appellant A] en [appellant B] twee adviezen van DLV overgelegd uit augustus 2014 en maart 2015. Daarin wordt gewezen op een aantal onjuiste aannames in het onderzoek naar de spuitzone dat ten behoeve van het plan door de Omgevingsjurist is verricht. Zo wijst DLV in haar adviezen erop dat het onderzoek van de Omgevingsjurist uitgaat van het bestrijdingsmiddel Dimethoaat als meest giftige middel, dat echter niet meer is toegelaten in Nederland. Voorts is in het onderzoek ten onrechte ervan uitgegaan dat driftarme technieken moeten worden toegepast in de gehele boomkwekerij en dat niet op kale bomen wordt gespoten. Voorts is het onderzoek van de Omgevingsjurist mede gebaseerd op het rapport 16-6-2016 10:36

Uitspraak 201502405/1/R1 | Raad van State

4 van 6

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitsp...

'Driftblootstelling binnen 50 meter van de perceelsgrens bij bespuitingen van een boomteelt perceel' van maart 2009, rapport nr. 615, opgesteld door onderzoeksinstituut Plant Research International (hierna: PRI), terwijl volgens de adviezen van DLV de bedrijfsvoering van de boomkwekerij van [appellant A] en [appellant B] wat betreft het gebruik van bestrijdingsmiddelen meer vergelijkbaar is met een fruitteeltbedrijf dan met een boomkwekerij. 6.1. De raad stelt dat de boomkwekerij van [appellant A] en [appellant B] ongeveer 1,8 hectare beslaat, waarvan ongeveer 300 m2 is beplant met fruitbomen. Hier is volgens de raad sprake van het kweken van fruitbomen op beperkte schaal, wat niet vergelijkbaar met een fruitteeltbedrijf dat doorgaans veel groter is - 20 hectare of meer aan fruitbomen - en waar intensiever gebruik wordt gemaakt van bestrijdingsmiddelen. In het onderzoek dat ten behoeve van het plan door de Omgevingsjurist is verricht, wordt - kort samengevat geconcludeerd op basis van het eerdergenoemde PRI-rapport uit maart 2009 dat het aanhouden van een afstand van 10 meter tussen de laatste bomenrij op de boomkwekerij en de nieuwe woningen een veilige afstand is met het oog op dermale blootstelling aan bestrijdingsmiddelen.

De in het plan aangehouden afstand van 15 meter tot de woonbestemming waarbinnen de twee nieuwe woningen zijn voorzien waarborgt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aldus het onderzoek van de Omgevingsjurist. Gezien het onderzoek dat is verricht door de Omgevingsjurist acht de raad de in het plan aangehouden afstand voldoende en is volgens de raad ook de aanleg van een windhaag daarom niet noodzakelijk vanuit ruimtelijk oogpunt. 6.2. Wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overweegt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak van 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3702, dat geen wettelijke bepalingen bestaan inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een bestemmingsplan dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, het milieubelang niet uitgezonderd, waarbij de aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden verbouwd en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object aanwezig zal zijn. 6.3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=98173be9-bdbe-4eff-b9bf-3f1cb6f6e05b