Bijlage 3 Voortoets Hofstetterlaan (22.35)
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 359761 Referentienummer: SWNL0273625 Datum: 04-03-2021
Voortoets overwegaanpassing Rheden - Hofstetterlaan Natuurtoets in het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel Natura 2000-gebieden
Definitief
Opdrachtgever: ProRail
Sweco Zernikestraat 17 5612 HZ Eindhoven Postbus 1265 5602 BG Eindhoven
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Layze Hoogland Junior adviseur Ecologie M +31 6 51 83 80 92
Verantwoording Titel
Voortoets
Subtitel
Natuurtoets in het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel Natura 2000-gebieden
Projectnummer
359761
Referentienummer
SWNL0273625
Revisie
D1
Datum
04-03-2021
Auteur
Layze Hoogland
E-mailadres
layze.hoogland@sweco.nl
Gecontroleerd door
Gijs Meijer
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (10)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding en voorgenomen ingreep ....................................................................... 4
1.1
Leeswijzer ................................................................................................................ 4
2
Wettelijk kader ....................................................................................................... 4
2.1
Toetsingskader Natura 2000 ................................................................................... 4
3
Effecten op de Veluwe .......................................................................................... 5
3.1
Ligging plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied ................................ 5
3.2
Instandhoudingsdoelen ........................................................................................... 5
3.3
Effectbepaling .......................................................................................................... 7
3.3.1
Optische-, licht- & geluidsverstoring en trillingen ..................................................................7
3.3.2
Verzuring en vermesting door stikstofdepositie.....................................................................8
4
Conclusie .............................................................................................................. 10
3 (10)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en voorgenomen ingreep ProRail is voornemens om ter plaatse van de Hofstetterlaan in Ellecom, Gelderland spoorwegovergangen en omliggende infrastructuur aan te passen tussen. Hierbij zal het huidige zandpad worden verhard (betonpad), een nieuwe ontsluitingsweg worden aangelegd, de bestrating en de gehele overweg aan de Lange Juffer worden verwijderd en het omringende groen worden gesnoeid. Uit het door Sweco Nederland uitgevoerde verkennend natuuronderzoek1 is gebleken dat zowel directe als indirecte effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet op voorhand uitgesloten konden worden. In voorliggend rapport wordt getoetst of de activiteiten significante gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, in dit geval de Veluwe. Indien de conclusie is dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uit te sluiten, is een passende beoordeling, en zijn eventueel mitigerende maatregelen, noodzakelijk. Tevens zal in dat geval een vergunning moeten worden aangevraagd. 1.1 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is het wettelijk kader beschreven waaraan de activiteiten binnen dit project getoetst zijn. Hierin is voornamelijk ingegaan op het toetsingskader betreffende Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 3 vindt vervolgens de daadwerkelijke toetsing plaats.
Deze is opgedeeld in vijf onderdelen: Ligging Natura 2000-gebied ten opzichte van plangebied, instandhoudingsdoelen van de habitattypen binnen het betreffende Natura 2000-gebied, effectenafbakening en effectenbeoordeling, met tot slot een conclusie.
2
Wettelijk kader
2.1 Toetsingskader Natura 2000 De Wet natuurbescherming is gericht op het beschermen en ontwikkelen van natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit in Nederland. Binnen de beschermingskaders van deze wet wordt dus een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming, meer specifiek: Natura 2000-gebieden, en soorten bescherming. De beschermingskaders zijn gebaseerd op de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden.
Om dit toetsbaar te maken kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen 1 Sweco Nederland B.V. Verkennend natuuronderzoek overwegaanpassingen Rheden. D.d. 17 maart 2020.
4 (10)
goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. De voortoets is geen bij wet genoemd instrument. Het doel van de voortoets is vast te stellen of een plan of project significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Als uit de voortoets blijkt dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op voorhand zijn uitgesloten is geen passende beoordeling of vergunning nodig. Als signicante gevolgen niet op voorhand zijn uit te sluiten is een passende beoordeling nodig. De passende beoordeling is een meer gedetailleerde ecologische beoordeling, waarbij eventueel ook mitigerende maatregelen meegenomen mogen worden.
3
Effecten op de Veluwe
3.1 Ligging plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied Na raadpleging van de Natura 2000-kaart van PDOK via het Nationaal Georegister blijkt dat het plangebied grenst aan het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’, zoals is weergegeven in figuur 3.1. Deze is aangewezen als zowel Habitat- als Vogelrichtlijngebied.
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebied de Veluwe dat is aangewezen als zowel Habitat- als Vogelrichtlijngebied.
Overige Natura 20000-gebieden liggen op grotere afstand van het plangebied. Voor deze gebieden vormen directe effecten geen knelpunt, omdat deze slechts tot honderden meters ver reiken. Wel kunnen effecten door stikstof optreden over grotere afstanden. 3.2 Instandhoudingsdoelen Voor het Natura 2000-gebied zijn kwalificerende habitattypen, habitatsoorten en vogelsoorten aangewezen met voor elk hiervan instandhoudingsdoelstellingen. Deze zijn opgenomen in tabel 3.1.
5 (10)
Tabel 3.1 Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen en soorten Veluwe.
6 (10)
3.3 Effectbepaling De voorgenomen ingreep kan mogelijk een aantal tijdelijke en permanente gevolgen hebben op natuur. Een eerste overzicht van mogelijke effecten blijkt uit de effectenindicator van Natura 2000 website. Deze geeft aan dat de Veluwe, met betrekking tot werkzaamheden aangaande wegen, gevoelig is gevoelig voor de volgende effecten: · Verandering in populatiedynamiek. · Optische verstoring. · Verstoring door trilling. · Verstoring door geluid. · Verdroging. · Verontreiniging. · Verzuring en vermesting door N-depositie. · Versnippering. · Oppervlakteverlies. In deze casus kunnen effecten als gevolg van verlies van oppervlakte en versnippering met daarmee een verandering in populatiedynamiek op voorhand worden uitgesloten, aangezien het onderzoeksgebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is gelegen. Bovendien zijn er geen voornemens voor uitbreiding, danwel verlegging van de weg naar binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het gebruik van mobiele werktuigen en (vracht)verkeer ten behoeve van het uitvoeren van werkzaamheden is gebonden aan de reguliere milieuwetgeving. Tevens zijn er geen voornemens voor het lozen of toevoegen van gebiedsvreemde stoffen in zowel de realisatiefase als de situatie na realisatie. Verontreiniging gedurende de uitvoering is hierdoor niet aan de orde.
Tot slot heeft de ingreep geen betrekking tot bestaande watergangen en zullen er ook geen watergangen worden bemaald of gedempt. Er is daarom tevens geen sprake van verdroging. In de onderstaande paragrafen zijn de relevante effectindicatoren (optische verstoring, geluidsverstoring, verstoring door trillingen en verzuring & vermesting) nader geanalyseerd, waarbij bepaald is in hoeverre significant negatieve effecten op de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen optreden. Er zijn geen overige, relevante effecten buiten de effecten die door de effectindicator zijn aangegeven. 3.3.1 Optische-, licht- & geluidsverstoring en trillingen Optische verstoring betreft verstoring die door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem wordt veroorzaakt. Verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Deze typen verstoringen veroorzaken vooral vluchtgedrag bij dieren wat vervolgens weer kan leiden tot het verlaten van het leefgebied of een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen, etc.
Uit de effectenindicator blijkt dat de aangewezen doelsoorten gevlekte witsnuitlibel, meervleermuis, vliegend hert, duinpieper, nachtzwaluw en tapuit gevoelig zijn voor optische verstoring. Alle in het Natura 2000-gebied kwalificerende broedvogels zijn gevoelig voor verstoring door licht en geluid (met uitzondering van ijsvogel, die enkel gevoelig is voor
7 (10)
licht). Beekprik, rivierdonderpad en meervleermuis zijn gevoelig voor verstoring door trillingen en geluid. De laatste soort is tevens zeer gevoelig voor lichtverstoring. De gevlekte witsnuitlibel komt voor in moeras- en plassengebieden waar verspreid rijk begroeide delen in aanwezig zijn. Essentieel zijn voor de soort de aanwezigheid van matig voedselrijke gevarieerde verlandingsvegetaties (laagveen) en een goede waterkwaliteit. Habitattypen binnen de Veluwe waar de soort voor zou kunnen komen zijn met name de zwakgebufferde vennen (H3130), de zure vennen (H3160) de kranswierwateren (H3140) en, met name, de meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150). Deze habitats zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig; het meest nabij gelegen geschikte habitat (zure vennen) liggen op 15 kilometer afstand van het plangebied. Effecten op de gevlekte witsnuitlibel zijn derhalve uitgesloten. De werkzaamheden worden enkel uitgevoerd op het land, waarbij geen watergangen worden bemaald of gedempt. Daarbij liggen wateren die mogelijk leefgebied of voortplantingswater vormen van beekprik, rivierdonderpad en/of kamsalamander op zeer ruime afstand van het plangebied. Effecten door optische-, licht- & geluidsverstoring en trillingen op deze soorten kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten.
Het leefgebied van het vliegend hert bestaat uit oude (loof)bossen met hierin voldoende (rottende bomen) en boomstronken. De soort kan in een grote verscheidenheid aan biotopen voor komen, variërend van bosranden, houtwallen en holle wegen tot tuinen. De enige gemene deler hierin is de aanwezigheid van door witrot aangetast (eiken)hout. Grenzend aan het plangebied bevind zich habitattype beuken- en eikenbossen met hulst (H9120). De soort kan daarmee voorkomen in de directe omgeving van het plangebied. De werkzaamheden bestaan echter uit het aanbrengen van verharding op een zandpad en het verwijderen van een overweg over het spoor. Fietsers gaan nu via het bestaande fietspad en het zandpad wordt voornamelijk gebruikt door voetgangers en ruiters. Door de aanpassingen wordt geen extra verkeer verwacht in ten opzichte van de gebruiksfase. Er is dus enkel sprake van een kleinschalige, tijdelijke verstoring waarbij ten alle tijden voldoende leefgebied ter beschikking is voor de soort om zich van de storingsbron te verwijderen. Blijvende, negatieve effecten op het vliegend hert zijn daarom op voorhand uitgesloten. Het plangebied kan door de ligging aan de bosrand een functie hebben als vliegroute voor de meervleermuis tussen de woonkern van Ellecom en jachtgebieden. De werkzaamheden binnen het plangebied vinden echter plaats tijdens de daglichturen, waarop de soort niet actief is.
Er is dus geen sprake van verstoring tijdens de aanlegfase. In de gebruiksfase is de situatie gelijk aan de huidige situatie, waardoor blijvende effecten door optische-, licht-, & geluidsverstoring en trillingen zijn uitgesloten. Duinpieper, nachtzwaluw en tapuit zijn allen gebonden aan heidelandschappen met zandverstuivingen. De meest nabije locatie van dit biotoop binnen de Veluwe ligt op circa 5 kilometer afstand van het plangebied, waardoor effecten door optische verstoring op voorhand zijn uit te sluiten. Met betrekking tot effecten van licht, geluid en trillingen op deze en de overige broedvogels van het plan gebied kan worden gesteld dat, door de ligging van het plangebied aan de rand van het Natura 2000-gebied, er ten alle tijden voldoende leefgebied ter beschikking is voor de soorten om zich van de storingsbron te verwijderen. Omdat er daarbij enkel sprake is van een tijdelijke verstoring zijn blijvende, negatieve effecten op broedvogels binnen de Veluwe zijn daarom op voorhand uitgesloten. 3.3.2 Verzuring en vermesting door stikstofdepositie Atmosferische stikstofdepositie kan leiden tot verzuring en vermesting van stikstofgevoelige habitattypen wanneer deze boven een kritische waarde komt (de KDW). Stikstofdepositie bestaat in gereduceerde vorm (NH3, ammoniak) en geoxideerde vorm (stikstofoxide, NOx).
8 (10)
Beide vormen van stikstof kunnen worden omgezet tot de nutriënten ammonium (NH4) en nitraat (NO3). De extra aanvoer van deze voedingsstoffen kan vooral bedreigend zijn voor voedselarme habitattypen. Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan depositie van stikstof en dan vooral depositie van ammoniak, leiden tot een daling van de bodem-pH. Door verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af. Stikstofdepositie kan bovendien effecten hebben via de voedselketen vanwege invloed op kwaliteit prooidieren of aantrekken van parasieten. Gelet op de aard van de activiteit en de afstand tot het Natura 2000-gebied kan sprake zijn van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige habiattyepen en leefgebieden van soorten. Er is daarom een AERIUS berekening uitgevoerd. Stikstofberekening met AERIUS Voor de berekeningen van de effecten van het project op de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de meest recente versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator (2019A). De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenjaar 2020. Het rekenprogramma berekent de stikstofdepositie op basis van de ingevoerde emissiebronnen. In dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten beschreven die zijn gehanteerd voor de verschillende emissiebronnen.
Tijdens de aanlegfase worden mobiele werktuigen ingezet voor de verschillende werkzaamheden. Daarbij zullen er transportbewegingen plaatsvinden voor aan- en afvoer van materieel en materialen. Voor de werkzaamheden is een raming gemaakt van het brandstofverbruik van de verschillende mobiele werktuigen en de aantallen vervoersbewegingen van het vrachtverkeer. In bijlage 1 zijn deze uitgangspunten opgenomen. In de gebruiksfase vindt geen toename in stikstofdepositie plaats. Mobiele werktuigen De emissies van mobiele werktuigen zijn bepaald op basis van de emissiefactoren (g/kWh), behorende bij het type materieel dat wordt ingezet, het vermogen (kW) van het materieel en de duur (uur) van inzet2. De emissies van de mobiele werktuigen en de vrachtwagens op het werk zijn in het rekenmodel opgenomen als een vlakbron binnen het plangebied. Hierbij is een uitstoothoogte van 4 meter, een spreiding van 4 meter en een warmte-inhoud van 0 MW gehanteerd. De inschatting van de aannemer voor de inzet van mobiele werktuigen voor de uitvoering van de werkzaamheden is opgenomen in tabel 3-13. Uitgangspunt is dat 50% van de tijd dat de aannemer het materieel ter beschikking heeft, het materieel daadwerkelijk wordt ingezet met draaiende motor.
Transportbewegingen wegverkeer De emissies bij transportbewegingen worden automatisch bepaald door het rekenmodel op basis van emissiefactoren (g/km) per type voertuigen en per snelheidsprofiel, het aantal vervoersbewegingen per voertuigtype en de lengte van de afgelegde weg per vervoersbeweging. De transportbewegingen bestaan uit de aanvoer van spoorbomen, beton etc. en de afvoer van grond, asfalt, straatsteen etc. Daarnaast is rekening gehouden met de ritten voor het personeel dat de werkzaamheden uitvoert. 2 De emissies zijn berekend volgens de methode, beschreven in: Hulskotte en Verbeek (2009) Emissiemodel
Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA).
9 (10)
Resultaten stikstofberekening Door de aanpassing van de overweg op de Hofstetterlaan wordt geen extra verkeer verwacht. Het pad wordt voornamelijk gebruikt door fietsers, voetgangers en ruiters. Daarnaast vindt sporadisch houtvervoer plaats en de ontsluiting van de drinkwaterinstallatie van Vitens. Uit de berekeningen blijkt dat gedurende de aanlegfase een toename van de stikstofdepositie van 0,08 mol N/ha/jaar in de Veluwe is berekend. De resultaatbestanden van AERIUS Calculator zijn opgenomen in bijlage 2. Conclusie stikstofberekening De aanpassing van overweg Hofstetterlaan levert op de nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden een toename van de stikstofdepositie van 0,08 mol N/ha/jaar. Omdat dit een tijdelijke toename van de depositie van maximaal 1 jaar in de aanlegfase is en de toename beneden de 0,1 mol N/ha/jaar blijft, zijn negatieve effecten op voorhand uitgesloten, geldt dat er geen vergunningsplicht mits significante effecten worden uitgesloten in een ecologische beoordeling. en is het voorgenomen plan uitvoerbaar en een vergunning Wet natuurbescherming niet nodig.
4
Conclusie
De aanpassing van overweg Hofstetterlaan levert op de nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden een toename van de stikstofdepositie van 0,08 mol N/ha/jaar. Omdat dit een tijdelijke toename van de depositie van maximaal 1 jaar in de aanlegfase is en de toename beneden de 0,1 mol N/ha/jaar blijft, zijn negatieve effecten op voorhand uitgesloten en is het voorgenomen plan uitvoerbaar en een vergunning Wet natuurbescherming niet nodig. Bovenstaande redeneerlijn is nog niet getoetst door de rechter, waardoor er een juridische onzekerheid is of deze lijn standhoudt in de rechtszaal bijeen eventueel handhavingstraject. Echter wordt op basis van bovenstaande redeneerlijn inmiddels in de praktijk door veel bevoegde gezagen, waaronder het ministerie van LNV, I&M en verschillende provincies, een Wnb-vergunning voor projecten met een dergelijke geringe tijdelijke toename niet nodig geacht. Zij geven een positieve afwijzing bij een vergunningaanvraag. Significante gevolgen door licht-, geluid en optische verstoring of effecten zijn tevens op voorhand uitgesloten. Er zijn daarom geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het plan en er is geen noodzaak tot een nadere beschouwing in de vorm van een passende beoordeling.
10 (10)