CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 conceptomgevingsvergunning Havikerwaard 49, De Steeg (21.04)

Raadsvergadering 23 februari 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Havikerwaard 49, De Steeg (21.04)7.216 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

V.O.F. van der Weele

Havikerwaard 49 6994 JH DE STEEG

datum

zaaknummer

p.m.

644971

uw brief/kenmerk

behandeld door

doorkiesnummer

bijlage(n)

Caroline Aalten-Hennekes

(026) 49 76 911

---

onderwerp

Omgevingsvergunning.

Beste meneer Van der Weele, Op 9 juli 2018 vroeg u om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een jongveestal, het uitbreiden van de bestaande kapschuur en de aanleg van sleufsilo’s op het perceel Havikerwaard 49 te De Steeg. Tevens heeft u verzocht om wijziging van de inrichting, omdat na de bouw van de stal er ook meer vee zal worden gehouden. De aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen past als gevolg van het aantal te bebouwen m2 niet in het bestemmingsplan dat een vast aantal m2 aan gebouwen toestaat, ook zijn de sleufsilo’s hoger dan het bestemmingsplan toestaat. U heeft verzocht om medewerking aan uw plan middels een zo geheten projectbesluit. Om een dergelijke vergunning af te mogen geven is een verklaring van geen bedenkingen door de raad van de gemeente Rheden noodzakelijk. Op p.m. heeft de gemeenteraad ingestemd met de verklaring van geen bedenkingen. De voor het verkrijgen van deze verklaring benodigde documentatie wordt tevens als onderdeel van dit besluit beschouwd en voor een nadere afweging en motivering waarom wij meewerken aan dit verzoek verwijzen wij u daarnaar. Het besluit op uw aanvraag (uw vergunning) en de bijbehorende gewaarmerkte documenten ontvangt u bij deze brief. In het besluit leest u onze motivering en nadere voorschriften. De belangrijkste punten hieruit hebben wij hier voor u samengevat.

Wanneer kunt u gebruik maken van de vergunning? U kunt pas gebruik maken van de vergunning als de vergunning onherroepelijk is Meld de start vooraf Voordat u start met de werkzaamheden moet u dat aan ons melden. U doet dit uiterlijk 2 werkdagen van te voren! Dit kan eenvoudig met een email naar bouwtoezicht@rheden.nl. In die email zet u het zaaknummer van de vergunning en de startdatum van de werkzaamheden. Wij houden toezicht op de werkzaamheden.

Voorschriften

Aan deze omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden. U leest deze terug in de bijlage behorende bij de omgevingsvergunning. Het is belangrijk dat u zich houdt aan deze voorschriften. Wanneer u dit niet doet dan riskeert u een stillegging van de activiteiten: bouwen; aanleg (uitvoeren werk of werkzaamheid); gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (hierna: planologisch strijdig gebruik); veranderen van een inrichting. Extra voorschrift Besluit bodemkwaliteit Ten minste 4 weken voor afloop van de referentieperiode 2019 moet het mestbassin en de afdekking opnieuw gekeurd worden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Leges Bij deze brief ontvangt u ook de factuur. Deze moet u binnen 30 dagen betalen. Vragen Mocht u vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met Caroline Aalten-Hennekes van het team Omgevingsrecht en Veiligheid via telefoonnummer (026) 49 76 911 of per e-mail c.aalten@rheden.nl. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Rheden, namens hen,

Caroline Aalten-Hennekes Planbegeleider Wabo, team Omgevingsrecht en Veiligheid. Datum van verzending: p.m.

pagina

datum

zaaknummer

2

@@@ 2021

644971

OMGEVINGSVERGUNNING Op 9 juli 2018 ontvingen wij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor: - het bouwen van een jongveestal; - een uitbreiding van de bestaande kapschuur; - een aanleg van sleufsilo’s op het perceel Havikerwaard 49 te De Steeg; - het vergroten van de veestapel. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 644971. Het betreft een aanvraag voor de activiteiten: bouwen; aanleg (uitvoeren werk of werkzaamheid); gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (hierna: planologisch strijdig gebruik); veranderen van een inrichting. Hieronder leest u ons besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Besluit Wij verlenen een omgevingsvergunning voor het bouwen van een jongveestal, het uitbreiden van de kapschuur, aanleg van de sleufsilo’s en veranderen van de inrichting op het perceel Havikerwaard 49 te De Steeg, kadastraal bekend als gemeente Dieren, sectie T, nummer 658.

Wij verlenen deze vergunning op grond van onderstaande artikelen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): 2.1 lid 1 onder a in combinatie met 2.10 Wabo 2.1 lid 1 onder b in combinatie met 2.11 Wabo 2.1 lid 1 onder c in combinatie met 2.12 Wabo 2.1 lid 1 onder e in combinatie met 2.14 Wabo De bijlage behorende bij deze omgevingsvergunning en bijgevoegde gewaarmerkte documenten met zaaknummer 644971 zijn ingelast bij deze omgevingsvergunning en maken hier onderdeel van uit. In de bijlage kunt u ook meer lezen over de mogelijkheid tot het indienen van een beroep en het aanvragen van een voorlopige voorziening. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Rheden, namens hen,

Mariëlle van Meegdenburg, Senior medewerker vergunningverlening, team Omgevingsrecht en Veiligheid. Datum van verzending: datum verzending invullen

pagina

datum

zaaknummer

3

@@@ 2021

644971

BIJLAGE BEHORENDE BIJ OMGEVINGSVERGUNNING Procedure Op de voorbereiding van deze omgevingsvergunning is paragraaf 3.3 van de Wabo van toepassing, de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing. A. Activiteit bouwen De activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik zijn getoetst aan: 1. de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo); 2. het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor); 3. de Woningwet; 4. het Bouwbesluit; 5. de bouwverordening; 6. het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied”; 7. het geldende bestemmingsplan ‘Parapluplan Archeologie Rheden 2013 en aanpassing regeling Buitenplaatsen ” (hierna bestemmingsplan “Archeologie”); 8. Verklaring van geen bedenkingen afgegeven in de vergadering van de Raad PM 9. de Welstandsnota, Gemeente Rheden; 10. het Mandaatbesluit Rheden 2020. Motivering Een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ toetsen wij aan de weigeringsgronden uit artikel 2.10 van de Wabo. Wij kunnen en moeten de vergunning verlenen als er geen weigeringsgrond is. Hierna gaan wij nader in op de afzonderlijke weigeringsgronden: Bouwbesluit Wij hebben het project getoetst aan het Bouwbesluit. Aannemelijk is dat de hoofdopzet van het project voldoet, de nadere stukken dient u nog te overleggen.

Wat wij hiervoor nog nodig hebben leest u terug onder de voorschriften. Bouwverordening dit geval is de Bouwverordening niet van toepassing aangezien een groot deel van de regels is komen te vervallen. Redelijke eisen van welstand Het uiterlijk of de plaatsing van het project is, zowel op zichzelf beschouwd als in relatie tot de omgeving, niet in strijd met redelijke eisen van welstand. De combineerde commissie cultuurhistorie en welstand toetste uw aanvraag aan de bepalingen van de Welstandsnota van de gemeente Rheden. Het advies van de commissie was op 21 mei 2019 positief. Wij nemen dit advies over. Het advies van de Welstandscommissie is ingelast bij deze omgevingsvergunning en maakt hier onderdeel van uit. Geldende bestemmingsplan Het project is gelegen in het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied”. Het perceel Havikerwaard 49 te De Steeg heeft de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarde”. Tevens is van toepassing het bestemmingsplan “Archeologie” waar het de dubbelbestemming “Archeologie waarde-1” heeft. Uw aanvraag voldoet aan artikelen 3.2.“Archeologie Waarde-1”, bestemmingsplan Archeologie: Van toepassing is artikel 3.2 “Bouwregels” van bovengenoemd bestemmingplan voor het bouwen van de jongveestal, de uitbreiding van de bestaande kapschuur en de aanleg van de sleufsilo’s. pagina

datum

zaaknummer

4

@@@ 2021

644971

Hierdoor roert u over een oppervlak van meer dan 100m2 en over een diepte van tenminste 30 cm de grond. Echter heeft u in het archeologisch onderzoek dat deel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing bij deze aanvraag aangetoond dat de gronden reeds eerder zijn geroerd waardoor de verwachtingswaarde nihil is. Op uw plan is ook van toepassing artikel 3.3. Aanlegstelsel, bestemmingsplan Landelijk gebied. Daarover leest u verderop in deze overweging onder C. activiteit Aanleg. Uw aanvraag voldoet niet aan de van toepassing zijnde bestemmingsplanregels, in het bijzonder artikel 2.1. “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarde”van het bestemmingsplan Landelijk Gebied Op basis van dit artikel is maximaal 2500m2 aan bebouwing binnen het bouwvlak toegestaan. Na realisatie van uw plan voor het bouwen van een jongveestal en het uitbreiden van de kapschuur is er circa 3966m2 aan bebouwing binnen het bouwvlak. Een overschrijding van circa 1466m2 ten opzichte van het bestemmingsplan. Daardoor is uw plan voor het bouwen strijdig aan het bestemmingsplan. De door u aangevraagde aanleg van de sleufsilo’s voldoet eveneens niet aan dit artikel omdat de sleufsilo’s max 1,85 meter hoog zijn. Gemeten vanaf peil. Het bestemmingsplan staat voor sleufsilo’s een maximale hoogte toe van 1,5 meter.

De bouw van de sleufsilo’s is door het overschrijden van de toegestane hoogte stijdig aan het bestemmingsplan. Wanneer de aanvraag voor een activiteit ‘bouwen’ in strijd is met het bestemmingsplan dan wordt de aanvraag op basis van artikel 2.10 lid 2 van de Wabo ook gezien als een aanvraag om een vergunning voor ‘planologisch strijdig gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo. Een dergelijke vergunning wordt slechts geweigerd wanneer vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Daar gaan we hierna verder op in. B. Activiteit planologisch strijdig gebruik Wij kunnen op grond van artikel 2.12, lid 1, onder 3° van de Wabo een omgevingsvergunning voor ‘planologisch strijdig gebruik’ verlenen voor het bouwen van een jongveestal,het uitbreiden van de bestaande kapschuur en het aanleggen van de sleufsilo’s indien het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening Motivering Wij willen meewerken aan uw plan met een projectbesluit. Dit besluit baseert zich op de onderzoeken, ruimtelijke onderbouwing en afwegingen die zijn gedaan in het kader van een goede ruimtelijke ordening en het daarmee verkrijgen van een Verklaring van geen bedenkingen door de raad van de gemeente Rheden. Deze zijn onlosmakelijk verbonden aan deze vergunning en volstaat het voor een motivering van ons besluit daarnaar te verwijzen.

Instemmen met het project levert een planologische situatie op, welke wij vanuit een ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar achten en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Realiseren van het project levert geen onaanvaardbare aantasting op voor de directe omgeving omdat het perceel van aanvrager dermate groot is, dat de hiermee toegestane uitbreiding geen impact heeft op de beleving van dit deel van de Havikerwaard. Deze omgevingsvergunning ziet toe op het vergroten van de agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van (het voortbestaan van) de agrarische bedrijfsvoering van de aanvrager.

pagina

datum

zaaknummer

5

@@@ 2021

644971

Verklaring van geen bedenkingen Op grond van artikel 2.27, eerste lid van de Wabo in combinatie met artikel 6.5, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn wij verplicht om een aanvraag welke betrekking heeft op de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ ex artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo en waarvoor een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder 3° van de Wabo wordt verleend, voor te leggen aan de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft op p.m. een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het project voor het bouwen van een jongveestal, het uitbreiden van de kapschuur en het aanleggen van de sleufsilo’s van het bedrijf op het perceel Havikerwaard 49 te De Steeg. C. Activiteit aanleg De activiteit ‘aanleg (uitvoeren werk of werkzaamheid)’ is getoetst aan: 1. de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo); 2. het geldend bestemmingsplan Landelijk gebied; 3. het geldend bestemmingsplan Archeologie 4. het Mandaatbesluit Rheden 2020. Motivering Gezien het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied” is een aanlegvergunning noodzakelijk. Bij de toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘aanleg’ spelen de weigeringsgronden uit artikel 2.11 van de Wabo een grote rol. Wij kunnen en moeten de vergunning verlenen als er geen weigeringsgrond is.

Na beoordeling van uw aanvraag zijn wij van mening dat u voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de uw plan voor het bouwen van een jongveestal, het vergroten van de bestaande kapschuur en de uitbreiding van sleufsilo’s geen verstoring zal opleveren van de gronden. Onderstaand leest u onze afweging Geldende bestemmingsplannen Het bestemmingsplan “Landelijk gebied” kent een aanlegvergunningverplichting op grond van artikel 3.3. Dat artikel stelt dat als de grond wordt geroerd binnen een archeologisch onderzoeksgebied er een omgevingsvergunning activiteit Aanleg noodzakelijk is voor het verlagen van de bodem. Het bestemmingsplan “Archeologie” en het aanlegvergunningstelsel (artikel 3.3) in het bestemmingsplan “Landelijk gebied” beogen ten aanzien van voorliggende aanvraag dezelfde waarde(n) te beschermen. Het bestemmingsplan “Archeologie” is een bestemmingsplan dat later is vastgesteld als herziening/toevoeging van onder meer archeologische regels in veel bestemmingsplannen binnen onze gemeente. Echter het bestemmingsplan “Landelijk gebied” kent geen specifieke archeologische regels, de bescherming van archeologische waarden wordt geregeld in het aanlegstelsel. Daardoor is voorliggend plan wel vergunningplichtig op grond van artikel 3.3 van het bestemmingsplan “Landelijk gebied”.

Omdat wordt voldaan aan de regels zoals gesteld in artikel 3.2 van het bestemmingsplan “Archeologie”, zoals eerder gemotiveerd in de bijlage bij besluit, wordt er daarmee ook voldaan aan de regels zoals gesteld in artikel 3.3 Aanlegstelsel van het bestemmingsplan “Landelijk gebied”. Er is dus geen weigeringsgrond.

pagina

datum

zaaknummer

6

@@@ 2021

644971

D. Milieu (activiteit wijzigen inrichting) Er is hier gekozen om de aanvraag milieu tegelijk op te laten lopen met het zogenaamde Wabo-projectbesluit. De bestaande milieuactiviteiten van het bedrijf zijn opgenomen in de hieronder genoemde meldingen en/of vergunningen. -

Melding Besluit landbouw milieubeheer dd. 30 januari 2012 kenm. 594 Melding Besluit landbouw milieubeheer dd. 22 maart 2012 kenm. BM 12uit2032-I12.3880 Melding Activiteitenbesluit milieubeheer (propaantank voor particulier gebruik) dd. 5 augustus 2014 kenm.MHZ-2014-01392014-07-07308 Vergunning Wet natuurbescherming (Wnb) dd. 9 september 2015 kenm. 2015-005305 Besluit vergunning Wnb dd. 12 september 2018 kenm. 2018-003717

Motivering De gewenste nieuwe situatie zoals aangevraagd is beoordeeld op onderstaande relevante formele en inhoudelijke aspecten Onderzocht is de rechtsgeldige veebezetting en de daarbij behorende jaarlijkse emissies, die op basis van de bovenstaande meldingen en/of vergunningen zijn toegestaan,. Daarvoor is bekeken of de bestaande meldingen en/of vergunningen (gedeeltelijk) zijn vervallen. De bestaande en/of vergunningen zijn niet (gedeeltelijk) vervallen. 1. MER-(beoordelings)plicht Onderzocht is of er in deze aanvraag een milieueffectrapportage (MER) moet worden gemaakt. De aangevraagde dieraantallen komen qua omvang niet boven de aantallen als genoemd in onderdeel C. Dit betekent dat de aangevraagde activiteiten niet MER-plichtig zijn. Verder staan in onderdeel D van de bijlage activiteiten waarvoor de verplichting geldt tot het nemen van een formeel besluit of al dan niet een MER nodig is (MERbeoordelingsplichtig). De aangevraagde dieraantallen zijn hoger dan de aantallen die zijn genoemd in onderdeel D14, namelijk 200 melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A 1 en A 2)waar 202 melkkoeien zijn aangevraagd. Er is daarom een mer-aanmeldingsnotitie ingediend. Conclusie: Op 22 mei 2018 is met kenmerk 629034 een formeel besluit genomen dat een MER in dit geval niet nodig is. 2.

Wet natuurbescherming Voor het kunnen verlenen van deze vergunning is geen verklaring van geen bedenkingen vereist in het kader van de Wet natuurbescherming. Voorafgaand aan de aanvraag om deze omgevingsvergunning is op 7 maart 2018 een aanvraag om Wnb-vergunning ingediend. Dit blijkt uit het afschrift van het ontwerpbesluit voor de Wnb-vergunning die u bij uw aanvraag voor deze omgevingsvergunning heeft ingediend. pagina

datum

zaaknummer

7

@@@ 2021

644971

Op 1 september 2018 is besloten om de aangevraagde vergunning ten behoeve van het wijzigen van de rundveehouderij te verlenen aan aanvrager. (Dit besluit heeft kenm. 2018003717)

3. Stalsysteem Het aangevraagde stalsysteem is van een uitvoeringsvorm waarop een BWL 2010.34.V6 van toepassing is. Daarom heeft een beoordeling plaatsgevonden of aan de voorwaarden van het betreffende leaflet is voldaan. De ammoniakemissiebeperking is gebaseerd op versnelde afvoer van urine door de cassettes met hellende groeven in de roosterspleten, waardoor er slechts weinig tot geen urine achterblijft en de omzetting van ureum naar ammoniak niet op de vloer plaatsvindt, maar in de mestkelder. Daarnaast vindt ammoniakemissiebeperking plaats door reductie van de uitstoot van kelderlucht door middel van afsluitkleppen in de roosterspleten. Conclusie: Onderdelen zoals registratie van de procesgegevens is niet in detail op de tekening aangegeven. Overigens is dit stalsysteem al aanwezig sinds de melding van maart 2012. Bij controles sindsdien zijn geen overtredingen gevonden voor de wijze waarop het stalsysteem wordt toegepast.

4. Fijn stof Kader voor de emissie van fijn stof Op grond van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) gelden milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Het houden van dieren leidt onder meer tot de uitstoot van fijn stof. In bijlage 2 van de Wm zijn normen opgenomen, waaronder grenswaarden voor zwevende deeltjes (= fijn stof kleiner dan 10 µm = PM10). De volgende grenswaarden gelden voor fijn stof:  40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie;  50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden. De concentraties verontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn berekend zoals voorschreven in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Dit betekent dat in principe overal buiten de grens van de inrichting voldaan moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In artikel 5.19 lid 2 Wm zijn op deze bepaling enkele uitzonderingen gegeven.

Er vindt geen vaststelling van het kwaliteitsniveau plaats op: locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is; terreinen waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen, waar bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 5.6 lid 2 Wm, van toepassing zijn; de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben. De vergunning kan worden verleend als voldaan wordt aan de grenswaarden of als de beoogde verandering niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op grond van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is er sprake van een niet in betekenende mate bijdrage als de 3% grens niet wordt overschreden of als de activiteit in de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is genoemd. De 3% grens betekent: 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie voor fijn stof. Dit komt overeen met 1,2 µg/m³. Conclusie: Gelet op de aard van het bedrijf, de diercategorieën die worden gehouden en overige bedrijfsactiviteiten is er geen significante uitstoot van fijn stof. Het is daarom meer dan aannemelijk dat de bijdrage van het bedrijf aan de concentratie van fijn stof in de lucht niet zal leiden tot overschrijding van enige grenswaarde.

Daarbij is ook de afstand tot de omliggende gevoelige locaties meegewogen. Een nader onderzoek is daarom niet nodig. pagina

datum

zaaknummer

8

@@@ 2021

644971

5. Ammoniak Activiteitenbesluit milieubeheer Voor ammoniak gelden de artikelen 3.112 tot en met 3.114 van het Activiteitenbesluit.

Wet ammoniak en veehouderij (Wav) De gevolgen van de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven beoordelen wij volgens de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Gedeputeerde Staten van Gelderland wezen bij besluit van 1 juli 2009 zeer kwetsbare natuurgebieden aan die volgens de Wav worden beschermd tegen de effecten van ammoniak. Conclusie: Het bedrijf is niet gelegen in een kwetsbaar gebied of in een zone van 250 m rondom zo'n gebied. Wanneer de stallen voldoen aan de emissie-eisen uit het Besluit emissiearme huisvesting geven de regels van het Activiteitenbesluit geen extra eisen voor de ammoniakemissie uit de stallen.

Richtlijn Industriële Emissies (RIE) Volgens de Wav moet verder worden beoordeeld of het bedrijf ook een zogenoemde IPPCinstallatie is en er een ernstige (toename van de) verontreiniging wordt veroorzaakt. Een veehouderij is een IPPC-installatie als er ten minste 2000 vleesvarkens, 750 zeugen of 40.000 stuks pluimvee worden gehouden. Conclusie: Omdat geen van deze diercategorieën aanwezig zijn is het bedrijf geen IPPCinstallatie.

Besluit emissiearme huisvesting Dit besluit komt in de plaats van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en is evenals dit besluit gebaseerd op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. In dat artikel is geregeld welke aspecten bij de vaststelling van algemene regels zoals dit besluit moeten worden betrokken. Het besluit is van toepassing op inrichtingen die zijn aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Zowel bedrijven met een omgevingsvergunning milieu op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als bedrijven die volledig onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen, moeten voldoen aan het besluit. Dit besluit heeft tot doel de emissie van ammoniak en van fijn stof uit dierenverblijven zoveel mogelijk te beperken. Daartoe worden voorschriften gesteld die de emissie vanuit dierenverblijven aan een maximum binden (maximale emissiewaarden). Voor de onderscheiden huisvestingssystemen gelden verschillende waarden. Conclusie: In dit geval voldoen alle stallen voor melk- of kalfkoeien ouder dan 2 jaar aan de maximale emissiewaarde (volgens kolom A). De aanvraag voldoet daarmee aan het Besluit emissiearme huisvesting.

Directe schade aan gewassen door ammoniak Bij veehouderijen moeten ook de mogelijke effecten van directe schade aan gewassen door ammoniak worden beoordeeld. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van het rapport 'Stallucht en Planten 1996'. Hierin is opgenomen dat een afstand van 50 m tot coniferen en 25 m tot overige gevoelige gewassen (waaronder fruitbomen) voldoende is om directe schade te voorkomen. De afstanden worden gemeten vanaf het dichtstbij gelegen emissiepunt. Conclusie: Rondom de inrichting zijn geen percelen gelegen waarop fruitbomen, coniferen of andere gevoelige gewassen worden gekweekt. De dichtstbijzijnde voor ammoniak pagina

datum

zaaknummer

9

@@@ 2021

644971

gevoelige gewassen zijn gelegen op meer dan 50 m. Gelet op het voorgaande treedt geen ontoelaatbare schade aan gewassen in de omgeving van de inrichting op.

6. Geur Geurbelasting vanwege dierenverblijven De toetsing aan de vereiste afstanden en geurnormen worden onafhankelijk van elkaar uitgevoerd. Mogelijke geurhinder in de omgeving vanwege de emissies vanuit dierenverblijven hebben wij getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Volgens de Wgv gelden er minimale afstanden tussen een dierenverblijf en een geurgevoelig object. Wanneer er dieren worden gehouden waarvoor in de bijbehorende Regeling veehouderij en geurhinder een geuremissiefactor is vastgesteld, mag daarnaast de geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving niet hoger zijn dan de in of op grond van de Wgv vastgestelde waarde.

Afstanden Aan de minimaal vereiste afstanden wordt voldaan.

Geurbelasting In het bedrijf worden geen dieren gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Daarom kan en hoeft de geurbelasting niet te worden berekend.

Opslag agrarische bedrijfsstoffen Naast de geur uit de stallen kan vanuit de opslagen van agrarische bedrijfsstoffen zoals bijvoorbeeld kuilvoer en vaste mest ook geurhinder optreden. Volgens de geldende regels moeten vanuit deze locaties ook een minimaal vereiste afstand beschikbaar zijn tot een geurgevoelig object. Wij hebben getoetst of op basis van de gewenste situatie aan deze regels kan worden voldaan. Conclusie: De opslagen van agrarische bedrijfsstoffen liggen op voldoende afstand van de omliggende woningen. Het mestbassin is op 1987 opgericht. Het bedrijf heeft een verklaring overgelegd uit 2014 waaruit blijkt dat het bassin en de afdekking voldoen aan de eisen.

7. Bodem en grondwater Bodemverontreiniging kan worden veroorzaakt door het onzorgvuldig handelen met en de op- en overslag van bodembedreigende stoffen. De beoordeling van potentieel bodemverontreinigende activiteiten moet plaatsvinden aan de hand van hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. De voorschriften uit hoofdstuk 2 en 3 van het Activiteitenbesluit die betrekking hebben op bescherming van de bodem zijn rechtstreeks op het bedrijf van toepassing. Conclusie: De opslag of handeling met bodembedreigende stoffen wijzigt niet. De wijziging van de formele status van meldingsplicht naar vergunningplicht vormt geen reden om alsnog een naderonderzoek te eisen.

8.Geluid Algemeen Als gevolg van de bedrijfsactiviteiten ontstaat geluid naar de omgeving. Dit geluid wordt veroorzaakt door de aanvoer van dieren en veevoer, het ronddelen van veevoer, melkmachines, koeling van melk, het mixen van mest, de afvoer van dieren, melk en mest, in- en uitkuilen van ruw voer. De activiteiten vinden voornamelijk plaats gedurende de dagperiode met uitzondering van bijvoorbeeld de koeling die het hele etmaal in bedrijf is.

pagina

datum

zaaknummer

10

@@@ 2021

644971

Representatieve bedrijfssituatie en incidentele bedrijfssituaties Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening worden geluidsvoorschriften (mede) afgestemd op de geluidsemissie die het bedrijf onder normale omstandigheden veroorzaakt, aangeduid als de “representatieve bedrijfssituatie (RBS)”. Het is volgens de handreiking wel toelaatbaar om ontheffing te verlenen voor maximaal 12 maal per jaar (uitgangspunt is dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten periode van maximaal een etmaal). Het gaat dan om incidentele situaties waarbij de totale geluidsbelasting hoger is dan de geluidsnormen voor de RBS toestaan. Het betreft dus bijzondere activiteiten die redelijkerwijs onvermijdbaar zijn en weinig voorkomen (incidentele bedrijfssituaties - IBS). In dit geval gaat het om:  het inkuilen van ruwvoer;  het mixen van mest. Overigens is door de adviseur aanvullend aangegeven dat dagelijks minder dan 4 vrachtauto’s het bedrijf bezoeken.

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT

Voor het stellen van grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) wordt uitgegaan van de grenswaarden uit hoofdstuk 3 van de handreiking. Het gebied waarin de woningen van derden of andere geluidsgevoelige objecten liggen is volgens de handreiking te typeren als stil landelijk gebied. De streefwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) voor dit type omgeving bedragen 40 dB(A) voor de dag-, 35 dB(A) voor de avond- en 30 dB(A) voor de nachtperiode. De autosnelweg A348 ligt op circa 1,5 km en de spoorlijn Arnhem – Zutphen op 2,5 km. De bijdrage van deze bronnen kan worden verwaarloosd, ondanks dat bij meewind het geluid van rijdende treinen herkenbaar is. Omdat het aantal melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar maar net boven de drempel van vergunningplicht uitkomt vinden wij het redelijk om aansluiting te zoeken bij artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit voor het opstellen van geluidvoorschriften. De aard en omvang van de bedrijfsvoering veranderd immers niet ingrijpend.

Maximaal geluidsniveau LAMax

Als ten hoogste toelaatbare grenswaarden voor het maximale geluidsniveau LAmax gelden volgens de handreiking waarden van 70 dB(A) voor de dag-, 65 dB(A) voor de avond- en 60 dB(A) voor de nachtperiode. Wij vinden het in dit geval acceptabel om deze hoogst toelaatbare waarden te hanteren voor de piekgeluiden. Daarbij houden wij rekening met de omstandigheid dat het bedrijf is gelegen in het landelijk gebied, waar de activiteiten die op het bedrijf worden uitgevoerd vaak voorkomen en ook de daarmee samenhangende piekgeluiden.

Indirecte hinder Verkeer van en naar het bedrijf kan ook buiten de bedrijfsgrens hinder veroorzaken. Deze hinder wordt aan het bedrijf toegerekend zolang dit verkeer akoestisch gezien nog te onderscheiden is van het andere verkeer. Dit aspect hebben wij getoetst aan de circulaire van 29 februari 1996 “Geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting” (de zogenoemde schrikkelcirculaire). Volgens deze circulaire geldt een grenswaarde van 50 dB(A) (etmaalwaarde) op de gevel van omliggende gevoelige objecten. In de representatieve bedrijfssituatie zijn voor de bestaande situatie sprake van minder dan 4 vrachtautobewegingen per etmaal. De beperkte uitbreiding van het melkvee en vrouwelijk jongvee zal hierin geen verandering brengen. Aan de grenswaarde wordt voldaan.

pagina

datum

zaaknummer

11

@@@ 2021

644971

9. Energie Beoordeling van het energiegebruik moet plaatsvinden conform de circulaire “Energie in de milieuvergunning” (InfoMil, oktober 1999). Op grond van deze circulaire moet een bedrijf dat jaarlijks meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgas (of aardgasequivalent) gebruikt, inzicht geven in de omvang en verdeling van het energiegebruik, de energiebesparende maatregelen die zijn of worden genomen en de wijze waarop het energiegebruik wordt vastgesteld en geregistreerd. Ook moet dat bedrijf nagaan welke energiebesparende maatregelen redelijkerwijs mogelijk zijn. In de Activiteitenregeling milieubeheer zijn in Bijlage 10 erkende maatregelen opgenomen voor de agrarische sector op het aspect energiebesparing voor type A en B bedrijven. Voor vergunningplichtige bedrijven (type C) gaan we er van uit dat ten minste deze maatregelen zijn gerealiseerd of in de aanvraag zijn verwerkt. Afhankelijk van het energieverbruik toetsen wij of er nog verdergaande maatregelen nodig zijn. Zo nodig leidt dit tot het voorschrijven van een energiebesparingsonderzoek. In het Activiteitenbesluit is aangegeven dat een energiebesparingsonderzoek kan worden verlangd als het energieverbruik in enig kalenderjaar groter is dan 200.000 kWh aan elektriciteit of groter is dan 75.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen.

Het verbruik binnen de inrichting bedraagt circa 150.000 kWh elektriciteit en 2.000 m³ aardgasequivalenten. Dit is onder de grens genoemd in het Activiteitenbesluit waarbij een energiebesparingsonderzoek verplicht is. (in het aanvraagformulier is abusievelijk 1.500.000 kWh genoemd, bij navraag heeft de adviseur aangegeven dat 150.000 kWh het werkelijk te verwachten verbruik is). Conclusie: Omdat het aantal melkkoeien nipt meer is dan 200 stuks nemen wij voor wat betreft energie op dat alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder moeten worden gerealiseerd. Op basis van de aanwezige dan wel geprojecteerde gebouwen en op de aanwezigheid van melkrundvee inclusief vrouwelijk jongvee en fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar komen wij tot de conclusie dat van de maatregelen van bijlage 10 van de Activiteitenregeling milieubeheer voor wat betreft de agrarische sector de maatregelen 11, 12, 13, 16, 17, 18, 25, 26 en 27 van toepassing zouden kunnen zijn. De overige maatregelen voor de agrarische sector hebben betrekking op verwarmde dierverblijven, varkenshouderij of akkerbouw. Er worden voorschriften opgenomen maatregelen uit te voeren en ook om de uitvoeringsdatum te registreren.

10. Lichthinder Bescherming van de duisternis en het donkere landschap is een onderdeel van de milieubescherming. Maar ook hinder en/of verblinding door de binnen het bedrijf gebruikte verlichting hoort daarbij. Om lichthinder te voorkomen zijn de (zorgplicht)voorschriften vanuit het Activiteitenbesluit rechtstreeks werkend. Deze zorgplicht kan nader ingevuld worden door het stellen van maatwerkvoorschriften. Dat is in dit geval niet nodig. In het kader van energiebesparing wordt er al aandacht besteed aan de verlichting.

11. Afvalstoffen en afvalwater Afvalstoffen In het bedrijf ontstaan diverse soorten afvalstoffen zoals onder andere papier, kadavers, mest, klein chemisch afval. Uit de aanvraag blijkt dat de afvalstoffen gescheiden worden ingezameld, opgeslagen en afgevoerd. Aan deze vergunning zijn bovendien voorschriften verbonden voor de opslag en afvoer van deze afvalstoffen.

pagina

datum

zaaknummer

12

@@@ 2021

644971

Afvalwater In de inrichting komen de volgende afvalwaterstromen vrij:  reinigingswater van de stallen en bedrijfsruimten;  waswater van het reinigen van veetransportmiddelen;  vloeistof van afkomstig van de opslag van kuilvoer dan wel vaste mest;  spoelwater van de melkinstallatie;  terugspoelwater ontijzeringsinstallatie en  niet verontreinigd hemelwater. Met betrekking tot de lozing van afvalwater gelden de regels van afdeling 2.2 en paragraaf 6.1 van het Activiteitenbesluit.

12. Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij om de risico’s die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van (gevaarlijke) stoffen. Uit de aanvraag is niet gebleken dat een toetsing op het aspect externe veiligheid noodzakelijk is. Binnen het bedrijf vindt wel opslag plaats van:  dieselolie in een bovengrondse opslagtank;  propaan in een bovengrondse tank;  opslag niet UN-geclassificeerde, niet nitraathoudende van kunstmeststoffen (groep 1.1). De opslag van dieselolie en propaan moet voldoen aan het gestelde in Hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conclusie op deze aanvraag omgevingsvergunning alle aangevraagde activiteiten Gelet op bovenstaande afwegingen en motiveringen verlenen wij voor: het bouwen van een jongveestal, het uitbreiden van de bestaande kapschuur, het aanleggen van de sleufsilo’s, het vergroten van de veestapel op het perceel Havikerwaard 49 te De Steeg. een omgevingsvergunning voor de activiteiten: bouwen; aanleg (uitvoeren werk of werkzaamheid); gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (hierna: planologisch strijdig gebruik); veranderen van een inrichting. Voorschriften U moet zich aan de volgende voorschriften houden: Algemeen 1.

u mag voor het einde van de beroepstermijn –van zes weken na bekendmaking van dit besluit– geen gebruik maken van de vergunning. Deze vergunning treedt namelijk pas in werking op de dag na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepsschrift (artikel 6.1 lid 2 onder a van de Wabo); 2. indien gedurende de onder 1 genoemde beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de rechtbank Gelderland, mag u –zolang niet op het verzoek is beslist- geen gebruik maken van deze vergunning; 3. de houder van de vergunning moet ervoor zorgen dat de vergunning te allen tijde op het werk aanwezig is en op eerste verzoek aan een medewerker Team Omgevingsrecht en Veiligheid ter inzage wordt gegeven; 4. De noodzakelijke groene inpassing is een belangrijke voorwaarde voor medewerking aan het plan. pagina

datum

zaaknummer

13

@@@ 2021

644971

De groene inpassing is in de vorm van landschapsplan toegevoegd als gewaarmerkt stuk bij dit besluit en dient te worden gerealiseerd binnen 12 maanden na ingebruikname van de nieuwe jongveestal. Activiteit bouwen 5. de houder(ster) van de vergunning geeft de gemeente kennis van: a. het begin van de werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden daaronder begrepen, ten minste twee dagen tevoren; b. het begin van het heiwerk, het slaan van proefpalen daaronder begrepen, ten minste twee dagen tevoren; c. het begin van grondverbeteringswerkzaamheden ten minste twee dagen van tevoren; d. het begin van het storten van beton ten minste een dag tevoren; e. de voltooiing van de grondleidingen en afvoerputten onmiddellijk na voltooiing; f. de voltooiing van de onderdelen van het bouwwerk. Wij ontvangen uw melding, onder vermelding van uw zaaknummer, graag digitaal via bouwtoezicht@rheden.nl. Wanneer u geen beschikking heeft over internet, kunt u de melding telefonisch doorgeven bij het Klant Contact Centrum, telefoon (026) 49 76 911, bereikbaar op maandag t/m donderdag van 08.30 uur tot 17.00 uur, en op vrijdag tot 12.30 uur; 6.

met het bouwen mag niet worden begonnen voordat de bouw door ons is uitgezet; constructiegegevens: voordat u start met de vergunde werkzaamheden dient u de constructiegegevens ter goedkeuring aan onze bouwtoezichthouders voor te leggen: - Funderingsadvies nog nader in te dienen; - de tekeningen en berekeningen van de systeemvloeren en overige prefab onderdelen als wanden en betonlateien. - de dimensionering (controle) bestaande spant rekenen met sneeuw ophopen in de “goot” as G - berekening van alle beton en staalconstructies; - alle in het werk te storten betonconstructies de wapening tekeningen - controle van de fundering op as G tgv bijkomende belasting uit uitbreiding. U moet tenminste 3 weken voor start bouw deze gegevens aanleveren. U kunt deze sturen naar bouwtoezicht@rheden.nl onder vermelding van het nummer van de vergunning; MILIEU activiteit veranderen inrichting

Rechtstreeks werkende regelgeving De drijver van een inrichting moet zich houden aan de wet- en regelgeving die rechtstreeks voor zijn inrichting geldt. Er zijn dan ook geen voorschriften aan deze vergunning verbonden die via de milieuwet- en regelgeving rechtstreeks voor de inrichting geldt.

Voorschriften activiteit “oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting” 1. 1.1

Algemeen In de inrichting moet een logboek, handboek of ordner aanwezig zijn waarin de volgende informatie wordt opgenomen: a. een afschrift van de vigerende milieuvergunning met bijbehorende meldingen, voorschriften en bijlagen; b. registraties en onderzoeken, zoals visuele inspecties van bodembeschermende voorzieningen, het realiseren van energiebesparende maatregelen, keuringsbewijs van de propaantank en de registraties die op grond van het toegepaste stalsysteem A 1.13 met bijbehorende BWL-code moeten worden geregistreerd; c. afschriften van keuringsbewijzen van brandblusmiddelen; d. afgiftebewijzen van (gevaarlijke) afvalstoffen; e. maandelijkse registratie van diertelgegevens; f. registratie van het energieverbruik zoals bedoeld in voorschrift 2.3;

pagina

datum

zaaknummer

14

@@@ 2021

644971

1.2

2. 2.1 2.2

2.3

3. 3.1

g. registratie van de datum van de uitgevoerde energiebesparingsmaatrelen op grond van voorschrift 2.1; h. registratie van de datums waarop ruwvoer in de sleufsilo’s .1 t/m 6 wordt ingekuild op grond van voorschrift 5.4. Alle gegevens die zijn opgenomen in voorschrift 1.1 moeten tot minimaal 5 jaar na datum van registratie worden bewaard, met uitzondering van de diertelgegevens genoemd onder 1.1e, die u 10 jaar moet bewaren. Energie Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Aan voorschrift 2.1 is voldaan als alle van toepassing zijnde maatregelen zoals opgenomen onder “9. Agrarische sector” van Bijlage 10 van de Activiteitenregeling milieubeheer zijn uitgevoerd. Binnen de inrichting moet het energieverbruik worden geregistreerd voor wat betreft: a. het gasverbruik in m³ op jaarbasis; b. het elektriciteitsverbruik in kWh op jaarbasis. Het houden van dieren In de inrichting mogen maximaal de in de onderstaande tabel genoemde aantallen dieren worden. Te houden dieren

4. 4.1

4.2 4.3 4.4

4.5 4.6

Diersoort

StalAantal systeem dieren

melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

A1.100

14

melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

A1.13

188

vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

A3.100

157

fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar

A7.100

35

Afvalstoffen Afvalstoffen, waaronder met afvalstoffen verontreinigd water of water waaraan warmte is toegevoegd, mogen in de inrichting, met inbegrip van het bij de inrichting behorende open terrein, niet worden verbrand, gestort of begraven of op een andere wijze op of in de bodem worden geloosd. Het bewaren of bezigen van afvalstoffen op de bodem mag geen verontreiniging van de bodem veroorzaken. Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat ze niet met elkaar kunnen reageren. Bedrijfs- en gevaarlijke afvalstoffen moeten zo vaak als nodig, maar tenminste één keer per jaar, uit de inrichting worden afgevoerd, naar een daarvoor erkend en vergunninghoudend bedrijf. Het afvoeren moet zodanig plaatsvinden dat afval zich niet in of buiten de inrichting kan verspreiden. Gevaarlijke vrijgekomen afvalstoffen mogen niet worden gemengd met andere afvalstoffen. De verpakking van gevaarlijk afval moet: a. worden gesloten, voldoende sterk zijn en geschikt zijn voor de desbetreffende stof; b. voorzien zijn van een etiket waarop is aangegeven welke categorie afvalstof zich in de verpakking bevindt.

pagina

datum

zaaknummer

15

@@@ 2021

644971

5. 5.1

5.2

5.3

Geluid Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen, mag ter plaatse van de gevel van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen en ongeacht de beoordelingshoogte niet meer bedragen dan: a. 45 dB(A) in de uren gelegen tussen 06.00 en 19.00 uur; b. 40 dB(A) in de uren gelegen tussen 19.00 en 22.00 uur; c. 35 dB(A) in de uren gelegen tussen 22.00 en 06.00 uur. Het maximale geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, mag ter plaatse van de gevel van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen en ongeacht de beoordelingshoogte niet meer bedragen dan: a. 70 dB(A) in de uren gelegen tussen 06.00 en 19.00 uur; b. 65 dB(A) in de uren gelegen tussen 19.00 en 22.00 uur; c. 60 dB(A) in de uren gelegen tussen 22.00 en 06.00 uur. In afwijking van het gestelde in het voorschrift 5.2 mag de LAmax voor bepaalde activiteiten incidenteel afwijken. In de onderstaande tabel is aangegeven voor welke activiteiten een afwijking wordt toegestaan, hoe vaak de afwijking is toegestaan. Incidentele afwijkingen LAmax

5.4 5.5

5.6

Activiteit

Maximaal aantal dagen per jaar

Inkuilen ruwvoer sleufsilo’s 1 t/m 6

6

De incidentele afwijkingen, zoals bedoeld in voorschrift 5.3 moeten worden geregistreerd. Gedurende het laden en/of lossen van vee, goederen, emballage, pallets en/of afvalstoffen voor de inrichting, moet de motor van de bevoorradingswagen zijn uitgeschakeld. Een uitzondering geldt voor een motor die voor het koelen, laden en/of lossen noodzakelijk is. Ramen en deuren moeten zijn gesloten met uitzondering van het onmiddellijk doorlaten van goederen en/of personen.

pagina

datum

zaaknummer

16

@@@ 2021

644971

Zienswijze Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op deze aanvraag omgevingsvergunning. De ontwerpbeschikking, waarin wij kenbaar hebben gemaakt om voornemens te zijn om de gevraagde vergunning te verlenen, is gepubliceerd in de Regiobode van 14 oktober 2020 en in de Staatscouant van 14 oktober 2020. De ontwerp beschikking heeft van 15 oktober 2020 tot en met woensdag 25 november 2020 ter inzage gelegen in het gemeentehuis te De Steeg. Gedurende deze periode konden belanghebbenden zienswijzen indienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt voor wat betreft de ontwerpbeschikking. Beroep Bent u het niet eens met dit besluit? Dan kunt u op grond van de Algemene wet bestuursrecht, met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd, binnen zes weken in beroep gaan bij de rechtbank Gelderland, Team bestuursrecht Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Het besluit wordt ter inzage gelegd op … Beroep kan worden aangetekend door (a) belanghebbenden die eerder zienswijzen hebben ingediend tegen de ontwerpbeschikking, (b) belanghebbenden die willen ageren tegen eventuele wijzigingen die ten opzichte van de ontwerpbeschikking in het definitieve besluit zijn aangebracht en (c) belanghebbenden die kunnen aantonen dat het hen niet kan worden verweten dat zij eerder geen zienswijzen hebben ingebracht tegen de ontwerpbeschikking. Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en ten minste te bevatten: a de naam en het adres van de indiener; b de dagtekening; c een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht; d de gronden van het beroep. Voorlopige voorziening Het indienen van een beroepschrift heeft geen directe gevolgen voor dit besluit. U kunt, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist, aan de Voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland vragen het besluit te schorsen tot op het beroepschrift is beslist. Hiervoor kunt u een verzoek om voorlopige voorziening sturen naar: Rechtbank Gelderland, Team bestuursrecht Arnhem Postbus 9030 6800 EM Arnhem U kunt er ook voor kiezen het beroep- en/of verzoekschrift digitaal bij genoemde rechtbank in te dienen via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD).

Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. Bij het verzoek dient een afschrift van het beroepschrift te worden overgelegd. Voor het behandelen van een beroepschrift/een verzoek om voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven. Het griffierecht bedraagt € 47,00 voor minder draagkrachtige natuurlijke personen in huurtoeslag- en sociale zekerheidszaken, € 174,00 voor overige natuurlijke personen en € 345,00 voor rechtspersonen (zie artikel 8:41 Algemene wet bestuursrecht).

pagina

datum

zaaknummer

17

@@@ 2021

644971

Mededelingen Houd rekening met de volgende zaken: 1. Deze vergunning treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking (artikel 6.1 lid 1 van de Wabo). De bekendmaking gebeurt conform artikel 3:41 Algemene wet bestuursrecht (Awb); 2. Met ingang van de dag na de bekendmaking van de vergunning kunnen belanghebbenden gedurende een periode van zes weken een bezwaarschrift indienen; 3. Het is mogelijk dat belanghebbenden een verzoek om voorlopige voorziening indienen bij de rechtbank Gelderland, om te voorkomen dat u tijdens de bezwarenprocedure van uw vergunning gebruik maakt. Als de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, betekent dit dat u uw activiteiten - in ieder geval voorlopig - moet staken; 4. Wij kunnen de omgevingsvergunning intrekken, indien tijdens een periode van 26 weken geen werkzaamheden zijn verricht (artikel 2:33 lid 2 onder a van de Wabo). 5. Voor het gebruik van de openbare weg of andere gemeentegrond, ten behoeve van het opslaan van bouwmaterialen en dergelijke is een vergunning op grond van artikel 2:10A van de Algemene Plaatselijke Verordening Rheden vereist. Deze vergunning kan schriftelijk worden aangevraagd bij ons college. Bouwmaterialen en dergelijke die zonder toestemming op de openbare weg of andere gemeentegrond zijn geplaatst, kunnen door de gemeente verwijderd worden. 6.

Bij het verlenen van deze omgevingsvergunning hebben wij niet gecontroleerd of de bouw voldoet aan de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder betreffende het burenrecht en andere, uit het eigendomsrecht van derden voortvloeiende, rechten. 7. Door het verlenen van de omgevingsvergunning kunnen andere bouwmogelijkheden op uw perceel beperkt worden.

pagina

datum

zaaknummer

18

@@@ 2021

644971

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=8c65169b-38b4-4751-b467-4b966524d8a7