Delegatiebesluit omgevingsplan Rheden 2025
Tekst van het document
Delegatiebesluit omgevingsplan Rheden 2025
De gemeenteraad van de gemeente Rheden, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van…; gelet op het bepaalde in artikel 156 van de Gemeentewet; gelet op het bepaalde in artikel 2.8 en 4.14, vijfde lid van de Omgevingswet; gelet op het bepaalde in Afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht; gelet op het Delegatiebesluit omgevingsplan Rheden 2022, vastgesteld op 22 februari 2022; overwegende dat het gewenst is om het genoemde delegatiebesluit te actualiseren en de gevallen voor delegatie nader te concretiseren;
besluit vast te stellen: het Delegatiebesluit omgevingsplan Rheden 2025 Artikel 1 Delegeren bevoegdheden vaststellen omgevingsplan
De volgende bevoegdheden tot het wijzigen van het omgevingsplan die op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet aan de raad toekomt, worden gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden: 1.
het beleidsneutraal verwerken van regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in
2.
het beleidsneutraal verwerken van over te hevelen regels die de fysieke leefomgeving betreffen uit
3.
het doen van aanpassingen van redactionele aard inhoudende het herstellen van kennelijke
artikel 22.1 Omgevingswet;
gemeentelijke verordeningen in het omgevingsplan;
schrijffouten, rekenfouten of andere redactionele herschrijvingen van regels voor zover deze herschrijvingen beleidsneutraal zijn; 4.
het verwerken van instructies van de provincie als bedoeld in artikel 2.33 omgevingswet of
instructies van het Rijk als bedoeld in artikel 2.34 Omgevingswet, voor zover hier geen afwegingsruimte aanwezig is; 5.
het verwerken van instructieregels van de Omgevingsverordening van de provincie of hoofdstuk 5
6.
het verwerken van wijzigingen die veranderde hogere wet- en regelgeving en beleidsregels met zich
van het Besluit kwaliteit leefomgeving van het Rijk voor zover hier geen afwegingsruimte aanwezig is; brengen voor zover hier geen afwegingsruimte aanwezig is;
7.
het toevoegen, verwijderen of wijzigingen van annotaties op basis van de standaard als bedoeld in
artikel 2 Regeling standaarden publicaties Omgevingswet, voor zover deze aanpassingen beleidsneutraal zijn; 8.
het beleidsneutraal verwerken van aanpassingen in het omgevingsplan als gevolg van rechterlijke
9.
het nemen van een voorbereidingsbesluit voor een locatie met het oog op de voorbereiding van in
10.
het in overeenstemming brengen van het omgevingsplan met omgevingsvergunningen voor
11.
het aanwijzen, wijzigen en schrappen van een gemeentelijk monument en beschermde stads- en
12.
het verwijderen van regels uit het omgevingsplan die zijn opgenomen ter bescherming van
uitspraken waarbij geen afwegingruimte aanwezig is;
het omgevingsplan te stellen regels als bedoeld in artikel 4.14 Omgevingswet;
buitenplanse omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in artikel 4.17 Omgevingswet; dorpsgezichten;
archeologische waarden, indien uit deskundig onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; 13.
het verwijderen van regels uit het omgevingsplan, op een locatie, die zijn opgenomen in het belang
van de veiligheid indien is gebleken dat:
a. een zeer kwetsbaar gebouw of zeer kwetsbare locatie niet langer als zodanig kan worden gekwalificeerd, zodat het voorschriftengebied verwijderd kan worden of
b. uit deskundig onderzoek is gebleken dat op een locatie waar ontplofbare oorlogsresten aanwezig zouden kunnen zijn, de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in voldoende mate is vastgesteld, zodat dat de gebiedsaanwijzing verwijderd kan worden. Artikel 2 Vindplaats delegatiebesluit
Een besluit dat is genomen op grond van deze regeling, vermeldt als grondslag onderhavig besluit, alsmede de vindplaats daarvan.
Artikel 3 Intrekking oud besluit en inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking, onder gelijktijdige intrekking van het ‘Delegatiebesluit omgevingsplan Rheden 2022’. Artikel 4 Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als ‘Delegatiebesluit omgevingsplan Rheden 2025’. Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van ******. De raad voornoemd, de griffier,
de voorzitter, Nota van toelichting Algemeen
Met dit delegatiebesluit worden bepaalde bevoegdheden van de raad aan het college gedelegeerd. Het gaat uitdrukkelijk om het verwerken van regels of beleid waar de gemeenteraad eerder over heeft besloten, of
het verwerken van hogere wet- en regelgeving en rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die de gemeenteraad geen ruimte laat een eigen afweging te maken.
De regels waar de raad al over heeft besloten worden beleidsneutraal in het omgevingsplan verwerkt. Met ‘beleidsneutraal’ wordt bedoeld dat de verwerking geen juridische verandering van de regels met zich
brengt. Het kan zijn dat het voor de verwerking nodig is dat er enkele taalkundige aanpassingen van de tekst plaatsvinden, maar die aanpassingen mogen dus niet leiden tot een verandering in de juridische werking van de regels.
In artikel 1 wordt vaak gesproken van afwegingsruimte. Afwegingsruimte kan juridisch ook worden geduid als beleidsruimte. Beleidsruimte is de vervanger van het voormalige begrip ‘beleidsvrijheid’, maar ze
betekenen in wezen hetzelfde. We spreken van beleidsruimte als het bestuursorgaan de ruimte heeft om al dan niet van een bevoegdheid gebruik te maken.
Artikel 1 Delegeren bevoegdheden vaststellen omgevingsplan 1. Het eerste onderdeel zijn de besluiten die zijn aangewezen in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Het gaat in dat artikel concreet om de volgende besluiten:
- de bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of 2.3 van de Crisisen herstelwet;
- de wijzigingsplannen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening:
- de uitwerkingsplannen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening: - de inpassingsplannen als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, of artikel 3.28, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
- de beheersverordeningen als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
- de exploitatieplannen als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, die betrekking hebben op de bovengenoemde bestemmingsplannen of wijzigingsplannen; - de besluiten genomen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Woningwet;
- de warmteplannen voor zover het gaat om een warmteplan vastgesteld op grond van de Woningwet en - de voorbereidingsbesluiten als bedoeld in de artikelen 4.103, eerste lid, 4.104, eerste lid, en 4.104a, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Het tweede onderdeel bestaat uit de kaarten met gegevens over de bodemkwaliteit die door de
gemeenteraad is vastgesteld, de bodemkaarten over de functie van de bodem die door het college is
vastgesteld en besluiten van de gemeenteraad over de toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem.
Het derde onderdeel betreft de zogeheten bruidsschat: een set regels over bouw-, milieu- en overige
activiteiten de voorheen op rijksniveau werden vastgesteld, maar nu naar de gemeenten zijn overgeheveld. Doordat deze drie onderdelen automatisch (van rechtswege) op 1 januari 2024 onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan en de gemeenteraad al een inhoudelijke afweging heeft kunnen maken bij het
eerste en tweede onderdeel, betreft een beleidsneutrale verwerking puur de uitvoering. Dit kan dan dus door het college worden uitgevoerd. Als er sprake is van overheveling met een juridisch-inhoudelijke wijziging, blijft de gemeenteraad bevoegd.
2. Dit definitieve omgevingsplan bestaat uit meer dan de in het vorige onderdeel genoemde besluiten en regelgeving die gezamenlijk het tijdelijke omgevingsplan vormen. Ook de regels over de fysieke
leefomgeving die op dit moment in de verordeningen staan die de gemeenteraad op eigen initiatief heeft
opgesteld (de zogenoemde ‘autonome’ verordeningen) moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. Omdat de raad over de inhoud van die regels bij de totstandkoming van die verordeningen al heeft
besloten, is het overhevelen een uitvoeringskwestie en daarmee ligt het voor de hand om deze verwerking aan het college te delegeren. Ook hier geldt dat ingeval van een juridisch-inhoudelijke wijziging van de regels de gemeenteraad bevoegd blijft.
3. Het gaat hierbij om kennelijke fouten, waarbij het voor iedereen duidelijk is dat het om een fout gaat.
Wijzigingen die voortkomen uit beleid of uit inzichten die voortvloeien uit dat nieuwe beleid vallen hier niet onder.
Verder kunnen ook redactionele aanpassingen onder deze delegatie vallen. Denk hierbij aan het
opknippen, samenvoegen of taalkundig herschrijven van regels die al in het omgevingsplan staan. Ook
kunnen gelijkluidende regels meervoudig worden opgenomen, als dit bijdraagt aan het reguleren van de
verschillende activiteiten. Door voortschrijdend inzicht zou het kunnen dat zulke herschrijvingen nodig zijn om de dienstverlening in het DSO te verbeteren. Het moet daarbij wel gaan redactionele taalkundige
aanpassingen die de regels niet juridisch-inhoudelijk wijzigen. Als dat wel het geval is, is het aan de raad om daar een besluit over te nemen.
4. De provincie en het rijk kunnen (dwingende) instructies geven aan de gemeenteraad als zij dat nodig
achtten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze instructie kan wettelijk
gezien alleen aan de gemeenteraad worden gegeven, zie artikel 2.33 lid 2 sub a en artikel 2.34 lid 2 sub d
Omgevingswet. De gemeenteraad kan het verwerken van deze instructies echter delegeren aan het college. Het moet dan wel gaan om instructies die ongewijzigd worden overgenomen en die verder inhoudelijk in
acht moeten worden genomen. Een beleidsneutrale verwerking door het college ligt hier in de rede. Voor instructies die inhoudelijk gewijzigd moeten worden verwerkt dan wel de raad inhoudelijke afwegingsruimte bieden, blijft de raad het verantwoordelijke orgaan.
5. De provincie en het rijk kunnen de via dwingende instructieregels de inhoud van het omgevingsplan
mede bepalen. De provincie heeft deze instructieregels opgesteld in de provinciale omgevingsverordening, het rijk heeft deze vastgesteld in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze
instructieregels kunnen verschillen in de mate van afwegingsruimte die ze de gemeente laten. De mate van ‘dwingendheid’ kan variëren.
Binnen het Bkl zijn de instructieregels voor wat betreft de afwegingsruimte voor gemeenten in drie typen op te delen: instructieregels in de trant van ‘betrekken bij’, instructieregels in de trant van ‘rekening
houden met’ en instructieregels in de trant van ‘in acht nemen’. Bij het eerste type heeft de gemeente veel beleidsruimte. Instructieregels van het type ‘betrekken bij’ duiden aan dat bij het tweede type is dit een
stuk minder. Het derde type ‘in acht nemen’ biedt helemaal geen beleidsruimte. Omdat de gemeenteraad gebonden is aan deze hogere regelgeving, is het vanuit oogpunt van efficiëntie wenselijk om de
instructieregels van het type ‘in acht nemen’ via delegatie aan het college door het college in het
omgevingsplan te laten verwerken. Voor instructieregels van de andere twee typen blijft de gemeenteraad
bevoegd. Ook voor dergelijke dwingende instructieregels vanuit de provincie ligt delegatie aan het college voor de verwerking in het omgevingsplan voor de hand.
6. Als de Omgevingswet en/of de daaruit voortvloeiende wet- en regelgeving wijzigt en deze wijzigingen
dwingen tot aanpassing van het omgevingsplan, ligt delegatie aan het college voor die verwerking voor de hand als de gemeenteraad vanuit die wet- en regelgeving geen afwegingsruimte krijgt toegekend. Denk hierbij bijvoorbeeld aan gewijzigde namen van wet- en regelgeving, het vervallen van regelgeving,
meetmethoden, rekenmethoden of nieuwe plichten ten aanzien van het omgevingsplan die niet in het Bkl, maar rechtstreeks in de Omgevingswet worden opgenomen. Normen uit beleidsstukken/-visies kunnen
ook wijzigen, deze moeten vervolgens ook in het omgevingsplan terechtkomen. Deze normen kwalificeren in juridische zin als beleidsregels.
Het is verder wenselijk dat de van toepassing zijnde regels voor een bepaalde situatie zoveel mogelijk op
een plek te raadplegen zijn. Inmiddels is er een ministeriele regeling – de Vangnetregeling Omgevingswet – opgesteld die regels uit de bruidsschat wijzigt dan wel aanvult. Dit heeft als gevolg dat twee verschillende
bronnen van regelgeving moeten worden geraadpleegd om één regel goed te kunnen begrijpen. Dit is
onwenselijk en dus ligt het in de rede om de aanvullingen te verwerken in de omgevingsplanregel. Vanuit het oogpunt van efficiency is het wenselijk dit om de verwerking van dit soort wijzigingen/aanvullingen aan het college te delegeren.
7. Annotaties zijn de technische kenmerken die aan een juridische regel in het Omgevingsloket (DSO) zijn gekoppeld. Hierbij valt te denken aan het toevoegen, verwijderen of wijzigen van thema’s, activiteiten, locaties (waaronder activiteitlocaties en/of gebiedsaanwijzingen vallen), activiteitkwalificaties,
omgevingsnormen, en de gebiedsaanwijzingen. Annotaties hebben zelf geen juridische werking, maar
zorgen ervoor dat het omgevingsplan digitaal goed te lezen en te doorzoeken is. Als het omgevingsplan als gevolg van een wijziging juridisch veranderd, kan het zijn dat de annotaties ook moeten worden
aangepast om zo de nieuwe juridische situatie goed weer te kunnen geven. Omdat het van belang is dat dit zo snel mogelijk gebeurt en de raad al een besluit over de juridische regels heeft genomen, is het
wenselijk om de vaststelling voor de daarvoor benodigde aanpassing van de annotaties aan het college te delegeren.
8. Hierbij kan het gaan om een rechterlijke uitspraak die is gedaan in het beroep tegen het omgevingsplan van de gemeente Rheden die verder geen enkele beleidsruimte aan de gemeenteraad meer laat. Ook kan deze delegatiegrond worden gebruikt om dwingende (standaard)jurisprudentie van de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State voortkomend uit het beroep tegen omgevingsplannen van andere gemeenten te verwerken. Het gaat daarbij om het verwerken van algemene rechterlijke
overwegingen met kaders die voor herhaalde toepassing vatbaar zijn. Uitspraken die zijn gedaan op basis van hele specifieke casuïstische omstandigheden die niet in de gemeente Rheden spelen of niet relevant zijn, hoeven geen aanleiding te zijn voor aanpassingen in het omgevingsplan. Het gaat dan immers niet om kaders die voor herhaalde toepassing vatbaar zijn.
9. Voorbereidingsbesluiten onder de Omgevingswet zijn anders dan onder de Wro, aangezien de
voorbeschermingsregels niet in een apart voorbereidingsbesluit staan, maar deze vooruitlopend op de
vaststelling onderdeel worden van het omgevingsplan. Dit heeft als voordeel dat niet meer hoeft te worden voorzien in een aanhoudingsplicht. In het oude artikel 3.7 Wro was het niet mogelijk om het nemen van een voorbereidingsbesluit te delegeren aan het college. In de Omgevingswet is dit op grond van artikel 4.14 lid 5 wel het geval. De argumentatie die uit de parlementaire geschiedenis voor deze
delegatiebevoegdheid blijkt, is dat het vaak het college is die het omgevingsplan voorbereidt. Zij worden daarom geacht een goed voorbereidingsbesluit te kunnen nemen.
Onder de Omgevingswet kan het voorbereidingsbesluit het volgende inhouden:
- a. een verbod of een verbod om zonder voorafgaande melding of zonder omgevingsvergunning daarbij
aangewezen activiteiten te verrichten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, maar nog niet plaatsvinden
- b. de aanwijzing van onderwerpen waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen of voorschriften aan een omgevingsvergunning kan verbinden,
- d. het buiten toepassing verklaren van in het omgevingsplan gestelde regels die in strijd zijn met de voorbeschermingsregels als bedoeld onder a of b.
- c. In de voorbeschermingsregels kunnen adviesorganen worden aangewezen in relatie tot de uitvoering van de voorbeschermingsregels als bedoeld onder a of b.
Bestaande rechten moeten worden eerbiedigt, terwijl nieuwe activiteiten tijdelijk (maximaal 1,5 jaar)
melding- of vergunningplichtig of zelfs geheel verboden kunnen worden. Zo kan worden voorkomen dat er illegale situaties ontstaan zodra het nieuwe omgevingsplan in werking treedt en zijn initiatiefnemers tijdig op de hoogte van wat er wel en niet is toegestaan.
Ook kunnen gevaarlijke situaties kunnen worden voorkomen. Zo kan met het voorbereidingsbesluit
bijvoorbeeld tijdelijk een verbod op het bouwen van zeer kwetsbare gebouwen op een locatie worden opgelegd.
10. Vanaf 2027 geldt de verplichting om alle omgevingsvergunningen voor voortdurende buitenplanse
omgevingsplanactiviteiten binnen vijf jaar met het omgevingsplan in overeenstemming te brengen. Deze
omgevingsvergunning wordt verleend door het college van burgemeester en wethouders (waarbij deze wel rekening moet houden met het adviesrecht van de raad). Delegatie aan het college van burgemeester en wethouders ligt voor de hand, aangezien zij zijn betrokken bij de beoordeling van de aanvraag en de uiteindelijke besluitvorming. De verwerking in het omgevingsplan is op grond van artikel 4.17 Omgevingswet verplicht. De raad kan hier dan geen inhoudelijk besluit meer over nemen.
11. Gemeentelijke monumenten moeten volgens de Omgevingswet in het omgevingsplan opgenomen
worden. Het aanwijzen van een gemeentelijk monument is volgens artikel 3 van de Erfgoedverordening Rheden 2017 een collegebevoegdheid. In het kader van de Omgevingswet dienen verordeningen in het
omgevingsplan opgenomen te worden. Tot het moment dat het tijdelijk omgevingsplan wordt omgezet in een omgevingsplan (uiterlijk 2032) en alle gemeentelijke verordeningen hierin opgenomen zijn, kunnen nieuwe gemeentelijke monumenten nog worden aangewezen op grond van artikel 3 van de
Erfgoedverordening Rheden 2017. Na de overgangsperiode zal het aanwijzen van gemeentelijke
monumenten geregeld worden door deze op te nemen in het omgevingsplan. Aangezien de bevoegdheid tot het aanwijzen van monumenten reeds bij het college ligt, ligt het voor de hand dat het college ook verantwoordelijk is voor het wijzigen van het omgevingsplan door het opnemen van een aangewezen monument.
12. Uit nader archeologisch onderzoek kan blijken dat de archeologische waarde op een specifieke locatie niet overeenkomt met de situatie zoals deze is vastgesteld (er zijn geen archeologische resten gevonden
dus de waarde is lager). Het archeologisch beleid wordt hierop dan aangepast. Dit zijn zaken die dan ook aangepast moeten worden in het omgevingsplan. Om de procedure voor het aanpassen van het
omgevingsplan in deze situaties sneller te laten verlopen ligt het delegeren van de vaststelling van het omgevingsplan op dit punt voor de hand.
13. Deze delegatiegrond beoogt hetzelfde te doen als het genoemde onder 12 maar dan vanuit het
oogpunt van externe veiligheid en de veiligheid op locaties waar ontplofbare oorlogsresten aanwezig
kunnen zijn. In sub a gaat het over de situatie dat een zeer kwetsbaar gebouw of locatie niet meer als zodanig kan worden beschouwd. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat de omgeving een stuk veiliger is
geworden. Sub b gaat over de situatie waarin is aangetoond dat de regels die zijn gesteld vanwege
mogelijke ontplofbare oorlogsresten op een bepaalde locatie niet meer hoeven te gelden. Uit onderzoek kan namelijk blijken dat de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in voldoende mate is vastgesteld. Een dergelijk onderzoek zou kunnen bestaan uit een onderzoek naar de naoorlogse
(graaf)werkzaamheden op de locatie, waaruit blijkt welke grond na de oorlog zodanig geroerd is dat de kans op het alsnog aantreffen van explosieven verwaarloosbaar klein wordt. Artikel 2 Vindplaats delegatiebesluit
In artikel 10:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staat dat een besluit dat op grond van een gedelegeerde bevoegdheid wordt genomen, het delegatiebesluit en de vindplaats daarvan vermeldt. Nadat het delegatiebesluit vast is gesteld, wordt deze gepubliceerd in het Gemeenteblad (www.officielebekendmakingen). Het delegatiebesluit is dan te raadplegen via www.lokaleregelgeving.overheid.nl.
Artikel 3 Intrekking oud besluit en inwerkingtreding
Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 4 inwerkingtreding
Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5 Citeertitel
Dit artikel spreekt voor zich.