CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 bij voorstel bodemregels in omgevingsplan - Onderbouwing aanvulling landelijke regels

Raadsvergadering 31 oktober 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: Bouwstenen voor bodemregels in het omgevingsplan4.210 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 6

Onderbouwing aanvulling op landelijke regels Groen: aanvullende regels die voorkomen uit bestaand beleid Rood: regels die nieuw zijn voor de gemeente Rheden. (zie bijlage 3 voor een verklarende woordenlijst)

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Begripsbepalingen In de wet is aangegeven dat een bodemgevoelige locatie in ieder geval een locatie is waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten. In de toelichting op de wet is aangegeven dat de gemeente in het omgevingsplan andere locaties kan aanwijzen als bodemgevoelige locaties, zoals kinderspeelplaatsen of moestuinen/stadslandbouw. In het artikel worden de volgende locaties als bodemgevoelig aangegeven: • Kinderspeelplaats. • Campings. • Grote moestuin. Bij al deze locaties is er een verhoogde kans op blootstelling van mensen aan verontreinigde grond. Het aanwijzen als bodemgevoelig locatie betekent dat bij een evenwichtige toedeling naar deze functies bodemonderzoek nodig is. Volgens de nu geldende regels is bij vrijwel alle functiewijzigingen bodemonderzoek nodig. Dit artikel zorgt er voor dat bij een nieuwe toedeling van een functie als camping, grote moestuin of kinderspeelplaats van te voren gekeken moet worden of de bodemkwaliteit daar wel geschikt voor is.

Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Artikel 4.6.x1 – Onderbouwing aanwijzing en geometrische begrenzing locaties uitgebreid bodemonderzoek. In het omgevingsplan moet een kaart worden opgenomen waarop is aangegeven in welke gebieden een uitgebreid onderzoek moet worden verricht zoals bedoeld in artikel 5.2.x2a lid 1. Deze kaart kan worden gegenereerd uit het gemeentelijk bodeminformatiesysteem. De kaart moet regelmatig (bijvoorbeeld) elk kwartaal worden geactualiseerd en toegevoegd aan het omgevingsplan. Zonder deze kaart is artikel 5.2.x2a lid 1 niet bruikbaar. Artikel 4.6.x1b – Onderbouwing aanwijzing en geometrische begrenzing locaties beperkt vooronderzoek. In het omgevingsplan moet een kaart worden opgenomen waarop is aangegeven in welke gebieden een uitgebreid onderzoek moet worden verricht zoals bedoeld in artikel 5.2.x2b. Deze kaart kan worden gegenereerd uit het gemeentelijk bodeminformatiesysteem. De kaart moet regelmatig (bijvoorbeeld) elk kwartaal worden geactualiseerd en toegevoegd aan het omgevingsplan. Zonder deze kaart is artikel 5.2.x2b niet bruikbaar. Artikel 4.6.x2 – Onderbouwing aanwijzing en geometrische begrenzing ‘locaties afwijkende waarden’ voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. In het omgevingsplan moet een kaart worden opgenomen waarop is aangegeven in welke gebieden de afwijkende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van toepassing zijn, zoals bedoeld in artikel 5.3.x2.

Artikel 5.3.xb, lid 1 t/m 3a zijn van toepassing in de gehele gemeente. Artikel 5.3.xb, lid 3b is

Bijlage 6 van toepassing in de zones met functieklasse Wonen. Deze kaart komt uit de nota Bodembeheer. Artikel 5.3.xb, lid 4 is van toepassing ter plaatse van grote moestuinen. Hiervan kan op basis van de huidige bestemmingsplannen een kaart worden opgesteld. Deze kaarten veranderen in principe niet meer. Is dat wel het geval dan moeten zij worden aangepast in het omgevingsplan. Zonder deze kaart is artikel 5.3.x2 lid 3b en lid 4 niet bruikbaar. Artikel 4.6.x3 – Onderbouwing aanwijzing en geometrische begrenzing ‘locaties boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’. In het omgevingsplan moet een kaart moet worden opgenomen waarop is aangegeven welke locaties boven de interventiewaarden verontreinigd zijn, zoals bedoeld in artikel 5.4.x1b lid 1b. Deze kaart kan worden gegenereerd uit het gemeentelijk bodeminformatiesysteem. De kaart moet regelmatig (bijvoorbeeld) elk kwartaal worden geactualiseerd en toegevoegd aan het omgevingsplan. Zonder deze kaart is artikel 5.4.x1b lid 1b niet bruikbaar.

Hoofdstuk 5 Activiteiten Afdeling 5.2. Benutten van de fysieke leefomgeving

§ 5.2.x wijziging van gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat Artikel 5.2.x2. Onderbouwing informatieplicht bij wijziging van gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat. Tekst uit de Aanvullingswet Bodem Omgevingswet: De gemeente heeft de taak om met het omgevingsplan te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het stellen van regels met het oog op deze evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden alle belangen van de fysieke leefomgeving afgewogen. De bodem is een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving en het belang van het beheren en het beschermen van de bodem moet dan ook worden betrokken bij het stellen van regels in het omgevingsplan. De wijze waarop dergelijke afwegingen plaatsvinden is aan de gemeente overgelaten. Zo is de afwegingsruimte voor de gemeente zo ruim mogelijk gehouden. Het artikelvoorstel schrijft voor dat bij een functiewijziging waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat een informatieplicht van toepassing is, en benoemt de bescheiden die moeten worden aangeleverd. Vergelijkbaar aan de voorwaarden die nu gelden bij een bestemmingsplanwijziging. Deze voorgestelde voorschriften zijn alleen van toepassing als de functiewijziging een bodemgevoelige locatie mogelijk maakt. Bij andere functiewijzigingen is het artikel niet van toepassing.

Dit artikel is een invulling van de verplichting om bij een evenwichtige toedeling van, specifiek bodemgevoelige, locaties, het bodemaspect af te wegen en een gezonde leefomgeving mogelijk te maken. Op dit moment is de werkwijze identiek, maar geldt die ook voor niet bodemgevoelige locaties.

Bijlage 6 Artikel 5.2.x2a en artikel 5.2.x2b (en artikel 5.3.x3a en artikel 5.3.x3b, artikel 5.3.x5a en artikel 5.3.x5b, Artikel 5.4.x2a en artikel 5.4.x2b ). Onderbouwing bodemonderzoek op locatie beperkt vooronderzoek; en bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek. Tekst uit de Aanvullingswet Bodem Omgevingswet: Om te bepalen of op een bepaalde locatie sprake is van een bodemverontreiniging die risico’s oplevert, is bodeminformatie nodig. Op basis van de onderzoeken uit het verleden is goed bekend waar er mogelijk sprake is van bodemverontreinigingen. Een gemeente kan aangeven waar de kans op een nog niet ontdekte bodemverontreiniging dusdanig groot is dat het gerechtvaardigd is dat de gemeente een initiatiefnemer verplicht een bodemonderzoek te doen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een gevoelig gebruik in diffuus verontreinigde gebieden (historische binnensteden) of, op locaties waar in het verleden bodembedreigende activiteiten zijn uitgevoerd. Het is dus niet meer nodig om voor iedere bouwactiviteit eerst een (kostbaar) bodemonderzoek te doen. Door deze meer gerichte benadering is de verwachting dat het aantal onderzoeken kan worden beperkt. Beperking van de onderzoekslasten past binnen de verbeterdoelen van de stelselherziening van het omgevingsrecht.

Aangezien uit onze bodemgegevens kan worden afgeleid waar wel en waar geen bodemverontreiniging kan worden verwacht, wordt van de mogelijkheid gebruik gemaakt om een Aandachtsgebied beperkt vooronderzoek en een Aandachtsgebied uitgebreid bodemonderzoek aan te wijzen. Binnen het Aandachtgebied uitgebreid bodemonderzoek is wel altijd bodemonderzoek nodig. Er staat ‘uitgebreid’ omdat zowel een Vooronderzoek- als een Verkennend onderzoek nodig zal zijn. Het gaat hierbij om de paarse gebieden. Deze gebieden zijn per definitie verdacht van de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Uitgebreid bodemonderzoek is dus altijd nodig. Dit is nu ook het geval. Binnen het Aandachtsgebied beperkt vooronderzoek is geen bodemonderzoek meer nodig. (Dat is nu wel het geval) Er staat ‘beperkt’ omdat de aanvrager wel een simpel vragenlijstje moet invullen om na te gaan of er in het verleden misschien iets op het terrein is gebeurd waardoor bodemverontreiniging kan zijn ontstaan. Bijvoorbeeld brand. Het Aandachtgebied beperkt vooronderzoek bevat de gehele gemeente m.u.v. de paarse gebieden. Op locatieniveau zijn er ook uitzonderingen. Locaties die verdacht zijn van de aanwezigheid van bodemverontreiniging tgv bedrijfsactiviteiten uit het verleden of waar uit eerder uitgevoerd bodemonderzoek bekend is dat er sprake is van bodemverontreiniging zijn uitgesloten.

Deze regel wijkt af van de landelijke bruidsschatregel die voorschrijft dat bodemonderzoek nodig is. We maken gebruik van de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waar altijd volledig bodemonderzoek nodig (vooronderzoek en verkennend onderzoek) is en gebieden waar slechts een beperkt vooronderzoek nodig is. Dit is nieuw voor de gemeente Rheden. Op dit moment moet altijd een volledig bodemonderzoek worden uitgevoerd (dus vooronderzoek en verkennend onderzoek). Artikel. 5.2.x4. Onderbouwing aanvulling in gebruik nemen bodemgevoelige locatie als toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden. Conform het Besluit Activiteiten Leefomgeving moet de initiatiefnemer binnen 4 weken na afronding van de sanering het bevoegd gezag informeren over de wijze waarom de sanering is uitgevoerd. Daarna kan bevoegd gezag de sanering controleren en eventueel handhavend optreden.

Bijlage 6 Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers is het ongewenst dat het perceel al in gebruik genomen wordt voordat duidelijk is of de sanering correct is uitgevoerd. En hoewel dit natuurlijk de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer is, is het ook in zijn/haar belang om zo spoedig mogelijk duidelijk te hebben dat zijn sanering goed is uitgevoerd en dat de gemeente niet later nog eens langskomt om te zeggen dat hij e.e.a. moet aanpassen of in het ergste geval moet afbreken. Om die redenen is het bruidsschatsartikel m.b.t. de ingebruikname toegevoegd dat bevoegd gezag moet instemmen met de uitgevoerde sanering voordat het daadwerkelijk in gebruik kan worden genomen. Deze uitbreiding van de regel is ter bescherming van de toekomstige gebruiker en wordt op dit moment ook op deze wijze uitgevoerd.

Afdeling 5.3. Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten § 5.3.1 Bouwen Artikel 5.3.x2 lid 3b en artikel 5.3.x2 lid 4. Onderbouwing aanvulling waarde toelaatbare kwaliteit; en specifieke beoordelingsregels. Tekst uit de Aanvullingswet Bodem Omgevingswet: Gemeenten zijn verplicht in het omgevingsplan de waarde vast te stellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen moeten worden genomen. De blootstelling en daarop gebaseerde waarden voor de toelaatbare kwaliteit moeten per gebied en/of gebruiksfunctie worden berekend. Desgewenst kan de toelaatbare bodemkwaliteit worden gebaseerd op de gevoeligste functie binnen het gebied. Met de instructieregel waarborgt het Rijk dat de gemeente in het omgevingsplan regels stelt die voorkomen dat er onaanvaardbare gezondheidsrisico’s ontstaan bij het toelaten van een bodemgevoelige locatie. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is dus geen omgevingswaarde. Indien uit een bodemonderzoek blijkt dat deze waarde (de toelaatbare kwaliteit) bij één of meerdere stoffen uit het standaard analyse pakket wordt overschreden (in een hoeveelheid grond > 25 m³) is het verboden het bouwwerk op te richten, de toewijzing uit te voeren of in de grond te graven, deze op te slaan of toe te passen.

Onder de huidige regelgeving heette dit de Interventiewaarde. In de bruidsschat heeft het Rijk geregeld dat hiervoor voorlopig ook de Interventiewaarde kan worden gebruikt. Gemeenten mogen hier van af wijken. In het collegebesluit (maart 2020) over ‘lood in de bodem’ is besloten in de gebieden waar sprake is van relatief hoge loodgehalten en die de functie Wonen hebben (paarse gebieden op kaartje bladzijde 3) gestreefd wordt naar een verbetering van de bodemkwaliteit m.b.t. lood. Daaruit volgde het uitganspunt dat ook kleine verontreiniging boven de interventiewaarde met lood gesaneerd moesten worden. Deze regel is nu weer toegevoegd: art.5.3.x2 lid 3b. Wel is er vervolgens in art. 5.3.x4 lid c geregeld dat een dergelijke kleine sanering niet aan de saneringsvoorwaarden hoeft te voldoen die voor andere saneringen gelden. Het was in 2020 niet mogelijk om per functie een saneringsnorm vast te stellen. Om die reden is er destijds geen aparte (strengere)saneringsnorm opgesteld voor grote moestuinen (> 200 m²) ondanks het dringende advies van de GGD’en en de wens om dit advies over te nemen. Onder de Omgevingswet bestaat nu de mogelijkheid om dit wel te doen. Vandaar art. 5.3.x2 lid 4. Voor alle overige stoffen en voor alle gebieden en gebruiksfuncties zal de Interventiewaarden worden gebruikt als Waarde Toelaatbare kwaliteit.

Bijlage 6 Deze aanvullingen op de regel zijn het gevolg van bestaand gemeentelijk beleid m.b.t. lood. Art. 5.3.x 2.lid 3b en art 5.3.x5 zijn overeenkomstig het bestaand beleid. Art.5.3.x2. Lid 4 is nieuw, maar eigenlijk alleen omdat dit juridisch eerder niet mogelijk was. De wens bestond al wel bij het college. Artikel 5.3.x3 lid 2 (en artikel 5.3.x5, artikel 5.4.x1, artikel 5.4.x10, artikel 5.4.x19). Onderbouwing aanvulling aanvraag vereisten omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw; en melding bouwen bodemgevoelig vergunningsvrij bouwwerk; graven in de bodem; saneren van de bodem. Volgens de Omgevingswet moet het bodemonderzoek in -pdf vorm worden ingeleverd. Hieraan is toegevoegd dat het onderzoek tevens in -xml vorm moet worden ingeleverd. (XML staat voor ‘Extensible Markup Language’, een opmaaktaal waarmee gegevens (teksten) gecodeerd kunnen worden.) Een -xml kan automatisch in ons bodeminformatiesysteem worden ingelezen. Dit heeft tot gevolg dat niet alle grondboringen op de kaart hoeven te worden ingetekend en niet alle lijsten met analyse gegevens handmatig moeten worden ingevoerd. Dit bespaart werk en voorkomt fouten bij de invoer. Alle onderzoeksgegevens zijn al in -xml vorm bij de adviesbureaus aanwezig. Het is dus geen enkele belemmering om die ook bij de aanvraag mee te sturen.

Deze aanvulling op de regel is op zich nieuw, maar is voor de aanvrager geen verzwaring of verlichting m.b.t. de bruidsschatregel dan wel de huidige manier van werken. Artikel 5.3.x3a, lid 1 en artikel 5.3.x3b.Onderbouwing bodemonderzoek op locatie beperkt vooronderzoek; en bodemonderzoek op locatie uitgebreid onderzoek. Zie onderbouwing art 5.2.x2a en art. 5.2.x2b. Artikel 5.3.x4 lid1c en lid 2. Onderbouwing specifieke beoordelingsregels: maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit. Artikel 5.3.x2 regelt dat bouwen van een bodemgevoelig gebouw ook bij kleine verontreinigingen (<25m3) met asbest en lood in (boven)grond niet is toegestaan. Als daarbij de algemene regels worden gevolgd zou dit betekenen dat de sanering volgens paragraaf 4.121 BAL moet worden uitgevoerd. Dit vinden we een te grote inspanning bij een dergelijke kleine verontreiniging. In plaats daarvan kan men kiezen voor een wat simpeler saneringsaanpak. In lid 1c wordt voorgesteld om dit te regelen door paragraaf 4.121 BAL niet van toepassing te verklaren op kleine verontreinigingen. De kleine sanering valt dan ook niet onder de milieubelastende activiteit Saneren. Vanzelfsprekend valt de aanpak van de kleine verontreiniging wel onder art 5.4.x1b Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m³.

In het beleidsdeel van de Nota Bodembeheer was al geregeld dat kleine saneringen op een eenvoudiger wijze konden worden uitgevoerd. Aangezien het beleidsdeel van de Nota Bodembeheer niet automatisch over gaat naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan, moet dit artikel dus nu opgenomen worden. Lid 2 maakt het mogelijk om als bevoegd gezag aanvullende voorwaarden te stellen. Als de kwaliteit niet geschikt is kan het bevoegd gezag er voor kiezen om maatwerkregels te stellen. Dit artikel is speciaal bedoeld voor stoffen waarvoor geen Interventiewaarde is opgesteld, zoals PFAS of andere nieuwe stoffen. Dit artikel is momenteel opgenomen in de gemeentelijke bouwverordening en zal nu een plaats in het omgevingsplan moeten krijgen. Dit artikel maakt het saneren van kleine verontreinigingen eenvoudiger. Dit artikel regelt verder dat in bijzondere situaties maatwerkregels kunnen worden gesteld indien de Interventiewaarde niet wordt overschreden, maar er wel sprake is van gezondheidsrisico. Beiden zijn bestaand beleid.

Bijlage 6

Artikel 5.3.x5, lid 3. Melding bouwen bodemgevoelig vergunningsvrij gebouw. Zie Onderbouwing Artikel 5.3.x3 lid 2. Artikel 5.3.x5a, lid 1 en artikel 5.3.x5b. Onderbouwing bodemonderzoek op locatie beperkt vooronderzoek; en bodemonderzoek op locatie uitgebreid onderzoek. Zie onderbouwing art 5.2.x2a en art. 5.2.x2b. Artikel 5.3.x6. in gebruik nemen bodemgevoelig gebouw. Zie onderbouwing artikel 5.2.x4.

Afdeling 5.4. Milieubelastende activiteiten § 5.4.x1a Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 5.4.x1, lid 2. Gegevens en bescheiden. Zie: Onderbouwing Artikel 5.3.x3 lid 2.

Artikel 5.4.x2a, lid 1 en artikel 5.4.x2b. Voorafgaand bodemonderzoek op een locatie beperkt vooronderzoek en een locatie uitgebreid bodemonderzoek. Zie onderbouwing art 5.2.x2a en art. 5.2.x2b.

§ 5.4.x1b. Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m3

Artikel 5.4.x3, lid 1 onder b. Onderbouwing aanvulling Toepassingsbereik. Dit artikel regelt dat ook bij kleine graafwerkzaamheden in grond een melding moet worden gedaan. Dit is onder de huidige regelgeving ook het geval. Echter aangezien onder de huidige regelgeving de provincie bevoegd gezag is, geld die verplichting alleen voor locaties waarvoor de provincie bevoegd gezag is: dus die locaties waar zij op basis van de Wet bodembescherming een beschikking ‘ernstige verontreiniging’ hebben genomen. Met de komst van de Omgevingswet is deze rol overgedragen aan de gemeenten. Dit maakt het mogelijk om niet langer alleen de beschikte verontreinigingen boven de Interventiewaarden aan te wijzen, maar alle locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarden. Er is geen extra onderzoek o.i.d. nodig, alleen een melding. Door de melding kan toezicht gehouden worden op de voorgenomen werkzaamheden in de verontreinigde grond. Daarbij kan aandacht gegeven worden aan veiligheid, het voorkomen van mengen van grond van verschillende kwaliteit en wordt ook overzicht gehouden van eventueel af te voeren verontreinigde grond. Deze aanvulling zorgt er voor dat iedereen die gaat graven in grond die verontreinigd is boven de Interventieaarden aan de zelfde regels moet voldoen ongeacht of de locatie eerder onder het bevoegd gezag van de provincie of gemeente viel.

Artikel 5.4.x5 (en artikel 5.4.x9 )Onderbouwing aanvulling Informeren toezichthouder. Bij alle graafwerkzaamheden in verontreinigde grond boven de Interventiewaarden is een melding (tenminste een week van te voren) verplicht. Er is daarbij een uitzondering gemaakt voor spoedreparaties (BAL artkel 3.1225). Bij een spoedreparatie is het immers niet mogelijk om een week van te voren een melding te doen.

Bijlage 6 De nieuwe regel schrijft voor dat er wel even een mailtje of een telefoontje naar de ODRA moet worden gedaan. De toezichthouder van de ODRA kan dan bepalen of hij het nodig vindt even langs te gaan of niet. Deze aanvulling biedt de ODRA de mogelijkheid om toezicht te houden. Artikel 5.4.x7 Onderbouwing gescheiden houden van grond. Bij het meer dan 25 m³ graven boven de Interventiewaarde verontreinigde grond gelden er een aantal wettelijke regels (Besluit Activiteiten Leefomgevings) waaronder het gescheiden houden van bodemlagen van verschillende kwaliteit zodat deze niet vermengd raken. Ook moeten de graafwerkzaamheden onder milieukundige begeleiding worden uitgevoerd. Bij kleinschalig graven (dus minder dan 25 m³) in boven de Interventiewaarde verontreinigde grond is milieukundige begeleiding niet verplicht. Het is bij een kleine ontgraving ook van belang om de bodemlagen van verschillende kwaliteit gescheiden te houden. Om die reden is dit artikel opgenomen. Dit is een aanvulling op de standaard regels. Ook bij kleinschalig graven is het wenselijk om te voorkomen dat grond van verschillende kwaliteit wordt vermengd.

§ 5.4.x1c Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 5.4.x9 onderbouwing informeren toezichthouder Zie onderbouwing artikel 5.4.x5. Artikel 5.4.x10. Voorafgaand bodemonderzoek. Zie onderbouwing Artikel 5.3.x3 lid 2. Artikel 5.4.x11 onderbouwing tijdelijk uitnemen van grond. In dit artikel is geregeld dat na tijdelijke uitname, grond met een verontreiniging boven de Interventiewaarde met asbest en/of mobiele verontreiniging niet mag worden teruggeplaatst. Voor mobiele verontreiniging is dit momenteel ook al geregeld in de Wet bodembescherming. Het verbod op terugplaatsen van grond met asbest boven de interventiewaarde is momenteel binnen verschillende gemeenten binnen de MRA van toepassing. In Rheden is dat momenteel alleen het geval bij gemeentelijke opdrachtverstrekking. In de praktijk komt in onze gemeente zelden een mobiele verontreiniging voor. Asbest wordt wel met enige regelmaat aangetroffen en vrijwel altijd wordt deze direct verwijderd. De regel wordt dan ook niet gezien als een verzwaring. Met deze nieuwe regel wordt de bestaande regel m.b.t. mobiele verontreiniging voortgezet en wordt er m.b.t. het terugplaatsen van asbest de Rhedense regel strenger. Maar deze wordt dan wel gelijk aan het regionale/Gelderse beleid.

§ 5.4.x2a Toepassen van bouwstoffen

Artikel 5.4.x12. meldplicht toepassen AVI/AEC bodemassen, immobilisaten, metaalslakken enz. In het originele artikel worden AEC bodemassen en metaalslakken, niet met name genoemd. Om later discussies te voorkomen zijn deze daarom expliciet opgenomen in de opsomming. De toevoeging van metaalslakken en AEC bodemas is een verduidelijking.

Bijlage 6

§ 5.4.x2b Toepassen van grond en baggerspecie

Artikel 6.4.x14. bodemvreemd materiaal. In het BAL (artikel 4.1271) is de bovengrens aangegeven van de hoeveelheid steenachtig materiaal, hout (beiden 20 gewichtsprocent) en ander bodemvreemd materiaal (sporadisch) in de bodem mag zitten. Sinds 2011 staat er in het beleidsdeel van de Nota bodembeheer dat in de woongebieden en het buitengebied maximaal sprake mag zijn van 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout. Dit komt ook overeen met de praktijksituatie. Aangezien de beleidszaken uit die nota niet automatisch mee gaan naar het tijdelijke deel van het omgevingsplan, maar moeten deze expliciet worden overgenomen. In het artikel wordt voorgesteld om voor de industriegebieden uit te gaan van 10 gewichtsprocenten steenachtig materiaal of hout. Dit is nieuw voor Rheden, maar zorgt voor gelijke regels in de regio/ provincie. In de praktijk ligt het gehalte steenachtig materiaal en hout in de bodem in de industriegebieden ook ver onder de 5 gewichtsprocenten. Dit is deels een voortzetting van het bestaand beleid en deels een gelijktrekking met de regio.

§ 5.4.x3 Saneren van de bodem Artikel 5.4.x19. Melding: gegevens en bescheiden. Zie onderbouwing. Artikel 5.3.x3 lid 2. Artikel 5.4.x20. Saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag. Er zijn verschillende manieren om te saneren. Je kan de verontreiniging ontgraven, maar afdekken van de verontreiniging met een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag is ook een mogelijkheid. In dit artikel wordt aangegeven dat ook een waterdoorlatende verharding wordt gezien als een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag, mits de verontreiniging niet mobiel of vluchtig is. Doormiddel van een waterdoorlatende verharding wordt ook het contact met de verontreiniging voorkomen, terwijl het infiltreren van hemelwater mogelijk blijft. En dat is van belang bij het klimaatbestendig maken van met name de bebouwde omgeving. Omdat een vluchtige verontreiniging zou kunnen uitdampen bij waterdoorlatende verharding en mobiele verontreiniging zich zou kunnen gaan verspreiden door het inzijgende hemelwater, zijn bij deze verontreinigingen een waterdoorlatende afdeklaag niet toegestaan. Een waterdoorlatende verhardingslaag kan is sommige situaties prima dienstdoen als saneringsvariant. Terwijl hemelwater dan ook nog de bodem in kan zakken. Artikel 5.4.x21. saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie. Er zijn verschillende manieren om te saneren.

Je kan de verontreiniging ontgraven, maar het aanbrengen van een leeflaag is ook een mogelijkheid. Een leeflaag is standaard minimaal 1 meter dik. In dit artikel wordt aangegeven dat de leeflaag ter plaatse van de Industriezones niet perse 1 meter dik hoeft te zijn, maar dat met 50 cm kan worden volstaan. Dit is geen bestaand beleid voor Rheden, maar wordt via het GOO voorgesteld om binnen de regio/provincie dezelfde regels voor te schrijven. In onze gemeente is er zelden sprake van bodemverontreiniging bij industrieterreinen. En als er al gesaneerd moet worden, dan wordt er veelal gekozen voor een boven afdekking. Deze regel zorg voor een gelijk speelveld binnen de regio/provincie. Ze is van weinig invloed in de gemeente Rheden.

Bijlage 6 Artikel 5.4.x23 met tabel 5.4.x24. terugsaneerwaarde. De terugsaneerwaarde is de waarde waar de locatie na sanering aan moet voldoen. Ten tijde van de allereerste bodemwetgeving (1981) was het uitgangspunt dat als er gesaneerd werd de grond daarna schoon moest zijn. Dit uitganspunt is inmiddels verlaten. Momenteel worden er drie soorten terugsaneerwaarden gehanteerd. Afhankelijk van de ouderdom van de verontreiniging en van de wet op basis waarvan gesaneerd wordt. a) Bij een sanering van een nieuwe verontreiniging (ontstaan op of na 1 januari 1987) moet alle verontreiniging worden weggehaald (dus schoon). b) Bij een sanering van een bestaande verontreiniging (ontstaan voor 1 januari 1987) die op basis van de Wet bodembescherming wordt uitgevoerd moet zoveel gesaneerd worden dat de grond voldoen aan de waarden behorend bij de bodemfunctie: Landbouw/natuur, Wonen of Industrie. c) Bij een sanering van een bestaande verontreiniging (ontstaan voor 1 januari 1987) op basis van de overige regelgeving wordt de terugsaneerwaarden bepaald door een combinatie tussen de bodemfunctie en de vastgestelde bodemkwaliteit van de zone waarin de locatie is ingedeeld. Daarbij geldt de strengste waarde. Dit is dezelfde manier waaraan van elders aangevoerde grond op basis van het Besluit Bodemkwaliteit nu en in de toekomst moet worden getoetst.

Aangezien de Wet bodembescherming vervalt stelt dit artikel dat de terugsaneerwaarde voor alle bestaande verontreinigingen gebeurd op basis van een combinatie tussen de bodemfunctie en de vastgestelde kwaliteit. De terugsaneerwaarde voor nieuwe verontreinigingen veranderd niet; die is wettelijk vastgelegd. Hiermee wordt bij bestaande saneringen en bij de toetsing van toe te passen grond met 1 maat gemeten. Er is een uitzondering voor lood. De GGD’en vinden dat gestreefd moet worden naar helemaal geen lood in de bodem. Zij geven dus geen advies voor een terugsaneerwaarde. Ze heeft wel een norm voor lood opgesteld waarbij wat betreft gezondheid sprake is vaneen ‘voldoende kwaliteit’ (waarbij minder dan 1 IQ -punt verlies zou optreden). De lagere norm geldt alleen voor grote moestuinen, voor wonen met tuin en kinderspeelplaatsen. Dit artikel neemt deze waarden op als terugsaneerwaarden voor lood. De terugsaneerwaarde wordt gelijk aan de kwaliteit die van elders aangevoerde grond mag hebben. Dit was al het geval bij saneringen waarvoor de gemeente bevoegd gezag was, maar dat was niet het geval voor de saneringen die op basis van de Wet bodembescherming werden uitgevoerd. Voor lood wordt een strengere terugsaneerwaarde voorgesteld op advies van de GGD’en. Hiermee wordt voldaan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=1a2ac643-937e-4400-8b7f-0fee25c92b85