Algemene Plaatselijke Verordening Rheden was - word wijzigingen (23.93)
Tekst van het document
Algemene Plaatselijke Verordening Rheden Geldend van 01-01-2021 t/m heden Intitulé Algemene Plaatselijke Verordening Rheden De raad van de gemeente Rheden; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 mei 2009;
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving van de openbare orde; besluit: vast te stellen de verordening: Algemene Plaatselijke Verordening Rheden HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder:
•
a. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b;
•
b. weg: weg, als bedoeld hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
•
c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
•
d. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet (1994); waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27 tweede lid van de Wegenwet;
•
e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;een zakelijk of persoonlijk recht;
•
f. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de bouwverordening;
•
g. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;gebouw als bedoeld in artikel 1 eerste lid, onder c, van de Woninget;
•
h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
•
i. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet. als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; j. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; k. college: het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 1:2 Beslistermijn
•
1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
•
2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.
•
3.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, artikel 2:11 of artikel 4:11 Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
•
1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
•
2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
•
3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. 2.
De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
•
a.
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
•
b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
•
c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
•
d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
•
e. indien de houder dit verzoekt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Afdeling 2 Betoging Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg Afdeling 5 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10A Voorwerpen op of aan de openbare plaats
•
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte of een andere openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
•
2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
•
23. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:
o
a.
als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg of openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of openbare plaats;
o
b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
o
c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
•
34. De minimale vrije doorgang op openbare plaatsen, voor wat betreft de gedeelten voor voetgangers en rolstoelgebruikers, is 1,50 meter breed waarbij de vrij te houden hoogte minimaal 2,20 meter is.
•
45. Het is verboden om een object te plaatsen of te hebben op of nabij een gidslijn en een geleidelijn voor blinden en slechtzienden.
Artikel 2:10B Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen
•
1.Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor:
o
a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
o
b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27;
o
c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18.
•
2.Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt tevens niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.
o
a. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, omgevingsverordening Gelderland of waterschapsverordening geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Gelderse Wegenverordening.
o
b. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van het vorige artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet1994.
o
c. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, van het vorige artikel geldt niet voor bouwwerken;
o
d. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, van het vorige artikel is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
•
1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
•
2.De vergunning wordt verleend:
o
a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
o
b. door het college in de overige gevallen.
•
32.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
•
4.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, omgevingsverordening Gelderland of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Gelderse Wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Artikel 2:12 Maken, gebruiken of veranderen van een uitweg
•
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:
o
a. een uitweg te maken naar een weg, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;
o
b.
van een weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
o
c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
•
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: De vergunning kan worden geweigerd:
o
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
o
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
o
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
o
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten.
•
3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, omgevingsverordening Gelderland of waterschapsverordening.situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de vigerende Wegenverordening Gelderland.
Afdeling 6 Veiligheid op de weg Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
•
1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
•
2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:23A Detectieverbod
•
1.Het college kan openbare gebieden aanwijzen waar het gebruik van een detector of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van explosieven, metalen voorwerpen en dergelijke, verboden is.
•
2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het eerste lid.
•
3.Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:
o
a. een bedrijf dat in het bezit is van een procescertificaat ‘Opsporen van Conventionele Explosieven’ als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
o
b. degene aan wie ingevolge artikel 16.55, vierde lid van de Omgevingswet 40 van de Monumentenwet 1988 een opgravingvergunning is verstrekt.
Afdeling 7 Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepaling
•
1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
o
a. bioscoopvoorstellingen;
o
b. markten als bedoeld in artikel 160 eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
o
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
o
d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
o
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
o
f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.
•
2.Onder evenement wordt mede verstaan:
o
a. een herdenkingsplechtigheid;
o
b. een braderie;
o
c.
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
o
d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
o
e. een klein evenement.
•
3.Onder een klein evenement wordt verstaan: een kleinschalig ééndaags evenement, zoals een straatfeest of een buurtfeest.
•
4.Vergunningplichtige evenementen worden onderscheiden in drie categorieën:
o
a. regulier evenement (categorie A): een relatief eenvoudig evenement, waarbij het (zeer) onwaarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. Het vergt weinig maatregelen of voorzieningen van het bevoegde gezag om die dreiging weg te nemen of schadelijke gevolgen te beperken.
o
b. aandachtevenement (categorie B): een evenement, waarbij het mogelijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. Het vergt enkele maatregelen of voorzieningen van het bevoegde gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.
o
c. risico-evenement (categorie C): een evenement, waarbij het (zeer) waarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. Het vergt meerdere en uitgebreidere maatregelen of voorzieningen van het bevoegde gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.
Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
•
1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
•
2.De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit .
•
3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:
o
a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
bij de toepassing van dit belang houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie;
o
b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; voor de reikwijdte van het begrip ‘slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de criteria en terminologie van (artikel 8 van) de Alcoholwet.Drank- en Horecawet.
•
4.Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting dat zich bevindt in:
o
a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
o
b. een zorginstelling;
o
c. een museum; of
o
d. een bedrijfskantine of -restaurant.
•
5.De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve ontheffing van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet Drank- en Horecawet, indien:
o
a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de openbare inrichting; dan wel
o
b. de openbare inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.
•
6.De ontheffing wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.
•
7.Voor de openbare inrichting als bedoeld in lid 4 gelden dezelfde sluitingstijden als in een winkel.
Afdeling 8A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet Drank- en Horecawet Artikel 2.34a Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder:
•
alcoholhoudende drank;
•
horecabedrijf;
•
horecalokaliteit;
•
inrichting;
•
paracommerciële rechtspersoon;
•
sterke drank;
•
slijtersbedrijf; en
•
zwak alcoholhoudende drank;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet Drank- en Horecawet. Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Afdeling 9A Toezicht op kamerverhuur Artikel 2:38b Exploitatie kamerverhuurbedrijf
•
1.Het is verboden een kamerverhuurbedrijf te exploiteren zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders.
•
2.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vergunningaanvraag.
•
3.Het college weigert de vergunning:
o
a. als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
o
b.
als de exploitatie van een kamerverhuurbedrijf in strijd is met het omgevingsplaneen geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
o
c. als de exploitatie naar zijn oordeel in strijd is met de, op de woonvisie gebaseerde afwegingskaders voor initiatieven woonzorgcombinaties en huisvesting arbeidsmigranten.
•
4.Bij de toepassing van de in het derde lid onder a genoemd belang houdt het college rekening met het karakter en de wijk, waarin het kamerverhuurbedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.
•
5.Geen vergunning is vereist voor woonruimtes die deel uitmaken van een seniorencomplex, herstelinrichtingen en verzorgingstehuizen of daarmee naar hun aard vergelijk te stellen woonvormen, zolang deze worden verhuurd overeenkomstig de specifieke functies van de in dit lid bedoelde woonvormen. Voor de door zorgaanbieders geboden of te bieden huisvesting (verhuur van kamers) en begeleiding aan zorgcliënten, is de verplichting van een exploitatievergunning wel van toepassing.
Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden
•
1.Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
•
2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:
o
a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend;
o
b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen;
o
c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
•
3.De burgemeester weigert de vergunning:
o
a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;
o
b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan een geldend bestemmingsplan.
Afdeling 10A Toezicht op voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
•
1.Het is verboden:
o
a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
o
b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
•
2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
•
1.Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
•
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
o
a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet Drank- en Horecawet;
o
b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet Drank- en Horecawet.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
•
1.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:
o
a. aanwezig te hebben; of
o
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels; of
o
c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.
•
2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven.
•
3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
Artikel 2:64 Bijen
•
1.Het is verboden bijen te houden:
o
a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
o
b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.
•
2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
•
3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
•
4.Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod is niet van toepassing op
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, omgevingsverordening Gelderland of waterschapsverordening. geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Gelderse Wegenverordening.
•
5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Afdeling 13 Vuurwerk Artikel 2:71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder:
•
a. consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op
grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is;
•
b. bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voorzover het openbare vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet betreft, de burgemeester;
•
c. bus: een (originele)(melk)bus van staal/ijzer, container, opslagvat, buis of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp;
•
d. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumcarbide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Afdeling 14 Drugsoverlast Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen, en aanpak woonoverlast HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE EN DERGELIJKE Afdeling 1 Begripsbepalingen Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
•
1.De exploitant en de beheerder:
o
a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
o
b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
o
c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
•
2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:
o
a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;
o
b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een
misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;
o
c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9 eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
▪
bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;
▪
de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
▪
de artikelen 8 en 162 derde lid alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
▪
de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;
▪
de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
▪
de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
•
3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:
o
a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74 tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76 derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;
o
b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
•
4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
o
a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;
o
b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
•
5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4 eerste lid is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.
Afdeling 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden Artikel 3:13 Weigeringsgronden
•
1.De vergunning bedoeld in artikel 3:4 eerste lid wordt geweigerd indien:
o
a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;
o
b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;
o
c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;
o
d. in geval van een seksinrichting: de aanvraag meer dan vier werkplekken betreft.
•
2.In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4 eerste lid dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9 eerste lid worden geweigerd in het belang van:
o
a. de openbare orde;
o
b. het voorkomen of beperken van overlast;
o
c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;
o
d. de veiligheid van personen of goederen;
o
e.
de verkeersvrijheid of -veiligheid;
o
f. de gezondheid of zedelijkheid;
o
g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.
Afdeling 4 Beëindiging exploitatie, wijziging beheer HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling 1 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder:
•
a. Besluit: activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;;
•
b. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Besluit;
•
c. houder van een inrichting : degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
•
d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
•
e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
•
f. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Besluit;
•
g. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Besluit;
•
h.
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4:5 Onversterkte muziek
•
1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18 eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:
o
a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;
o
b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
o
c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geuidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
o
d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast;
o
e. tabel
•
07.00 uur 19.00 uur
19.00 uur 23.00 uur
23.00 uur 07.00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
2.Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen,
wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.
•
3.Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.
•
4.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van openbare sporten speelvoorzieningen en –terreinen, voor zover het betreft de uitoefening van sport- en speelactiviteiten.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
•
1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
•
2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
•
3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de omgevingsverordening Gelderland, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale Milieuverordening Gelderland.
•
4.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van openbare sporten speelvoorzieningen en –terreinen, voor zover het betreft de uitoefening van sport- en speelactiviteiten.
Afdeling 2 Bodem-, weg en milieuverontreiniging Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
•
1.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
o
a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
o
b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
o
c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:22 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
o
d.
mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
•
2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.
•
3.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.
•
4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de omgevingsverordening Gelderlanddoor de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Milieuverordening Gelderland.
Artikel 4:15 Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d.
•
1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.
•
2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor onverlichte:
o
a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;
o
b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;
o
c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:
▪
een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
▪
het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;
o
d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
o
e.
opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.
•
3.Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijke feitelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:
o
a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijke kennisgeving is gedaan aan het bevoegd gezag;
o
b. het bevoegd gezag niet binnen twee weken van ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;
o
c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan 9 weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.
•
4.Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.
•
5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:
o
a. indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
o
b. in het belang van de verkeersveiligheid;
o
c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak;
o
d. indien de reclame of aankondiging het tegengaan van wildgroei van dit soort uitingen doorkruist. Van wildgroei is in ieder geval sprake indien er geen herkenbare relatie aanwezig is tussen reclame of aankondiging en de activiteiten die plaatsvinden in of op de onroerende zaak waarop de reclame of aankondiging betrekking heeft.
•
6.
o
a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordeningOmgevingsverordening Gelderland.
o
b.
De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.
o
c. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of
voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
•
1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
•
2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
•
3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
•
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
o
a. de bescherming van natuur en landschap;
o
b. de bescherming van een stadsgezicht.
HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling 1 Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder:
•
a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
•
b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990);.
c.
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; d. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken
•
1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
•
2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
•
1.Het is verboden een kampeerwagen, woonwagen, caravan, camper, keetwagen, magazijnwagen, aanhanger of een ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel voor andere dan verkeersdoeleinden is bedoeld of bestemd en/of wordt gebruikt:
o
a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op de weg, met een maximum van zes dagen per maand;
o
b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente dan wel de verkeersveiligheid in gevaar brengt.
•
2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.
•
3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Gelderse Wegenverordening beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens of de Omgevingsverordening Gelderland.
Afdeling 2 Collecteren Afdeling 3 Venten Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
•
1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
•
2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een het omgevingsplan geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
•
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:
o
a.
de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of;
o
b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met dringende reden van algemeen belang.
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
•
1.Het verbod van artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de omgevingsverordening Gelderland. geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Gelderse Wegenverordening.
•
2.De weigeringsgrond van artikel 5:18 derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
•
1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.
•
2.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
•
3.De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan een geldend bestemmingsplan.
Afdeling 6 Openbaar water Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
•
1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
•
2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.
•
3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.
•
4.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met
betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de omgevingsverordening Gelderland of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
•
1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
•
2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:
o
a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;
o
b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de omgevingsverordening Gelderland of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, of de Provinciale landschapsverordening. Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats
•
1.Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.
•
2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
•
3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing op
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de omgevingsverordening Gelderland of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, of de Provinciale landschapsverordening. Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
•
1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.
•
2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de omgevingsverordening Gelderland., de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.
Artikel 5:30 Veiligheid op het water
•
1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
•
2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de omgevingsverordening Gelderland of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet. de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen.
Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in Natuurgebieden Artikel 5:32 Crossterreinen
•
1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
•
2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:
o
a. het voorkomen of beperken van overlast;
o
b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
o
c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
•
3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
•
1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.
•
2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:
o
a. in het belang van het voorkomen van overlast;
o
b in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
o
c. in het belang van de veiligheid van het publiek.
•
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:
o
a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29 eerste lid Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
o
b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
o
c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
o
d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
o
e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
•
4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:
o
a. op wegen als bedoeld in artikel 1 eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
o
b. binnen de bij of krachtens de omgevingsverordening Gelderland Provinciale verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.
•
5Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Afdeling 8 Verbod vuur te stoken Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
•
1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
•
2.Het verbod geldt niet voorzover het betreft:
en voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
o
a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
o
b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;
o
c. vuur voor koken, bakken en braden;
•
3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
•
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
•
5.Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de omgevingsverordening Provinciale Milieuverordening Gelderland.
Afdeling 9 Verstrooiing van as HOOFDSTUK 6 STRAF, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Rheden. Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. Ondertekening De Steeg, De raad voornoemd, voorzitter. griffier.