Bijlage 1 - Regionale Adaptatie Strategie Veluwezoom DEF sept 2021
Tekst van het document
2021 - 2026 WERKREGIO VELUWEZOOM
PAGINA
1
REGIONALE ADAPTATIESTRATEGIE
PAGINA
2
SAMENVATTING 4 INLEIDING KLIMAATVERANDERING
7
Klimaatadaptatie en klimaatmitigatie Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie
7 9
WAT IS EEN REGIONALE ADAPTATIESTRATEGIE
?
WAT IS DE KLIMAATSTRESSTEST 10 DE THEMA’S 11 Hitte 11 Wateroverlast 12 Droogte 13 Waterveiligheid 14
DE OPGAVEN BINNEN DE WERKREGIO VELUWEZOOM
17
Hitte 17 Luchttemperatuur versus gevoelstemperatuur 17 Gemeente Arnhem 17 Gemeente Rheden 19 Gemeente Rozendaal 20 Wateroverlast 21 Gemeente Arnhem 22 Gemeente Rheden 24 Gemeente Rozendaal 27
Droogte 29 Afname kwaliteit oppervlaktewater 30 Toename bosbranden 31 Aantasting groen 31 Ziektes en plagen 32 Bodemdaling 32 Waterveiligheid 33
CONCLUSIES UIT DE STRESSTESTEN
37
SAMENWERKEN IN DE WERKREGIO
39
Hitte 37 Wateroverlast 37 Droogte 37 Waterveiligheid 37
BIJLAGEN 42
PAGINA
3
INHOUDSOPGAVE
De belangrijkste thema’s om Nederland klimaatadaptief te maken zijn Wateroverlast, Hitte, Droogte en Waterveiligheid. Ter ondersteuning heeft het DPRA 7 stappen geformuleerd, ook wel ambities genoemd. Het is een nationale opgave waarbij draagvlak in de samenleving een voorwaarde is. Een uitzondering is het thema Waterveiligheid, het voldoende beschermd zijn tegen overstromingen vanuit de grote rivieren of de zee. Omdat waterveiligheid niet per gemeente, waterschap of provincie kan en mag verschillen, heeft het Rijk hiervoor de normen opgesteld. Voor de andere thema’s is een lokale aanpak gewenst omdat het vaak gaat om maatregelen op dorps- of wijkniveau; soms zijn (boven)regionale maatregelen nodig. Uiteindelijk is gekozen om de uitvoering bij werkregio’s neer te leggen. De samenstelling en invulling van de werkregio’s is vrijgelaten en kan in de tijd ook aangepast worden. Uiteindelijk zijn 42 werkregio’s gevormd, waaronder de werkregio Veluwezoom. Uiteindelijk is de ambitie om Nederland in 2050 klimaatadaptief te laten zijn. De belangrijkste ambities daarin zijn: • het in beeld brengen van de kwetsbaarheid van ons land voor de gevolgen van de klimaatverandering; • het aangaan van een risicodialoog met inwoners, bedrijven en instellingen; • en het reguleren en borgen van het beleid.
In het bestuursakkoord Ruimtelijke Adaptatie uit 2018 is overeengekomen dat deze drie ambities in 2020 moeten zijn doorlopen en uiterlijk elke 6 jaar worden herhaald. De werkregio Veluwezoom is een samenwerking tussen de gemeenten Arnhem, Rheden en Rozendaal, de waterschappen Rijn en IJssel en Rivierenland en de provincie Gelderland. Het belangrijkste kenmerk van de werkregio is het landschap: het grote hoogteverschil (de gradiënt) dat gevormd wordt door de overgang van de Veluwe naar de rivieren IJssel en Neder-Rijn. Omdat deze gradiënt niet eindigt bij Arnhem, willen we als werkregio ook zeker kijken hoe we (op onderwerpen) kunnen samenwerken met onze buren. Zo kijken we samen met de gemeenten Renkum, Rhenen en Wageningen of het interessant is om op bepaalde thema’s samen te werken. Deze gemeenten hebben grote landschappelijke overeenkomsten met het gebied van de werkregio Veluwezoom. Daarmee vertonen enkele klimaatopgaven grote overeenkomsten in problematiek en mogelijk in aanpak. De werkregio Veluwezoom wordt gekenmerkt door de natuurlijke onderlegger, de menselijke invulling is door de tijd heen sterk verschillend. Zo is Rozendaal een kleine groene kern die grotendeels wordt omgeven door de natuur van de Veluwe. De gemeente Rheden kenmerkt zich door meerdere kernen waarvan de meesten verspreid liggen langs de overgang van de Veluwe naar de IJssel.
En Arnhem is de hoogstedelijke stad op het splitsingspunt van die Neder-Rijn en IJssel en gelegen aan weerszijden van de Neder-Rijn. Daarmee is het zuidelijke stadsdeel van Arnhem landschappelijk, geografisch als hydrologisch afwijkend van de andere delen van de werkregio. Teneinde de opgaven voor Arnhem-Zuid te kunnen aanpakken werken we daarom nauw samen met de partners in de werkregio Klimaatadaptatief Rivierenland (KAR).
PAGINA
Klimaatadaptatie is al geruime tijd een onderwerp dat op de agenda staat. Het is wel een onderwerp dat gegroeid is van een kleine groep professionals tot een mainstream onderwerp: begonnen met de Deltacommissie in 2008 (de commissie Veerman) tot de hittegolven en wolkbreuken in het dagelijkse journaal. Na 2008 hebben verschillende ministeries in samenwerking met de lagere overheden en kennisinstellingen de bouwstenen gelegd voor de drie belangrijk besluiten, de zogenoemde Deltabeslissingen: Waterveiligheid, Zoetwater en Ruimtelijke Adaptatie. Deze Deltabeslissingen zijn in september 2014 door het parlement vastgesteld. Langs deze Deltabeslissingen zijn gelijknamige programma’s opgezet, één daarvan is het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Verder is ook het Verdrag van Parijs (2015) belangrijk, niet alleen omdat het heeft bijgedragen in het vergroten van onze bewustwording dat het klimaat om ons heen verandert. Hoewel het verdrag voor het grootste deel gaat over het verminderen van de oorzaak van de klimaatverandering, een klein deel gaat ook over het aanpassen aan de komende klimaatverandering; de adaptatie. Onder meer Nederland en de Europese Unie hebben het Verdrag van Parijs geratificeerd en moeten het nu ook gaan uitvoeren.
4
SAMENVATTING
De werkregio Veluwezoom
Zoals gezegd is de Werkregio Veluwezoom één van de 42 werkregio’s die in de afgelopen jaren is gevormd. De werkregio bestaat uit de gemeenten Arnhem, Rheden en Rozendaal, het waterschap Rijn en IJssel, het waterschap Rivierenland en de provincie Gelderland. De keuze om de werkregio op deze manier vorm te geven is vooral ingegeven door het landschap. Dat landschap creëert dan ook specifieke opgaven als het gaat om klimaatadaptatie. De grootste opgave komt voort uit het gegeven dat het overgrote deel van het bebouwde gebied gelegen is op de helling van het Veluwemassief. Bij zware regenbuien stromen grote hoeveelheden water met forse snelheden naar beneden en zorgen daar, maar ook al onderweg, voor schade en overlast. Een andere overeenkomst is dat het buitengebied in hoofdzaak bestaat uit natuurgebied (bossen en heide) en dat wateraanvoer naar het grootste deel van het werkgebied niet mogelijk is. Hoewel dit enkele grote overeenkomsten zijn in de werkregio, uniek is de werkregio Veluwezoom daar niet in. Zo heeft een zuidelijk rand van de werkregio Platform Water Vallei en Eem dezelfde kenmerken. Voor die opgaven heeft het dan ook de voorkeur om samen te gaan werken met de betreffende partijen uit die werkregio.
In ieder geval voor Waterveiligheid en waterkwaliteit geldt dat voor het gedeelte Arnhem-Zuid eenzelfde afweging speelt met partijen in de Betuwe die vallen binnen de werkregio Klimaat Actief Rivierenland. De werkregio’s zijn dan wel gedefinieerd, dat wil niet zeggen dat samenwerking met (delen van) andere werkregio’s niet mogelijk is. Als de opgave het vraagt, dan zullen we zoeken naar de beste aanpak.
PAGINA
5
Klimaatadaptief handelen is in de werkregio Veluwezoom op verschillende momenten begonnen en vaak is de aanleiding een weersgebeurtenis van uitzonderlijke omvang; in veel gevallen extreme regenval. De eerste maatregelen en beleidsuitgangspunten zijn dan ook vaak in het waterdomein genomen. Door het Bestuursakkoord Ruimtelijke Adaptatie zijn vervolgens per gemeente de andere thema’s aanvullend onderzocht. Hoewel gemeenten vaak de trekker zijn geweest van deze onderzoeken, zijn de waterschappen vaak nauw betrokken geweest bij deze onderzoeken en processen. We kunnen dan ook stellen dat in de werkregio Veluwzoom een redelijk tot goed inzicht heeft in de kwetsbaarheid en dat al belangrijke stappen zijn gezet als het gaat om Wateroverlast, Hitte en Droogte, maar ook al in de uitvoering van maatregelen. In deze Regionale Adaptatiestrategie, kortweg RAS genoemd, beschrijven we hoe we gezamenlijk de klimaatadaptieve opgaven in de aankomende jaren tot aan 2026 gaan oppakken. In de werkregio Veluwezoom zijn drie afspraken gemaakt die belangrijk zijn voor deze Regionale Adaptatiestrategie: • we doen geen nieuw onderzoek voor de werkregio naar de kwetsbaarheid (stresstest), maar bundelen de onderzoeken die al zijn uitgevoerd; • we stellen geen groots uitvoeringplan op. We doen lokaal wat lokaal geregeld kan en moet worden.
Daar waar een overstijgende aanpak binnen de werkregio dan wel daarbuiten (aangrenzende werkregio’s) gewenst is, dat pakken we als de werkregio op; • we delen de kennis en ervaringen binnen de werkregio maar ook naar partijen daarbuiten.
PAGINA
6
In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) hebben de samenwerkende overheden (Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten) afgesproken dat uiterlijk eind 2019 alle overheden een stresstest hebben uitgevoerd. Het doel van deze test is om inzichtelijk te krijgen waar de risico’s in de leefomgeving liggen door de verandering in het klimaat. In een ruimere context is het DP(RA) een uitwerking van de Nationale KlimaatAdaptatieStrategie, de NAS, die op zich weer een antwoord is op de oproep van de Europese Commissie voor het opstellen van een nationale klimaatstrategie. Bijlage I, afkomstig uit de NAS, geeft de relaties en effecten weer voor klimaatverandering in een negental sectoren. Het NAS heeft daarmee een veel grotere reikwijdte dan het DPRA, dat vooral een zwaartepunt heeft in het waterdomein. De combinatie van NAS en DPRA (respectievelijk vastgesteld in 2016 en 2017) is de basis geworden voor de inzet om Nederland klimaatadaptief te maken. En in zekere mate sturend voor de verschillende overheden in Nederland. In beide plannen spelen 2 jaartallen een grote rol, namelijk 2050 en 2100. Het jaar 2100 is het verste jaartal in beide plannen en is vermoedelijk gekozen als de maximaal te beredeneren tijdsspanne.
Het jaar 2050 wordt gezien als het jaar dat alle maatregelen genomen moeten zijn zodat Nederland een ‘klimaatbestendig en waterrobuust’ rustige tweede helft van deze eeuw gaat krijgen en alleen onvoorziene effecten hoeft de pareren. Het geeft iedereen ook genoeg tijd om maatregelen maximaal mee te koppelen met reguliere werkzaamheden om zo de kosten zo laag mogelijk te houden. Daarom is bepaald dat in 2020 alle overheden inzichtelijk moeten hebben hoe kwetsbaar ze zijn voor de klimaateffecten: de stresstest. Toch zal klimaatadaptatie uiteindelijk een forse investering vragen van de overheden en daarmee van iedereen. Daar speelt ook mee dat het ook moeilijk is te bepalen of Nederland of je stad ‘klimaatbestendig en waterrobuust’ is. Harde normen zijn niet voor alle consequenties van de klimaatverandering aanwezig en benoemd. In de klimaatscenario’s van het KNMI, waarop de klimaatveranderingen zijn gebaseerd, worden deze jaartallen ook gehanteerd.
Klimaatadaptatie en klimaatmitigatie
Voor het opvangen van de klimaatverandering zijn twee sporen noodzakelijk, de klimaatadaptatie en de klimaatmitigatie. In de NAS zijn deze begrippen als volgt gedefinieerd: • Mitigatie is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen om ervoor te zorgen dat de temperatuurstijging beperkt blijft. Tijdens de klimaatconferentie in Parijs (2015) zijn emissiedoelstellingen voor de lange termijn geformuleerd, met als doel de opwarming van de aarde te beperken tot ruim beneden 2 graden ten opzichte van het pre-industriële niveau, met 1,5 graad als streefwaarde. De verwachting is dat met deze toename de grootste klimaatrisico’s kunnen worden voorkomen. (In de afgelopen jaren is de temperatuurstijging de grens van 1 °C. gepasseerd.) • Hoewel het Verdrag van Parijs vooral gaat over de noodzakelijke energietransitie, in het Verdrag is ook aandacht voor klimaatadaptatie. Bij klimaatadaptatie gaat het om het verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering, het verkleinen van de uiteindelijke effecten en het benutten van de kansen die een veranderend klimaat biedt. Daarbij is het noodzakelijk om maatregelen op het juiste moment en de juiste plaats uit te voeren. Voor dit spoor is in de gemeente Arnhem in januari 2021 de Strategie Klimaatadpatatie tot 2030 vastgesteld onder de titel “Groen, Slim en Samen”.
De Gemeente Rheden werkt vanuit de ‘Agenda Ruimtelijke Klimaatadaptatie’ een verdere aanpak uit via ‘Groenblauwe Structuur als raamwerk’ en ‘Wijkagenda’s’.
PAGINA
De aanpak van klimaatverandering is al geruime tijd een onderwerp dat op de agenda van onze nationale overheid staat. De belangrijkste impuls is het rapport van de Deltacommissie in 2008 geweest; de commissie Veerman. In de jaren daarna hebben de verschillende ministeries in samenwerking met de lagere overheden en kennisinstellingen de bouwstenen gelegd voor de drie Deltabeslissingen: Waterveiligheid, Zoetwater en Ruimtelijke Adaptatie. In september 2014 zijn deze Deltabeslissingen (Deltaprogramma 2015) door het parlement vastgesteld. Belangrijk is ook het Verdrag van Parijs (2015) omdat het heeft bijgedragen in het vergroten van onze bewustwording dat het klimaat. Maar het verdrag is ook belangrijk omdat onder andere Nederland en de Europese Unie het verdrag hebben geratificeerd en het nu ook moeten uitvoeren.
7
INLEIDING KLIMAATVERANDERING
Adaptatie en mitigatie vullen elkaar aan en het is noodzakelijk om beide onderdelen aan te pakken, waarbij sommige maatregelen ook beide processen ondersteunen. Een voorbeeld hiervan is het zodanig inrichten van steden dat de energievraag verlaagd wordt en de hittebestendigheid toeneemt (synergie). Voorkomen moet worden dat een oplossing voor één onderdeel, het andere onderdeel verder bemoeilijkt. Waar we zeker rekening mee moeten houden is dat de effecten van klimaatverandering nog lang voelbaar zullen zijn, ook nadat de emissies sterk gereduceerd zijn. De Regionale AdaptatieStrategie gaat alleen over Klimaatadaptatie.
Het boek: An Inconvenient Truth uit 2006!
PAGINA
8
Hoe minder goed de wereld erin slaagt om de emissie van broeikasgassen te beperken, hoe meer de temperatuur op aarde zal stijgen en hoe groter de noodzaak zal zijn tot adaptatie.
Het doel van vooral het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is het klimaatadaptief maken van Nederland. Als een soort handleiding zijn daarvoor in het DPRA 7 ambities benoemd voor 4 thema’s: Wateroverlast, Hitte, Droogte en Waterveiligheid. De 7 ambities zijn vastgelegd met als doel om een waterrobuust en klimaatbestendige inrichting van Nederland te realiseren. Om de ambities te kunnen bereiken was al heel snel duidelijk dat de uitvoering van het programma niet met een paar regels van bovenaf kon worden opgelegd. Om klimaatadaptatie te laten slagen is iedereen nodig en dus is draagvlak in de samenleving een voorwaarde. Het gaat dan om maatregelen op dorps- of wijkniveau. Aan de andere kant zijn soms (boven)regionale maatregelen nodig. Uiteindelijk is gekozen om de uitvoering bij de zogenaamde werkregio’s neer te leggen. De samenstelling en invulling van de werkregio’s is vrijgelaten. En ook is het aan de werkregio’s om te bepalen welke normen zij willen hanteren. Uiteindelijk zijn nu 45 werkregio’s gevormd waaronder de werkregio Veluwezoom. De werkregio’s zijn dus tamelijk vrij in het bepalen van hun ambities. Een uitzondering op de lokale invulling van ambities wordt gevormd door het thema Waterveiligheid, het voldoende hoog en sterk zijn van dijken en kades om overstromingen te voorkomen.
Omdat waterveiligheid niet per gemeente, waterschap of provincie kan en mag verschillen, heeft het Rijk hiervoor nieuwe normen opgesteld. Het is vervolgens aan de waterschappen om te kijken in hoeverre de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen. Omdat het klimaat relatief snel verandert en daarmee ook de opgaven waar we voor komen te staan, is het een utopie dat we nu al zeker weten dat de huidige indeling van werkregio’s ook de meeste geschikte indeling voor de situatie over enkele jaren. Veel van de veranderingen waar we nu van uit gaan, zijn gebaseerd op de klimaatscenario’s van het KNMI uit 2014. Het weer in de paar afgelopen jaren lijkt echter sneller te veranderen dan in deze scenario’s was berekend en ook de maximale stijging van 1½ tot 2 graden temperatuurstijging waar in Parijs voor is getekend, die lijkt ondertussen zeer moeilijk haalbaar. De verwachting is dat het KNMI in 2021 of ‘22 met nieuwe klimaatscenario’s komt. Het kan dan goed zijn dat in de (nabije) toekomst blijkt dat een andere samenstelling van de werkregio’s beter aansluit bij de opgaven die dan spelen. Die flexibiliteit is mogelijk! Daarom is het ook goed dat alle overheden afspraken hebben gemaakt over doelen en de tijdsmomenten dat die moeten zijn bereikt. Uiteindelijk moet Nederland in 2050 klimaatadaptief zijn.
De belangrijkste ambities zijn: • het in beeld brengen van de kwetsbaarheid voor de gevolgen van klimaatverandering; • het aangaan van een risicodialoog met inwoners, bedrijven en instellingen; • en het reguleren en borgen van het beleid. In het bestuursakkoord Ruimtelijke Adaptatie uit 2018 is overeengekomen dat deze drie ambities in 2020 moeten zijn doorlopen en uiterlijk elke 6 jaar worden herhaald.
PAGINA
9
Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie
Kaders
De stresstest bestaat dus uit de vier verplichte thema’s. De invulling van 3 thema’s is niet vast omschreven, het thema Waterveiligheid wel. Door het niet hard vastleggen van de kaders geeft de regering organisaties de ruimte om eigen ervaringen, geografische, meteorologische en lokale kenmerken toe te voegen aan de thema’s. Dat is belangrijk omdat niet alle aspecten binnen een thema overal relevant zijn. Voor bijvoorbeeld het thema Droogte is het verlagen van het grondwaterpeil en de gevolgen voor de fundering van gebouwen een groot probleem in West-Nederland, terwijl dit op de hoge zandgronden van Zuid- en Oost-Nederland niet of nauwelijks speelt. Daar speelt het niet kunnen aanvoeren van water bij langdurige droogte een veel grotere rol. Verder hebben de verschillende overheden verschillende taken en verantwoordelijkheden waardoor het weinig zinvol is om standaard voorwaarden op te nemen. Het is aan de organisaties zelf om te bepalen aan welke normen zij haar verantwoordelijkheid wil toetsen. En daarmee de ambitie die zij koestert.
PAGINA
Klimaatadaptatie is een opgave voor iedereen; overheid, bedrijven, instellingen en inwoners. Het is dan ook van belang om de (lokale) opgaven met elkaar te delen. Om dat enigszins te gestructureerd en uniform te doen, heeft de regering in het Deltaprogramma een stresstest ingevoerd. De stresstest moet minimaal elke 6 jaar herhaald worden en bestaat uit 4 thema’s: 1) Wateroverlast (neerslag) 2) Hitte 3) Droogte 4) Waterveiligheid (overstroming) In het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie (2018) tussen Rijk en de koepels is deze afspraak bekrachtigd.
10
WAT IS DE KLIMAATSTRESSTEST
Hitte
Uit de KNMI’14 scenario’s blijkt dat niet alleen de gemiddelde temperatuur stijgt, maar dat ook de hitte-extremen toenemen. Maar waardoor neemt hitte toe? Opwarming van de aarde De broeikasgassen in de atmosfeer houden de warmtestraling van de zon vast en zorgen voor een ‘natuurlijk’ broeikaseffect Zonder dit effect zou de gemiddelde temperatuur op aarde 33 graden lager liggen. Door diverse activiteiten van de mens, zoals de verbranding van fossiele brandstoffen en ontbossing, komen er meer broeikasgassen (waaronder CO2, CH4, O3, H2) in de atmosfeer terecht. Dit versterkt het broeikaseffect en zorgt voor de opwarming van de aarde. Hitte-eilandeffect In de steden, en in dorpen in mindere mate, wordt het doorgaans warmer dan in het omliggende buitengebied doordat steden meer warmte vasthouden. Dit wordt het stedelijk hitte-eilandeffect genoemd. Door veranderingen in onze verstedelijking (meer bebouwd oppervlak, dichtere bebouwing en toenemende ‘verstening’ in de bebouwde kom) neemt het hitte-eiland effect toe.
Het ‘hitte-eilandeffect’ wordt veroorzaakt door: • absorptie van zonnestraling door (stenige) materialen • gebrek aan verdamping door weinig groen en water: een goot deel van de inkomende straling wordt omgezet in voelbare warmte • uitstoot van warmte bij menselijke activiteiten door bijvoorbeeld industrie en huishoudens ‘s Nachts is het verschil in luchttemperatuur tussen stad en platteland het grootst. Dit komt doordat de stad na zonsondergang langzamer afkoelt dan het buitengebied. Het temperatuurverschil kan oplopen tot meer dan 7 graden. De mate waarin het hitte-eilandeffect optreedt, varieert: hoe warm het ergens wordt, hangt af van de lokale ruimtelijke kenmerken. De meest bepalende factoren hierin zijn: • aandeel bebouwd oppervlak en bouwvolume. • aandeel verhard oppervlak • aandeel groen oppervlak Andere factoren die meespelen in het hitte-eilandeffect zijn de verhouding tussen gebouwhoogte en straatbreedte (in verband met de absorptie van zonnestraling), de mate van thermische uitstraling van gebouwen en andere oppervlakken naar de atmosfeer, en de mate van ventilatie in de straat. De inrichting van een straat of wijk heeft dus invloed op de lokale temperatuur: de ene wijk levert een sterker hitte-eiland-effect op dan de andere. De hittebelasting van het menselijk lichaam is eveneens sterk afhankelijk van de lokale inrichting.
Wind heeft bijvoorbeeld een positief effect op de gevoelstemperatuur tijdens zomerse dagen.
1
https://ruimtelijkeadaptatie.nl/overheden/deltaplan-ra/
2
https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/
PAGINA
In dit hoofdstuk worden de 4 thema’s van de stresstest uitgelegd en wordt een algemeen beeld geschetst van de opgave1. We maken hiervoor gebruik van De Bijsluiter, een handleiding die door het DPRA is ontwikkeld Dat wil niet zeggen dat de specifieke opgave ook (al) binnen de werkregio speelt. De kaartjes in dit hoofdstuk komen uit de KlimaatEffect Atlas2 (stand september 2020) en zijn daarom globaler dan de kaarten die specifiek voor de gemeenten in de werkregio Veluwezoom zijn gemaakt (volgende hoofdstuk).
11
DE THEMA’S
Wordt het in de toekomst warmer? Tussen 1880 en nu is de gemiddelde wereldtemperatuur met 0,9 graad gestegen. In Nederland steeg de temperatuur meer: het is sinds 1901 zo’n 1,8 graad warmer geworden. Door klimaatverandering wordt het in 2050 in Nederland 1 tot 2,3 graden warmer ten opzichte van het huidige klimaat. In 2085 kan de temperatuurstijging zelfs toenemen tot 3,7 graden Celsius.
Wateroverlast
Wateroverlast is één van de meest zichtbare thema’s van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Uit de KNMI’14 scenario’s blijkt dat de hoeveelheid jaarlijkse neerslag toeneemt, evenals de intensiteit van de buien. Hierdoor is er een grotere kans op wateroverlast. Deze pagina geeft een toelichting op het thema wateroverlast en linkt door naar andere relevante pagina’s binnen en buiten het Kennisportaal. Binnen DPRA worden drie typen wateroverlast onderscheiden: • Wateroverlast door kortdurende hevige neerslag (vaker in de zomer) • Wateroverlast door langdurige neerslag (meestal in de winter) • Grondwateroverlast De gevolgen van deze drie typen overlast variëren en zijn onder andere afhankelijk van de plaats waar de neerslag valt: in landelijk gebied of in de bebouwde omgeving, in een hellend of vlak gebied, in een (groot) watersysteem met veel of klein systeem met beperkte berging. Voor de werkregio Veluwezoom is vooral de kortdurende neerslag van belang.
Hoe ontstaat wateroverlast? Wateroverlast door kortdurende hevige neerslag Wateroverlast als gevolg van kortdurende hevige neerslag ontstaat vaak in de zomer en vooral in de bebouwde omgeving en andere verharde gebieden, zoals bedrijventerreinen en snelwegen. In verharde gebieden infiltreert niet veel water in de bodem. Het water wordt vaak via de riolering afgevoerd naar een waterzuivering of naar nabijgelegen oppervlaktewater. Wanneer er veel neerslag in een korte tijd valt, kan het zijn dat het riool de hoeveelheid toestromend water niet aankan. De traditionele riolering is in de praktijk ontworpen op een afvoercapaciteit van maximaal 20 tot 30 mm/uur. Als het harder regent, komt water op straat te staan. Als de straat onvoldoende ruimte heeft om de neerslag ter plekke te bergen, bestaat de kans dat water richting gevoelige objecten of locaties afstroomt. Wanneer water bijvoorbeeld gebouwen instroomt of belangrijke doorgangswegen onbegaanbaar maakt, is sprake van wateroverlast. De laatste jaren leidde kortdurende hevige neerslag incidenteel ook in het landelijk gebied tot overlast. Over het algemeen heeft landelijk gebied meer bergingsruimte voor water dan het stedelijk gebied. Toch valt er soms in een korte tijd zo veel regen dat het water niet snel genoeg kan infiltreren, worden geborgen of worden afgevoerd.
In dat soort situaties staan bijvoorbeeld delen van snelwegen en akkers onder water, en verzakken de taluds van wegen en spoorlijnen doordat de bodem geheel verzadigd is geraakt.
PAGINA
12
Wat zijn de gevolgen van toenemende hitte? De toenemende hitte-extremen hebben verschillende effecten. Zo leidt toenemende hitte tot gezondheidsproblemen en extra sterfte onder kwetsbare groepen, zoals ouderen en chronisch zieken. Ook kan hitte leiden tot verminderde arbeidsproductiviteit en slaapstoornissen. Een ander effect van hitte is dat materialen uitzetten. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld bruggen niet meer openen of sluiten. De bollenschema’s van de NAS geven een schematisch overzicht van de effecten van hitte in negen sectoren, zoals gezondheid, veiligheid, natuur, landbouw en infrastructuur. Ook is er een mindmap die de effecten weergeeft van hitte in de stad.
Grondwateroverlast door neerslag Het is normaal dat het grondwaterpeil stijgt als het veel regent. Het peil daalt na een regenperiode weer langzaam, doordat het grondwater verder infiltreert naar de diepe ondergrond, naar sloten stroomt, of door planten en bomen wordt opgenomen en verdampt. Ook drainagevoorzieningen zorgen voor afvoer en het beperken van de stijging. Bij zeer langdurige of hevige neerslag is het mogelijk dat de ondergrond en drainage het water niet snel genoeg kan verwerken en komt het peil te hoog te staan. Hoge grondwaterstanden kunnen dan zogenaamde natschade veroorzaken in de landbouw en natuur. Ook in stedelijk gebied kan door hoge grondwaterstanden overlast ontstaan, bijvoorbeeld bij gebouwen (natte kelders en kruipruimtes, langs muren optrekkend vocht) en door het drassig worden van tuinen. Over het algemeen is de grondwaterstand hoger in de winter en lager in de zomer. Grondwateroverlast door neerslag komt daarom vaker voor in de winter. Bij een hoge grondwaterstand is er ook sneller sprake van plasvorming aan het maaiveld en daarmee meer kans op andere vormen van wateroverlast. Grondwateroverlast kan tevens ontstaan door opwellend water (kwel) of doordat de grondwaterstand stijgt als gevolg van een hoger waterpeil op nabijgelegen rivieren. Dit zijn vooral tijdelijke vormen van grondwateroverlast.
Door klimaatverandering zal ook de hoeveelheid neerslag op de Veluwe op jaarbasis toenemen. Deze neerslag infiltreert op de meeste plekken snel naar de diepe ondergrond en vrezoorzaakt daar geen problemen. Maar voor de werkregio Veluwezoom is het vooral van belang hoe deze stijgende vooraad aan grondwater uiteindelijk als kwel weer aan de randen van de Veluwe naar boven komt: door de provincie Gelderland de grondwaterfluctuatiezone genoemd. Of deze fluctuatiezone uiteindelijk in de werkregio effect gaat hebben is nog niet te zeggen, ook omdat bijvoorbeeld de toename aan grondwaterwinningen een tegengesteld effect heeft. Als deze fluctuatiezone wel gaat optreden, dan heeft dat een permanente aanpassing, stijging, van het grondwater tot gevolg. Vooral in stedelijk gebied kan de overlast zeer lokaal zijn en veroorzaakt worden door menselijk ingrijpen, zoals de vervanging van lekkende riolen, aanleg van ondergrondse constructies die grondwaterstroming beïnvloeden of het stoppen van een grondwateronttrekking.
Droogte
De KNMI’14 scenario’s laten zien dat de neerslagpatronen veranderen. Droogte kan een bedreiging vormen voor de waterkwaliteit en waterbeschikbaarheid in ons land. Hoe ontstaat droogte? De term droogte wordt over het algemeen gebruikt voor situaties waarin problemen kunnen ontstaan door een gebrek aan water. In Nederland is sprake van een dergelijk gebrek bij een groot neerslagtekort en/of een sterke afname in de rivierafvoer en watervoorraad van meren die gebruikt worden voor watervoorziening. Er is in Nederland elke zomer sprake van een neerslagtekort, maar in sommige jaren, zoals in 1976 en 2018, loopt dit tekort sterk op en ontstaat een droogtesituatie. Het waterverbruik wordt dan aan banden gelegd en de verdeling van het beschikbare water in rivieren en meren wordt zo optimaal mogelijk verdeeld om voor de droogte te compenseren. Volledige compensatie is onder extreme omstandigheden niet mogelijk. Water kan niet overal naartoe worden gevoerd, en de watervoorraad is beperkt. Op het hoogtepunt van de droogte in 2018, in augustus en september, was er een neerslagtekort van circa 300 mm. Er moet dan veel neerslag in de herfst en winter vallen om dit tekort aan te vullen. Langdurige droogte, zoals in 2018, komt in Nederland in het huidige klimaat eens in de 30 jaar voor.
Kanttekening bij deze statistische bepaling is de jaren 2019 en 2020 qua droogte bijna vergelijkbaar zijn aan 2018.
PAGINA
13
Wateroverlast door langdurige neerslag In het landelijk gebied vormt langdurige neerslag een groter probleem dan lokale hevige neerslag. De grote hoeveelheid neerslag hoeft niet allemaal in één bui te vallen, soms gaat het om de neerslagsom van een aantal dagen. Door langdurige neerslag in grote hoeveelheden kan het watersysteem vol raken, waardoor regenwater in plassen op het land blijft staan of het land onderloopt vanuit over de rand gevulde sloten of beken. Wateroverlast door langdurige neerslag komt met name voor in de wintermaanden. De waterschappen hebben met de provincies beschermingsniveaus afgesproken die afhangen van het landgebruik (een weiland mag vaker overlast ondervinden dan hoogwaardige teelt of bebouwing).
Wordt het droger in Nederland? Uit nieuw onderzoek blijkt dat extreme droogte door klimaatverandering nu al toeneemt. Er is wel een duidelijk verschil tussen het westen en oosten van Nederland. Ook een onderzoek uit 2018 laat zien dat het waarschijnlijk droger wordt. Eerdere modelberekeningen voor droogte in het toekomstig klimaat lieten geen eenduidig beeld zien: Volgens twee van de vier KNMI’14-scenario’s zouden de zomers droger worden en de rivieren minder water aanvoeren. Volgens de andere twee scenario’s zou het iets meer gaan regenen in de zomer. Wat is de kwetsbaarheid voor droogte? Droogte kan tot problemen leiden wanneer er onvoldoende water beschikbaar is van voldoende kwaliteit voor een bepaald gebruik. Niet elke plek is even gevoelig voor de gevolgen van droogte. Er zijn bijvoorbeeld verschillen tussen hoog en laag Nederland. Hoog Nederland bestaat uit de hoge zandgronden in het oosten en zuiden van Nederland en laag Nederland bestrijkt het westelijk deel van Nederland. In hoog Nederland kan vaak geen water vanuit de rivieren worden aangevoerd. Hier zijn gebruikers volledig afhankelijk van neerslag en grondwater. Bij aanhoudende droogte zullen in hoog Nederland daarom sneller beregeningsverboden worden ingesteld en zullen beken en watergangen sneller droogvallen.
In laag Nederland kan wel water uit de rivieren en andere zoetwaterbronnen worden aangevoerd, zoals vanuit het IJsselmeer, maar kan bij onvoldoende rivierwater verzilting optreden. In het voorjaar wordt het waterpeil van verschillende wateren verhoogd, zodat er voor de gebieden in laag Nederland meer water is tijdens de droge zomermaanden.
Waterveiligheid
Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel. In de twintigste eeuw bedroeg die stijging ongeveer 20 centimeter en in de toekomst zet die stijging, mogelijk versneld, door. Ook de afvoer van rivieren stijgt als gevolg van klimaatverandering. Nederland geeft zeer hoge prioriteit aan het garanderen van de waterveiligheid. Ondanks alle kennis en inspanningen op het gebied van waterveiligheid bestaat er altijd enige kans op overstroming. Het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie richt zich op het beperken van de gevolgen van overstromingen, als aanvulling op het bewaken van de waterveiligheid. Waardoor kan het overstromingsrisico toenemen? Bij een oplopende temperatuur stijgt de zeespiegel. Dit komt door de uitzetting van zeewater, het smelten van gletsjers en kleine ijskappen en het gestaag slinken van de grote ijskappen op Groenland en Antarctica. Zee-ijs, zoals in het Noordpoolgebied, levert geen bijdrage. Nederland heeft eerder last van een zeespiegelstijging, want de bodem daalt met enkele centimeters per eeuw. Die bodemdaling wordt veroorzaakt door veenoxidatie, inklinking van de bodem en door na-ijleffecten van de laatste ijstijd. Volgens de KNMI’14-scenario’s kan de zeespiegel langs de Noordzeekust in 2050 tussen de 15 en 40 cm stijgen. In 2100 kan de stijging zelfs oplopen tot 100 cm.
Recente onderzoeken duiden er echter op dat de processen die van invloed zijn op het afsmelten van het landijs op Groenland en Antarctica, sneller verlopen dan voorheen werd aangenomen. Ook de rivierafvoer kan door klimaatverandering stijgen. Recente onderzoeken en klimaatscenario’s wijzen uit dat de afvoer van de Rijn in de winter toeneemt. Dit komt vooral door de extra neerslag en temperatuurstijging: door hogere temperatuur wordt er minder water vastgehouden in de vorm van sneeuw. Ook in het Maasstroomgebied kan de afvoer groter worden door een toename van de neerslag.
PAGINA
14
Wat zijn de gevolgen van droogte? Langdurige droogte kan uiteenlopende gevolgen hebben. Wanneer er watertekorten optreden, kan dit leiden tot schade aan landbouw, natuur maar ook het groen in de steden en dorpen. Bovendien is er onder droge omstandigheden in de zomer een grotere kans op natuurbranden. Droogte kan ook leiden tot (extra) bodemdaling. Door lage grondwaterstanden kunnen gebieden met veen en klei inklinken, met schade aan hiervoor gevoelige infrastructuur, gebouwen en funderingen tot gevolg.
Hoe kunnen we de gevolgen van een overstroming beperken? Het Nederlandse waterveiligheidsbeleid bestaat uit meerdere ‘lagen’ en wordt daarom bestempeld als ‘meerlaagsveiligheid’. Deze aanpak houdt in dat overstromingsrisico’s worden beheerst door een combinatie van waterkeringen, ruimtelijke ordening en crisisbeheersing: 1. Preventie: een overstroming zoveel mogelijk voorkomen door bijvoorbeeld dijken 2. Schadebeperking: duurzame ruimtelijke ordening 3. Betere (organisatorische) voorbereiding: evacuatieroutes en vluchtplaatsen Het Deltaplan Waterveiligheid biedt een goede bescherming. De eerste laag – voorkomen – is effectief. Er blijft echter altijd een risico bestaan. Daarom zijn ook laag twee en drie belangrijk. Een duurzame ruimtelijke ordening verkleint de kans op schade en slachtoffers door een overstroming. Er liggen vooral mogelijkheden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, herstructureringen, groot onderhoud aan infrastructuur én grote private investeringen.
PAGINA
15
Wat zijn de gevolgen van droogte? Wanneer een gebied overstroomt, kan dit grote gevolgen hebben. Overstroming kan leiden tot schade aan gebouwen en infrastructuur, slachtoffers (doden en gewonden) en maatschappelijke ontwrichting. De gevolgen worden bepaald door de overstromingsdiepte, de snelheid waarmee een gebied vol stroomt, evacuatiemogelijkheden, de economische waarde en het aantal inwoners. Door klimaatverandering neemt de kans op een overstroming toe, maar ook de gevolgen kunnen ingrijpender zijn, door hogere waterstanden. Ook ruimtelijke ontwikkelingen hebben invloed op de gevolgen van overstromingen, bijvoorbeeld doordat het aantal inwoners in een gebied met overstromingsrisico’s toeneemt en de economische waarde van het gebied stijgt. Om te voorkomen dat het overstromingsrisico toeneemt, wordt het beschermingsniveau van de dijken regelmatig herzien. Een duurzame klimaatbestendige inrichting zorgt er voor dat bijstelling van beschermingsniveaus minder snel nodig is.
Dwars door alle vier de thema’s heen is er nog het aandachtspunt dat Vitaal & Kwetsbaar (V&K) is genoemd. Het gaat hierbij om het functioneren van een dertiental functies die door het ministerie als vitaal zijn geformuleerd. Het is wenselijk om de gevoeligheid van klimaateffecten op deze functies inzichtelijk te hebben. Niet alleen als zelfstandige functie, maar ook of de functie onderdeel uitmaakt van een keten van functies. Het is dus belangrijk om te zien of de functie gevoelig is voor externe effecten in de keten en of dat de functie bij uitval een heel stel andere functies meeneemt. De aangewezen functies zijn: 1. Energiesector: elektriciteit; 2. Energiesector: aardgas; 3. Energiesector: olie; 4. Telecom/ICT: basisvoorzieningen voor communicatie t.b.v. respons bij een overstroming; 5. Telecom/ICT: publiek netwerk; 6. Waterketen: drinkwater; 7. Waterketen: afvalwater; 8. Gezondheid; 9. Keren en beheren oppervlaktewater: gemalen; 10. Transport: hoofdinfrastructuur; 11. Chemisch en Nucleair: chemie; 12. Chemisch en Nucleair: nucleair; 13. Chemisch en Nucleair: Infectueuze stoffen/ Genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s). Bij een eerste verkenning voor V&K heeft het Rijk de regie voor dit onderdeel uiteindelijk naar zich toegetrokken. Daarmee is het uit het zicht geraakt bij de lagere overheden, waardoor dit aspect bijna niet opgenomen in de uitgevoerde stresstesten.
De verwachting is dat voor de volgende ronde van de stresstesten (uiterlijk 2026) het aspect V&K ook meegenomen zal moeten worden.
Vitaal en kwetsbaar in het nieuws
PAGINA
16
Vitaal & Kwetsbaar
Hitte
Tot voor een enkele jaren geleden waren termen als hitte, hitte-eilanden of hittestress maar beperkt bekend. De hittegolf van 2003 in Parijs was een eerste alarmsignaal. Ook binnen DPRA lag de focus meer op de waterthema’s. Mede dankzij het Klimaatverbond is het onderwerp beter op tafel gekomen. De zomers van 2018, 2019 en 2020 hebben voor een ieder aangetoond dat ook Nederland kwetsbaar is voor hitte. Niet alleen binnen gebouwen worden hoge temperaturen een probleem, ook de openbare en particuliere buitenruimte is niet ingericht op het veranderende klimaat. Vooral centra en oude, dichtbebouwde wijken zijn kwetsbaar voor een sterke opwarming; de zogenoemde hitte-eilanden. Dat komt vooral door veel verharding en weinig ventilatie door windstromingen. Hoewel koele plekken voor iedereen belangrijk zijn, zeker voor mensen met een mindere gezondheid zijn die plekken van levensbelang. Buiten het hebben van koele plekken voor overdag is het ‘s nachts kunnen afkoelen van de binnen- en buitenruimtes voor iedereen belangrijk. Het massaal gebruik van airco’s koelt dan misschien wel de binnenruimtes, het probleem in de buitenruimte wordt alleen maar vergroot! En dus bij langere hittegolven zal uiteindelijk het probleem uiteindelijk ook binnen groter worden. Als de luchttemperatuur ‘s nachts boven de 20 graden blijft spreken we van tropische nachten.
Deze temperatuur wordt ook gebruikt als grens waar gezondheidsproblemen door hitte kunnen optreden omdat een zeer groot deel van de mensen minder goed kunnen slapen. Naast effecten op de gezondheid heeft het ook economische gevolgen door lagere arbeidsproductiviteit.
Luchttemperatuur versus gevoelstemperatuur De temperatuur die we meten is de luchttemperatuur. Daar veranderingen in proberen aan brengen is heel lastig omdat de temperatuur grote gebieden beslaat en moeilijk puntsgewijs is te beïnvloeden. Daar zijn grote ingrepen voor nodig. De gevoelstemperatuur daarentegen is heel goed te beïnvloeden: schaduw of stromend water als kabbelende beken of fonteinen zijn daar goede voorbeelden van.
Gemeente Arnhem Arnhem heeft in het kader van het Europese project Future Cities (2009) een hittekaart laten maken. Daarvoor zijn dag- en nachtmetingen uitgevoerd. Zoals verwacht mag worden, blijkt uit de metingen dat de meest verharde gebieden het meest gevoelig zijn voor sterke opwarming. Naast het centrum en de vooroorlogse wijken zijn dat de bedrijventerreinen en de winkelcentra. Deze laatste gebieden kernmerken zich door grote platte oppervlakken aan gebouwen omgeven door parkeerplaatsen. Gebaseerd op de hittekaart is een Hitte Attentie Kaart van gemaakt (kaart onder). Deze kaart geeft ruimtelijke adviezen hoe de opwarming van de stad is te verminderen danwel de verkoelende werking is te beschermen (zie voorbeeld hieronder voor de oranje gebieden). De Hitte Attentie Kaart is opgenomen in de Structuurvisie Arnhem 2020/2040 en maakt onderdeel uit van de nieuwe Arnhemse Klimaatstrategie. Gezien de overzichtelijkheid en bruikbaarheid, de handelingsmogelijkheden, wordt in Arnhem vaak alleen deze Hitte Attentie Kaart gebruikt. Eind 2021 zullen de Hittekaart en Hitte Attentie Kaart worden geactualiseerd.
PAGINA
In dit hoofdstuk worden de resultaten weergegeven van de uitgevoerde stresstesten die door de partijen zijn uitgevoerd. Omdat deze stresstesten voor de meest thema’s per gemeente zijn uitgevoerd, kunnen ze niet één-op-één met elkaar vergeleken worden. De thema’s Hitte en Wateroverlast worden per gemeente behandeld. In dat geval zijn de uitgangspunten per gemeente aangegeven. De opgaven voor de waterschappen en de provincie vinden hun plek in de desbetreffende gemeente. Droogte en Waterveiligheid zijn wel op regionale schaal bekeken. Per thema wordt eerst een meer specifieke beschrijving van het thema gegeven, een verdieping van de meer nationale beschrijving uit het vorige hoofdstuk. Aan het eind van dit hoofdstuk wordt gekeken geven we een aan hoe we binnen de werkregio Veluwezoom met het bewuste thema om willen gaan.
17
DE OPGAVEN BINNEN DE WERKREGIO VELUWEZOOM
Gebaseerd op de hittekaart is een Hitte Attentie Kaart van gemaakt (kaart onder). Deze kaart geeft ruimtelijke adviezen hoe de opwarming van de stad is
Voor de komende jaren wordt ingezet op het tegengaan van negatieve effecten van hitte, langdurige hittegolven, waarbij er speciale aandacht is voor kwetsbare groepen als ouderen, chronisch zieken, gehandicapten en hele jonge kinderen. Ook is de ambitie versterkt om de gebieden die bijdragen aan Voor de komendeop wordt ingezet op van het tegengaan van effecten negatieve effecten van hitte, langdurige hittegolven, waarbij er speciale is voor kwetsbareis voor ende jaren wordt ingezet het tegengaan negatieve van hitte, langdurige hittegolven, waarbij er aandacht speciale aandacht het verkoelen vanjaren de stad worden beschermd.
groepen als ouderen, chronisch zieken, gehandicapten en hele jonge kinderen. Ook is de ambitie versterkt om de gebieden die bijdragen aan het verkoelen van de stad oepen als ouderen, chronisch zieken, gehandicapten en hele jonge kinderen. Ook is de ambitie versterkt om de gebieden die bijdragen aan worden beschermd. hittekaart en hitte-attentiekaart zullen in de aankomende jaren worden vernieuwd. van de stadDeworden beschermd. De hittekaart en hitte-attentiekaart zullen in de aankomende jaren worden vernieuwd.
en hitte-attentiekaart zullen in de aankomende jaren worden vernieuwd.
heden
De Hittekaart
De Hittekaart
Gemeente Rheden
En de Hitte Attentie Kaart met rechts een handelingskaart (in dit geval voor een oranje-gebied)
En de Hitte Attentie Kaart met rechts een handelingskaart (in dit geval voor een oranje-gebied)
Voor de stresstest heeft de gemeente in 2017 kaarten laten maken voor zowel de luchttemperatuur als de gevoelstemperatuur anno nu en in 2050. Voor de luchttemperatuur zijn het de kernen van Velp, Rheden en Dieren waar nu al het hitte-eilandeffect optreedt. Voor 2050 wordt de situatie niet veel anders, behalve dat de temperaturen nog wat hoger worden en dat de opwarming in alle kernen wel voorkomt De kaarten laten een min of meer gelijke opwarming zien van het bebouwde waardoor in Rheden geen sprake is van een ‘autonome voor bepaalde locaties. En degebied, Hitte Attentie Kaart met rechts een handelingskaart (in dit hitte gevalopgave’ voor een oranje-gebied) Wordt gekeken naar de gevoelstemperatuur, dan zijn het vooral de grootste kernen, Velp en Dieren, waar de opgaven het grootste zijn. Door de omvang 19
stest heeft de gemeente in 2017 kaarten laten maken voor zowel de luchttemperatuur als de gevoelstemperatuur anno nu en in 2050. Voor eratuur zijn het de kernen van Velp, Rheden en Dieren waar nu al het hitte-eilandeffect optreedt. Voor 2050 wordt de situatie niet veel lve dat de temperaturen nog wat hoger worden en dat de opwarming in alle kernen wel voorkomt De kaarten laten een min of meer gelijke en van het bebouwde gebied, waardoor in Rheden geen sprake is van een ‘autonome hitte opgave’ voor bepaalde locaties. en naar de gevoelstemperatuur, dan zijn het vooral de grootste kernen, Velp en Dieren, waar de opgaven het grootste zijn. Door de omvang 19
PAGINA
18
p de hittekaart is een Hitte Attentie Kaart van gemaakt (kaart onder). Deze kaart geeft ruimtelijke adviezen hoe de opwarming van de stad is te verminderen danwel de verkoelende werking is te beschermen (zie voorbeeld hieronder voor de oranje gebieden). De Hitte Attentie Kaart is opgenomen en danwel de werking is2020/2040 te beschermen (zieonderdeel voorbeeld hieronder voor de oranje gebieden). De Hitte Attentie Kaart is in verkoelende de Structuurvisie Arnhem en maakt uit van de nieuwe Arnhemse Klimaatstrategie. Gezien de overzichtelijkheid enopgenomen urvisie Arnhem 2020/2040 en maakt onderdeel uit van de nieuwe Arnhemse Klimaatstrategie. Gezien de overzichtelijkheid en bruikbaarheid, de handelingsmogelijkheden, wordt in Arnhem vaak alleen deze Hitte Attentie Kaart gebruikt. Eind 2021 zullen de Hittekaart en Hitte Attentie Kaart worden geactualiseerd. d, de handelingsmogelijkheden, wordt in Arnhem vaak alleen deze Hitte Attentie Kaart gebruikt. Eind 2021 zullen de Hittekaart en Hitte t worden geactualiseerd.
Voor de stresstest heeft de gemeente in 2017 kaarten laten maken voor zowel de luchttemperatuur als de gevoelstemperatuur anno nu en in 2050. Voor de luchttemperatuur zijn het de kernen van Velp, Rheden en Dieren waar nu al het hitte-eilandeffect optreedt. Voor 2050 wordt de situatie niet veel anders, behalve dat de temperaturen nog wat hoger worden en dat de opwarming in alle kernen wel voorkomt De kaarten laten een min of meer gelijke opwarming zien van het bebouwde gebied, waardoor in Rheden geen sprake is van een ‘autonome hitte opgave’ voor bepaalde locaties. Wordt gekeken naar de gevoelstemperatuur, dan zijn het vooral de grootste kernen, Velp en Dieren, waar de opgaven het grootste zijn. Door de omvang van deze kernen is de afstand tot het buitengebied of koele plekken groter waardoor het minder invloed heeft. In alle (nieuwe) ontwerpen/ inrichtingsplannen is hitte een aandachtspunt, waarbij de kaarten als ondersteuning dienen. Daarnaast is de ambitie om de 20% minder verharding in de openbare ruimte ten opzichte van 2018 realiseren, zoals vastgelegd in het coalitieakkoord.
Verschil Gevoelstemperatuur 2050
Verschil Luchttemperatuur 2050
PAGINA
19
Gemeente Rheden
De kaartjes geven de relatieve temperatuurverschillen aan binnen de gemeente. Uit de kaartjes is op te maken dat de grootste verschillen zijn waar te nemen op de heidevelden in het natuurgebied en nabij het schoolterrein van het Rhedens. Deze terreinen koelen ‘s nachts ook wel weer af. Het bebouwde gebied van Rozendaal warmt dan wel iets minder op als de heidevelden, de warmte blijft er ook langer hangen. Een beperkt aantal woningen valt binnen de categorie relatief warm. Niet bekend is of deze verdeling is gerelateerd aan bepaalde temperaturen of dat verdeling bepaald is op waarden binnen de gemeente.
Temperatuur overdag
Temperatuur ‘s nachts
PAGINA
20
Gemeente Rozendaal
Wateroverlast is zeker geen nieuw onderwerp, maar de omvang en frequentie zijn wel toegenomen. Ten dele komt dat voort door ontwikkelingen in stedelijk en landelijk gebied, maar ook door de klimaatverandering. Daarbij is de schade en impact op de samenleving veelal groter dan vroeger en wordt het minder geaccepteerd. In Arnhem heeft vooral de regenbui van 28 juli 2014 velen laten zien hoe kwetsbaar het stedelijk gebied is speciaal op de hellingen van de Veluwe. Het heeft laten zien wat de gevolgen van zo’n extreme bui kunnen zijn. Door veel technische maatregelen in vooral de capaciteit riolering hebben we lang de problemen met wateroverlast kunnen beperken. Echter door de al intensere buien zijn we economisch gezien aan het einde gekomen wat er met techniek nog op te lossen is. Door de steeds vaker voorkomende hevige regenbuien is het noodzakelijk om ruimtelijk naar oplossingen te zoeken. De bui van 28 juli heeft daarin een alarmfunctie gehad bij zowel bewoners en gebruikers als bij de overheden. Het heeft ook geleid dat men ook meer kijkt naar wat men zelf kan doen, in plaats van het een opgave voor de overheden te beschouwen. De kwetsbaarheid voor extreme buien verschilt. Zoals te verwachten speelt de morfologie, al dan niet in combinatie met de stedelijke ontwikkeling, een grote rol in voor de kwetsbaarheid.
Belangrijke verschillen zijn te vinden in: • de sterk hellende delen van het stedelijk gebied kunnen weinig water vasthouden en bij zware buien zal het overgrote deel van de neerslag afstromen naar lager gelegen delen; • de laagst gelegen delen, de voormalige poldergronden, liggen vlak en hebben relatief veel water in op stedenbouwkundige opzet. Daarmee zijn ze minder kwetsbaar voor (relatief gezien) korte maar hevige regenbuien. Wel zijn ze gevoelig voor water dat afstroomt vanaf de hellende gebieden waardoor alsnog overlast kan ontstaan. • hoger gelegen infrastructuur als snelwegen en spoorbanen kunnen als waterkering gaan functioneren. Dit kan zowel een positief (bescherming) als negatief (blokkade) effect veroorzaken. • de keuze in rioolstelsel heeft effect op de milieuhygienische gevolgen van zware regenbuien, bijna niet op het wel of niet plaatsvinden van overlast. Vooropgesteld dat geen enkel rioolstelsel de extreme buien kan verwerken, maar bij een gescheiden stelsel zal het overstromen van het hemelwaterriool veel minder schadelijk zijn dan in het geval dat een gemengd riool overstroomt. In het laatste geval komt sterk verdund rioolwater op straat te staan en is er naast overlast door het water ook sprake van gezondheidsrisico’s.
In de stresstest is de ambitiekeuze vrijgelaten, dat wil zeggen dat elke organisaties vrij is in het kiezen van de bui die zij willen gebruiken in het bepalen van de wateroverlastopgave. Zo hanteert Arnhem de bui van 28 juli 2014 (80-130 mm. binnen 2 uur), Rheden, Rozendaal een statistische bui die eens per 100 jaar kan vallen. Veel belangrijker is om te realiseren dat een nog extremere bui altijd mogelijk is! Het klimaat verandert en waar de verandering zal stabiliseren is nog lang niet duidelijk. Daarnaast maakt de ligging van de werkregio op de rand van de Veluwe het eigenlijk ook onmogelijk om wateroverlast hoe dan ook te voorkomen. Met alle maatregelen die we gaan nemen, maken we ons gebied wel beter bestand tegen extreme buien en kunnen we schade verminderen, maar de garantie geven dat wateroverlast niet meer zal plaatsvinden, die is niet te geven. Zelfs zonder bebouwing zal bij hevige buien hemelwater de Veluwe afstromen).
PAGINA
21
Wateroverlast
Binnen Arnhem is voor de ambitie wateroverlast gekozen om als referentie de bui die op 28 juli 2014 is gevallen te gaan gebruiken. Niet alleen is dit landelijk ook één van de zwaardere buien, het is ook echt een gebeurde situatie en niet een computersimulatie. Het belangrijkste voordeel daarvan is dat het in de communicatie ook goed te gebruiken is richting bewoners, bedrijven en instellingen. Dat deze bui als ambitieniveau wordt gebruikt wil niet zeggen dat we alle effecten van zo’n bui ook kunnen opvangen. In het in 2015 door de Arnhemse gemeenteraad vastgestelde plan “Aanpak wateroverlast in Arnhem-Noord” is aangegeven dat: • Het uiteindelijke streven is dat overheden, instellingen, bedrijven en bewoners samen zorgen dat Arnhem over enkele decennia beter bestand is tegen extreme regenbuien, waardoor gevolgen en schades beperkt worden. Ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheden. • Het is belangrijk om te realiseren dat het niet realistisch is om te stellen dat Arnhem-Noord nooit meer te maken krijgt met wateroverlast. De reden daarvan zijn de grote hoogteverschillen die voortkomen uit de ligging op de Veluwerand. Deze uitgangspunten uit het Plan van Aanpak zijn opgenomen in de Arnhemse Strategie Klimaatadaptatie “Groen, Slim en Samen” onder de ambitie om schade en overlast door extreme buien zoveel mogelijk te voorkomen (pag. 13).
Op deze kaart zijn de gebieden aangegeven waar op 28 juli 2014 wateroverlast heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan zijn daarna veel gesprekken geweest met partijen in de stad en hebben wijkschouwingen plaatsgevonden. Hieruit zijn vooral door bewoners en instellingen veel nieuwe oplossingen naar voren gekomen. Dit proces, dat eigenlijk nog steeds voort gaat, is te vergelijken met voeren van de risicodialogen uit het DPRA. Uiteindelijk heeft het ook geleid tot het maken van een WaterAttentieKaart die een plek heeft gekregen in de Arnhemse klimaatstrategie. Vanaf deze kaart en andere ervaringen zijn een paar conclusies te trekken: 1) dat de vlakke poldergebieden van Arnhem-Noord (het Broek en Presikhaaf) en Arnhem-Zuid relatief weinig problemen hebben gehad bij deze zware bui; 2) dat het water dat niet ter plekke kan worden verwerkt of afgevoerd, via de noord-zuid dalen afstroomt naar de lagere, vlakkere delen en daar maar ook onderweg overlast en schade veroorzaakt 3) dat de spoordijk Arnhem -Centraal-Velp voorkomt dat water vanuit Sonsbeek het Centrum kan instromen, maar ook dat water vanaf de hoger gelegen wijken de wijk Molenbeke wel in, maar niet uit kan stromen. 4) dat Schaarsbergen (vooral het gedeelte Menthenberg) een eigen specifieke opgave heeft. (Het is de enige wijk in Arnhem-Noord die niet afstroomt richting de stad).
PAGINA
22
Gemeente Arnhem
PAGINA
23
(Hemel)wateroverlast bebouwd gebied Voor de gemeente Rheden kan wateroverlast ontstaan bij hevige regenval of overstromingen vanuit waterlopen, beken of kleine rivieren. De wateroverlast zal vooral voorkomen in de mondingsgebieden van de droogdalen in de kernen Velp, Rheden en Dieren én op niet hellend en onverhard gebied buiten de bebouwde kommen, Vergeleken met bijvoorbeeld de buurgemeente Arnhem, is het waterprobleem een stuk kleiner. De bui van juli 2014 kwamen delen van Arnhem (woningen en infra) onder water te staan, waar dit in Rheden niet het geval was (enkele locaties in Velp uitgezonderd). Per dorp is de mate van overlast verschillend. Hellend Velp lijkt meer op Arnhem dan vlak Dieren. In het algemeen kan gesteld worden dat de bebouwings- en verhardingsdichtheid in de gemeente Rheden minder groot is dan in Arnhem en dat het water meer ruimte heeft om een weg te vinden. Grondwateroverlast bebouwd gebied Grondwateroverlast speelt in beperkte mate, op een beperkt aantal locaties in de gemeente. Dit zijn reeds bekende locaties, zoals in Velp Zuid, Ellecom, Laag Soeren. Dit heeft te maken met de lage ligging van de locaties, onder aan de stuwwal. In geval van Velp en Ellecom is er tevens de invloed van de rivier.
Behalve in nieuw Velp Zuid (hier is een drainagesysteem aangelegd) zijn het geen locaties waar structurele ingrepen in de openbare ruimte te rechtvaardigen/nodig zijn. Het kader omtrent grondwater staat beschreven in het Watertakenplan Olburgen. Kwel Ten aanzien van kwel wordt er vanuit gegaan dat kwel niet significant toeneemt3. Het is momenteel moeilijk in te schatten wat de verandering van het klimaat betekent voor de grondwaterstand en de kwel langs de randen van de Veluwezoom. De klimaatscenario’s van het KNMI zijn hier niet eenduidig over. Er worden (zoals zomer 2018) langere aaneengesloten droge perioden verwacht, evenals een toename van (extreme) neerslag (jaarrond). Wanneer meer hemelwater op de Veluwe kan infiltreren, kan mogelijk de kweldruk op de randen groter worden. Gezien de huidige beperkte problematiek, is de verwachting dat rondom dit thema (kweldruk) op korte- en middellange termijn niet tot een groot probleem zal uitgroeien4. Aanpak • Vanaf circa 2005 heeft Rheden binnen (her)inrichtingsprojecten in de openbare ruimte afgekoppeld van het gemengde riool. Van de hoeveelheid op het riool aangesloten oppervlak (338 ha) is circa 25% (83 ha) afgekoppeld. Dit afgekoppelde hemelwater wordt onder andere via (diep) infiltratie en via wadi’s in de bodem geïnfiltreerd. • In 2015 is de Verordening afvoer hemelwater en grondwater vastgesteld.
Hierin is bepaald dat nieuwe bouwwerken en oppervlakken van 60m2 en groter, hun hemelwaterafvoer niet meer mogen aansluiten op het gemengde riool. Hiermee worden bouwers ‘gedwongen5 hemelwater op eigen terrein te verwerken.
3
Agenda ruimtelijke klimaatadaptatie (2016)
4
Jaarrapportage Adaptatie Rheden 2019
5
BRP 2017-2021
PAGINA
24
Gemeente Rheden
Per wateroverlast locatie zijn in het BRP maatregelen voorgesteld waarmee het risico op wateroverlast voldoende verlaagd wordt, ook voor 2050, als door klimaatverandering de kans op extreme neerslag toe gaat nemen.
•
•
Voor de periode 2018-2022 is het Watertakenplan Olburgen opgesteld waarin verschillende maatregelen geprogrammeerd staan om bestaande wateroverlast locaties aan te pakken (onder andere afkoppelen en infiltreren). In het Kostendekkingsplan zijn voor de lange termijn financiële middelen gereserveerd om uitvoering te kunnen geven aan dit thema. Tot slot heeft de gemeente in 2019 aanvullend diverse klimaatbuien doorgerekend.
De (stresstest)kaarten zijn te raadplegen via het Klimaatinformatiesysteem van de gemeente Rheden (viewer)6.
6
https://geo.rheden.nl/portal/home/
PAGINA
25
• In 2017 is het BRP geactualiseerd om inzicht te geven in het risico op wateroverlast (vanuit gemengde rioolstelsels). Met de analyse wateroverlast in het BRP is uitvoering gegeven aan de stresstest conform de DPRA. In het BRP is doorgerekend waar het risico op wateroverlast optreedt in geval van extreme buien. Om het risico op wateroverlast vast te kunnen stellen is gekozen voor een risico gestuurde benadering. De essentie van risicogestuurd beheer is het beheersen van de risico’s door het maken van keuzes die gebaseerd zijn op de gevolgen van wateroverlast. In het BRP is de risicoanalyse voor wateroverlast uitgevoerd met de Vlaamse composietbuien T=2, T=10 en T=100. Hierbij is gerekend met een wisselwerking tussen riolering, maaiveld, en oppervlaktewater. Gemeente Rheden heeft niet gekozen om aanvullend de door het DPRA aangegeven herhalingstijden T=250 en T=1000 door te rekenen, omdat dit voor ons systeem geen meerwaarde (aanvullende inzichten) biedt.
Om de risico’s op wateroverlast op middellange termijn in te perken, hanteert de gemeente Rheden de volgende strategie: • Onderscheid tussen hinder, overlast en schade en duidelijke communicatie hierover met bewoners en bedrijven; • Werken aan acceptatie van hinder, beperken van overlast en voorkomen van schade; • Risico’s verminderen, onder andere door het afkoppelen van verharde oppervlakken; • Gevolgen van ‘water-op-straat’ verminderen door het water bovengronds naar onschadelijke locaties te leiden.
PAGINA
26
Kwetsbaarhedenkaart De verschillende kwetsbaarheden van de gemeente zijn in kaart gebracht. Deze kwetsbaarhedenkaart is samengesteld door klimaatinformatie te combineren met lokale gebiedskenmerken, zoals de bodemopbouw, het water, het groen/de natuur en de infrastructuur. Gevoelige gebieden zijn de Velperwaarden (het agrarisch gebied tussen Velp en Rheden) én de Havikerwaard (het agrarisch gebied ten oosten van Dieren en Spankeren).
Gemeente Rozendaal De gemeente Rozendaal heeft in 2019 de stresstest laten uitvoeren. Net als Rheden heeft Rozendaal gekozen om een bui met een statistische herhalingstijd van eens per 100 jaar door te laten rekenen (60 mm. in 1 uur). In de berekening vallen 2 gebieden op; het dal van de Rozendaalse beek en het oude smeltwaterdal dat ongeveer de Schelmseweg en Arnhemse Allee volgt. Ook hier vormen de dalen het verzamelpunt voor het teveel aan water. Uiteindelijk stroomt het water in het dal van de Rozendaalse beek Velp in. Het water dat de Arnhemse Allee volgt, stroomt Arnhem binnen en zal via de Rosendaalseweg of de Beek op de Paasberg samen komen met afstromende neerslag in Arnhem. De resultaten en de benodigde maatregelen zijn nog niet opgenomen in een vastgesteld plan.