2023 29 11 ontwerp bestemmingsplan Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15
Tekst van het document
41 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
Is er beroep ingesteld dan treedt de herziening wel in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt dan met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak op het beroepschrift.
5.3
Inhoud van dit bestemmingsplan De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. Ze moeten in samenhang worden bezien en toegepast.
5.3.1 Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemmingen de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. In onderhavig bestemmingsplan word(t)(en) de bestemmingen gelegd: Agrarisch met waarden - natuur en landschap Wonen
5.3.2 Regels De planregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald (artikel 2). Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw, specifieke gebruiksregels en afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot gebruik. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.
Toegespitst op onderhavig plan wordt hier het volgende opgemerkt: Agrarisch met waarden - natuur en landschap Deze bestemming heeft betrekking op het oostelijk deel van het plangebied. Binnen de bestaande bebouwing is opslag voor agrarische bedrijven toegestaan, de gronden zijn 42 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
verder te gebruiken voor hobbymatig agrarisch gebruik. Hiervan is uitgezonderd het gebruik als (boom)kwekerij, fruitteelt, intensieve dan wel niet-hobbymatige veehouderij en paardenfokkerij. Met een voorwaardelijke verplichting is aanleg en behoud van de maatregelen voor landschap en natuur geborgd, waarbij verwezen wordt naar een bijlage bij de regels. Wonen Een hoofdgebouw mag alleen binnen het bouwvlak aanwezig zijn. De maximale bouwhoogte is te vinden op de verbeelding. Overige maten staan in de regels. Voor de hoogte van de erfafscheidingen geldt dat de standaardhoogte is overgenomen gezien de ligging en de functie van de gronden. Zoals standaard wordt toegelaten mag de bewoner ook hier aan huis een bedrijf of beroep uitoefenen - maar dat geldt dus niet voor het gehele plangebied, maar binnen de bestemming Wonen. Hiervoor gelden de gebruikelijke voorwaarden. In een Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis is na te lezen welke bedrijven dit zijn. Omdat bijgebouwen bouwkundig ondergeschikt zijn aan het hoofgebouw, ziet dit artikel toe op het niet zelfstandig kunnen bewonen van bijgebouwen en het gebruik van bijgebouwen voor primaire woonfuncties als woon- of slaapkamer of keuken wel toelaat. Opgemerkt wordt het vereiste van voldoende parkeergelegenheid op het bijbehorende terrein ook geldt bij de uitoefening van een bedrijf of beroep aan huis.
In een bijlage bij de regels zijn parkeernormen opgenomen uit de Nota Parkeren. Met een voorwaardelijke verplichting is aanleg en behoud van de maatregelen voor landschap en natuur geborgd, waarbij verwezen wordt naar een bijlage bij de regels. Waarde - Archeologie 1a (dubbelbestemming) Waarde - Archeologie 2a (dubbelbestemming)
In de verschillende dubbelbestemmingen wordt de bescherming van de archeologische waarden geregeld via een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (oude aanlegvergunning). Zonder een dergelijke vergunning mag niet zomaar de grond worden geroerd, en daardoor blijven de (mogelijke) archeologische waarden in de grond onaangeroerd. De vergunningsplicht ziet er op toe dat éérst inzicht ontstaat in de mogelijke waarde van de bodem waarna, op basis van een afweging, alsnog een vergunning afgegeven kan worden voor het roeren van de bodem. Om inzicht in de mogelijke waarde van de bodem op het gebied van archeologie te verkrijgen is onderzoek nodig. Dit onderzoek zal vaak een archeologisch bureauonderzoek zijn gevolgd door een archeologisch booronderzoek. Deze dienen uitgevoerd te worden door deskundige onderzoekers die voldoen aan de benodigde certificeringen. Op basis van die eerste onderzoeken kan vervolgonderzoek nodig zijn (proefsleuvenonderzoek en eventueel opgraven). Indien aangetoond kan worden dat binnen (bepaalde delen van) het te onderzoeken gebied geen archeologische waarden meer aanwezig kunnen zijn, kan (met betrekking tot deze delen) worden afgezien van archeologisch onderzoek.
Voor de verschillende te onderscheiden gebieden geldt een aanlegvergunningenstelsel waarbij de oppervlakte van de bodemingreep en de diepte ervan bepalen of een omgevingsvergunning nodig is of niet. Er moet dus aan beide criteria worden voldaan voordat een omgevingsvergunning nodig is. De diepte is daarbij maatgevend op het 43 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
diepste punt (dus een ingreep boven de maatgevende oppervlakte en op één punt dieper dan de maatgevende diepte is vergunningplichtig). De volgende gebieden worden onderscheiden waarbij per gebied het maatgevend minimale oppervlakte (in vierkante meters) wordt aangegeven als ook de maatgevende diepte (in strekkende centimeters). Om verwarring te voorkomen met de reguliere archeologische bestemmingen, is er voor gekozen om de normale nummering aan te houden voor archeologische bestemmingen en een 'a' toe te voeren (zoals Waarde - Archeologie 1a). onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen
Dubbelbestemming
groter dan 100 m2 en dieper dan 25 cm
Waarde - Archeologie 1a
groter dan 250 m2 en dieper dan 50 cm
Waarde - Archeologie 2a
Hoofdstuk 3 Algemene regels In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Denk aan de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels en de regels met betrekking tot mogelijke afwijkingen. De (bestemmings) regels moeten altijd in samenhang met de algemene regels worden gelezen vóórdat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).
5.4
Reikwijdte bestemmingsplan Om te beoordelen of een ontwikkeling kan worden gerealiseerd, is het soms niet voldoende om alleen af te gaan op de inhoud van het bestemmingsplan. Ook indien het bestemmingsplan een ontwikkeling toestaat, kan het voorkomen dat andere regelgeving of dat gesloten verdragen de daadwerkelijke uitvoering verhinderen of pas na bijvoorbeeld vergunningverlening of onderzoek mogelijk maken. De kaders die het bestemmingsplan biedt ten aanzien van nieuwe bouwmogelijkheden/bouwplaninitiatieven, bieden geen garantie voor de te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen. Bouwplannen zullen naast de toets aan onderhavig bestemmingsplan tevens worden getoetst aan, en dienen te voldoen aan, zowel het landelijke Bouwbesluit als de bouwverordening (vastgesteld door de gemeenteraad). Waarbij de (onafhankelijke) welstandscommissie adviseert of het bouwplan op basis van de Welstandsnota (vastgesteld door de gemeenteraad) voldoet aan redelijke eisen van welstand.
44 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid
Het perceel is geen eigendom van de gemeente en de particuliere eigenaar draagt de kosten van het bouwplan, eventuele gemeentelijke maatregelen op het perceel of in het openbaar gebied. De eigenaar vrijwaart de gemeente van planschade. Daarmee is het verhaal van kosten voldoende verzekerd en behoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Realisatie binnen de planperiode door de eigenaar is reëel. Overigens betreft de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt geen bouwplan waarvoor op grond van de Wro een grondexploitatieplan behoeft te worden opgesteld.
45 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
46 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Vooroverleg en inspraak Vanwege de ligging in de Groene Ontwikkelingszone is het plan toegezonden naar de provincie. Het bestemmingsplan zal waar nodig nog worden aangepast aan afspraken met de provincie. Gelet op het geringe effect van de planherziening is het bestemmingsplan alleen toegezonden naar de provincie. De gemeentelijke inspraakverordening schrijft geen inspraak voor. Gezien het vorenstaande is geen aanleiding gevonden om onverplicht inspraak te geven.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met het ontwerpbesluit van
tot en met
voor
een ieder ter inzage gelegen. De tervisielegging is bekendgemaakt op de gemeentelijke pagina, de Rhedenaar, in een huis-aan-huis blad, en op de gemeentelijke website www.rheden.nl. Via www.ruimtelijkeplannen.nl konden ze worden ingezien en worden gedownload. De verbeelding op papier lag tevens ter inzage in het gemeentehuis. De beantwoording van de ingediende zienswijzen vindt plaats via een bijlage bij het raadsbesluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.
47 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
48 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
Bijlagen toelichting
49 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
50 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
51 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Lentsesteeg 13-15 Het voornemen De bebouwing aan de Lentsesteeg 13-15 te Rheden heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijven’, waarbij ook een bedrijfswoning is toegestaan. Op het perceel staat een loods (Lentsesteeg 15) en een bedrijfswoning (Lentsesteeg 13). Eerdere activiteiten als bouwbedrijf zijn gestopt. Het voorliggende bestemmingsplan beoogt de bestemming van de bedrijfswoning te veranderen in een reguliere woning met tuin. De bedrijfsbebouwing van het voormalige bouwbedrijf krijgt een agrarische bestemming waarbij in de bedrijfsbebouwing uitsluitend opslag voor agrarische activiteiten mogelijk is. Ook zijn hobbymatig agrarische activiteiten mogelijk op het perceel. Vanuit het ruimtelijke spoor is vanwege de aard en omvang een vormvrije toets aan het Besluit Milieueffectrapportage noodzakelijk. Deze notitie voorziet hierin. Op basis van deze notitie besluit het bevoegd gezag of een m.e.r.-procedure benodigd is. Criteria De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven.
Een uitgebreide omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan op twee manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: a) Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. b) Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). c) Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Ad a: plan-m.e.r.-plicht vanwege een passende beoordeling Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Veluwe op een afstand van circa 350 meter van het plangebied. Omdat het verkeer niet toeneemt en het niet gaat om een bouwplan, hoeft geen stikstofberekening te worden uitgevoerd.
Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Ad b en c: (plan-)m.e.r.-plicht vanwege drempelwaarde Besluit m.e.r Dit bestemmingsplan voorziet in een herbestemming van een bedrijfsloods en een bedrijfswoning. Het plan is te zien als 'kaderstellend voor' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen
drempelwaarden overschrijden of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). Dit betekent dat er geen sprake is van een directe m.e.r. plicht. Ook voor ontwikkelingen onder drempelwaarden dient het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe dient de vormvrije m.e.r.beoordeling te worden gehanteerd. Voorliggende notitie voorziet hierin. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 en 3 Wet milieubeheer.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: o o o o o o
de omvang van het project; de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
2. Plaats van de projecten Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; o het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a) wetlands, b) kustgebieden, c) berg- en bosgebieden d) reservaten- en natuurparken, e) gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszonen door de lidstaten aangewezen op grond van de Vogel- en/of habitatrichtlijn, f) gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, g) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, o o
h)
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: o o o o o
het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), het grensoverschrijdende karakter van het effect, de orde van grootte en de complexiteit van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het veranderen van de bedrijfsbestemming in een bestemming voor agrarische opslag en verandering van een bedrijfswoning in een burgerwoning. Bouwactiviteiten zijn niet nodig. Er wordt geen bebouwing gesloopt en ook geen bebouwing toegevoegd. Het plangebied bestaat uit het perceel Lentsesteeg 13 en 15 in Rheden. In de nabijheid van het plangebied vinden geen andere (grootschalige) ontwikkelingen plaats waar rekening mee gehouden moet worden. Screening per milieuaspect Bodem en water Het voornemen voorziet niet in het realiseren van een functie met mogelijke negatieve gevolgen voor de bodem. Doordat er geen nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd vindt er in beginsel geen toename van verhard oppervlakte toe. Archeologie, cultuurhistorie en landschap Doordat er geen nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt en er geen grondroerende werkzaamheden van een bepaalde omvang worden uitgevoerd en dieper dan 30 cm worden uitgevoerd is er geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Binnen het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Natuur Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Veluwe op een afstand van circa 350 meter van het plangebied.
Omdat het verkeer niet toeneemt en er geen bouwactiviteiten zijn, hoeft geen stikstofberekening te worden uitgevoerd. Het plangebied ligt niet in het GNN. Aan de zuidkant, aan de andere kant van de spoorlijn, is een deel van het GNN gelegen . De invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling is lokaal en betreft enkel het plangebied zelf. De voorgenomen ontwikkeling heeft dan ook geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk in de omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt in de Groene Ontwikkelingszone. Daarom is, ondanks dat hier enkel
om een beperkte functieverandering gaat, een inrichtingsplan opgesteld met enkele maatregelen vanwege landschappelijke inpassing en versterking natuurwaarden. Soortenbescherming Bij een eerdere quick scan flora en fauna zijn op het terrein geen beschermde soorten aangetroffen en die worden hier ook niet verwacht. Het terrein wordt intensief onderhouden, waardoor het niet of op zijn hoogst incidenteel geschikt is voor beschermde soorten. Op enige afstand zijn nestkasten van steenuilen bekend (mondelinge mededeling A. van de Berg, steenuilcoördinator), maar de locatie ligt buiten het foerageergebied. Het nu voorliggende bestemmingsplan maakt enkel een functieverandering mogelijk waarbij de ruimtelijke effecten als kleiner of vergelijkbaar kunnen worden ingeschat. Het hierboven genoemde inrichtingsplan draagt bij aan soortenbescherming.Verder onderzoek is niet nodig. Woon- en leefmilieu Luchtkwaliteit Het voornemen draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast worden geen functies mogelijk gemaakt die zijn aan te merken als gevoelige bestemmingen in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Geluid De functieverandering zorgt niet voor meer geluid. De woning is al bestemd als bedrijfswoning. Verkeershinder en verkeersveiligheid Er is geen extra verkeersgeneratie vanwege het plan.
De toename van het aantal verkeersbewegingen is in planologische zin minder. De aanwezige infrastructuur is voldoende om de beperkte hoeveelheid verkeer af te wikkelen. Gezondheid van de mens De functieverandering zorgt niet voor negatieve effecten op de gezondheid. Het wegbestemmen van het bedrijfsbestemming in de spuitzone van een naastgelegen boomkwekerij is mogelijk als positief te beoordelen voor wat betreft het aspect gezondheid. Externe veiligheid De voorgenomen ontwikkeling maakt geen risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen mogelijk. De personendichtheid neemt niet toe met dit plan. Gebruik van grondstoffen en energie De voorgenomen ontwikkeling legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Afvalwater wordt via het bestaande rioolstelsel afgevoerd. Voor wat betreft huishoudelijke afvalstoffen verandert er niets. Er is geen sprake van de productie van gevaarlijk afval. Tijdelijke hinder Met een ruimtelijke ontwikkeling kan ook tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden gepaard gaan. In dit geval is dat niet aan de orde.
Conclusie Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan op zich en in samenhang met andere plannen geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Bij deze conclusie is nog geen rekening gehouden met mogelijk belangrijke negatieve gevolgen in verband met de ligging ten opzichte van gevoelige gebieden. De vraag of op grond hiervan belangrijke negatieve gevolgen kunnen worden verwacht, komt hieronder aan de orde. In het voorliggende bestemmingsplan gaat het alleen om een functieverandering en niet om een initiatief waarbij directe fysieke ingrepen in de omgeving aan de orde zijn, zoals bouwactiviteiten. De functieverandering is te kwalificeren als het terugbrengen van bedrijfsactiviteiten. Door aanplanten van een boom en aanleggen van heggen zal het plan een positief effect hebben op natuur en landschap. Conclusie algemene Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan op zich en in samenhang met andere plannen en projecten geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de omgeving.
Bijlage 2
Bodemonderzoek
57 Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13 en 15 (concept)