CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Beleidskader Samen Energie Opwekken ontwerp februari 2021

Raadsvergadering 30 maart 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Ontwerpbeleidskader Energie en Landschap en ontwerpbeleidskader Samen Energie Opwekken vrijgeven voor inspraak8.006 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ONTWERP BIJLAGE BIJ HET BELEIDSKADER

Samen Energie Opwekken GEMEENTE RHEDEN Bijlage bij het beleidskader ter beoordeling van de participatie bij initiatieven voor grondgebonden energie-opwek

ONTWERP BIJLAGE BIJ HET BELEIDSKADER

SAMEN ENERGIE OPWEKKEN Bijlage bij het beleidskader ter beoordeling van de participatie bij initiatieven voor grondgebonden energie-opwek

Februari 2021

INHOUDSOPGAVE BIJLAGE SAMEN ENERGIE OPWEKKEN Leeswijzer 5 1. Inleiding 5 2.

Rol en inbreng van de initiatiefnemer, de belanghebbenden

en de gemeente

3.

Fasen en daarbij behorende stappen en onderdelen

(ook wel procesparticipatie genoemd)

4.

De omgeving laten delen in de opbrengsten van een project

(ook wel financiële participatie genoemd)

6

7

9

BIJLAGEN Bijlage 1:

Fasen en stappen bij een initiatief voor een zonneveld

13

of windmolen(s) Bijlage 2:

Communicatie- en participatieplan

Bijlage 3:

Begrippenlijst 18

Bijlage 4:

Voorbeeld van uitwerking van de verdeling van de opbrengsten

Bijlage 5:

16

21

(financiële participatie) Informatiebronnen 22

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

3

BIJLAGE SAMEN ENERGIE OPWEKKEN Leeswijzer Voorliggende bijlage is onderdeel van het beleidskader SEO. De uitgangspunten die in het beleidskader zijn beschreven, worden in deze bijlage nader uitgewerkt. In het beleidskader en deze bijlage worden begrippen gebruikt die om een nadere uitleg vragen. Die begrippen zijn gemarkeerd met een asterisk (*) en worden toegelicht in bijlage 3 van voorliggend document. De bijlage heeft dezelfde status als het beleidskader waar het onderdeel van uitmaakt. Naast het beleidskader SEO is er een beleidskader Energie en Landschap opgesteld. Hier wordt in beschreven waar in de gemeente Rheden eventueel zonnevelden en windmolens zouden kunnen komen en onder welke voorwaarden.

1.

Inleiding

Doel van deze bijlage is het geven van meer duidelijkheid over hoe de samenwerking tussen een initiatiefnemer*, belanghebbenden* en de gemeente vormgegeven kan worden. In het Beleidskader wordt beschreven aan welke eisen de samenwerking moet voldoen, in voorliggende Bijlage is nader uitgewerkt hoe aan deze eisen voldaan kan worden. Wij spreken in het Beleidskader en de Bijlage over samenwerking en Samen Energie Opwekken omdat dit duidelijker aangeeft waar het om gaat: de initiatiefnemers*, belanghebbenden* en de gemeente zorgen er gezamenlijk voor dat bij een initiatief voor een zonneveld of windmolen(s) alle partijen zo goed mogelijk worden betrokken en zo goed mogelijk rekening wordt gehouden met de verschillende belangen. Met projectparticipatie wordt hetzelfde bedoeld, maar dit begrip geeft minder duidelijk aan waar het om gaat. Het Beleidskader en de Bijlage SEO sluiten aan bij het onderdeel Participatie van de Omgevingswet zoals die nu in ontwikkeling is. Als de definitieve Omgevingswet afwijkt van het beleid zoals opgesteld in het Beleidskader en de Bijlage SEO, dan is de Omgevingswet leidend.

In de bijlage beschrijven we hoe in gemeente Rheden belanghebbenden betrokken moeten worden bij de ontwikkeling en exploitatie van zonnevelden en windmolens. Projecten waarin belanghebbenden meedoen hebben een grotere kans op succes. Begrip, acceptatie en draagvlak voor de projecten worden groter als de belanghebbenden kunnen meepraten en meedoen en als de lasten en lusten zo eerlijk mogelijk worden verdeeld. Verschillende ideeën en perspectieven moeten daadwerkelijk een kans krijgen in het proces dat leidt tot de uiteindelijke realisatie van een project. Bovendien vinden wij de kennis en inzichten van de belanghebbenden onmisbaar om tot de best mogelijke inpassing en uitvoering te komen. De gemeente hecht daarom veel waarde aan een open en eerlijk proces waarin iedereen in de gemeenschap de gelegenheid krijgt een bijdrage te leveren aan de wijze waarop initiatieven voor zonnevelden en windmolens tot stand komen. In deze bijlage geven we richtlijnen voor dat proces, waar iedere initiatiefnemer zich aan dient te houden. De situatie kan per initiatief enorm verschillen: een initiatief voor een klein zonneveld met weinig impact* op de omgeving vraagt een andere aanpak dan een initiatief voor grote windmolens met veel impact* op de omgeving. Daarbij moet rekening worden gehouden met de specifieke behoeften en wensen van de belanghebbenden ten aanzien van de samenwerking.

Bijvoorbeeld op de mate waarin belanghebbenden bij een initiatief betrokken willen worden. Deze bijlage biedt ruimte voor maatwerk. Tegelijk geeft deze bijlage een duidelijke indicatie van wat er wordt verwacht. Het is daarom ook een instrument voor de gemeente om te toetsen of er bij een initiatief voldoende rekening is gehouden met de omgeving*. Bij de samenwerking verwachten we dat de belanghebbenden kunnen ‘meedoen om invloed uit te oefenen’ en gelegenheid krijgen materieel deel te nemen in het uiteindelijke project. Dit betekent niet dat er 100% overeenstemming moet zijn, maar wel dat keuzes helder en gemotiveerd moeten worden gemaakt. In de ontwikkelfase

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

5

van het project is de samenwerking gericht op de vraag waar projecten optimaal kunnen worden gerealiseerd (binnen de zoekgebieden wind en zon, in het Beleidskader Energie en Landschap) en hoe dit optimaal kan binnen de bestaande ruimtelijke, financiële en maatschappelijke randvoorwaarden. Centraal staat de dialoog tussen de initiatiefnemer en de belanghebbenden, waarin ideeën en kennis kunnen worden aangedragen en iedereen eigen belangen kan inbrengen. De invloed van de belanghebbenden vertaalt zich onder meer in afspraken hoe de omgeving in de exploitatiefase kan delen in de opbrengsten. Dit kan bijvoorbeeld door financiële deelname mogelijk te maken en/of door met opbrengsten van het project lokaal te investeren in de ruimtelijke kwaliteit. Opbrengsten dienen maximaal terug te vloeien naar de omgeving*. Van de initiatiefnemer wordt verlangd dat deze zich hiervoor maximaal en aantoonbaar inspant. Door het goed organiseren van de samenwerking, onder verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, krijgen alle belanghebbenden de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het projectvoorstel. Dat proces wordt aan de hand van het Beleidskader en deze bijlage getoetst door het bevoegd gezag, meestal de gemeente, soms bij grotere projecten de provincie, die op grond van haar verantwoordelijkheid voor het algemeen belang de zorgvuldigheid van het proces en de inhoud bewaakt.

2.

Rol en inbreng van de initiatiefnemer*, de belanghebbenden* en de gemeente.

Rol van de initiatiefnemer Het initiatief voor de ontwikkeling en realisatie van een duurzaam energieproject ligt in de regel bij een bewonersinitiatief, een energiecoöperatie*, een grondeigenaar of een commerciële partij. De richtlijnen in het beleidskader en deze bijlage zijn onverkort van toepassing op elke initiatiefnemer. De gemeente hecht er sterk aan dat de Rhedense gemeenschap nauw betrokken wordt in onderhavige projecten. Zij heeft daarom een voorkeur voor initiatieven die de gemeenschap maximaal eigenaarschap en zeggenschap geven in de ontwikkelingsfase en waarbij de opbrengsten zoveel mogelijk terugvloeien naar de omgeving. De gemeente vindt bovendien professionaliteit in de projectontwikkeling belangrijk.

6

De verantwoordelijkheid voor de organisatie van het proces om de belanghebbenden te informeren en te betrekken ligt primair bij de initiatiefnemer. De initiatiefnemer moet steeds zelf aantonen dat verschillende belangen voldoende meegewogen zijn en dat er voldoende inspanning is geleverd om de samenwerking te organiseren in overeenstemming met de geest van dit beleid. Dit kan bijvoorbeeld door het bijhouden van een logboek waarin beschreven staat welke inspanningen de initiatiefnemer heeft genomen om de belanghebbenden over het initiatief te informeren en bij het initiatief te betrekken en wat het resultaat is geweest van deze inspanningen. Rol en inbreng van de belanghebbenden Van bewoners en andere belanghebbenden in de omgeving wordt verwacht dat zij naar behoefte gebruik maken van de gelegenheid om inbreng te hebben bij een initiatief. De mogelijkheden voor de inbreng van de belanghebbenden worden aan het begin van het project bepaald in onderling overleg tussen de initiatiefnemer, de belanghebbenden en de gemeente. De op te richten omgevingsraad* en de te organiseren gebiedstafels* spelen hierbij een cruciale rol. Van belang is dat inwoners in de directe omgeving van het initiatief ook relatief veel inbreng kunnen hebben bij een initiatief. Omdat de situatie per initiatief verschilt, verschilt ook de samenwerking per initiatief.

In het algemeen kan worden gesteld dat hoe groter de omvang en de impact* van een initiatief is, hoe intensiever de belanghebbenden bij een initiatief betrokken moeten worden en hoe meer er ook sprake kan zijn van een bijdrage uit de projectopbrengsten die ten goede komt aan de omgeving . Rol van de gemeente De gemeente heeft, als bevoegd gezag en ‘hoeder van het algemeen belang’, spelregels en voorwaarden opgesteld voor ruimtelijke projecten. Deze spelregels zijn verwoord in het beleidskader SEO en deze bijlage, het beleidskader Energie & Landschap en ander gemeentelijk beleid zoals de Omgevingsvisie Buitengebied. De gemeente kan geen eisen stellen aan het resultaat van de samenwerking tussen initiatiefnemer en belanghebbenden, maar wel aan de inspanningen die de initiatiefnemer hiervoor doet en de kwaliteit van het samenwerkingsproces. De gemeente toetst daarom het proces dat de initiatiefnemer, in overleg met de belanghebbenden, organiseert aan het van toepassing zijnde beleid. Daar-

bij ziet de gemeente erop toe dat de belanghebbenden voldoende mogelijkheid hebben gehad voor inbreng, de belangen van de omgeving voldoende zijn meegewogen bij de besluiten en belanghebbenden mogelijkheden tot financiële deelname zijn geboden die aansluiten bij het streven naar tenminste 50% lokaal eigendom. De gemeente heeft een aantal ‘sturingsinstrumenten’ ter beschikking. Daarbij gaat het naast het borgen van de ruimtelijke kwaliteit en het voeren van de ruimtelijke planen/of vergunningsprocedure, om het realiseren van de doelen voor participatie. Indien blijkt dat het samenwerkingsproces niet zorgvuldig is verlopen, zal de gemeente besluiten geen planologische medewerking te verlenen. Het grond- en aanbestedingsbeleid is een sturingsinstrument van de gemeente. Voor private grond geldt het pad van bestemmingsplan/omgevingsplan en/of vergunningverlening onder voorwaarden, voorafgegaan door een intentie overeenkomst. In geval van het beschikbaar stellen van gemeentegrond (verkoop of via het vestigen van een (beperkt) zakelijk recht) zullen in de selectie van initiatiefnemers nadrukkelijk voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en proces- en financiële samenwerking worden opgenomen, conform het beleid zoals beschreven in het beleidskader en de bijlage. De maatschappelijke tender* kan daarvoor als geschikt instrument worden ingezet.

Daar waar de gemeente niet beschikt over een grondpositie vinden de onderhandelingen over het ter beschikking stellen van grond voor de ontwikkeling primair plaats tussen de ontwikkelaar en de (private of publieke) grondeigenaar. Ook hier is het van belang dat de in dit hoofdstuk door de gemeente gestelde randvoorwaarden (onder meer een omwonendenregeling*) goed worden ingevuld.

3.

Fasen en daarbij behorende stappen en onderdelen (ook wel procesparticipatie genoemd)

Het beleidskader en deze bijlage hebben betrekking op de drie fasen tot en met de vergunningverlening. Dit zijn de fase waarin het projectvoornemen wordt getoetst, de ontwerp- en voorbereidingsfase en de fase waarin de benodigde vergunning wordt aangevraagd en als aan de eisen wordt voldaan, wordt verleend. In deze eerste drie fasen wordt de basis gelegd voor de realisatie van een initiatief in de bouwfase en de exploitatiefase. Als de eerste drie fasen goed zijn doorlopen, heeft er een zorg-

vuldig proces plaatsgevonden en zijn er goede afspraken gemaakt tussen de initiatiefnemer, de belanghebbenden en de gemeente voor de volgende fasen. Buiten de scope van het beleidskader en de bijlage vallen een eventuele beroepsprocedure, een eventuele subsidie aanvraag (voor de aanvraag van een SDE subsidie of vergelijkbare regelingen moet de vergunning zijn verleend), de bouwfase en de exploitatiefase. Zoals eerder beschreven, kunnen initiatieven zeer sterk variëren en is dus maatwerk nodig. De beschrijving van de fasen en invulling daarvan is daarom indicatief. In overleg tussen de initiatiefnemer, de belanghebbenden en de gemeente kan om die reden worden afgesproken om van onderstaande af te wijken. Fase 1 Fase waarin het projectvoornemen wordt getoetst Een project start als de initiatiefnemer het voornemen kenbaar maakt aan de gemeente. Vaak heeft de initiatiefnemer dan al contact gehad of zelfs afspraken gemaakt met de grondeigenaar. Het projectvoornemen wordt door de gemeente globaal getoetst aan het van toepassing zijnde beleid en wet- en regelgeving, zowel op het gebied van zonnevelden en windmolens als andere relevante onderwerpen, zoals landschap, natuur, milieu, cultuurhistorie et cetera. Als daaruit geen overwegende bezwaren blijken, geeft de gemeente groen licht voor verdere planvorming. Dit betekent niet dat het project uiteindelijk ook een vergunning krijgt.

Bij de toetsing beoordeelt de gemeente ook wat het niveau van de verwachte impact* van het project is. De gemeente zal op grond daarvan aanwijzingen geven voor de te betrekken omwonenden* en omgeving*. De uitgangspunten en afspraken over de samenwerking, de toetsing et cetera worden door de gemeente vastgelegd in een intentie overeenkomst met de initiatiefnemer. Fase 1 eindigt met een principebesluit over het projectvoornemen door het College van B&W. Zeker als er al met grondeigenaren is gesproken, is het raadzaam dat de initiatiefnemer ook de directe omgeving informeert om te voorkomen dat de belanghebbenden langs andere weg over het projectvoornemen horen. Fase 2 Ontwerp en voorbereidingsfase De initiatiefnemer informeert uiterlijk direct na het verkrijgen van groen licht op het projectvoornemen alle belanghebbenden over de plannen. Belangrijk is dat alle belanghebbenden worden bereikt en daarmee de gelegenheid hebben een inbreng te hebben, rekening houdend met verschillen in kennis en vaardigheden. Hierbij kan bijvoor-

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

7

beeld worden gedacht worden aan laaggeletterden. De initiatiefnemer zorgt voor een duidelijk, objectief en transparant proces met heldere processtappen en beslismomenten. Wensen, ideeën en argumenten van alle belanghebbenden – voor- en tegenstanders – moeten zonder onderscheid serieus worden besproken en gewogen. De initiatiefnemer stelt voor dat doel een Omgevingsraad in. Hiervoor worden mensen uitgenodigd die een belang hebben in het project. Dit zijn in ieder geval vertegenwoordigers van de omwonenden, natuur- en landschapsorganisaties, dorpsraden en bewonersorganisaties uit de nabijgelegen kernen die zich met (duurzame) energie bezighouden (inclusief een bestaande of op te richten energiecoöperatie) en de gemeente (en evt. andere in het gebied bevoegde partijen, zoals de provincie of het waterschap). De Omgevingsraad kan zelf ook partijen vragen om in de Omgevingsraad deel te nemen. Om onafhankelijk functioneren te borgen stelt de initiatiefnemer de Omgevingsraad financieel in staat een onafhankelijk voorzitter aan te trekken, eigen expertise in te roepen en faciliteiten voor vergaderingen en bijeenkomsten te regelen. Onderzocht wordt of hiervoor een subsidieregeling mogelijk gemaakt kan worden. Samen met de Omgevingsraad stelt de initiatiefnemer een participatie- en communicatieplan op. Hierbij spelen de gebiedstafels* een belangrijke rol.

Naast inwoners en ondernemers moeten hierbij ook externe partners zoals provincie, waterschap, Rijkswaterschap betrokken worden (zie bijlage 2). Als er geen energiecoöperatie is, onderzoekt de initiatiefnemer in dit stadium actief en in samenspraak met de omgevingsraad, naar mogelijkheden om met bewonersgroepen tot vorming van een lokale energiecoöperatie te komen, die de belangen van bewoners vertegenwoordigt in de ontwikkelings- en/of exploitatiefase. De bijeenkomsten die voor communicatie en participatie worden georganiseerd, moeten in samenspraak met de Omgevingsraad op een toegankelijke locatie worden georganiseerd, bij voorkeur in de directe nabijheid van de projectlocatie. De bijeenkomsten moeten door een onafhankelijke, professionele persoon worden begeleid. De initiatiefnemer houdt een logboek bij van alle activiteiten die hij in het participatieproces organiseert en zorgt voor zorgvuldige onafhankelijke verslaglegging van de activiteiten. In het logboek verantwoordt hij ook hoe de afspraken met belanghebbenden invloed hebben op de vormgeving, ontwikkeling en exploitatie van het project. Over specifieke inbreng van omwonenden ten behoeve

8

van het ontwerp moet gemotiveerd worden aangegeven waarom wel of niet uitvoering wordt gegeven aan deze wensen of ideeën. Het logboek en de verslagen dienen voor de gemeente als toets van de inspanning die de initiatiefnemer levert om tot optimale participatie te komen. Projectplan In samenspraak met de Omgevingsraad en passend bij het communicatie- en participatieplan stelt de initiatiefnemer een projectplan op, met daarin voorstellen voor de ruimtelijke, maatschappelijke en financiële inpassing van het project. Het ruimtelijk deel van het projectplan wordt ontwikkeld binnen de voorwaarden die worden gesteld in het beleidskader en de Analyse Energie en Landschap. De initiatiefnemer organiseert in samenspraak met de Omgevingsraad open ontwerpateliers waarin de kennis van een brede groep belanghebbenden kan worden gedeeld en benut om het projectvoornemen te optimaliseren. De initiatiefnemer formuleert voorafgaand aan de ontwerpateliers de overige (o.a. financiële) randvoorwaarden waaraan het project moet voldoen om het haalbaar te laten blijven. De initiatiefnemer moet voorkomen dat toezeggingen worden gedaan die uiteindelijk niet door de initiatiefnemer kunnen worden waargemaakt. In het projectplan wordt ook beschreven hoe de gemeenschap financieel mee profiteert van de projectontwikkeling en hoe dit wordt georganiseerd.

Deze ‘financiële participatie’ werken we hierna verder uit. De gemeente kan na toetsing van het voorlopig projectplan aanvullende voorwaarden of criteria meegeven voor de vervolgfase. Bij de toetsing van het voorlopige projectplan weegt de gemeente het advies van de Omgevingsraad zwaar mee. Fase 3 Aanvraag van de vergunning Nadat de initiatiefnemer in samenspraak met de belanghebbenden een proces heeft doorlopen, waarbij een communicatie- en participatieplan en een projectplan (inclusief een ruimtelijk deel en een deel over de verdeling van de opbrengsten) zijn opgesteld, kan de omgevingsvergunning (en ruimtelijke planherziening) worden aangevraagd. Bij de toetsing weegt het advies van de Omgevingsraad zwaar mee. In Bijlage 1 worden de 3 fasen stapsgewijs uitgewerkt met daarin aangegeven wie wanneer aan zet is en wanneer er besluitvorming plaatsvindt.

4.

De omgeving laten delen in de opbrengsten van een project (ook wel financiële participatie genoemd).

Er bestaan verschillende manieren om de opbrengsten van een zonneveld of windmolen(s) ten goede te laten komen aan de omgeving. Dus naast de financiers (investeerders en banken) ook aan de verschillende groepen in de gemeenschap (grondeigenaren, omwonenden en andere belanghebbenden). Ook kan met de opbrengsten een bijdrage worden geleverd aan projecten op fysiek, sociaal en cultureel gebied. De gemeente Rheden hecht er sterk aan dat de Rhedense gemeenschap kan delen in de opbrengsten van het project. De gemeente staat daarom ook positief tegenover kleinschalige collectieve zoninitiatieven als postcoderoosprojecten. In dit hoofdstuk beschrijven we de inspanningen die van de initiatiefnemer worden verwacht, om de omgeving ook te laten profiteren van een project voor een zonneveld of windmolen(s). De realisatie van de energieopgave mag echter geen belemmering ondervinden van onredelijke eisen aan de initiatiefnemer. Het Klimaatakkoord (2019) stelt dat bij de realisatie van windmolens en zonnevelden wordt gestreefd naar 50 procent lokaal eigendom. De gemeente Rheden onderschrijft dit streven. Door de omgeving als mede-ontwikkelaar en -eigenaar te betrekken wordt immers een open, transparante samenwerking tussen alle partijen bevorderd. Deze doelstelling mag echter geen belemmering vormen voor het realiseren van de duurzaamheidsopgave.

Realiseren van gedeeld eigenaarschap vergt een serieuze en aantoonbare inspanning van betrokken partijen, maar kan geen reden zijn voor het onthouden van instemming, als die inspanning niet tot het gewenste resultaat leidt. Financiële participatie omvat verschillende vormen van betrokkenheid, die met elkaar gemeen hebben dat de opbrengsten van een project direct (meestal in de vorm van duurzame energie uit het project) of indirect (financieel) ten gunste komen aan de omgeving. Het samenspel van financiële participatiemogelijkheden kan per project verschillen, omdat de situatie, de doelgroepen en hun wensen anders kunnen zijn. Maatwerk is dus nodig. Om te voldoen aan de kwaliteitseisen die de gemeente Rheden stelt aan het participatieproces, dient de initiatiefnemer de mogelijkheden van alle hierna genoemde participatievormen te onderzoeken en waar mogelijk realiseren, in

nauwe samenspraak met de Omgevingsraad. De initiatiefnemer is daarbij transparant en concreet over: • Het model dat wordt gebruikt; • De inrichting van het proces (onder andere wie mag meepraten en wie beslist over de verdeling van opbrengsten); • De wijze van informatieverstrekking; • Inzicht in de begroting van het project (tenminste op hoofdlijnen van kosten en baten); • De verdeling van de baten op hoofdlijnen tussen grondeigenaren, investeerders en omgeving. We onderscheiden drie hoofdvormen van financiële participatie: 1. Directe, risicodragende participatie in het project, door verwerving van mede-eigenaarschap via een energiecoöperatie (of andere vorm van hiervoor bedoeld burgerinitiatief) (1), 2. Indirecte, laag risicodragende deelname, door uitgifte van leningen/obligaties aan individuele partijen (2), waarbij een mengvorm van 1. en 2. ook mogelijk is; 3. Meedelen in de opbrengsten van het project via afdrachten naar fondsen (3) en regelingen voor specifieke belanghebbenden (4, 5), al dan niet gekoppeld aan de winstgevendheid van het project. Deze regelingen zijn stapelbaar, maar ook apart toepasbaar. Bijlage 4 toont een projectstructuur met daarin de verdeling van de projectopbrengsten via de verschillende financiële participatiemogelijkheden, in de volgorde waarin deze meestal voor uitkering in aanmerking komen.

Dit is nadrukkelijk een voorbeeld dat als toelichting bij onderstaande methoden gebruikt kan worden. De hierna beschreven financiële participatiemogelijkheden volgen de ‘Participatiewaaier’ die in 2019 is ontwikkeld op basis van een afspraak in het Klimaatakkoord, door onder andere de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW), het Interprovinciaal Overleg IPO) en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Daarnaast volgt de gemeente Rheden de ‘Gedragscode Acceptatie en Participatie Windenergie op land’ van de Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA, 2020) als richtlijn voor de vergoedingen die in het kader van het Omgevingsfonds en de Omwonendenregeling worden gegeven. Voor de specifieke invulling van de onderstaande beschreven opties doet de initiatiefnemer in overleg met de om-

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

9

gevingsraad een voorstel dat met bewoners en belanghebbenden wordt besproken. De keuzes zullen dus altijd maatwerk zijn afhankelijk van de specifieke situatie. Het definitieve voorstel wordt opgenomen in het projectplan. 1. Eigenaarschap* In dit model organiseren bewoners en/of bedrijven uit de omgeving zich in een energiecoöperatie* (of burgerinitiatief met een andere geschikte rechtspersoon) die eigenaarschap en zeggenschap in het project verwerft. De energiecoöperatie kan optreden als zelfstandig initiatiefnemer, al dan niet in samenwerking met een professionele ontwikkelaar, in samenwerking met een professionele ontwikkelaar, maar kan ook later in het project worden betrokken door een andere initiatiefnemer. Daarbij zal men doorgaans gebruik maken van de SDE++ (Stimulering Duurzame Energieproductie) subsidieregeling. De initiatiefnemer moet – in samenwerking en afstemming met de gemeente Rheden - stimuleren dat er met een bestaande energiecoöperatie wordt samengewerkt of dat een dergelijke energiecoöperatie voor dat doel wordt opgericht. Als er vanuit bewonersgroepen, onafhankelijk van de ontwikkelaar, belangstelling is voor oprichting van een energiecoöperatie, bepalen deze zelf hoe zij de verhouding met de initiatiefnemer vorm willen geven. De eigendomsen zeggenschapsverhoudingen tussen initiatiefnemer en energiecoöperatie worden in onderling overleg bepaald.

Het streven is dat de coöperatie tenminste 50% van de aandelen verwerft, zoveel mogelijk inwoners als lid werft en in de gelegenheid stelt om financieel deel te nemen.

nemer verplicht een mogelijkheid aan te bieden waarmee ook minder vermogenden financieel kunnen participeren of profiteren. In dit model stellen we als voorwaarde dat de initiatiefnemer serieus onderzoekt welke belangstelling er in de omgeving is voor financiële deelname. Daarbij wordt van de initiatiefnemer verwacht dat hij initieel tenminste 50% van de hoogte van het eigen vermogen in de vorm van obligaties beschikbaar stelt, voor zover niet al vermogen in de vorm van risicodragend kapitaal wordt aangetrokken. In overleg met de Omgevingsraad en/of de betrokken energiecoöperatie worden de van toepassing zijnde voorwaarden vastgesteld. 3. Omgevingsfonds Een omgevingsfonds financiert projecten ter verbetering van de leefomgeving (ruimtelijk en sociaal domein) en draagt zo bij aan een rechtvaardiger verdeling van de lusten en lasten van projecten. Dit fonds wordt gevuld met een vaste bijdrage per geproduceerd MWh; deze bijdrage ligt voor windmolens op minimaal € 0,40 - € 0,50 per MWh¹. De grootte van de zonnevelden en de financiële ruimte voor financiële participatie in de projecten varieert sterk. Deze financiële ruimte is vaak kleiner dan bij windparken. Voor zonnevelden moet uit het projectplan blijken op welke wijze de omgeving maximaal profiteert van de projecten.

Eigendom en zeggenschap zijn gekoppeld aan het aandeel eigen vermogen dat de energiecoöperatie inbrengt. Overtuigend maatschappelijk draagvlak wordt daarom

Belangrijk is dat er duidelijke afspraken worden gemaakt met betrekking tot de besluitvorming over de besteding van het omgevingsfonds. Zo mogelijk zal voor het beheer van een omgevingsfonds een onafhankelijk bestuur worden benoemd met vertegenwoordigers van de belanghebbenden, dat zorgt dat de middelen uit het fonds ten goede komen aan de nabije omgeving van het project. In ieder geval dienen belanghebbenden een zwaarwe-

geacht aanwezig te zijn als de energiecoöperatie voldoende door haar leden ingelegd eigen vermogen weet in te brengen. Streven is dat deze inbreng minimaal 50% van het totale eigen vermogen bedraagt. Pas als is aangetoond dat dit niet haalbaar is, komt de mogelijkheid van financiële deelname via leningen (obligaties) aan de orde.

gende stem te hebben over de besteding. Dit fonds kan ook worden ingezet voor bovenwettelijke maatregelen of maatregelen bovenop de vergunning zoals voor stilstand of terugschakelen van de windturbines onder bepaalde omstandigheden, als dit een expliciete wens is van de omgeving.

2. Financiële deelneming Volgens dit model verwerven omwonenden geen zeggenschap, maar de mogelijkheid mee te investeren in het project tegen een vooraf vastgesteld rendement, bijvoorbeeld in de vorm van (achtergestelde) obligaties. Om te bevorderen dat niet alleen bewoners met voldoende vrij beschikbaar vermogen kunnen deelnemen is de initiatief-

4. Omwonendenregeling Een omwonendenregeling voorziet in een (bovenwettelijk) voordeel voor de omwonenden, die geacht worden meer nadeel te ondervinden van het project. Het kan gaan om het aanbieden van groene stroom met korting, korting op de energierekening of een andere financiële vergoeding. Er kan ook worden gekozen voor een specifiek om-

10

wonendenfonds, waarmee investeringen in de leefomgeving binnen de gegeven stralen kunnen worden gedaan. Het beheer van het fonds dient zo mogelijk in handen te zijn van een organisatie die wordt bestuurd door een vertegenwoordiging van de omwonenden. In ieder geval dienen omwonenden een zwaarwegende stem te hebben bij de keuze waar het geld aan wordt besteed. Voor de omwonendenregeling dient door de eigenaren een bijdrage uit de winst beschikbaar te worden gesteld ter hoogte van minimaal € 0,40 - € 0,50 per MWh voor windmolens¹. Zonnevelden verschillen in grootte en daardoor in ruimte voor financiële participatie. Voor zonnevelden moet daarom uit het projectplan blijken op welke wijze de omwonenden maximaal profiteren van de projecten. 5. Socialisatie van grondopbrengsten Grondeigenaren die aan een ontwikkelaar grond ter beschikking stellen voor de realisatie van een wind- of zonproject ontvangen hiervoor in de regel een vergoeding van de projecteigenaar. Dit kan over aanzienlijke bedragen gaan. De mogelijkheid om een energieproject te realiseren vertegenwoordigt dus een zekere waarde. Deze waarde materialiseert echter alleen voor de eigenaren van de grond waarop het project daadwerkelijk gerealiseerd wordt.

Grondeigenaren binnen een door de gemeente aangewezen zoekgebied die geen grondpositie hebben of met percelen waar geen project op geprojecteerd staat, hebben in principe dus geen onderhandelingspositie hierin. Voor hen betekent de komst van een project dat ze wel in de lasten, maar niet in de lusten delen. Om de waarde van het zoekgebied ook voor deze groep grondeigenaren tastbaar te maken, moet de vergoeding voor het gebruik van de grond voor een grootschalig wind- of zonproject mede ten goede komen aan de andere grondeigenaren in het zoekgebied. Uitgangspunt daarbij is dat de grondeigenaren binnen het oorspronkelijke zoekgebied en binnen een zekere afstand tot het project, naar rato van het oppervlak delen in de vergoeding. Voor windmolens geldt daarbij als richtlijn een straal van tienmaal de ashoogte van de turbine(s), dus bij een ashoogte van 100 meter strekt dit gebied zich uit tot maximaal een kilometer van het project. Voor zonnevelden geldt indicatief een afstand van driemaal de doorsnee van het zonneveld in de betreffende richting, dus bij een afmeting van 100 bij 200 meter een gebied van 300 bij 600 meter, afhankelijk van de mate van impact die de gemeente aangeeft. De gemeente gaat er daarbij vanuit dat minimaal 20 % van de vergoeding die aan grondeigenaren wordt uitgekeerd beschikbaar gesteld moet worden voor deze verdeling.

Bij financiële transacties tussen een initiatiefnemer en inwoners, bijvoorbeeld bij eigendomsoverdracht, dient de initiatiefnemer de inwoners volledig en transparant te informeren over mogelijke toekomstige kosten en risico’s. Eerder gemaakte afspraken tussen de initiatiefnemer en de belanghebbenden blijven na verkoop of overdracht van een project onverminderd van kracht.

¹ Conform de ‘Gedragscode Acceptatie en Participatie Windenergie op land’ van de Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA, 2016).

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

11

12

BIJLAGE 1 FASEN EN STAPPEN BIJ EEN INITIATIEF VOOR EEN ZONNEVELD OF WINDMOLEN(S)

Onderstaande fasen en stappen geven een globaal beeld hoe een initiatief tot stand kan komen. De specifieke invulling van een project is maatwerk. Fase 1 Toetsing van het projectvoornemen (indicatief 3 tot 6 maanden). 1. Initiatiefnemer Dient projectvoornemen in bij de gemeente. Dit bevat een globale beschrijving van het project (locatie, type project, ligging, termijn van realisatie, betrokken partijen). Belangrijk is dat projectbeschrijving aansluit bij de eisen zoals gesteld in het Beleidskader Energie en Landschap en het Beleidskader Samen Energie Opwekken. 2. Gemeente

Ambtelijke toetsing van de kansrijkheid van het projectvoornemen aan relevant beleid en wet- en regelgeving. Bespreekt de uitkomsten van de toetsing met de initiatiefnemer. Stelt een intentieovereenkomst* op in overleg met de initiatiefnemer.

3. Gemeente Go/no go: principe-besluit College B&W over doorgang projectvoornemen en intentieovereenkomst Gemeente stelt, op basis van haar beleid, in de intentieovereenkomst voorwaarden voor ruimtelijke inpassing en de wijze waarop belanghebbenden moeten worden betrokken. Hiermee wordt geen uitspraak gedaan of de initiatiefnemer uiteindelijk ook een vergunning verkrijgt om het project uit te voeren. Tevens wordt aangegeven of er een m.e.r.-procedure (milieueffectrapportage) nodig is of een besluit om dat te beoordelen (m.e.r.-beoordelingsbesluit). Er is een wettelijke procedure voor een milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure*), die parallel aan fase 2 en fase 3 kan lopen. Belanghebbenden worden hier zoveel mogelijk bij betrokken. Tenslotte wordt ook een overeenkomst afgesloten voor mogelijk verhaal van planschade*/ nadeelcompensatie. Omdat het goed mogelijk is dat de uitkomst van deze fase is dat het projectvoornemen geen vervolg heeft, is een initiatiefnemer niet verplicht om gedurende deze fase omwonenden en andere belanghebbenden te informeren. Het is in veel gevallen wel verstandig zijn om dit te doen, om te voorkomen dat mensen voor het eerst via de krant of anderszins over het voornemen lezen of horen. Fase 2 Ontwerp en voorbereidingsfase (indicatief 1 tot 2 jaar) 4.

Initiatiefnemer Uiterlijk direct na het verkrijgen van groen licht op het projectvoornemen informeert de initiatiefnemer omwonenden en andere belanghebbenden over de plannen en later ook de verdere omgeving. Deze stap zou gestart kunnen worden met een openbare gebiedstafel. De omgeving kan daarbij worden geïnformeerd over het project en het collegebesluit. Vroegtijdige communicatie naar de omgeving is heel belangrijk. Hiermee worden vroegtijdig aandachtspunten opgehaald en kunnen leden voor de Omgevingsraad worden geworven.

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

13

5. Initiatiefnemer Nodigt belanghebbenden uit voor de Omgevingsraad en stelt budget voor onafhankelijk functioneren van de Omgevingsraad beschikbaar. Initiatiefnemer Stelt in samenspraak met Omgevingsraad een communicatie- en participatieplan op, zie bijlage 2. 6. Omgevingsraad Adviseert de initiatiefnemer en de gemeente over het definitieve communicatie- en participatieplan. 7. Gemeente Go/no go: Besluit over het communicatie- en participatieplan. Het advies van de Omgevingsraad weegt zwaar mee bij het wel/niet komen tot overeenstemming. 8. Initiatiefnemer

Ontwikkelt in samenspraak met de Omgevingsraad een concept projectplan, inclusief communicatie- en participatieplan en een voorstel voor het mee laten delen van de omgeving in de opbrengsten. Organiseert samen met de Omgevingsraad een gebiedstafel om de dialoog te voeren met de brede groep belanghebbenden over het concept projectplan en in ontwerpateliers te praten over de ruimtelijke invulling. Dient concept-projectplan in bij de gemeente.

9. Omgevingsraad

Adviseert de gemeente over het concept-projectplan.

10. Gemeente

Ambtelijke en bij grotere initiatieven eventueel een bestuurlijke toetsing van het concept projectplan op ruimtelijke analyse, schetsontwerp, inclusief communicatie- en participatieplan en voorstel voor het mee laten delen van de omgeving in de opbrengsten. Mogelijkheid voor aanvullend onderzoek en/of ontwerp.

11. Initiatiefnemer

Past voorstel waar nodig aan, in overleg met de Omgevingsraad.

Fase 3 Aanvraag van de vergunning (indicatief 1 tot 2 jaar) De genoemde stappen bij deze fase gaan nog uit van onder meer de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het is een globale weergave van hoe het proces zou kunnen lopen. Op 1 januari 2022 treedt mogelijk de Omgevingswet in werking die deze en andere wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving vervangt. De gemeente Rheden dient nog besluiten te nemen over rolverdeling tussen gemeenteraad en college. Dit bepaalt de te voeren procedure, waardoor ook onderstaande stappen in de toekomst anders worden. 12. Initiatiefnemer Dient een aanvraag met bijbehorende stukken in voor een omgevingsvergunning bij afwijken van het bestemmingsplan/omgevingsplan (of aanvraag om planherziening), inclusief het projectplan, het communicatie- en participatieplan en de resultaten van de participatie. 13. Gemeente Go/no go: Collegebesluit terinzagelegging ontwerp-omgevingsvergunning en raadsvoorstel ontwerp-VVGB (Verklaring van geen bedenkingen voor afwijking van het bestemmingsplan). 14. Belanghebbenden

Kunnen bij de ontwerp-omgevingsvergunning en het raadsvoorstel ontwerp- VVGB inspreken bij de raadsvergadering en daarmee de Raad adviseren over het te nemen besluit.

15. Gemeente

Go/no go: Raadsbesluit ontwerp-VVGB Terinzagelegging ontwerp-VVGB en ontwerp omgevingsvergunning Collegebesluit beantwoording zienswijzen en raadsvoorstel VVGB.

14

16. Belanghebbenden

Kunnen bij de ontwerp-omgevingsvergunning en het raadsvoorstel ontwerp- VVGB mondeling en schriftelijk een zienswijze indienen en (eventueel) aanvullend inspreken bij de raadsvergadering en daarmee de Raad adviseren over het te nemen besluit.

17. Gemeente

Go/no go: Raadsbesluit VVGB

18. Gemeente

College verleent omgevingsvergunning.

19. Gemeente

Terinzagelegging vergunning en start beroepstermijn.

20. Belanghebbenden

Kunnen in beroep gaan tegen de verleende vergunning.

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

15

BIJLAGE 2 COMMUNICATIE- EN PARTICIPATIEPLAN

In een communicatie- en participatieplan beschrijft de initiatiefnemer hoe hij de gemeenschap en belanghebbenden daadwerkelijk betrekt bij de ontwikkeling en het beheer van het project. Dit plan wordt opgesteld in nauwe samenspraak met de Omgevingsraad en is gebaseerd op de uitgangspunten en voorwaarden van het Beleidskader Samen Energie Opwekken en de richtlijnen in voorliggende bijlage Samen Energie Opwekken. Het communicatie- en participatieplan omvat tenminste de volgende elementen: 1.

Het plan omvat een doelbeschrijving van het initiatief, een schema en planning van de voorgenomen processtappen in de ontwikkeling van het project, inclusief ruimtelijke en sociale inpassing. De initiatiefnemer formuleert per fase heldere go/no-toetsingscriteria.

2.

Een analyse van de verschillende belanghebbenden*, met hun belangen en standpunten, mate van invloed en posities (rol) in het project. Het begrip belanghebbenden wordt daarbij breed gedefinieerd en omvat voor- en tegenstanders, direct en indirect betrokkenen. Bij impact van het project buiten de gemeentegrens worden belanghebbenden uit aanpalende gebieden betrokken in de analyse. Bij de analyse wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van het volgende schema om aard en mate van betrokkenheid weer te geven:

Figuur 1 Analyse van de verschillende belanghebbenden (genoemde partijen zijn indicatief).

16

Toelichting schema Het schema in figuur 1 onderscheidt rollen (beslissers, beïnvloeders, uitvoeders en gebruikers). In het schema is een aantal voorbeelden vermeld van partijen die een bepaalde rol in de ontwikkeling van een wind- of zonproject zullen hebben. Deze partijen worden vervolgens ingedeeld naar het niveau van gewenste betrokkenheid: • Meebeslissen: partijen die door hun formele rol (bevoegd gezag) of door doorslaggevende invloed op de ontwikkeling of uitvoering besliskracht hebben (bijv. projectontwikkelaar, gemeente, deelnemende energiecoöperatie, grondeigenaar) • Meewerken: partijen die flinke invloed kunnen hebben op de ontwikkeling en meewerken aan het initiatief (bijv. leveranciers, omwonenden, gebiedstafels) • Meedenken: partijen die inhoudelijke inbreng kunnen leveren (bijv. natuur-, milieu-, landschaps-, culturele organisaties, energiegroepen, actieve inwoners) • Mee weten: partijen zonder actieve rol in het project, die wel op de hoogte gehouden moeten worden (bijv. inwoners Rheden, provincie). 3.

Het plan beschrijft voor iedere doelgroep hoe zij in iedere fase benaderd en betrokken gaan worden in het project. Het plan geeft weer welke middelen worden ingezet en met welke frequentie. Centraal in de aanpak staat de dialoog die de initiatiefnemer voert met belanghebbenden. Dialoog betekent dat er ruimte voor alle partijen is om inzichten en argumenten in te brengen met als doel het projectvoornemen te verbeteren. Per fase wordt een uitwerking van de in te zetten communicatie- en participatiemiddelen gegeven, onder meer nieuwsbrief, mediabeleid, informatieavonden, ontwerpateliers, et cetera. De gebiedstafel* van het betreffende gebiedsdeel fungeert als platform voor de organisatie van de procesparticipatie, en wordt voorbereid in samenwerking met de Omgevingsraad. Naast inwoners en ondernemers moeten hieraan ook externe partners zoals provincie, waterschap, Rijkswaterstaat deelnemen. Met de uitwerking van het communicatie- en participatieplan wordt ook invulling gegeven aan de participatieladder. In de participatieladder wordt beschreven hoe belanghebbenden worden betrokken van meeweten tot meebeslissen. De bijeenkomsten die voor communicatie en participatie worden georganiseerd, moeten op een toegankelijke locatie plaatsvinden, bij voorkeur een locatie in de directe nabijheid van de projectlocatie.

Aanbevolen wordt om de bijeenkomsten door een onafhankelijke, professionele persoon te laten begeleiden. Initiatiefnemer biedt de gemeente de gelegenheid om daarbij aanwezig te zijn.

4.

De initiatiefnemer beschrijft hoe hij zal onderzoeken op welke manier de financiële participatie in de exploitatiefase optimaal kan worden ingericht, eveneens binnen de randvoorwaarden van het Beleidskader en de bijlage Samen Energie Opwekken. Hiertoe behoort expliciet het stimuleren van de vorming van een nieuwe c.q. de samenwerking met een bestaande lokale of regionale energiecoöperatie.

5.

Uitwerking van de wijze waarop lokale bedrijven en leveranciers worden betrokken in de ontwikkeling, realisatie en/of het beheer van het project.

6.

Inrichting van een vragen- en klachtenprocedure voor alle fasen van het project.

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

17

BIJLAGE 3 BEGRIPPENLIJST

Belanghebbende Met een belanghebbende wordt in het beleidskader Samen Energie Opwekken een persoon of organisatie bedoeld die door een project op directe of indirecte wijze geraakt wordt in zijn of haar belang. Dat belang kan breed worden gedefinieerd, van kwaliteit van leven (directe invloed van geluid, geur, zicht, etc.), via materiële belangen als woningwaarde, tot aantasting van de waarde van het landschap in de eigen omgeving. Iedereen in de omgeving* kan belanghebbende zijn. Behalve inwoners kunnen ook rechtspersonen die algemene of collectieve belangen behartigen als belanghebbende worden aangemerkt, zoals natuur- en milieuorganisaties, cultuurhistorische verenigingen, buurt- en dorpsraden, energiegroepen, etc. Belanghebbende is in dit kader dus niet bedoeld in de (smallere) juridische betekenis van het woord. Eigenaarschap De verhoudingen tussen een energiecoöperatie en een initiatiefnemer kunnen per project verschillen. Soms is een energiecoöperatie zelf initiatiefnemer en wordt het project zelfstandig ontwikkeld met hulp van een projectontwikkelaar en behoudt de energiecoöperatie het volledig eigendom. Een andere mogelijkheid is dat de energiecoöperatie een aandeel verwerft in een project dat eerst door een initiatiefnemer c.q. projectontwikkelaar is ontwikkeld.

Afhankelijk van de situatie maken partijen afspraken over eigenaarschap, zeggenschap en financiering van het project in de verschillende fasen van ontwikkeling. De eigendomsverhoudingen en mogelijkheden voor financiële deelname voor leden van een coöperatie kunnen op verschillende manieren worden vormgegeven. Doorslaggevend voor de eigendomsverhoudingen is de bereidheid van leden van de energiecoöperatie om een evenredig deel van het eigen vermogen in te brengen. Het verwerven van eigenaarschap betekent echter ook het nemen van risico. Het is aan de energiecoöperatie om in samenspraak met de initiatiefnemer af te wegen hoe men deze ontwikkelingsrisico’s wil dekken. Ook bij een minderheidsbelang kan de energiecoöperatie zeggenschap op bepaalde punten behouden. Voor de exploitatie wordt doorgaans een besloten vennootschap opgericht, met specifieke afspraken tussen de eigenaren (de energiecoöperatie, de initiatiefnemer, andere partijen) over aandelen- en zeggenschapsverhoudingen. De aandeelhouders genieten inkomsten in de vorm van dividenduitkeringen. Deze worden vastgesteld door de aandeelhoudersvergadering, doorgaans op basis van de winst die beschikbaar is na rente en aflossing van bancaire leningen en reserveringen voor omwonenden- en omgevingsfondsen. Energiecoöperatie Een coöperatie is een vereniging die zich inzet voor de (materiële) belangen van zijn leden.

In Nederland zijn honderden coöperaties actief die zich specifiek richten op het bevorderen van een duurzame energievoorziening. Deze energiecoöperaties zijn meestal lokaal, soms regionaal of landelijk actief en bestaan voor het grootste deel uit burgerleden. Energiecoöperaties richten zich veelal op de ontwikkeling van wind- en zonprojecten, maar kunnen zich ook bezighouden met andere technologieën (biogas, warmte) en activiteiten rond bewustwording en woningverduurzaming. Zij streven naar eigendom en zeggenschap in duurzame energieprojecten en verwerven daaruit inkomsten, meestal in de vorm van dividend. Leden die mee-investeren kunnen doorgaans aanspraak maken op een evenredig deel van het dividend, bijvoorbeeld door uitgifte van ‘wind- of zondelen’ die een recht geven op een deel van de dividendinkomsten. Vaak wordt een deel ook gereserveerd voor initiatieven in de woon- en leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld worden besteed om nieuwe energieprojecten te ontwikkelen of andere projecten in de leefomgeving te financieren. Of en hoe de coöperatie een eventueel resterend deel van de dividendinkomsten verdeeld is aan de algemene ledenvergadering van de coöperatie. Soms wordt ook wel gekozen voor andere rechtsvormen dan de coöperatie, zoals een stichting. 18

Gebiedstafel In de Omgevingsvisie onderscheidt de gemeente Rheden vier landschappelijke eenheden binnen de gemeentegrenzen: Plateau van de Veluwe, Spankeren tot Laag-Soeren, Velp tot Rheden en De Steeg tot Dieren. Voor ieder van deze gebieden wordt een gebiedstafel ingesteld. De gebiedstafel staat voor een proces waarin belanghebbenden actief worden betrokken bij ruimtelijke ontwikkeling in een landschapseenheid. Grootschalige opwekprojecten zijn ook ruimtelijke ontwikkelingen en worden daarom via de gebiedstafels geleid. Dit zijn brede bijeenkomsten voor iedereen die geïnteresseerd is in de ontwikkeling en geïnformeerd wil worden dan wel wil meedenken. Bij de gebiedstafel kan worden getoetst of datgene wat de initiatiefnemer met de omgevingsraad heeft voorbereid ook op draagvlak kan rekenen. Bijvoorbeeld met betrekking tot het communicatie- en participatieplan en het projectplan. Gebiedstafels worden georganiseerd op initiatief van de omgevingsraad en/of de initiatiefnemer om de omgeving te informeren en input op te halen, zowel over wat er leeft bij omwonenden en andere belanghebbenden als om ideeën en suggesties mee te kunnen nemen in het verdere proces. Gebiedstafels zijn brede bijeenkomsten voor bewoners en andere belanghebbenden die afhankelijk van wat er speelt, worden georganiseerd om te informeren en input op te halen.

Impact De invloed (impact) van een project op de omgeving wordt bepaald door het type project, de omvang van het project en de gevoeligheid van de omgeving. Windmolens hebben door geluid, slagschaduw en zichtbaarheid een grotere impact dan zonnevelden. Een zonneveld van meerdere hectares zal logischerwijs meer impact hebben dan een zonneveld van een halve hectare. De gemeente toetst op basis van (onder meer) aspecten als de projectomvang, eigen kavel of grond van derden, het aantal en nabijheid van omwonenden, de kwetsbaarheid van het omliggende landschap en de aanwezigheid van beschermde elementen in de nabijheid, wat de verwachte impact van het project is en kan op basis daarvan eisen aan het participatieproces stellen. Initiatiefnemer Een project ontstaat doordat een partij het voornemen daartoe kenbaar maakt bij de gemeente. Deze partij is de initiatiefnemer. Een initiatiefnemer kan een lokale partij zijn (bewonersinitiatief, grondeigenaar, energie-coöperatie) of een partij van buiten de gemeente (regionale energiecoöperatie, projectontwikkelaar). In alle gevallen geldt dat de initiatiefnemer wordt geacht in staat te zijn het project te ontwikkelen, al dan niet met de hulp van of in partnerschap met een professionele ontwikkelaar.

Intentieovereenkomst Een intentieovereenkomst is een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer(s) waarin staat onder welke voorwaarden de gemeente bereid is een ruimtelijke procedure te starten/doorlopen en aangeeft wat daar in ieder geval voor nodig is. Eén van de voorwaarden daarbij is dat een zorgvuldig participatieproces is doorlopen. Deze overeenkomst wordt gesloten op basis van een globale toets van het projectvoornemen. Maatschappelijke tender Om (financiële) participatie van de omgeving in een energieproject te stimuleren, gebruiken overheden – veelal in samenwerking met burgers en maatschappelijke partners – soms een maatschappelijke tendersystematiek. In de kern komt dit erop neer dat voorstellen voor een energieproject van verschillende initiatiefnemers op verschillende punten kunnen scoren, onder andere op participatie. Initiatieven met het hoogste aantal punten komen in aanmerking voor planologische medewerking en/of )het gebruik van) de grond. Milieueffectrapportage Effect Rapportage (m.e.r.) Een wettelijke procedure die resulteert in een milieueffectrapport (MER), waarin de milieugevolgen van een project in beeld zijn gebracht voordat de overheid een besluit over dat project neemt.

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

19

Omgeving De omgeving van een project bestaat uit een fysieke component (landschap, natuur, infrastructuur, woningen, bedrijfsgebouwen, etc.) en een sociale component (bewoners, bedrijven en organisaties). In het kader van een efficiënte samenwerking wordt de omgeving vertegenwoordigd door de verzameling bewoners en andere belanghebbenden die zich betrokken voelen bij de fysieke en sociale ontwikkeling van het gebied en de invloed van het project daarop. In het geval dat er sprake is van bovengemeentelijke invloed, bijvoorbeeld bij projecten die langs de gemeentegrens liggen, zullen ook omwonenden uit aanpalende gemeenten tot de omgeving gerekend worden. Omgevingsraad De omgevingsraad bestaat uit bewoners en andere belanghebbenden, die actief mee willen denken over het project. De leden van de omgevingsraad vertegenwoordigen de belangen van bewoners en andere belanghebbenden en adviseren de initiatiefnemer en gemeente. Deze belangenvertegenwoordigers zijn intensief bij het project betrokken om mee te denken over een haalbaar plan met draagvlak. Gestreefd wordt naar een representatieve vertegenwoordiging in de omgevingsraad van bewoners en andere belanghebbenden, zowel wat betreft samenstelling van doelgroepen als standpunten. Omwonenden dienen een belangrijke stem te hebben in de omgevingsraad.

De omgevingsraad heeft dus een vaste samenstelling (afgezien van mensen die zich eventueel terugtrekken en opgevolgd worden), heeft een structurele vertegenwoordigende functie en is aanspreekpunt voor de initiatiefnemer en de gemeente. Omwonenden Omwonenden zijn een specifieke groep binnen de omgeving. Welke bewoners en andere belanghebbenden als omwonend worden beschouwd wordt per project gemotiveerd vastgesteld op basis van de impact die het project heeft en de relatie die bewoners en belanghebbenden tot het project hebben. In het algemeen geldt dat de gemeente iedereen die binnen een gebied of landschappelijke eenheid woont dat door het project op een of andere manier wordt beïnvloed als omwonende beschouwt. Bij een project dat langs de gemeentegrens ligt, zullen ook omwonenden uit aanpalende gemeenten in het proces betrokken kunnen worden. De gemeente toetst op basis van (bijvoorbeeld) de omvang, de kwetsbaarheid van het omliggende landschap en de aanwezigheid van beschermde elementen in de nabijheid hoe het begrip omwonenden moet worden afgebakend. Participatie Participatie betekent ‘deelhebben aan’, in dit geval deelhebben aan de ontwikkeling en exploitatie van grootschalige opwekprojecten.

Projectparticipatie is er vooral op gericht om belanghebbenden (voor- én tegenstanders) de ruimte te geven om invloed uit te oefenen op de ontwikkeling en inpassing van grootschalige opwekprojecten, door inbrengen van kennis, ideeën en wensen en door een financieel aandeel te nemen in het project. Daarnaast heeft participatie ook betrekking op het meedelen in de opbrengsten van het project. De uiteindelijke besluitvorming over doorgang van een project blijft bij het bevoegd gezag, c.q. de gemeente liggen. Planschade Met planschade wordt het financieel nadeel van een planologisch besluit bedoeld, in vergelijking tot het daarvoor geldende planologisch kader, die gecompenseerd moet worden aan degene die die schade lijdt, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met voorzienbaarheid van het besluit en normaal maatschappelijk risico. De te vergoeden schade die op grond van de daarvoor geldende regelgeving wordt vastgesteld, dient te worden betaald door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, maar de schade kan op grond van een overeenkomst worden verhaald op de initiatiefnemer. Dit vormt onderdeel van de intentieovereenkomst. Onder de Omgevingswet gaat planschade nadeelcompensatie heten. Op basis van de artikelen 3 t/m 6 van de Planschadeprocedureverordening wijst het College van B&W van de gemeente Rheden een onafhankelijk en deskundig planschadeadviseur aan.

De Planschadeprocedureverordening is op te vragen bij de gemeente Rheden.

20

BIJLAGE 4 VOORBEELD VAN UITWERKING VAN DE VERDELING VAN DE OPBRENGSTEN (financiële participatie)

Figuur 2 Schema als voorbeeld hoe de opbrengsten van een project verdeeld kunnen worden.

Met senioriteit wordt de volgorde bedoeld waarin partijen aanspraak mogen maken op de opbrengsten die kunnen worden verdeeld (in bovenstaand voorbeeld aangegeven met de groene pijlen van boven naar beneden). Na betaling van operationele kosten hebben banken dus een eerste recht (aflossingen en rente), daarna volgt uitkering aan de Omwonendenregeling, daarna betaling aan obligatiehouders, et cetera. Dividend aan aandeelhouders is de laatste in de rij.

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

21

BIJLAGE 5 INFORMATIEBRONNEN

Lijst met informatiebronnen die zijn gebruikt voor het opstellen van het Beleidskader Samen Energie Opwekken en nuttig kunnen zijn als achtergrondinformatie bij een concreet project voor een zonneveld of windmolens. • www.nwea.nl/gedragscode-wind-op-land/ • https://burgersgevenenergie.nl/ • https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2019/11/18/participatiewaaier • https://departicipatiecoalitie.nl/bibliotheek/ • https://www.hieropgewekt.nl/kennisdossiers/achtergrond-wind •

22

https://www.rijnenijsselenergie.nl/project/project-de-bocht Dit project in Dieren is een mooi voorbeeld van financiële participatie bij een bewonersinitiatief. Op de webpagina kan worden doorgeklikt naar het informatiememorandum dat veel informatie geeft over hoe financiële participatie er in de praktijk uit kan zien

COLOFON BIJLAGE ONTWERP BIJ HET BELEIDSKADER

SAMEN ENERGIE OPWEKKEN Bijlage bij het beleidskader ter beoordeling van de participatie bij initiatieven voor grondgebonden energie-opwek

Datum:

februari 2021

Opgesteld door: Gemeente Rheden Postbus 9110 , 6994 ZJ De Steeg 026 4976 911 energiek@rheden.nl

Ontwerp bijlage bij het beleidskader Samen Energie Opwekken gemeente Rheden

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=d8778169-a9f0-4f6c-a712-f84f69b1e92f