CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Memo evaluatie Huisvestingsverordening 2020.pdf

Informatiebijeenkomst sessie 1 13 december 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Kennismaking Vivare en Huurdersvereniging Velp7.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo onderwerp

Evaluatie Huisvestingsverordening 2020

aan

Adviesgroep Entree

van

Projectgroep HVV 2024

datum

20 september 2022

Inleiding De evaluatie van de huisvestingsverordening (HVV) bestaat uit diverse onderdelen. 1. -

Onderzoek woningzoekenden, corporatiemedewerkers en urgentiecommissie Vragenlijsten actieve en geholpen woningzoekenden Vragenlijst corporatiemedewerkers (en urgentiefunctionarissen) Schriftelijke reactie en gesprek urgentiecommissie

2. Data - Analyse data woningzoekenden en verhuringen 2018-2021 3. Onderzoek gemeenten - Vragenlijst gemeenten

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 1/22

1 Onderzoek woningzoekenden, corporatiemedewerkers en urgentiecommissie Enserve heeft in augustus/september een onderzoek uitgevoerd onder woningzoekenden en corporatiemedewerkers. Dit is uitgevoerd door middel van vragenlijsten via een webapplicatie. De urgentiefunctionarissen en de urgentiecommissie zijn apart benaderd. Hieronder een samenvatting van de belangrijkste resultaten en conclusies.

1.1

Algemeen Woningzoekenden 2500 woningzoekenden die actief op zoek zijn naar een woning zijn uitgenodigd voor het invullen van een vragenlijst. Dit zijn woningzoekenden die dit jaar minimaal 1 keer hebben gereageerd op een woningadvertentie op Entree. Daarnaast hebben ook de 2700 woningzoekenden, die in 2022 een huis hebben gevonden via de website van Entree, een uitnodiging ontvangen. 35,5% van de actieve woningzoekenden (887) en 22,8% geholpen woningzoekenden (616) hebben de vragenlijsten ingevuld. Dit is een hoge respons en hiermee is het een betrouwbare steekproef. We hebben ook nog een vergelijking gemaakt tussen de groep respondenten en de totale populatie actieve woningzoekenden ten aanzien van leeftijd en soort woningzoekende. Hieruit blijkt ook dat de resultaten representatief zijn voor de gehele populatie. Als we de groepen woningzoekenden met elkaar vergelijken naar leeftijd en soort woningzoekende dan valt het op dat er verschillen zijn. Bij de actieve woningzoekenden is de grootste groep, namelijk 79%, tussen de 23 – 54 jaar, terwijl dit bij de geholpen woningzoekenden 41% is. Bij de geholpen woningzoekenden is juist de groep 55 jaar en ouder het grootst met 55%. Bij de actieven zijn de groepen starters en doorstromers ongeveer gelijk, respectievelijk 43% en 36%. Bij de geholpen woningzoekenden is de groep doorstromers 46% en starters 17%.

De woningzoekenden met urgentie en indicatie zijn beide 10%. Veel actieve woningzoekenden reageren wekelijks op het woningaanbod (82%). Er wordt ongeveer evenveel op lotingwoningen als op woningen via meettijd gereageerd. De meeste actieven hebben een meettijd onder de 15 jaar (0-5 jaar 34%, 5-10 jaar 27%, 10 – 15 jaar 24%). 15% een woonduur langer dan 15 jaar.

Corporatiemedewerkers 519 medewerkers van woningcorporaties zijn uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen. Dit waren gebruikers van Entree, leden van de gebruikersgroep, adviesgroep en directeuren van de corporaties van Entree. 26% van het panel heeft de vragenlijst geheel of gedeeltelijk ingevuld. Dit zijn 134 personen. Daarvan hebben 118 personen de vragenlijst volledig beantwoord.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 2/22

Van alle corporaties hebben 1 of meerdere medewerkers de vragenlijst ingevuld (m.u.v. Huis en Hof en Vryleve). Vivare heeft de hoogste respons (26%). Vanuit de gebruikersgroep en adviesgroep hebben elk 13 leden de vragenlijst ingevuld. Vanuit de stuurgroep 3 leden. Waar mogelijk worassden de resultaten vergeleken met eerdere onderzoeken uit 2013, 2014 en 2018.

Urgentiefunctionarissen en Urgentiecommissie De urgentiefunctionarissen en urgentiecommissie zijn (ook) apart bevraagd over hun ervaringen met de regels van de huisvestingsverordening.

1.2

Behoud meettijd Woningzoekenden zijn positief over het behoud van hun meettijd bij verhuizing. 60% van de actieven vindt dit een (zeer) goede regeling. De actieven die niet positief zijn (13%), geven aan dat ze hierdoor niet kunnen verhuizen, starters of mensen met een korte meettijd geen woning kunnen vinden en het niet altijd eerlijk is. 17% van de geholpen woningzoekenden zou de aangeboden woning niet hebben geaccepteerd als ze hun meettijd waren verloren. Deze woningzoekenden geven aan dat ze eigenlijk op zoek zijn naar een andere woning, maar anders te lang moeten wachten. Het is door de regeling makkelijker om te wisselen als de woning niet bevalt. Corporatiemedewerkers Bijna de helft van de corporatiemedewerkers die hebben gereageerd zien niet dat behoud van meettijd bijdraagt aan de doorstroming. Een kwart ziet dit wel. Ze zien dat de woningzoekenden minder terughoudend zijn bij het accepteren van een woning. In 2013, 2014 en 2018 is de vraag gesteld: ‘Woningzoekenden mogen hun meettijd behouden bij een verhuizing. Wat vind je hiervan’? In 2020 is een soortgelijke vraag gesteld ‘vind je dat behoud meettijd moet blijven bestaan?’ 2013

2014

2018

2022

Slecht (nee)

7%

6%

12%

26%

Neutraal (weet ik niet)

18%

20%

18%

22%

Goed (ja)

74%

74%

70%

53%

Uit bovenstaande blijkt dat corporatiemedewerkers in de loop van de jaren mogelijk minder positief zijn over het behoud van meettijd, maar meer dan de helft van de corporatiemedewerkers vindt nu ook dat het wel moet blijven bestaan. Redenen om het niet te behouden zijn: te weinig kansen voor starters, mensen met een lange meettijd kunnen snel verhuizen, ongelijkheid of oneerlijke verdeling en uitschrijven is beter. Redenen om het juist wel te behouden zijn: verhuizen is gemakkelijker, op den duur meer doorstroming en verandering van regelgeving is niet wenselijk. 25% van de corporatiemedewerkers heeft bij beide vragen in dit onderzoek ingevuld dat ze het niet weten. Het lijken hiermee lastige vragen te zijn om te beantwoorden.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 3/22

1.3

Loting 75% van de actieven vindt het (zeer) goed dat woningen worden verloot. 9% is minder positief. De belangrijkste reden is dat ze het niet eerlijk vinden en dat woningen alleen via meettijd moeten worden verdeeld. Corporatiemedewerkers De corporatiemedewerkers is gevraagd of het percentage loting van 15% moet veranderen. Deze vraag is in 2014 en 2018 ook gesteld. Hieronder worden de antwoorden vergeleken. 2014

2018

2022

15% is te weinig (meer woningen verloten)

34%

24%

42%

Neutraal (gelijk blijven)

58%

70%

44%

15% is te veel (minder woningen verloten)

9%

6%

4%

Weet ik niet

11%

Hieruit blijkt dat corporatiemedewerkers in 2022 meer woningen willen verloten. Uit de toelichting blijkt dat dit vooral heeft te maken met meer kansen creëren voor starters, jongeren en mensen met een korte meettijd.

1.4

Sancties niet reageren uitnodiging bezichtiging woning 61% van de actieven vindt het (zeer) goed dat deze sanctie bestaat, maar 20% is ook neutraal en 16% vindt het (zeer) slecht. Zij zijn van mening dat het niet reageren ook kan komen door persoonlijke omstandigheden of dat het wordt vergeten. Ook worden andere straffen geopperd, zoals 3 weken of een maand, en dat je moet kunnen weigeren als je dat wilt. Een woningzoekende reageert als volgt ‘Omdat het eigenlijk ook geen grote moeite is om door te gaan naar de volgende bij geen reactie. Daarnaast misschien heeft diegene die dan 2 maanden niet mag reageren wel dringend een huisje nodig’. Corporatiemedewerkers Corporatiemedewerkers zijn positief over deze regeling. 62% vindt dat dit op deze manier moet blijven werken. 23% vindt dat het nog strenger mag, vooral om de woningzoekende bewust te maken dat het reageren op woningen niet vrijblijvend is en dat corporatiemedewerkers niet onnodig naar een bezichtiging komen. Slechts 11% vindt dat het minder streng mag worden gemaakt, met name omdat niet altijd de e-mail wordt ontvangen door de woningzoekende en er ook onvoorziene omstandigheden zijn waardoor de woningzoekende niet kan reageren.

1.5

Maatwerk Voor meer dan de helft van de corporatiemedewerkers is het helder wat er onder maatwerk valt. 39% vindt dit soms lastig. Dit zijn dus 4 van de 10 medewerkers. De corporatiemedewerkers is gevraagd of het percentage maatwerk van 20% moet veranderen. In 2018 is deze ook gesteld (De huisvestingsverordening biedt mogelijkheden tot 20% maatwerk als het gaat om bijzondere toewijzingen. Is deze 20% toereikend?).

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 4/22

2018

2022

20% is te weinig (meer maatwerk)

15%

18%

Neutraal (gelijk blijven)

68%

46%

20% is te veel (minder maatwerk)

17%

9%

Weet ik niet

26%

Het percentage van 20% maatwerk moet volgens bijna de helft van de medewerkers gelijk blijven. De percentages met 2018 zijn lastig te vergelijken, omdat er in 2018 geen aparte mogelijkheid was voor ‘weet ik niet’, dus waarschijnlijk hebben die mensen toen ‘neutraal’ gekozen. In 2018 en in 2022 lijkt wel de roep om meer maatwerk ongeveer hetzelfde te zijn. In 2022 wordt o.a. aangegeven dat meer maatwerk wenselijk is om lokale problemen te verhelpen en om passender toe te wijzen.

1.6

Indicaties Gemiddeld is 1/3 van de corporatiemedewerkers positief over de werking van de indicaties. Alleen de uitgifte door de gemeente scoort met 20% slechter. Het labelen van woningen scoort met 49% het best. Wat vind je van de Wat vind je van de Wat vind je van het werking van de uitgifte van de labelen van woningen? indicaties? indicaties door de gemeente(n)? Zeer slecht 2% 2% 0% Slecht 13% 18% 10% Neutraal 34% 32% 26% Goed 28% 26% 40% Zeer goed 4% 1% 9% Weet ik niet 19% 21% 15% Verbeterpunten rondom indicaties zijn meer eenduidig en duidelijk beleid van de gemeenten, de eisen waar indicatiewoningen aan moeten voldoen verruimen, in de indicatie vermelden waar de woning aan moet voldoen en een einddatum vastleggen bij de indicatie.

1.7

Urgenties De corporatiemedewerkers geven veelal neutraal als antwoord op de vragen rondom urgenties (gemiddeld 29%). Ook is een groot gedeelte niet bekend met de diverse urgenties (gemiddeld 32%). Met name urgentie tijdelijke opvang scoort hierop hoog met 45%. De urgentieregeling uitgevoerd door de urgentiecommissie wordt het meest positief beoordeeld (46%). De mantelzorgurgentie scoort het slechtst met respectievelijk 23% en 27% (zeer) slecht.

Zeer slecht Slecht Neutraal

Wat vind je van de regels / werkwijze rondom mantelzorgurgentie? 3% 20% 28%

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

Wat vind je van de uitgifte van mantelzorgurgenties door de gemeente(n)? 7% 20% 29%

pagina 5/22

Goed Zeer goed Weet ik niet

21% 0% 28%

11% 0% 33%

Verbeterpunten vanuit de corporaties worden vooral gegeven op de werkwijze rondom mantelzorgurgentie, zoals betere toetsing door de gemeente, meer consistentie in hun besluiten en de regels duidelijker. Wat vind je van de regels/ werkwijze rondom urgentie tijdelijke opvang? Zeer slecht Slecht Neutraal Goed Zeer goed Weet ik niet

0% 5% 32% 15% 3% 45%

Wat vind je van de urgentieregeling uitgevoerd door de urgentiecommissie? 0% 2% 32% 43% 3% 21%

De volgende onderwerpen zijn door de urgentiecommissie aangegeven voor de evaluatie van het urgentiebeleid: - Urgentie aanvragen in relatie tot het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). De urgentiecommissie wil bij de besluitvorming de belangen van het kind/ kinderen voldoende zorgvuldig meewegen en wil dit graag op laten nemen in de huisvestingsverordening; - De urgentiecommissie wil graag ter overweging meegeven om een zelfredzaamheidsgrens voor eigen vermogen toe te voegen, naast de grenzen voor meettijd en inkomen; - De urgentiecommissie wil graag ook een evaluatie van de werking van de bezwarenprocedure door de gemeente Arnhem; - De urgentiecommissie wil graag ook een evaluatie van de procedure woningweigering en verlenging bij mantelzorgurgentie (mz) en urgentie tijdelijke opvang (uto). Verder toelichting van deze punten is terug te vinden in bijlage 1. Er volgt in oktober een verdiepend gesprek met de urgentiecommissie hierover. De urgentiefunctionarissen zijn ook gevraagd om feedback te geven op het urgentiebeleid. Dit wordt nog toegevoegd.

1.8

Groepen voorrang Bijna de helft van de actieven woningzoekenden (49%) geeft de groep ‘mensen met een verbroken relatie die kinderen hebben’ aan. Ook de andere groepen scoren hoog met percentages tussen de 30% en 38%. Vluchtelingen met een status en mensen die mantelzorg krijgen of geven scoren het laagst met respectievelijk 15% en 22%. Een andere groepen die volgens de actieven voorrang mogen krijgen zijn starters, jongeren en net afgestudeerden. Corporatiemedewerkers Bij corporatiemedewerkers is dit beeld net wat anders. Het hoogst scoort de groep ‘senioren die een huurwoning van een corporatie in de regio’ achterlaten (58%). Het laagst scoren de groepen dak- en thuislozen en mensen die mantelzorg krijgen of geven met respectievelijk 26% en 27%. Corporatiemedewerkers geven aan dat de groepen starters, jongeren en woningzoekenden met een korte meettijd meer aandacht zouden moeten krijgen.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 6/22

1.9

Waarden De actieve woningzoekenden zijn gevraagd om de volgende waarden te scoren: ‘Een woningzoekende moet zelf kunnen kiezen in welke plaats of gemeente hij/zij wil wonen’ scoort gemiddeld een 8,8. ‘Een woningzoekende moet zelf kunnen kiezen in wat voor soort woning hij/zij wil wonen’ scoort gemiddeld een 7,8. De reacties bij de toelichting zijn divers, maar over onderwerpen als vrije keuze en passendheid van de woning wordt verschillend gedacht (een alleenstaande wel of niet in een eengezinswoning en een jongere woningzoekende wel of niet in een seniorenwoning mag). Corporatiemedewerkers De corporatiemedewerkers is gevraagd om de volgende waarden te scoren: ‘Elke woningzoekende moet zelf kunnen kiezen waar hij/zij wil wonen’ scoort gemiddeld een 7,1. ‘De regels in de regio zijn rechtvaardig’ scoort gemiddeld een 6,4. ‘De regels in de regio zijn transparant voor woningzoekenden’ scoort gemiddeld een 6,3.

1.10 Bekendheid met de regels woningzoekenden De woningzoekenden zijn hierover verdeeld. 47% van de actieven en 58% van de geholpen woningzoekenden geeft aan de regels goed te kennen. Echter geeft ook ongeveer 1/3 van de woningzoekenden neutraal aan (33% actief en 29% geholpen). Slechts 13% van de actieven en 8% van de geholpen woningzoekenden heeft slecht aangegeven. Hieruit kunnen we concluderen dat de meeste woningzoekenden van mening zijn dat de ze regels kennen.

1.11 Ingewikkeldheid regelgeving woningzoekenden Ook hier is verdeeldheid onder de woningzoekenden. 38% van de actieven en 48% van de geholpen woningzoekenden vindt de regels gemakkelijk. Echter geeft ook ongeveer 1/3 van de woningzoekenden neutraal aan (36% actief en 31% geholpen). Hieruit kunnen we concluderen dat de regels voor de meeste woningzoekenden niet erg ingewikkeld zijn.

1.12 Uitvoering regels door corporaties De corporatiemedewerkers hebben ook vragen beantwoord of ze de regels goed kunnen uitvoeren, of ze de regels goed kunnen uitleggen en of ze veel vragen krijgen van woningzoekenden en huurders over de regels. In 2018 is een soortgelijke vraag gesteld die deze drie vragen omvat. Hieronder de vergelijking. Vragen woningzoekenden

2018

2022

Ik krijg veel vragen van woningzoekenden over de uitvoering of uitleg van de regels (ja) Geen, het is allemaal helder (nee)

53%

55%

24%

38%

Geen mening / niet van toepassing (weet ik niet)

15%

8%

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 7/22

Uitvoering of uitleg regels Ik heb geen problemen in de uitvoering of uitleg van de regels. Ik heb problemen met de uitvoering of de uitleg van de regels Weet ik niet

2018

9% 15%

2022 63% (uitvoering) 62% (uitleg) 13% (uitvoering) 26% (uitleg) 24% (uitvoering) 11% (uitleg)

Ruim de helft van de corporatiemedewerkers vindt dat er veel vragen van woningzoekenden zijn over de regels. Meer dan 60% van de corporatiemedewerkers vindt de regels goed uit te voeren en goed uit te leggen. Eventuele problemen hiermee hebben vooral te maken met de complexiteit van de regels, waaronder het huidige systeem van meettijd (en de overgangsregeling uit het verleden). De corporatiemedewerkers geven aan dat de vragen van woningzoekenden vooral gaan over het systeem van meettijd, urgentie en wachttijden.

1.13 Tevredenheid verdeling woningen De actieven geven een gemiddelde score van een 5,2 en de geholpen woningzoekenden een 6,8. Eerdere onderzoeken onderschrijven dit verschil van ongeveer 1,5 punt. De actieven hebben nog geen woning gevonden en zijn daardoor vaak ook minder positief over de verdeling van woningen.

1.14 Tips verbeteren regelgeving Hieronder een overzicht van de onderwerpen die de actieve woningzoekenden hebben genoemd bij de tips:

Van de 822 respondenten die deze vraag is gesteld hebben 34 respondenten aangegeven dat ze voorstellen hebben voor andere manieren van toewijzing. Denk aan reacties als bijvoorbeeld invoeren van gewogen loting, betere verdeling van de voorrang en mensen die vaak reageren belonen.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 8/22

En van de geholpen woningzoekenden:

Van de 580 respondenten die deze vraag is gesteld hebben 112 respondenten een reactie gegeven. De antwoorden zijn heel divers. Corporatiemedewerkers Hieronder een overzicht van de tips (op onderwerp) van de corporatiemedewerkers die hebben gereageerd. Er zijn weinig tips gegeven. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat corporatiemedewerkers over het algemeen tevreden zijn en/of op andere vragen al hun aandachtspunten hebben gegeven.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 9/22

2 Data In dit hoofdstuk worden data gepresenteerd die zicht geven op de resultaten van de huisvestingsverordening over de periode 2018 – 2021. De jaren 2018 en 2019 vielen onder de voorgaande verordening, 2020 en 2021 onder de huidige verordening. Omdat deze verordeningen vrijwel geheel met elkaar overeenkomen zijn alleen waar dat van belang is opmerkingen toegevoegd.

2.1

Reacties 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

Actief woningzoekenden

47.843

51.880

56.112

60.882

127%

reacties Totaal

957.594

1.117.317

1.281.561

1.470.192

154%

Het aantal actief woningzoekenden is in deze periode van vier jaar met 27% gestegen. Het totale aantal reacties is in deze vier jaar met ruim 50% toegenomen. Een actief woningzoekende is iemand die in de desbetreffende periode ten minste een keer op een woningadvertentie heeft gereageerd.

2.1.1

Reacties naar klantsoort 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

1. Doorstromer

405.737

462.894

519.438

571.320

141%

2. Starter

472.472

562.363

660.769

789.056

167%

3. Herstarter

75.248

87.577

95.912

104.332

139%

4. Soc./med. urgentie

1.384

1.507

2.645

2.703

195%

5. Levensloopgeschikt

1.749

1.594

1.692

1.575

90%

Een grote toename doet zich voor bij de groep starters, die ook verreweg het grootste is. Opvallend is ook dat de reacties van woningzoekenden met een sociale of medische urgentie hebben bijna verdubbeld is. Het aantal reacties op levensloop geschikte woningen neemt iets af.

2.1.2

Reacties naar inkomen* 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

1. tot minimum inkomen

538.311

601.630

682.984

765.187

142%

2. minimum - grens doelgroep

217.894

243.023

286.421

339.476

156%

3. grens doelgroep - Europagrens

186.224

255.714

293.474

334.079

179%

4. Europagrens en meer

15.165

16.950

18.682

31.450

207%

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 10/22

Alle inkomensgroepen reageren vaker op een woning. Opvallend is dat de groepen met een inkomen boven de huurtoeslaggrens (3 en 4) het sterkst gestegen zijn. De algemene regel is: Hoe hoger het inkomen hoe sterker de stijging van het aantal reacties. Deze ontwikkeling wordt ongetwijfeld veroorzaakt door het feit dat deze groepen steeds minder mogelijkheden hebben een koopwoningen of een huurwoning in de vrije sector te verkrijgen door de sterk gestegen prijzen.

2.1.3

Reacties naar leeftijd 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

1. t/m 22 jaar

91.030

108.050

133.361

154.314

170%

2. 23 t/m 27 jaar

281.393

303.960

341.604

391.164

139%

3. 28 t/m 54 jaar

511.166

615.501

703.367

810.502

159%

4. 55 t/m 74 jaar

67.711

82.363

95.227

105.261

155%

5. 75 jaar en ouder

6.294

7.443

8.002

8.951

142%

De toename van het aantal reacties naar leeftijd laat een beperkte spreiding rond het gemiddelde zien. Alleen de groep t/m 22 jaar laat een sterke toename zien. Dit zullen vooral starters zijn. Ruim de helft van de reacties komt uit de leeftijdscategorie 28 t/m 54 jaar.

2.1.4

Reacties naar huishoudgrootte 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

1 persoon

631.800

727.579

849.872

995.272

158%

2 personen

186.499

220.252

238.951

263.430

141%

3 personen

83.149

98.725

112.462

120.932

145%

4 personen

36.687

44.490

50.203

57.703

157%

5 en meer personen

19.459

26.271

30.073

32.855

169%

Ook hier is sprake van een beperkte spreiding rond het gemiddelde. Opvallend is de toename van het aantal reacties van huishoudens van 5 en meer personen. Overigens moet opgemerkt worden dat 1 persoonshuishoudens in 2021 inmiddels 68% van alle reacties opleveren.

2.2

Verhuurde woningen

Totaal

2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

6.138

6.352

5.665

6.046

99%

Het aantal verhuurde woningen is in 2021 vrijwel gelijk aan dat in 2018. In 2020, het eerste coronajaar zijn er duidelijk minder woningen verhuurd.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 11/22

2.2.1

Verhuurde woningen naar model Woningen worden op in hoofdlijnen op drie manieren verhuurd aan een woningzoekende. De meeste woningen worden geadverteerd op www.entree.nu . Het grootste deel van deze geadverteerde woningen worden verhuurd op basis van de meettijd van de woningzoekenden die op deze advertentie reageren. Een ander deel wordt verloot waarbij iedereen die op deze advertentie heeft gereageerd een gelijke kans maakt. Tot slot wordt een deel van de woningen niet geadverteerd maar direct toegewezen aan een woningzoekende. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om statushouders en personen die uit een instelling komen. 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

Directe bemiddeling

1130

1209

1074

1301

115%

Loting

828

861

854

794

96%

Meettijd

4031

4175

3661

3866

96%

Van de woningen die geadverteerd en op basis van loting verhuurd worden gaat 72% naar een starter. Doorstromers krijgen 22% van de woningen die op deze wijze verhuurd worden.

2.2.2

Verhuurde woningen naar huurprijs** 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

4.419

4.698

4.283

4.546

103%

2. tussen 1e en 2e aftoppingsgrens

810

745

631

666

82%

3. tussen 2e aftoppingsgrens en huurtoeslaggrens

767

757

616

716

93%

4. boven huurtoeslaggrens

142

152

135

118

83%

1. t/m 1e aftoppingsgrens

Uitgesplitst naar huurprijsklasse zijn er met name wat minder “duurdere” woningen verhuurd. Van alle verhuurde woningen in 2021 had 75% een prijs onder eerste aftoppingsgrens.

2.2.3

Naar woningtype 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

Benedenwoning

322

305

267

265

82%

Bovenwoning

225

175

215

197

88%

Eengezinswoning

2.401

2.400

2.145

2.129

89%

Flatwoning met lift

1.852

2.000

1.766

2.115

114%

Flatwoning zonder lift

1.017

1.076

992

1.047

103%

De meest verhuurde woningen zijn eengezinswoningen en flatwoningen met een lift. Flatwoningen vertonen een toename van het aantal verhuringen, de andere woningtypen worden iets minder vaak verhuurd.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 12/22

2.3

Slagingspercentages

Totaal

2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

12,8

12,1

10,3

9,9

77%

Het percentage woningzoekenden dat er in geslaagd is een woning te huren neemt in deze periode aanzienlijk af. Dat is ook logisch omdat dit percentage bepaald wordt door twee componenten; het aantal verhuurde woningen / aantal actief woningzoekenden. Eerder is geconstateerd dat het aantal woningzoekenden sterk is gestegen (+27%). Omdat het aantal verhuurde woningen vrijwel gelijk is gebleven betekent dit automatisch dat de kans om een woning te huren kleiner is geworden. Overigens is het goed hier op te merken dat woonruimteverdeling daar weinig aan kan veranderen: “Verdeling lost de schaarste niet op”. Het is goed om te beseffen dat het gaat om het percentage woningzoekenden dat woont in de desbetreffende gemeente en ook daadwerkelijk daar een woning kreeg in die gemeente of in een gemeente elders in de woningmarktregio Arnhem-Nijmegen. Onderstaande tabel laat de slagingspercentages zien voor de inwoners van een bepaalde gemeente.

2.3.1

Slagingspercentage per woningzoekende die woont in: Gemeente

actieven

verhuringen

slagingspercentage

Arnhem

14.396

1.518

10,54 %

Berg en Dal

1.494

208

13,92 %

Beuningen

1.120

157

14,02 %

Doesburg

644

96

14,91 %

Druten

653

70

10,72 %

Duiven

975

140

14,36 %

Heumen

607

60

9,88 %

Lingewaard

1.602

212

13,23 %

Montferland

1.091

121

11,09 %

Nijmegen

14.978

1.678

11,20 %

Overbetuwe

1.391

116

8,34 %

Renkum

1.112

143

12,86 %

Rheden

2.237

251

11,22 %

Rozendaal

10

0

0,00 %

Westervoort

715

101

14,13 %

Wijchen

1.712

184

10,75 %

Zevenaar

1.726

218

12,63%

De tabel laat maar beperkte verschillen zien in het percentage woningzoekenden per gemeente.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 13/22

2.3.2

Slagingspercentage naar klantsoort 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

8,5

7,9

6,2

6,2

73%

Doorstromer

12,8

12,6

10,5

10,6

83%

Urgenten

86,1

88,2

87,3

88,2

102%

Starter

De slaagkans van starters is beduidend lager dan die van doorstromers en is ook sterker afgenomen. Dit is logisch aangezien we al eerder constateerden dat starters veel vaker zijn gaan reageren op woningen. Overigens is het goed nogmaals op te merken dat doorstromers niet de concurrenten zijn van starters, elke doorstromer laat immers na verhuizing weer een woning achter. Ook is het goed stil te staan bij de positie van urgent woningzoekenden. Hun slagingspercentage ligt uiteraard zeer hoog omdat ze bij de meeste woning voorrang krijgen op gewone woningzoekenden. Ondanks een bijna verdubbeling van het aantal reacties van woningzoekenden met een sociale of medische urgentie, lukt het hen goed een woning te verkrijgen.

2.3.3

Slagingspercentage naar inkomen* 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

tot minimum inkomen

12,7

11,9

10

9,7

76%

minimum - grens doelgroep

10,8

10,6

8,5

8,5

79%

grens doelgroep - Europagrens

10,5

9,9

7,7

7,8

74%

Europagrens en meer

7,6

8,3

7,6

6,7

88%

Voor alle inkomensgroepen is er sprake van een daling van de kans op een woning. Opvallend is dat het slagingspercentage voor de laagste inkomensgroep het hoogste is. Omdat er steeds meer woningzoekenden komen met een inkomen boven de huurtoeslaggrens (doelgroep) is in 2020 de huur-inkomenstabel enigszins aangepast zodat ook deze groep kans houdt op een woning.

2.3.4

Slagingspercentage naar leeftijd 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

t/m 22 jaar

6,1

6,2

5,1

4,5

74%

23 t/m 27 jaar

6,3

6

5,2

5,1

81%

28 t/m 54 jaar

13,4

12,4

9,9

9,6

72%

55 t/m 74 jaar

20,9

20,1

17,8

18,5

89%

75 jaar en ouder

32,2

32,9

31,2

31,4

98%

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 14/22

Slagingspercentages nemen toe met de leeftijd. Dit is ook logisch omdat je naar mate je ouder wordt een langere meettijd hebt. De kans op een woning voor ouderen is vrijwel stabiel maar neemt voor de andere leeftijdsgroepen af.

2.3.5

Slagingspercentage naar huishoudgrootte 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

1 persoon

11,65

11,13

9,19

9,23

79%

2 personen

11,95

12,09

10.07

10,48

88%

3 personen

15,70

13,54

10,80

9,34

59%

4 personen

11,57

11,96

10,31

8,53

74%

5 en meer personen

10,09

11,07

8,49

6,94

69%

De verschillen tussen de diverse groepen zijn beperkt. Dat is opvallend gezien de grote aantallen eenpersoonshuishoudens. Ook opvallend is dat huishoudens van drie personen in eerste instantie een duidelijk hogere kans op een woning hadden maar na een relatief sterke afname van het slagingspercentage nu in de buurt van het gemiddelde komen.

2.4

Meettijd in jaren

2.4.1

Meettijd naar klantsoort 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

Doorstromer

19,57

20,06

21,44

22,33

114%

Starter

7,72

8,06

7,94

8,25

107%

Herstarter

16,30

16,17

17,65

18,00

110%

Doorstromers hebben een beduidend langere meettijd als ze een woning gaan huren dan starters. Herstarters hebben ook een langere meettijd. Voor alle groepen geldt dat hun meettijd ongeveer gelijk toeneemt.

2.4.2

Meettijd naar inkomen* 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

tot minimum inkomen

13,66

14,27

14,76

15,52

114%

minimum - grens doelgroep

18,26

18,32

18,45

19,31

106%

grens doelgroep - Europagrens

16,44

17,25

18,88

19,62

119%

Europagrens en meer

15,32

15,15

16,95

18,24

119%

Ook als we kijken naar de verschillende inkomensgroepen dan zien we dat meettijd waarmee een woning wordt verkregen toeneemt. De verschillen tussen de inkomensgroepen zijn beperkt wat logisch is omdat inkomen vrijwel geen rol speelt bij de rangorde bepaling. Opvallend is dat de laagste inkomensgroepen de kortste meettijd hebben. Dit kan samenhangen met het feit dat de meeste verhuurde woningen een prijs hebben onder de 1e aftoppingsgrens.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 15/22

2.4.3

Meettijd naar leeftijd 2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

t/m 22 jaar

1,84

2,11

2,20

2,33

127%

23 t/m 27 jaar

5,17

4,87

4,92

5,62

109%

28 t/m 54 jaar

13,39

13,98

14,74

15,17

113%

55 t/m 74 jaar

21,97

22,24

23,64

23,58

107%

75 jaar en ouder

35,58

36,54

36,98

37,66

106%

Tussen de diverse leeftijdsgroepen bestaan grote verschillen in de meettijd waarmee een woning wordt verkregen. Dit is logisch aangezien de opgebouwde meettijd direct samenhangt met de leeftijd. Wel neemt de gemiddelde meettijd van de jongste groep woningzoekenden het snelste toe.

2.5

Zoektijd in jaren Klantsoort

2018

2019

2020

2021

2021 t.o.v. 2018

Doorstromer

1,19

1,30

1,29

1,38

116%

Starter

1,48

1,60

1,72

1,77

120%

Herstarter

0,72

0,90

0,81

1,00

139%

Zoektijd is de periode die verlopen is tussen het moment dat een woning wordt gehuurd en de eerste reactie op een woning. Voorwaarde is dat er geen periode van meer dan een jaar waarin niet gereageerd is. De zoektijd is relatief het sterkste toegenomen bij herstarters maar deze is nog wel ruim het laagst bij de drie onderscheiden groepen. Dit kan verklaard worden uit het feit dat deze groep een lange meettijd heeft maar wel vaak op korte termijn een woning nodig heeft. Het gaat in de praktijk vaak om situaties waar relatieverbreking een rol speelt. Deze groep woningzoekenden zou zonder deze regeling waarschijnlijk anders vaak een beroep doen op de urgentieregeling.

2.6

Voorrang urgenten In de huidige huisvestingsverordening is vastgelegd dat corporaties een deel van hun woningen mogen adverteren waarbij urgenten geen voorrang krijgen. 2018

2019

2020

2021

Advertentie geen voorrang

1.369 (32%)

1.319 (31%

1.468 (40%)

1.321 (40%)

Advertentie wel voorrang

2.929 (68%)

2.925 (69%)

2.209 (60%)

2.324 (60%)

N.B.1: niet meegenomen zijn: Boven de liberalisatiegrens, Indicatiewoningen en lotingwoningen. N.B.2: Ondanks het grote aantal woningen waarbij urgenten geen voorrang hebben levert dit geen te lage kans op een woning op.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 16/22

N.B.3. In 2018 en 2019 mocht 20% uitgesloten worden, in 2020 en 2021 was het 30%.

2.7

Verhuisbewegingen Binnen eigen gemeente

Uit andere gemeente WMR Arnhem Nijmegen

Naar andere gemeente WMR Arnhem Nijmegen

Saldo verhuizingen binnen de regio

Van buiten de WMR Arnhem Nijmegen

Arnhem

4677

1327

1643

-316

664

Berg en Dal

546

404

336

68

108

Beuningen

228

282

320

-38

56

Doesburg

251

184

126

58

74

Druten

177

128

125

3

50

Duiven

265

354

316

38

85

Heumen

93

151

175

-24

43

Lingewaard

408

257

347

-90

57

Montferland

426

290

141

149

171

Nijmegen

5221

1256

1320

-64

733

Overbetuwe

250

273

286

-13

63

Renkum

364

234

239

-5

122

Rheden

617

570

438

132

207

Westervoort

115

220

626

-406

43

Wijchen

450

366

478

-112

124

Zevenaar

552

452

376

76

108

Eindtotaal

14640

6753

9461

-2708

2708

Deze tabel laat de verhuisbewegingen binnen de woningmarktregio Arnhem Nijmegen zien, evenals de verhuisstroom van buiten de regio naar de regio. De paars gemarkeerde cijfers laten de gemeenten zien met een negatief migratiesaldo. Dat wil zeggen dat er meer woningzoekenden vanuit die gemeenten naar de andere regiogemeenten zijn vertrokken, dan dat er vanuit een regio gemeente naar de desbetreffende gemeente is verhuisd.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 17/22

Door cijfers in een langer termijn perspectief te plaatsen kunnen we zicht krijgen op de structurele ontwikkelingen op dit gebied. In de volgende tabel staat het percentage woningzoekenden dat een woning heeft gehuurd op basis van de herkomst gemeente. WMR Arnhem Nijmegen

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Eigen gemeente

68%

65%

55%

63%

62%

61%

61%

60%

57%

Regio gemeente

21%

24%

23%

24%

27%

28%

28%

30%

31%

Rest Nederland

11%

11%

12%

13%

11%

11%

11%

10%

12%

Wat opvalt is dat er sprake is van een toenemende regionalisering binnen de woningmarktregio Arnhem Nijmegen. Het percentage woningzoekenden dat een woning vindt in de eigen gemeente is nog steeds het hoogst maar is wel met ruim 10% afgenomen. Verhuizingen binnen de regio vinden steeds vaker plaats (+10%). Het aandeel woningzoekenden van buiten de regio is vrijwel constant. Helaas zijn er geen gegevens beschikbaar van verhuizingen vanuit de regio naar de andere gemeenten van Nederland zodat daarvoor geen migratiesaldo kan worden bepaald. * Inkomensgrenzen: Hier zijn geen bedragen opgenomen omdat deze jaarlijks wijzigen. In onderstaande tabel zijn de geldende bedragen per jaar opgenomen. 2018 Groep Minimum Grens doelgroep EU-grens 1 persoon <= AOW

€ 15.925

€ 22.400

€ 36.798

1 persoon > AOW

€ 17.325

€ 22.375

€ 36.798

Meer personen <= AOW

€ 20.600

€ 30.400

€ 36.798

Meer personen > AOW

€ 23.200

€ 30.400

€ 36.798

2019 Groep

Minimum

Grens doelgroep

EU-grens

1 persoon <= AOW

€ 16.300

€ 22.700

€ 38.035

1 persoon > AOW

€ 17.875

€ 22.675

€ 38.035

Meer personen <= AOW

€ 21.000

€ 30.825

€ 38.035

Meer personen > AOW

€ 23.900

€ 30.825

€ 38.035

2020 Groep

Minimum

Grens doelgroep

EU-grens

1 persoon <= AOW

€ 16.650

€ 23.225

€ 39.055

1 persoon > AOW

€ 18.350

€ 23.175

€ 39.055

Meer personen <= AOW

€ 21.575

€ 31.550

€ 39.055

Meer personen > AOW

€ 24.475

€ 31.45

€ 39.055

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 18/22

2021 Groep

Minimum

Grens doelgroep

EU-grens

1 persoon <= AOW

€ 16.950

€ 23.725

€ 40.024

1 persoon > AOW

€ 18.775

€ 23.650

€ 40.024

Meer personen <= AOW

€ 22.000

€ 32.200

€ 40.024

Meer personen > AOW

€ 25.025

€ 32.075

€ 40.024

** Huurprijsgrenzen: Ook de huurprijsgrenzen worden elk jaar opnieuw door de rijksoverheid vastgesteld. In de onderstaande tabel zijn de bedragen per jaar opgenomen. 2018 2019 2020 2021 Tot 1e aftoppingsgrens € 597,30 € 607,46 € 619,01 € 633,25 Tussen 1e en 2e € 640,14 € 651,03 € 663,40 € 678,66 aftoppingsgrens Huurtoeslaggrens € 710,68 € 720,42 € 737,14 € 752,33

3 Onderzoek gemeenten De resultaten van de vragenlijst aan gemeenten volgt nog.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 19/22

Bijlage 1 Terugkoppeling Urgentiecommissie 1. Urgentie aanvragen in relatie tot het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) Het kunnen beschikken over huisvesting is voor kinderen een belangrijke basis om veilig op te kunnen groeien. Als er sprake is van huisvestingsproblemen in de thuissituatie, heeft dat in veel gevallen (nadelige) gevolgen voor kinderen. Dat speelt bij o.a. relatieverbrekingen en situaties waarin er sprake is van een niet adequate woning als gevolg van psychische of medische problematiek van ouders. Het gaat dan om situaties zoals bijvoorbeeld: - Te kleine woning, weinig bewegingsruimte met gevolgen voor ontwikkeling van kinderen - Geen vaste woon of verblijfplaats leidt tot gevoel van onveiligheid - Inwoning waardoor opvoedrelatie met ouders onder druk komt te staan Veel urgentieaanvragen hebben betrekking op gezinssituaties.

In de beoordeling van de urgentieaanvraag hanteert de commissie 3 criteria: - Is er sprake van een woonnoodsituatie die binnen 4 maanden moet worden opgelost? - Is er sprake van eigen verantwoordelijkheid in het ontstaan van de woonnoodsituatie - Is de aanvrager zelfredzaam: kan hij zij het woonprobleem zelf oplossen (voldoende inkomen, voldoende meettijd, door middel van onzelfstandige woonruimte) In 2018 is er na een afwijzing van een urgentie aanvraag in de regio Arnhem-Nijmegen (ook na bezwaar) door de voorzieningenrechter het volgende gesteld: Artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) heeft volgens vaste jurisprudentie rechtstreekse werking. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat dit artikel in zoverre ertoe strekt, dat bij alle maartregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat dit artikel 3 geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst, of het bestuursorgaan (i.c.

burgemeester en wethouders van Arnhem) zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter. De voorzieningenrechter is van mening dat burgemeester en wethouders van Arnhem in geheel geen rekening hebben gehouden met de belangen van het kind. Naar aanleiding van deze uitspraak probeert de (urgentiecommissie, hierna te noemen ucw) vanaf dat moment in haar besluitvorming het belang van de kinderen zo goed als mogelijk mee te nemen in de motivatie van het genomen besluit. Dit kan betekenen dat de commissie van oordeel is dat: - De woonnoodsituatie zwaarder weegt dan de eigenverantwoordelijkheid en we de zogenaamde hardheidsclausule van toepassing laten zijn. Het belang/welzijn van de betrokken kinderen is dan een aspect in de weging van de zwaarte van de woonnoodsituatie Of - De commissie is van oordeel dat de eigenverantwoordelijkheid dominant is en we de weging van de woonnoodsituatie dan als volgt toelichten:

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 20/22

Bij de afwijzing van uw aanvraag is de urgentiecommissie er van uitgegaan dat u de belangen van uw kind/ kinderen mee hebt laten wegen in de beslissingen die u heeft genomen en die geleid hebben tot uw huidige woonsituatie. Omdat de commissie er niet van overtuigd is dat we op bovengenoemde manier de belangen van kinderen voldoende zorgvuldig mee wegen, hebben we ons verder verdiept in het IVRK en in dat kader hebben we ook het onderzoek “Ongehoord” dat de kinderombudsman heeft uitgevoerd bestudeerd. Artikel 27 IVRK zegt: De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind. 1 De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

2 De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting. 3 De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen. De ucw is ervan doordrongen dat een zorgvuldige en consistente beoordeling van urgentieaanvragen op basis van de Huisvestingsverordening regio Arnhem-Nijmegen van groot belang is. De krapte op de woningmarkt onderstreept dit belang meer en meer.

Bij het al dan niet toekennen/afwijzen van urgentieaanvragen moet er een goede afweging van verschillende belangen plaatsvinden. Uit het onderzoek dat de Kinderombudsman uitvoerde blijkt dat de belangen van kinderen bij huisvestingsproblemen heel vaak onderbelicht of zelfs helemaal niet meegenomen worden. Naar aanleiding van bovenstaande heeft de ucw drie vragen: 1. Op welke manier kan het perspectief van de kinderen zelf bij urgentieaanvragen (beter) in kaart gebracht worden? 2. Op basis van welke criteria kan de ucw de zwaarte van het belang van het kind/de kinderen wegen? 3. Op welke manier gaat de ucw de weging van belangen verwoorden in de besluiten van de ucw 2. Eigen vermogen en zelfredzaamheid De urgentiecommissie ontvangt met enige regelmaat urgentieaanvragen waarbij het inkomen onder de vastgestelde inkomensgrens uitkomt, maar er een groot bedrag aan eigen vermogen is. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij relatieverbrekingen waarbij de eigen woning verkocht wordt en er een aanzienlijk bedrag aan eigen vermogen is. Het gaat dan soms om bedragen tussen de €100.000 en € 250.000. In hoeverre is eigen vermogen een grond om een urgentieaanvraag af te wijzen en zo ja bij welk bedrag aan eigen vermogen is dit redelijk zeker ook gelet op mogelijke eisen die particuliere verhuurders en/of hypotheekverstrekkers stellen.

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 21/22

De meettijd (zelfredzaamheid bij inschrijftijd) en de grens benodigd inkomen (financiële zelfredzaamheid) worden jaarlijks door Enserve geïndexeerd. De ucw wil graag ter overweging meegeven daar een bedrag aan eigen vermogen aan toe te voegen waarboven een urgentieaanvrager geacht wordt zijn probleem zelf op te kunnen lossen d.m.v. dit eigen vermogen (mogelijk een combinatie met inkomen).

3. Evaluatie bezwarenprocedure gemeente Arnhem Met de inwerkingtreding van de huisvestingsverordening van 2016 is ervoor gekozen om de bezwaarprocedure te beleggen bij de gemeente Arnhem als contactgemeente voor de gehele regio Arnhem-Nijmegen en de beroepscommissie woonruimteverdeling op te heffen. De urgentiecommissie vraagt zich af of de afhandeling van bezwaarschriften op besluiten van de urgentiecommissie door de gemeente Arnhem het beoogde effect heeft en-of deze al eens geëvalueerd is? Wellicht vooruitlopend op een dergelijke evaluatie wil de urgentiecommissie de volgende punten aangeven: - Voor de urgentiecommissie is het onduidelijk hoe de bezwaarprocedure verloopt, hoe dit proces is georganiseerd: is er een hoorzitting, wordt er gewerkt met een commissie? - De urgentiecommissie mist jaarcijfers en heeft geen zicht op het aantal besluiten en de verdeling gegrond/ongegrond, rechtbankbesluiten en mogelijke besluiten in hoger beroep. - In een aantal situaties hebben we vast kunnen stellen dat door de gemeente Arnhem in bezwaar aanvullende voorwaarden worden gesteld (verplicht tot hulpverlening) ondanks dat de HVO/het reglement van de ucw daarin niet voorziet en waardoor er feitelijk in strijd met de HVO wordt gehandeld. Overig / bijzondere categorieën: 4. Evaluatie procedure mantelzorgurgentie (mz) en urgentie tijdelijke opvang (uto) -

-

Er is een werkdocument bijzondere categorieën opgesteld. Hierin zijn lopende de huidige HVO nog onderwerpen toegevoegd waarin eerder nog niet was voorzien: de procedure woningweigering en de procedure verlenging. Uitgangspunt was/is zoveel mogelijk de werkwijze noodurgenties zoals in de HVO vastgelegd hierin te volgen. Advies is om in het werkdocument aan te geven wanneer een verlengingsaanvraag mantelzorgurgentie of urgentie tijdelijke opvang ingediend moet worden namelijk in de laatste maand waarin de urgentie geldig is. Bij de reguliere (noodurgentie) is dit vastgelegd in het reglement van de commissie, maar deze is niet van toepassing op de mz urgentie en de urgentie tijdelijke opvang. Enserve voert in beide gevallen enkel de urgenties in en stuurt een bevestiging daarvan naar de woningzoekende en de corporatie. We gaan ervan uit dat beide procedures geëvalueerd worden bij de gemeenten en de corporaties die de aanvragen opstellen en beoordelen?

23 augustus 2022 Rietje Compiet, coördinerend voorzitter urgentiecommissie Inge de Regt, specialist urgentiedienstverlening Enserve

Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020

pagina 22/22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=3b7775c9-f525-443d-9e44-900b2a3b82fa