CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat inclusief bijlagen 2023-12-20

Raadsvergadering 27 februari 2024, gemeente RhedenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Dieren-Noord, Burgemeester Bloemersstraat' (24.03)25.789 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het Gelders Natuurnetwerk wordt gevormd door de bestaande natuurgebieden uit de voormalige Ecologische Hoofdstructuur. De gebieden in de Groene Ontwikkelingszone zijn waardevol voor de natuur maar hebben daarnaast tevens een andere functie. Veel kleinschalige cultuurlandschappen met landschapselementen zijn aangewezen als Groene Ontwikkelingszone. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening het Waardevol open gebied en het Nationaal landschap beschermd. Stikstofdepositie In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. De effectbeoordeling stikstofdepositie heeft tot doel de NOx (stikstof) en NH3 (ammoniak) emissies naar de lucht door het voornemen inzichtelijk te maken, de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen.

De effectbeoordeling stikstofdepositie wordt afgesloten met conclusies waarbij duidelijk wordt of in het kader van de Wet natuurbescherming significante effecten uitgesloten kunnen worden, dan wel een nader onderzoek nodig is (passende beoordeling).

35 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen: gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een ontheffing Wet natuurbescherming (Wnb). Daarom dient voor nieuwe plannen en projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Ook de bescherming van soorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Bij nieuwe ontwikkelingen moet onderzocht worden welke gevolgen dit heeft voor de aanwezige beschermde soorten en/of hun leefomgeving. Als een plan (in)direct kan leiden tot de verstoring van een beschermde soort of vernietiging van het leefgebied, een vaste rust- of verblijfplaats, kan het project strijdig zijn met de Wnb. Deze wet kent drie verschillende beschermingsregimes: 

Alle van nature in het wild levende vogels: de bescherming is gebaseerd op de bepalingen uit de Vogelrichtlijn;

Soorten opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn: de bescherming is gebaseerd op de bepalingen uit de Habitatrichtlijn;

Ander soorten genoemd in bijlage A van de Wnb: de bescherming van deze soorten, die veelal op de rode lijst staan, is iets minder stringent dan die van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

De provincie heeft in de Omgevingsverordening aangegeven voor welke algemeen voorkomende soorten een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen Beoordeling In 2006 heeft Loo Plan een Quickscan Flora- en Faunawet uitgevoerd met aanvullend in 2007 een nader vleermuisonderzoek. Deze onderzoeken zijn inmiddels verjaard. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming in juni 2021 een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (zie Bijlage 5 Quickscan Wet natuurbescherming). Op basis van de Quickscan kan het volgende worden geconcludeerd: Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op circa 250 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veluwe en het Gelders Natuurnetwerk. Effecten zoals trillingen, licht en geluid zijn op voorhand uitgesloten, maar een mogelijk effect door stikstofdepositie is niet op voorhand uit te sluiten. Voor het planvoornemen zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in de beoogde situatie stikstofdepositie plaatsvindt ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Deze depositie heeft mogelijk significante gevolgen voor de betreffende Natura 2000-gebied. Op 1 mei 2023 is hiertoe een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd bij de Provincie Gelderland. Voor de aanvraag wordt gebruik gemaakt van ruimte uit het stikstofregistratiesysteem (SSRS).

36 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

De Provincie Gelderland onderschrijft de conclusie en de daaraan ten grondslag liggende motivaties van de stukken zoals bij de aanvraag gevoegd. Uit de toetsing blijkt dat er naast de effecten van stikstof geen andere effecten te verwachten zijn op Natura 2000gebieden. Het ontwerpbesluit van de provincie heeft ter inzage gelegen en daarop zijn geen zienswijzen binnengekomen. De provincie is voornemens de vergunning te verlenen. Dit kan zodra er ruimte vrijkomt in het SSRS (stikstofbank). Het ligt in de rede dat de vergunning binnen de planperiode van dit bestemmingsplan verleend zal worden (Bijlage 6 Ontwerpbesluit verlenen vergunning Wnb). Houtopstanden Er is geen sprake van beschermde houtopstanden binnen de Wet natuurbescherming. Toetsing aan de verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming onderdeel bescherming houtopstanden is niet aan de orde. Soortbescherming Vleermuizen Tijdens het ecologisch onderzoek door Loo Plan in 2006 en 2007 zijn in het gebied mitigerende en foeragerende vleermuizen aangetroffen. De bomenrij rondom het projectgebied is potentieel geschikt als vliegroute voor vleermuizen, echter zijn er voldoende alternatieve vliegroutes in de directe omgeving en bij de toekomstige situatie blijft de structuur van de bomenrij behouden. Ten aanzien van vleermuizen vormt het planvoornemen derhalve geen belemmering.

Algemene broedvogels In de bomen en struiken kunnen algemene broedvogels zoals de merel, winterkoning, roodborst, houtduif, vink en de heggenmus broeden. Alle broedende vogels zijn beschermd en tijdens het broedseizoen (indicatief van maart tot half augustus) mogen deze nimmer verstoord of de nesten vernield worden. Door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kunnen overtredingen in het kader van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Indien dit niet mogelijk is, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck door een ecoloog plaats te vinden. Algemene zoogdieren Algemene zoogdieren als de egel en het konijn kunnen eventueel aangetroffen worden op het terrein. Hiermee volstaat het volgen van de algemene zorgplicht. Andere beschermde diersoorten worden niet verwacht binnen het plangebied. Conclusie Het aspect natuur/ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

37 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

4.4

Groen In februari 2020 zijn de aanwezige bomen in het plangebied geïnventariseerd (zie Bijlage 7 Boominventarisatie). Op basis van deze inventarisatie is de conditie van de bomen bepaald. Daaruit volgt welke bomen zeker, misschien of niet behouden blijven. Bij de werkzaamheden zullen er maatregelen genomen worden om de bomen al dan niet te behouden of te verwijderen. Conclusie Het uitgangspunt is dat de bomenrij langs de Burgemeester Bloemersstraat (noord- en westzijde) grotendeels behouden blijven. Dit komt voort uit het groenbeleid van de gemeente. Zie ook paragraaf 3.4.9 Groen. Bij kap zal een vergunning aangevraagd worden.

4.5

Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het noodzakelijk dat gebiedseigen water zo lang mogelijk in het gebied zelf blijft. Dit gebeurt door middel van het afkoppelen van het schone hemelwater (regen) wat op verhardingen valt. Watertoets Aan de hand van de Handreiking Watertoets is het aspect water in onderhavig plan meegenomen. Doel van het watertoetsproces is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding. In de onderstaande tabel wordt aangegeven welke waterthema's voor het bestemmingsplan relevant zijn. Thema

Toetsvraag

Relevant

Hoofdthema's Veiligheid

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of

1. Nee

regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?

2. Nee

1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?

1. Ja

Riolering en

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 2. Nee

afvalwaterketen

3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?

3. Nee

1. Is er sprake van toename van het verhard

1. Ja

oppervlak? Wateroverlast (oppervlaktewater)

2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van

2. Ja

bestaand verhard oppervlak? 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte

3. Nee

en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast 1. Is in het plangebied sprake van slecht 38 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

1. Nee

doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone

2. Nee

van de Rijn of IJssel? 3. Is in het plangebied sprake van kwel?

3. Nee

4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere 4. Nee wateren? 1. Wordt vanuit het plangebied water op

1. Nee

oppervlaktewater geloosd? Oppervlaktewater

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED

kwaliteit

water?

2. Nee

3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een 3. Nee Strategisch actiegebied? Grondwaterkwaliteit Ligt het plangebied in de beschermingszone van

Ja

een drinkwateronttrekking? Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich

1. Nee

overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij 2. Ja het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Verdroging

Bevindt het plangebied zich in of nabij

Nee

beschermingszones voor natte natuur? Natte Natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een

1. Nee

natte EVZ? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij

2. Nee

beschermingszones voor natte natuur? Inrichting en

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied

Beheer

wateren die in eigendom of beheer zijn bij het

1. Nee

waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen

2. Nee

tot doel? Aandachtsthema's Recreatie

Bevinden zich in het plangebied watergangen

Nee

en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? cultuurhistorie

Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het

Nee

plangebied aanwezig? De uitkomsten van de tabel geeft aanleiding voor de volgende toelichting: Riolering en afvalwaterketen Huishoudelijk afvalwater en hemelwater worden gescheiden gehouden. Huishoudelijk afvalwater zal aangesloten worden op het gemeentelijke, gemengde rioolstelsel.

Wateroverlast 39 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

Voor het project is een infiltratieonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw (zie Bijlage 8 Infiltratieonderzoek). Hierbij is de lokale bodemdoorlatendheid vastgesteld om de (on)mogelijkheden voor de aanleg van een infiltratievoorziening te bepalen. De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden, waarbij het hemelwater bij voorkeur ter plaatse verwerkt wordt. Om het hemelwater duurzaam te verwerken, gaat de voorkeur uit naar een (of meerdere) infiltratievoorzieningen. Het plangebied kent enig hoogteverschil, waarbij globaal de buitenranden hoger liggen dan het centrale deel. Uit aangeleverde informatie blijkt dat ter plaatse hiervan nog een verontreiniging in de bodem aanwezig is waarmee rekening gehouden dient te worden bij de aanleg van een voorziening. Het zuidelijke deel ligt op circa 18,5 m +NAP en loopt af naar het centrale deel op circa 18,1 m +NAP. Lokaal zijn er verlagingen aanwezig tot circa 17,7 m +NAP. Wateroverlast kan eenvoudig vermeden worden door het voorzien van oppervlakkige afstroom van panden weg naar een lager gelegen terreindeel of groen waar eventuele hinder beperkter is. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de verdere planuitwerking. Verder kan wateroverlast worden beperkt door vloerpeilen ruim boven de maaiveldhoogte toe te passen evenals de toepassing van groene daken.

Bij ondergronds bouwen dient extra aandacht te zijn voor de waterproblematiek op deze locatie (zie ook paragraaf 3.4.11 Klimaatadaptatie). Grondwaterkwaliteit Het plangebied ligt in het grondwaterbeschermingsgebied voor het zeer kwetsbaar drinkwaterwinningssysteem Ellecom. Voor dit gebied zijn specifiek milieuhygiënische voorwaarden opgesteld om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Infiltrerend hemelwater mag niet verontreinigd zijn en er dient gebouwd te worden met nietuitlogende en duurzame materialen. Door de voorgenomen nieuwbouw ter plaatse van woningen en de toepassing van niet-uitlogende materialen wordt vervuiling van het opgevangen hemelwater voorkomen en kan dit ter plaatse in de bodem infiltreren. Echter, de gemeente Rheden geeft de voorkeur aan bovengrondse en zichtbare infiltratievoorzieningen, omdat het plangebied in het grondwaterbeschermingsgebied is gelegen en de gemeente graag zicht wil houden op water de grond in gaat. Binnen het plangebied blijkt de toplaag van circa 50 tot 90 cm dikte te bestaan uit een zwak siltig, zwak humeuse, matige fijne zandlaag met een matige bijmenging van grind. Vervolgens is er een sterk grindige, matig grove zandlaag aanwezig tot circa 1,3 m-mv., waarna de bodem overgaat in een matig grove zandlaag met sporen grind tot matig grindhoudend.

Uit het infiltratie onderzoek blijkt dat er een redelijke infiltratiesnelheid in de (humeuse) toplaag (K-waarde 0,5 tot 1,0 m/d) en een zeer goede verticale infiltratiesnelheid aanwezig is in het hieronder gelegen pakket (K-waarde >1,8 m/d). Binnen het plangebied is het mogelijk om een goed functionerende infiltratievoorziening aan te leggen. Deze dient aangelegd te worden tot onder de humeuze toplaag, zodat een snelle lediging gerealiseerd wordt. Door de diepe grondwaterstand is het mogelijk om zowel bovengronds als ondergronds een infiltratievoorziening aan te leggen. Echter, de gemeente Rheden geeft de voorkeur aan bovengrondse en zichtbare 40 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

infiltratievoorzieningen eventueel gecombineerd met een ondergrondse voorziening. Gezien de lage ligging van het plangebied is de grote van de infiltratievoorzienig niet alleen afhankelijk van de toename in het verharde oppervlak. Ook hemelwater dat op het onverharde deel valt zal meegenomen moeten worden in de berging. Daarnaast wordt het plangebied belast met hemelwater afkomstig uit de omgeving. Gerekend wordt met een totaal oppervlak van 9.000 m2. Dit komt overeen met een compensatie-eis van 540 m3 voor een bui van 60 mm. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om een infiltratievoorziening te realiseren. Een verwerkingsmogelijkheid betreft de aanleg van een wadi centraal tussen de nieuwbouw en/of noordelijk van de nieuwbouw gecombineerd met een ondergrondse voorziening. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve het reinigen en het onderhoud.

Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbare blad- en zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop. Om te voorkomen dat er schadelijke stoffen in het afvloeiende hemelwater komen dienen de volgende duurzame materialen te worden toegepast: 

dakgoten en afvoerpijpen: PVC/PP/PE/staal, aluminium bij voorkeur geen gecoate materialen i.v.m. verwering;

ontsluitingspaden/wegen/terrassen: voorzien van natuurlijk of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten.

Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat b.v. het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd.

Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve 41 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder wenselijk geacht. Bij toepassing kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden. Indien toepassing noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen. Volksgezondheid In de nabijheid van het plangebied zijn restverontreinigingen aanwezig in de bodem (zie paragraaf 4.1 Bodem). Voor het aspect bodem zal nog een onderzoek worden uitgevoerd in het kader van de procedure voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Ter plaatse van het plangebied is een bestaande wadi aanwezig. Als de wadi gevuld is met water, is er een tijdelijk en zeer beperkt verdrinkingsrisico. Bij de (her)inrichting van het openbaar gebied zal hier rekening mee gehouden worden. Conclusie Uit het infiltratieonderzoek volgt dat er in de gewenste situatie sprake is van circa 3.445 m2 aan verhard oppervlak. Dit komt overeen met een compensatie-eis van circa 275,6 m3. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om in deze waterberging te voorzien. De benodigde compensatie-eis wordt juridisch-planologisch gewaarborgd in de planregels middels een voorwaardelijke verplichting.

Met inachtneming van de gestelde mitigerende maatregelen vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6

Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Beoordeling Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Dieren 2017, Woongebieden-Noord” (2019) kent het plangebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

42 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

Voor dergelijke gronden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm. Het planvoornemen overschrijdt de gestelde onderzoeksgrens. Derhalve is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (zie Bijlage 9 Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek) uitgevoerd voor het planvoornemen, met als doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextypen, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor archeologische resten uit de periode van het Midden-Neolithicum tot de Nieuwe Tijd. Het plangebied ligt in een zone met relatief hooggelegen, goed ontwaterde zandgronden die redelijk goed met vroege landbouwtechnieken konden worden bewerkt. Door deze eigenschappen zijn deze gronden vaak al heel vroeg geschikt voor gebruik als bouwgrond. Het plangebied ligt op relatief korte afstand van de bebouwde kern van Dieren, waardoor resten uit de Nieuwe Tijd verwacht kunnen worden.

Aangezien slechts een deel van het terrein vrij van explosieven is verklaard moet op basis van de archeologische verwachtings- en risicokaart voor aanwezigheid van explosieven alsnog rekening worden gehouden met eventuele sporen of resten van munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het karterend booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren of archeologisch relevante lagen aangetroffen. Daarom kan worden aangenomen dat in het plangebied geen archeologische resten aanwezig zijn. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed). Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het uitgevoerde onderzoek heeft geen aanwijzingen voor een vindplaats opgeleverd. Het plangebied kan derhalve vrij worden gegeven ten behoeve van de beoogde ontwikkeling.

43 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

4.7

Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Beoordeling Voor het planvoornemen is een cultuurhistorische analyse uitgevoerd (zie Bijlage 10 Cultuurhistorische analyse). Op basis van de cultuurhistorische inventarisatie en waardestelling kan de hierop volgende analyse worden opgesteld; het plangebied heeft geen bovengemiddelde schoonheids- en/of herinneringswaarde. De aanwezigheid van bermen, een wadi-achtige laagte en de aflopende, schaars begroeide randen van het terrein waar grind doorschemert aan de oppervlakte doet vermoeden dat het terrein op z'n minst deels opgehoogd is en mogelijk vergraven.

Omdat het op deze wijze landschappelijk ingerichte plangebied een geheel vormt met de rond 2010 ontstane bebouwing direct ten oosten van het plangebied heeft de verstoring/ophoging van het terrein waarschijnlijk rond 2010 plaatsgevonden. Om die reden representeert het plangebied vanwege de huidige landschappelijke inrichting geen cultuurhistorische waardevolle landschapseenheid. Het is niet geheel bekend wanneer het plan- en omgevingsgebied in gebruik is genomen. De eerste gegevens van het plangebied komen uit omstreeks 1724. Het plangebied bestaat hier grotendeels uit heide waar zand wordt ontgonnen. Hiervan is niets meer zichtbaar. Het plangebied is slechts deels bebouwd geweest tussen circa 1975 en 2009, het overige deel is zo ver bekend onbebouwd gebleven. Binnen het plan- en onderzoeksgebied zijn geen bekende cultuurhistorische elementen aanwezig. Omdat bij het karterend booronderzoek in de onverstoorde ondergrond geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen luidt het advies van het archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek–karterende fase dan ook dat een vervolgonderzoek niet nodig is. Ten behoeve van de uitgevoerde cultuurhistorische analyse zijn er geen bezwaren voor de nieuwbouw binnen het voorgestelde plangebied. Voor het plangebied staan geen cultuurhistorische monumenten of elementen geregistreerd op rijks-, provinciaal en/of gemeentelijk niveau.

Conclusie Het plangebied kan op basis van de uitgevoerde analyse vrij gegeven worden voor wat betreft het behoud van cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

44 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

4.8

Luchtkwaliteit Kader Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Bij bepaalde nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse. Beoordeling Gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit is in 2007 ook de Algemene Maatregel van Bestuur Niet in betekenende mate (Besluit NIBM) in werking getreden. In het Besluit NIBM en de ministeriële regeling Niet In Betekenende Mate (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM). In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In de praktijk zal daarom voor de nieuwbouw tot ongeveer 1.500 woningen geen onderzoek nodig zijn. Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkelingen van slechts een relatief beperkt aantal woningen (maximaal 32). Er wordt dan ook ruim voldaan aan de NIBM-grens van 1.500 woningen, hierdoor draagt het plan niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Verder onderzoek naar het effect van dit plan op de luchtkwaliteit kan zodoende achterwege blijven.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Verkeer en parkeren In het gemeentelijke Verkeerscirculatieplan Dieren uit 2013 wordt een wegcategorisering beschreven bestaande uit stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en verblijfsgebieden. Verblijfsgebieden zijn of worden ingericht als 30 km/u of 60 km/u zone. Gebiedsontsluitingswegen zijn de wegen binnen de bebouwde kom die hoofdzakelijk een doorstroom karakter hebben en waar een snelheidslimiet van 50/u km geldt. De Burgemeester Bloemersstraat is een verblijfsgebied waar een snelheidslimiet van 30 km/u geldt. Specifiek voor verkeersgeneratie heeft het CROW de publicatie, 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. De gemeente Rheden valt binnen de categorie 'matig stedelijk´.

45 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de gemeentelijke 'Nota parkeernormen Rheden 2015'. In de regels is verwezen naar de 'Nota parkeernormen Rheden 2015' en deze is als bijlage opgenomen. Indien de parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen. Dit heet een dynamische verwijzing. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bepaald (ECLI:NL:RVS:2018:1578) dat voor uitsluitend een gebruikswijziging geen dynamische verwijzing in de regels opgenomen mag worden. In de regels is dan ook een onderscheid gemaakt in uitsluitend gebruik (Nota parkeernormen Rheden 2015 is van toepassing) en in activiteiten bouwen of bouwen in combinatie met gebruik (Nota parkeernormen Rheden 2015 is van toepassing of diens opvolger). Beoordeling Verkeersgeneratie Ten aanzien van het berekenen van de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de gemiddelde verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd. Functie

Verkeersgeneratie

Aantal

Verkeersgeneratie

1,4

25

35

7,1

5

35,5

Koop, huis, twee-onder-een-kap 7,8

2

15,6

per woning (gem.) Huur, appartement, midden/goedkoop Koop, huis, tussen/hoek Totaal

86,1

De totale verkeersgeneratie als gevolg van de woningbouwontwikkeling bedraagt afgerond 86 verkeersbewegingen per dag. Van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen is hiermee geen sprake. Opgemerkt wordt dat in het kader van de voorliggende ontwikkeling, de ter plaatse aanwezige maatschappelijke bestemming komt te vervallen evenals de daarbij behorende verkeersbewegingen. De toename van het aantal verkeersbewegingen is in planologische zin dan ook minder. Waarschijnlijk is er zelfs sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Tot slot kan gesteld worden dat de Burgemeester Bloemersstraat en de Harderwijkerweg van voldoende omvang zijn om de huidige en toekomstige verkeersgeneratie eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. Parkeren Bij het berekenen van het aantal benodigde parkeerplaatsen is uitgegaan van de beleidsnotitie 'Nota parkeernormen Rheden 2015'. De volgende uitgangspunten worden hierbij gehanteerd.

46 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

Functie

Parkeernorm

Aantal

Parkeerbehoefte

Eengezinswoning, rijwoning,

1,4

32

42

appartement Totaal

44,8

Op basis van de hiervoor beschreven uitgangspunten bedraagt de totale parkeerbehoefte afgerond 45 parkeerplaatsen. Voor de appartementen worden 33 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de noordzijde van het plangebied; 24 haaksparkeren en 9 langsparkeren. Voor de grondgebonden woningen worden 10 haaksparkeerplaatsen gerealiseerd aan de zuidzijde van het plangebied, aansluitend aan het parkeerterrein van het Rhedens College. In totaal worden er 43 parkeerplaatsen gerealiseerd. In het plangebied is derhalve een tekort van twee parkeerplaatsen. Hiertoe worden ruimte gereserveerd voor twee reserveparkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden niet aangelegd, maar kunnen bij grote problemen worden toegevoegd. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Externe veiligheid Beleid en normstelling Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld aan de hand van twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risicobronnen geldt hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Verder moet er vanuit het Besluit externe veiligheid transportroutes ook nog rekening gehouden worden met een plasbrandaandachtsgebied. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overleiden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

47 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het aantal overlijdens van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Planbeoordeling Voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk om op een braakliggende terrein 25 appartementen, 5 patiowoningen en 2 eengezinswoningen te realiseren.

Hierdoor neemt het aantal personen toe. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

Afbeelding 4.2: Uitsnede provinciale risicokaart (geraadpleegd op 24-01-2022) met het plangebied in de zwarte cirkel

48 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

De risicokaart levert de volgende inzichten op: Transportroutes Op circa 250 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt de Spoorlijn Arnhem - Zutphen, op circa 285 meter de N348 en op circa 850 meter de IJssel. Over al deze transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op basis van de Regeling Basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de spoorlijn en de IJssel niet over het plangebied is gelegen. Ten aanzien van de N348 is in het kader van traverse Dieren een risicoberekening opgesteld voor beide wegen (zie 'QRA N348/N786 traverse Dieren', d.d. juli 2011, projectnummer: 236832). Uit deze risicoberekening blijkt dat voor beide wegen geen 10-6 risicocontour wordt berekend. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen binnen het invloedsgebied van de Spoorlijn Arnhem - Zutphen (4000 meter) en de N348 (355 meter). De IJssel heeft zijn invloedsgebied (35 meter) niet over het plangebied liggen. Daarmee hebben wijzigingen in het plangebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobronnen. Echter is de afstand tussen het plan en de risicobronnen dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden.

Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Inrichtingen en buisleidingen Nabij het plangebied zijn geen BEVI-inrichtingen gelegen met hun invloedsgebied over het plan. Wel liggen naast het plangebied twee aardgastransportleidingen (N559-20, N56528). Hiervoor is een risicoberekening uitgevoerd (zie Bijlage 11 Carola risicoberekening Bloemershof Dieren). Hieruit blijkt dat er geen plaatsgebonden risicocontour 10 -6 wordt berekend. Dit vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het invloedsgebied van beide aardgastransportleidingen. Daarmee hebben wijzigingen in het plangebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Uit de risicoberekening blijkt dat voor aardgastransportleiding N559-20 het groepsrisico toeneemt, maar toename lager dan 10% is. Voor aardgastransportleiding N565-28 is het groepsrisico in beide situaties lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (een verwaarloosbaar groepsrisico). Voor beide situaties heeft de wetgever aangegeven dat er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico. Daarnaast geldt er rondom de aardgastransportleidingen een belemmeringenstrook. Hierbinnen is het oprichten van bouwwerken uitgesloten, dit vanwege onderhoud aan de leidingen.

Deze belemmeringstrook bedraagt 4 meter aan weerszijde van de buisleidingen (ter plaatse van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'). De nieuwe woningen zijn hierbuiten gesitueerd. Dit vormt dus eveneens geen belemmering.

Verantwoording groepsrisico 49 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsbronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van: Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn en provinciale weg (onderdelen C en D) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) artikel 12 vanwege beide aardgastransportleidingen. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 11 december 2019 (zie Bijlage 12 Omgevingsadvies). Onderstaand een beschouwing van deze aspecten. A. Personendichtheid Het plan voorziet in de realisatie van 25 appartementen, 7 grondgebonden woningen. Per woning wordt met een gemiddelde aanwezigheid van 2,4 personen gerekend. Hierdoor neemt met dit plan met circa 80 personen toe, naar boven afgerond. B. Hoogte groepsrisico Hiervoor is een risicoberekening uitgevoerd (zie Bijlage 11 Carola risicoberekening Bloemershof Dieren). Hieruit blijkt dat voor beide aardgastransportleidingen de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden.

Voor aardgastransportleidingen N559-20 wordt voor de bestaande situatie een groepsrisico berekend van 0,195 maal de oriëntatiewaarde en voor de nieuwe situatie van 0,196 maal de oriëntatiewaarde. Voor aardgastransportleiding N565-28 bedraagt het groepsrisico beneden de 0,1 maal de oriëntatiewaarde (een verwaarloosbaar groepsrisico). C. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De VGGM is hiervoor om advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. D. Zelfredzaamheid Met de term 'zelfredzaamheid' wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of andere in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid een rol. Het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan: 

Het plan ligt alleen binnen de effectafstand van het scenario, explosie, fakkelbrand en toxische wolk. De kans daarop is klein. Het plan leidt tot een toename van het aantal aanwezigen. Het ligt in de verwachting dat zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd.

50 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

De VGGM adviseert ter verbetering van de zelfredzaamheid: toekomstige bewoners te informeren over de aanwezige risico's in hun leefomgeving en het aan te reiken handelingsperspectief, de ontvluchtbaarheid op planniveau te bevorderen en bij onderhoudswerkzaamheden aan de aardgastransportleiding de bewoners te informeren.

Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan via de Burgemeester Bloemersstraat en Harderwijkerweg te ontvluchten van de risicobron af. Daarnaast zijn de appartementen het meest ver weg gesitueerd van de risicobron af. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGMM niet ruimtelijk relevant en enkel ter verbetering. Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroutes, buisleidingen en inrichtingen met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem - Zutphen, N348 en twee aardgastransportleidingen. Op basis van de verantwoording groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijk initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.11 Ontplofbare oorlogsresten Kader Bij het vervaardigen van bestemmingsplannen wordt zoals is vastgelegd in de Nota standaardplanmethodiek bestemmingsplannen dorpen Rheden 2015 vanwege de gemeentelijke zorgplicht bij het leggen van bouwvlakken in verdachte gebieden een onderzoek gevraagd naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Beoordeling Op het terrein van Bloemershof ligt een klein gedeelte (250 m 2) wat op basis van de gebeurtenissen in de oorlog verdacht wordt van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten; ter plaatse van de 'gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – niet gesprongen explosieven' uit het bestemmingplan "Dieren 2017, Woongebieden-Noord". In april 2015 (kenmerk 0415GPR5063) is er op dit gebied onderzoek naar oorlogsresten uitgevoerd. Er zijn geen oorlogsresten aangetroffen. Dit gebied is vervolgens vrijgegeven (zie Bijlage 13 Verklaring vrij van explosieven). Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.

51 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

4.12 Milieuzonering Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. Beoordeling Het plangebied is gelegen op relatief korte afstand van een gymzaal, een brandweerkazerne en een praktijkschool (voortgezet onderwijs). Voor deze drie functies kan niet voldaan worden aan de richtafstand voor het aspect geluid, zoals beschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Derhalve is door DGM Industrie, Verkeer en Milieu B.V.

een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage Akoestisch onderzoek milieuzonering, M.2015.0235.01.R001, 24 maart 2020). Woon- en leefklimaat Uit het onderzoek volgt dat de geluidsniveaus afkomstig van de gymzaal, school en brandweerkazerne voldoen aan de streefwaarden voor gemengd gebied uit stap 2 van de VNG-publicatie. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.

School, brandweer en gymzaal 52 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelastingen van de gymzaal, brandweerkazerne en school op de nieuwe woningen kunnen voldoen aan de standaardvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. De beoordelingspunten bij de woningen liggen ter plaatse van de geluidsgevoelige gevels. Uitgangspunt is hierbij dat ter plaatse van het meest oostelijke deel van het noordelijke bouwvlak bergingen zijn beoogd in plaats van woningen, waardoor dit deel niet meegenomen is in de berekening en ligt de geluidsgevoelige gevel verder naar het westen dan de bouwperceelsgrens. Ter plaatse van de bergingen worden woningen juridisch uitgesloten middels de aanduiding 'wonen - uitgesloten'. Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking treden eveneens geen overschrijdingen op. Hiermee worden deze drie functies niet belemmerd in hun huidige en mogelijke toekomstige activiteiten. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig bestemmingsplan.

4.13 Milieueffectrapportage Kader De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.: Voor deze ontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.(beoordelings)plichtig is, te weten: 'D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.- beoordelingsplichtig indien het betreft een 53 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van 32 woningen. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e.r.beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling. Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-m.e.r. als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en ligt op enige afstand van Natura 2000-gebied Veluwe (250 meter) en Natura 2000-gebied Rijktakken (circa 1 km).

Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN), Gelders Natuurnetwerk (GNN) of Groene Ontwikkelingszone (GO). Het plan maakt ook geen nieuwe functies mogelijk een effect zouden kunnen hebben op de kernkwaliteiten van het GNN of GO. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. De effectbeoordeling stikstofdepositie heeft tot doel de NOx (stikstof) en NH3 (ammoniak) emissies naar de lucht door het voornemen inzichtelijk te maken, de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing Om de stikstofdepositie in kaart te brengen zijn stikstofberekeningen uitgevoerd voor de verkeersbewegingen in de gebruiksfase.

Deze berekening en bijbehorende rapportage zijn als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. Op basis van de rapportage kunnen significante gevolgen worden uitgesloten.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling 54 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: 1. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 en 3 Wet milieubeheer. Hierbij moet rekening worden gehouden met de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.richtlijn. De criteria betreffen: 1. een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2. een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; 4. een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) a.

de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen

b.

het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

Beoordeling In de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie Bijlage 14 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.) is in voldoende mate inzicht verkregen in de milieugevolgen van het plan voor de bouw van 32 woningen aan de Burgemeester Bloemersstraat te Dieren. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het project en zijn directe omgeving. Conclusie Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van de bestemmingsplanherziening niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.(beoordelings)procedure voor dit project.

55 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1

Algemeen Een bestemmingsplan is een juridisch instrument waarbij de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de grond en de opstallen zijn vastgelegd. Het plan is voor iedereen juridisch bindend: burger, bedrijf en overheid. In de digitale omgeving zijn de bestemming en de daarbij geldende regels reeds gekoppeld. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van een verbeelding op papier. Nadat op de verbeelding de locatie is opgezocht waarover informatie wordt gewenst, kan in de regels worden nagelezen welke mogelijkheden zijn vastgelegd. Uit het samenstel van de verbeelding en de regels blijkt wat wordt toegelaten. De digitale versie is bindend bij een verschil met de papieren versie. De toelichting is een beschrijving van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt en vervat de resultaten van het overleg met gemeenten, waterschappen en diensten van de provincie en rijk wiens belangen in het geding zijn.

5.2

Procedure bestemmingsplan De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken en het ontwerpbesluit, moet worden gepubliceerd waarbij de gelegenheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Nadat de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van dit bestemmingsplan heeft genomen, ligt het plan wederom ter inzage. Belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, evenals belanghebbenden die niet kunnen worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend, kunnen dan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de wijzigingen die bij de vaststelling in het bestemmingsplan zijn aangebracht, kan iedere belanghebbende beroep instellen. De herziening treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als geen beroep is ingesteld. Is wel beroep ingesteld dan treedt de herziening ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak op het beroepschrift.

56 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

5.3

Verbeelding en regels

De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. Ze moeten in samenhang worden bezien en toegepast. De wijze waarop een bestemmingsplan vorm krijgt, is vastgelegd in landelijke standaarden.

5.3.1 Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemmingen de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Ter nadere invulling c.q. verbijzondering van deze bestemmingen is de verbeelding voorzien van aanduidingen. Op basis van de aanduidingen worden functies aan de bestemming toegevoegd of verwijderd, of worden aanwijzingen gegeven ten aanzien van aantallen of maatvoeringen. De verbeelding moet worden bezien in samenhang met de regels. Voor de verdere uitleg hiervan wordt verwezen naar onderstaande uitleg onder paragraaf 5.3.2.

5.3.2 Regels De planregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken. Deze worden kort beschreven. Daarna volgt een toelichting op de planregels. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald (artikel 2). Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Eerst de bestemmingsregels en vervolgens de dubbelbestemmingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend worden de (eventuele) afwijkingsmogelijkheden ten aanzien van het bouwen en het gebruik omschreven. Daarna de specifieke gebruiksregels en de vergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde (aanlegvergunningenstelsel), voor zover dit aan de orde is. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.

57 Dieren-Noord, locatie Burgemeester Bloemersstraat (vastgesteld)

Algemene regels In hoofdstuk 3 zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Denk aan de anti-dubbeltelregel en de regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen. Een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is, zoals het woord het al zegt, een mogelijkheid in het bestemmingsplan zelf om af te wijken van de regels uit datzelfde bestemmingsplan. Dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingsmogelijkheden. De (bestemmings)regels moeten altijd in samenhang met de algemene regels worden gelezen vóórdat op basis van de bestemmingsregels interpretaties worden verricht. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Hierna worden de bestemmingen en aanduidingen uit voorliggend bestemmingsplan toegelicht. Groen Deze bestemming is gegeven aan die gedeeltes in het plangebied die binnen het woongebied bedoeld zijn voor de grotere aaneengesloten groenvoorzieningen. Binnen deze bestemming kunnen groenvoorzieningen, maar ook een speel-, waterhuishoudkundige-, hemelwaterinfiltratievoorzieningen en rioleringswerken worden aangelegd. Verder zijn de gronden bestemd voor wandelpaden, straatmeubilair en andere bijbehorende voorzieningen. Tuin Deze bestemming is gegeven aan de niet openbare tuinen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=184630b1-4f2f-4a86-ad04-151ac49e0e42