CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

20210430_t_NL.IMRO.0275.BPVN22-ON01

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Velp-Midden, locatie Parkstraat 3 en 5 Velp en ontwerp omgevingsvergunning Parkstraat 3 en 5 Velp13.110 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast is op de verbeelding ten zuidwesten van het plangebied de aanduiding 'Horecabedrijf' opgenomen. Hier is een bedrijf of instelling gericht op het verstrekken van logies en van maaltijden of dranken toegestaan, met daaraan ondergeschikt een hotel, restaurant, afhaalcentrum, cafetaria of café. Ook voor deze functies geldt de milieucategorie van 2 en een richtafstand van 10 m in een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Het perceel Parkstraat 5 heeft in de huidige situatie een bedrijfsbestemming. Echter vinden hier geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. De bedrijfsbestemming wordt door middel van dit bestemmingsplan gewijzigd naar een woonbestemming. Hierdoor zijn er in de toekomst geen bedrijfsactiviteiten meer toegestaan. Derhalve is deze bedrijfsbestemming aan de Parkstraat 5 niet van invloed op de ontwikkeling. Op een afstand van ca. 35 m ten noorden van het plangebied bevindt zich ook een bedrijfsbestemming. Hier zijn bedrijfsactiviteiten van de categorie 1 en 2 toegestaan. Voor bedrijfsactiviteiten tot categorie 2 is in een gemengd gebied een richtafstand van 10 m van toepassing. Aangezien de afstand tussen de bedrijfsbestemming en het plangebied ca. 35 m bedraagt, kan gesteld worden dat voldaan wordt aan de richtafstand.

28

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Met onderhavig initiatief is er sprake van herstructurering van reeds bestaand stedelijk gebied. Het plangebied bevindt zich binnen de grenzen van het Waterschap Rijn en IJssel. Voor de ontwikkeling is de waterbergingsopgave bepaald (Le Far West, april 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8).

29

In de bestaande situatie bestaat het plangebied grotendeels (bijna volledig) uit verhard oppervlak. Met de beoogde ontwikkeling neemt de totale oppervlakte aan verharding af. Om de waterberging en waterafvoer te verbeteren worden er met de ontwikkeling maatregelen genomen. Het dakwater van de gebouwde elementen wordt afgekoppeld op de centrale terreinleiding richting het krattenveld. De HWA aansluitingen van het appartementen complex worden middels een ringleiding aangesloten op de centrale leiding. De infiltratie kratten worden goed bereikbaar (t.b.v. beheer en onderhoud) onder de overkapping van de parkeerschuur gepositioneerd. Voordat het hemelwater van de daken het krattenveld instroomt zal het eerst in een ontlastingsput (voorzien van zand/bladvang) terecht komen. De put dient meerdere doelen:

• •

het reinigen en inspecteren van het systeem; en zorgt ervoor dat het systeem niet vacuüm kan trekken.

De overstort voorziening naar het openbaarriool is vanaf de openbare weg inspecteerbaar. De navolgende afbeelding toont het beoogde watersysteem binnen het plangebied.

Beoogde watersysteem (bron: Le Far West)

De padenstructuur en de terrassen worden niet afgekoppeld op kolken of lijngoten en zijn om deze reden ook niet meegenomen in de capaciteitsberekening voor het krattenveld. Navolgend wordt de bergingsberekening van het hemelwater weergegeven.

30

Bepaling af te koppelen oppervlaktes (bron: Le Far West)

De benodigde berging bij een bui met een overschijdingsfrequentie van 1 maal per 5 jaar (29,4 mm/m²) en een af te koppelen hemelwateroppervlak van 1.140 m² bedraagt 33,5 m³. Om het hemelwater te kunnen bergen worden kratten van 1200x600x600 mm toegepast. De kratten hebben een nettovolume van 410 liter bergend vermogen per krat. Het benodigde aantal kratten bedraagt 82 stuks. Bij het toepassen van de 82 kratten ontstaat er een statische buffer van 33,6 m³, hiermee voldoet het systeem aan de gestelde norm. Er bevinden zich geen waterkeringen en/of watergangen binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.9 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren,

31

winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.

Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest.

Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt

32

vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Woningen worden in het Bevi gezien als kwetsbare objecten. Dit houdt in dat bij de ontwikkeling rekening moet worden gehouden met risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Navolgende afbeelding toont een uitsnede uit de risicokaart ter plaatse van het plangebied.

Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omkaderd, bron: risicokaart.nl)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er zich geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen in de omgeving van het plangebied bevinden. Tevens heeft de brandweer het plan beoordeeld. De planlocatie is voldoende bereikbaar voor de brandweer. De werkelijke opkomsttijd van de brandweer valt binnen de norm zoals die in het Besluit veiligheidsregio's is vastgelegd. Op het gebied van externe veiligheid zijn geen nadere voorwaarden van toepassing. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorliggend plan.

4.10 Archeologie Archeologie gaat over de (verwachte) cultuurhistorische waarde in de bodem. Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet 1988. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden.

33

Ook de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) uit 2007 is in dit kader van belang. De verantwoordelijkheid voor cultuurhistorische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden. Planspecifiek Volgens het geldende 'Bestemmingsplan Archeologie', vastgesteld door de raad van de gemeente Rheden op 15 maart 2014 beschikken de gronden van het plangebied over de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2'. Voor deze gronden geldt dat er bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 250 m² en dieper dan 30 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Met onderhavig plan worden deze normen overschreden. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (27 maart 2020, Transect, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). Op basis van het archeologisch onderzoek is vastgesteld dat het plangebied een lage verwachting heeft op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Nieuwe tijd. Dit is gebaseerd op een hoge mate van verstoring van de natuurlijke ondergrond (als gevolg van de aanleg van de huidige bebouwing in het plangebied). De verwachting op resten uit de Nieuwe tijd is op grond van het bureauonderzoek reeds laag, aangezien op topografisch kaartmateriaal geen bebouwing in het plangebied heeft gestaan in het begin van de 19e eeuw.

Dit is in die periode ervoor (tot 1500 na Chr.) hoogstwaarschijnlijk niet anders geweest. Vanwege de lage archeologische verwachting, is de kans op het aantreffen van archeologische resten in het plangebied klein. Zodoende gelden er ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling geen restricties en worden er geen vervolgmaatregelen aanbevolen. Voor vrijwel het gehele plangebied geldt dat de grond in de afgelopen eeuw al tot een aanzienlijke diepte is geroerd. Wel geldt dat wanneer tijdens graafwerkzaamheden in het gebied onverhoopt toch archeologisch waardevolle resten worden aangetroffen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10 en 5.11) dienen worden gemeld bij de bevoegde overheid (in deze de gemeente Rheden). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Ontwikkeling De ontwikkeling van Velp kan cultuurhistorisch worden samengevat in drie fasen, de hieronder genoemde data zijn vanzelfsprekend geen harde omslagpunten:

• • •

het agrarische dorp, de ontwikkeling tot 1832; het dorp van de buitenplaatsen en villa's, de ontwikkeling van 1832 tot 1965; het stedelijk wonen, de ontwikkeling van 1915 tot 1965.

Agrarische nederzetting De samenhang van de agrarische nederzetting is nog aanwezig maar niet altijd zichtbaar. Het zijn de beken, de oude wegen en verspreid daaraan gelegen bebouwing en de verkaveling die verwijst naar de agrarische

34

oorsprong. Voor het plangebied zijn van de volgende structuren en elementen en gebieden van cultuurhistorisch waarde:

• • • •

De Rozendaalse- en de Beekhuizensebeek; het tracé van de straatweg (Arnhemsesestraatweg-Hoofdstraat- Zutphensestraatweg); de oorspronkelijke noord-zuid lijnen, de Parkstraat/Bergweg; de buurt Jeruzalem.

Buitenplaatsen en villa's De periode van buitenplaatsen en villa's heeft voor het plangebied geleid tot de volgende cultuurhistorische waardevolle elementen:

• • • • •

de straatweg; de overige oude linten; het villapark Overbeek; het villapark Ma Retraite; de groene inrichting van alle kavels waarop villa's zijn gebouwd.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ten oosten van het plangebied, aan de overkant van de Parkstraat, ligt het beschermd stads- en dorpsgezicht 'Villawijk Oeverbeek'. Het villapark is van grote stedenbouwkundige waarde. Het aantrekkelijke woongebied vormt een sterk samenhangend geheel en levert een belangrijke bijdrage aan het karakter van het drop Velp. De kenmerkende vrijstaande dubbele villa's in de wijk staan op ruime kavels. De kavels beschikken over parkachtige tuinen, gesitueerd aan lange en gebogen wegen. De wijk heeft door haar situering van de panden, de enkele zichtlijnen en de vele oude bomen van het voormalige landgoed, samen met de architectuur een schilderachtige sfeer. Daarnaast heeft Villawijk Oeverbeek een grote cultuurhistorische waarde door het goed en gaaf bewaard gebleven villapark uit het begin van de 20e eeuw. Met de ontwikkeling wordt zoveel mogelijk aangesloten op de omgeving en Villawijk Oeverbeek. De omgeving typeert zich door een veelvormigheid van rijkere en minder rijke baksteenarchitectuur uit het begin van de 20e eeuw. De elementen die hierbij terugkomen vormen een inspiratiebron voor een moderne stadsvilla. Beschermde monumenten Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur in en rondom het plangebied. 4.12.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de

35

locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Parkstraat 3 Voor de verkeersgeneratie wordt er uitgegaan van 8 koopappartementen. Navolgende tabel geeft een overzicht van de verkeersgeneratie volgens de gegevens van CROW (publicatie 381) uitgaande van 'matig stedelijk, rest bebouwde kom'.

Koop, appartement, duur

Verkeersgeneratie per woning 7,1

Aantal woningen 8

Totale verkeersgeneratie 56,8

Parkstraat 5 Voor de woning aan de Parkstraat 5 wordt uitgegaan van de categorie 'koop, huis, twee-onder-één-kap'. In een 'matig stedelijk' gebied in de 'rest bebouwde kom' geldt hiervoor een verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen. In de huidige situatie is het plangebied goed ontsloten. Gezien de relatief lage verkeersgeneratie die de ontwikkeling met zich meebrengt, is de verwachting dat het opgevangen kan worden met de huidige verkeersstructuur. Daarnaast zal er, ten opzichte van het huidige gebruik van het plangebied als kerk en zalencentrum, een aanzienlijke afname van de verkeersgeneratie zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling aan de Parkstraat 3. 4.12.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen.

In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Nota Parkeernormen Rheden 2015 De Nota Parkeernormen Rheden 2015 beschrijft hoe in de gemeente omgegaan wordt met het parkeren. De nota beschrijft voor de meest voorkomende functies de parkeernormen. Daarnaast is van belang dat de parkeernormen en de wijze waarop hieraan uitvoering wordt gegeven, juridisch zal worden verankerd in de vast te stellen bestemmingsplannen. Daarvoor is de Nota Parkeernormen Rheden 2015 het allesomvattende document.

36

Planspecifiek Parkstraat 3 Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt er uitgegaan van 8 koopappartementen. Navolgende tabel geeft een overzicht van de parkeernormen volgens de Nota Parkeernormen Rheden 2015.

Koop, appartement, duur

Aantal parkeerplaatsen per woning 1,4

Aantal woningen 8

Totaal aantal parkeerplaatsen 11,2

Achter het appartementencomplex aan de Parkstraat 3 wordt een overdekt parkeerterrein gerealiseerd met in totaal 16 parkeerplaatsen. De overdekte parkeervoorziening is doormiddel van een inrit aan de zuidzijde van het appartementencomplex vanaf de Parkstraat te bereiken. Hiermee wordt er ruimschoots voldaan aan de parkeerbehoefte van afgerond 12 parkeerplaatsen. Parkstraat 5 Voor de woning aan de Parkstraat 5 wordt uitgegaan van een twee-onder-één-kapwoning. Voor deze categorie geldt een parkeernorm van 1,6. Er is voldoende ruimte op het eigen perceel om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast zal de parkeerdruk in de omgeving zal door het verdwijnen van het kerkgebouw en het zalencentrum afnemen.

37

hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

38

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Tuin De bestemming 'Tuin' is opgenomen voor de gronden aan de oostzijde van het plangebied. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen en voor waterhuishoudkundige voorzieningen, hemelwaterinfiltratievoorzieningen en rioleringswerken, watergangen en waterpartijen, straatmeubilair en andere bijbehorende voorzieningen. Daarnaast zijn de met 'Tuin' bestemde gronden bestemd voor de ontsluiting van direct aangrenzende percelen. Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd evenwel met uitzondering van overkappingen. Wonen De gronden die voorzien zijn van de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor woningen en een beroep aan huis. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - gebouwde parkeervoorziening' zijn de gronden tevens bestemd voor een gebouwde parkeervoorziening. De gronden zijn tevens bestemd voor parkeer- en groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, hemelwaterinfiltratievoorzieningen en rioleringswerken, watergangen en waterpartijen, straatmeubilair en andere bijbehorende voorzieningen, alsmede voor de ontsluiting van direct aangrenzende percelen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

Het aantal woningen per bouwvlak mag niet meer dan 1 bedragen, dan wel het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Een hoofdgebouw mag bestaan uit een onderbouw met niet meer dan twee bouwlagen, tenzij op de verbeelding een ander maximum staat aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen'. Bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gebouwd worden.

39

hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

40

hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met relevante instanties. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

7.2 Participatie Op 23 november 2020 zijn in de middag en avond informatiesessies georganiseerd. In totaal zijn er 56 belanghebenden aanwezig geweest bij de vier sessies. Tijdens de informatie middag/avond is het beoogde plan gepresenteerd. Naast het ontwerp is ook het proces tot nu toe doorlopen. Naast de presentatie van het plan was er ruimte voor vragen. De aanwezige belanghebbenden stelde onder andere vragen over de positie van het gebouw, het aantal appartementen, het gebouw ten opzichte van de Kerk, de prijs van de appartementen en de manier van verwarmen van de appartementen. Slechts één van de aanwezige heeft bezwaar op de positionering van het appartementengebouw. De grote meerderheid van de aanwezigen geeft aan het een fraai plan te vinden. Het plan wordt gezien als een aanwinst voor de buurt.

7.3 Vooroverleg Het plan is op 10 maart 2020 voorgelegd aan de Brandweer Gelderland-Midden. De planlocatie is voldoende bereikbaar voor de brandweer. Tevens valt de werkelijke opkomsttijd van de brandweer binnen de norm zoals die in het Besluit veiligheidsregio's is vastgelegd. Op het gebied van externe veiligheid zijn geen nadere voorwaarden van toepassing. Te zijner tijd zullen eventueel overige ingediende vooroverlegreacties hier van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

7.4 Zienswijzen Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen hier van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=a77c624d-c01f-4b5f-bee6-9b28fa688053