CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[RA23.076] - Visie Water en Riolering 2024 t/m 2028

Commissie Ruimte 24 oktober 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Programma Water en Riolering5.217 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsvoorstel Onderwerp: Vergaderdatum: Documentnr. Corsa.: Case nr. Corsa: Portefeuillehouder:

Visie Water en Riolering 2024 t/m 2028 14 november 2023 RA23.076 Z22002077 de heer P.J.M. van de Noort wethouder

Voorstel 1. De volgende ambities vast te stellen voor het stedelijk watersysteem: a. Kwaliteit op orde; b. Doelmatig en kostenefficiënt beheer; c. Uniformiteit voor inwoners, bedrijven en initiatiefnemers; d. Klimaatrobuuste inrichting van de gemeente; e. Verstevigen van de integrale samenwerking, binnen en buiten de eigen gemeente. 2. Om invulling te geven aan bovenstaande ambities in te stemmen met: a. Risico- en kwaliteitsgestuurd werken; b. Intensiveren van het toezicht op foutaansluitingen; c. Inzicht in het areaal; d. Structurele borging van het beheer; e. Het niet uitvoeren van pilots en het alleen toepassen van nieuwe technieken als deze bewezen zijn; f. De voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater: besparen, vasthouden, bergen, aanpassen, afvoeren; g. Bij de ontwikkeling van (toekomstige) openbare ruimte de waterberging in de openbare ruimte te realiseren en niet op particulier terrein; h. De voorkeursvolgorde aanleg hemelwaterberging, waarbij hemelwaterberging bovengronds de voorkeur heeft boven ondergronds; i. Het beoordelingskader hemelwater: hinder, overlast en schade; j. Het beoordelingskader structurele grondwateroverlast en de normen voor ontwatering; k. Verhogen van de gemeentelijke waterbergingseis voor nieuwbouw van 20 naar 40 mm per m2 verhard oppervlak, zonder compensatie van gesloopte verharding; l. Investeren in waterberging; m.

Intensiveren van het afkoppelen van particuliere woningen en bedrijven; n. Water en bodem sturend werken. 3. In te stemmen met de financiële consequenties van de Visie Water en Riolering 2024-2028 en dit op te nemen in de begroting van 2024 en verder. 4. De Visie Water en Riolering 2024-2028 vast te stellen per 1 januari 2024. 5. Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021 in te trekken per 1 januari 2024. 6. Kennis te nemen van het Programma Water en Riolering 2024-2028. 7. De afschrijvingstermijn van de vrijvervalriolering aan te passen naar 60 jaar. Inleiding De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Dit is nu nog geregeld in de Wet milieubeheer en de Waterwet. Hoe de gemeente omgaat met deze zorgplichten wordt vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP). In november 2021 heeft uw raad besloten om het VGRP 2017-2021 van onze gemeente met 2 jaar te verlengen, tot en met 31 december 2023. Dit bood ruimte om een nieuw plan op te stellen in de geest van de Omgevingswet. Het is nu nog verplicht voor gemeenten om een VGRP op te stellen. Vanaf 1 januari 2024 vervalt deze verplichting met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Wel blijven de zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater bestaan.

Bovendien zijn de taken op het gebied van stedelijk water de laatste jaren verbreed; zo zijn er ook taken op het gebied van klimaatadaptatie bijgekomen. RA23.076

*RA23.076*

1

Het is daarom wenselijk om ter vervanging van het VGRP een programma op te stellen waarin wordt beschreven hoe de gemeente omgaat met haar stedelijk watersysteem. Bovendien moet de rioolheffing onderbouwd worden. Onder de Omgevingswet kan dit door middel van een programma. Het Programma Water en Riolering (PWR) 2024-2028 is daarom ter vervanging van het huidige VGRP vastgesteld door het College van B&W. Het programma is vooral een uitwerking van het beleid en de visie van de gemeente. Een programma wordt daarom dan ook door het College van B&W vastgesteld en is alleen bindend voor de gemeente zelf. Boven dit programma hangen verschillende kaders en visies ten aanzien van water, riolering en klimaat. Het vaststellen van deze visies en kaders is een taak van uw Raad. Daarom wordt de Visie Water en Riolering 2024-2028 aan uw Raad aangeboden ter vaststelling. Deze visie vormt de kaderstellende basis voor het Programma Water en Riolering. Dit past binnen de werkwijze van de Omgevingswet. In de visie worden ook de financiële consequenties van het beleid vastgelegd. Het is aan uw Raad om te beslissen over opname hiervan in de begroting. Argumenten 1.1.

De kwaliteit van het stelsel is slechter dan verwacht. In de vorige planperiode zijn de riolen in alle kernen geïnspecteerd. Hieruit is gebleken dat verschillende delen van het stelsel kwalitatief slechter zijn dan op basis van de leeftijd verwacht had mogen worden. Er zijn ook al enkele incidenten geweest (sinkhole Bernardusweg, verzakking Plonderijen) waardoor wegen tijdelijk afgesloten werden omdat het onderliggende rioolstelsel voor onveilige situaties zorgde. De mechanische riolering in het buitengebied (druk- en vacuümriolering) is al lange tijd niet gerenoveerd en verschillende onderdelen zijn ouder dan de technische levensduur. Hierdoor treden regelmatig storingen op doordat deze onderdelen kapot gaan. Om een goedwerkend en veilig stelsel te garanderen én daarmee ook te voldoen aan de zorgplichten, moet geïnvesteerd worden. Kwaliteit op orde brengen is daarom één van de belangrijkste uitgangspunten.

1.2.1.

De lasten voor de inwoners moeten zoveel mogelijk beperkt worden. Om de kwaliteit van het stelsel op orde te brengen zijn investeringen noodzakelijk. Een stijging van de kosten is onvermijdelijk, maar we willen dit zo doelmatig en efficiënt mogelijk doen om de kosten te beperken. Bij alle werkzaamheden vragen we ons daarom af of dit de meest efficiënte manier en doelmatige manier is. In de praktijk betekent dit dat we niet teveel verschillende systemen gaan beheren en waar mogelijk voor oplossingen kiezen die makkelijk te beheren zijn en waarvan de kosten laag zijn of die passen binnen bestaande beheerprogramma’s.

1.2.2.

Efficiënt en doelmatig beheer verlaagt de personele kwetsbaarheid. Efficiënt en doelmatig beheer betekent onder andere dat beheerprocessen zoveel mogelijk gestroomlijnd worden. Als kleine gemeente zijn we kwetsbaar op het gebied van personeel. Door beheerprocessen te stroomlijnen en zo simpel en efficiënt mogelijk te maken kunnen taken makkelijker worden overgenomen. Hierdoor vermindert de personele kwetsbaarheid.

1.3

Het huidige beleid is op verschillende manieren uit te leggen. Het huidige beleid laat ruimte voor interpretatie: zo ligt de waterbergingseis juridisch niet goed vast en is er regelmatig onduidelijkheid over de compensatie van gesloopt oppervlak als onderdeel van de waterbergingseis. De Visie Water en Riolering heeft als een van de hoofddoelen om duidelijkheid te verschaffen: wat verwachten wij van onze inwoners en andersom wat mogen zij van de gemeente verwachten? Het is nu bijvoorbeeld niet altijd duidelijk wanneer de gemeente ingrijpt bij grondwateroverlast op particulier perceel of bij wateroverlast. Dit schept onduidelijkheid.

1.4

Water, riolering en klimaat zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Veel onderdelen van het stedelijk watersysteem gaan decennia lang mee. Op plekken waar we nu investeren, komen we tientallen jaren niet terug. De levensduur van een straat is gemiddeld 40 jaar, die van de riolering 60 jaar. Ook aan het einde van de levensduur moeten onze systemen nog functioneren en voldoen aan de eisen. Voor het stedelijk watersysteem betekent dit dat extremere buien opgevangen kunnen worden en dat water in droge periodes juist langer vastgehouden wordt. Hierbij moeten we wel breder kijken dan alleen het stedelijk

RA23.076

*RA23.076*

2

watersysteem: ook de inrichting van de openbare ruimte moet klaar zijn voor de toekomst, omdat het watersysteem niet alles meer kan opvangen. Water, riolering en klimaat zijn daarom niet los van elkaar te zien, waardoor klimaatadaptatie een onderdeel vormt van de Visie Water en Riolering. Door ook klimaatadaptatie mee te nemen, zorgen we ervoor dat onze systemen toekomstbestendig zijn en we niet vervroegd de openbare ruimte moeten vervangen, waardoor kapitaalvernietiging ontstaat. 1.5.

Er zijn veel ontwikkelingen op het gebied van stedelijk water. De grenzen van het stedelijk watersysteem stoppen niet daar waar de riolering ophoudt. Ook de interactie met de grote waterlopen, waarvoor het waterschap verantwoordelijk is, is belangrijk voor het functioneren van het stedelijk watersysteem. Daarnaast komt er een steeds grotere claim op de beschikbare ruimte door de vele ontwikkelingen, zoals de waterhuishouding, ruimte voor windmolens, natuurontwikkeling en woningbouw. Dit vergt afstemming tussen disciplines en overheden. Door samen te werken kunnen belangen gecombineerd worden (denk bijv. aan de herinrichting van beeklopen waardoor de biodiversiteit versterkt wordt en water tijdelijk geborgen kan worden), zodat de beschikbare ruimte optimaal verdeeld kan worden. Ook zijn er vele ontwikkelingen gaande op het gebied van nieuwe sanitatie en waterbesparing. Als kleine gemeente kunnen we deze ontwikkelingen niet allemaal intensief volgen. Door samen te werken met andere gemeenten kunnen we van elkaar leren.

2.1.

Risico- en kwaliteitsgestuurd werken helpt om de vervangingsopgave te prioriteren. Er wordt niet meer gekeken naar de leeftijd van het systeem, maar naar de kwaliteit. Als een riool de technische levensduur heeft gehaald wordt deze er niet automatisch uitgehaald als de kwaliteit nog op orde is. Andersom wordt bij riolen die kwalitatief niet meer op orde zijn maar de technische levensduur nog niet hebben bereikt eerder ingegrepen om problemen te voorkomen. Ook wordt er naar het risico gekeken: de kans op problemen hangt bijvoorbeeld af van de diepteligging van het systeem, de belasting van de rijbaan (rijdt er veel zwaar verkeer overheen of ligt het riool in de berm) en de aansluitingen. Ook worden klachten over wateroverlast meegenomen om vervangingen en renovaties te prioriteren. De vervangingsopgave is groot, maar de personele en financiële middelen zijn niet toereikend om alle riolen gelijktijdig te vervangen. Door kwaliteits- en risicogestuurd te werken kunnen vervangingen worden geprioriteerd, zonder dat er grote risico’s ontstaan.

2.2.

Foutieve aansluitingen hebben een negatief effect op de betrouwbare werking van rioolsystemen. De betrouwbare werking van riolen hangt niet alleen af van de kwaliteit. Ook de lozingen op het riool hebben invloed op de werking. Mechanische riolering (druk- en vacuümriolering) is niet geschikt voor de afvoer van hemelwater. Bij hevige regenval leiden aansluitingen van hemelwater tot problemen; pompen vallen uit en dit kan leiden tot wateroverlast in woningen. Hemelwaterriolen wateren af op waterlopen of het water wordt door middel van een wadi of kratten in de bodem geïnfiltreerd. Foutieve aansluitingen van afvalwater op hemelwatersystemen zorgen voor vervuiling van oppervlaktewater en de bodem. Om het systeem goed te laten functioneren, moeten ook de aansluitingen kloppen. We zetten niet alleen in op het opsporen en herstellen van foutieve aansluitingen, maar ook op het voorkomen ervan. Dit doen we door extra in te zetten op toezicht bij nieuwbouw. Voorkomen vooraf is goedkoper dan achteraf herstellen. Bovendien zorgen foutaansluitingen voor extra kosten omdat storingen verholpen moeten worden en pompen extra energie gebruiken. Dit past niet binnen het kader van kostenefficiënt en doelmatig beheer.

2.3.

Inzicht in het areaal is nodig om kostenefficiënt en doelmatig te beheren. In de vorige planperiode is er veel aandacht besteed aan het inmeten van het areaal vrijvervalriolering. Andere voorzieningen, zoals het areaal sloten, duikers en infiltratievoorzieningen zijn minder goed in beeld. Inzicht in het areaal is nodig om goed te kunnen beheren en om de kosten van het beheer inzichtelijk te hebben.

2.4.

Ad-hoc uitvoeren van onderhoud is minder (kosten)efficiënt. Met name het beheer van de vrijverval- en mechanische riolering is structureel geborgd. Dit geldt niet voor bijv. de infiltratievoorzieningen, duikers en sloten. Grootschalig onderhoud is nodig om het functioneren van deze voorzieningen te waarborgen. Als dit niet structureel

RA23.076

*RA23.076*

3

geborgd is wordt ad-hoc, op basis van calamiteit en meldingen, gewerkt. Dit is minder efficiënt, omdat er op basis van elke melding opnieuw een plan van aanpak gemaakt moet worden. Ook kan er op die manier niet geprofiteerd worden van schaalvoordelen als meerdere onderdelen gelijktijdig onderhouden worden. 2.5.

Pilots passen niet binnen het kader van kostenefficiënt en doelmatig beheer. Nieuwe technieken en pilots kunnen een bijdrage leveren aan het klimaatrobuust maken van de gemeente. Echter is er vaak weinig bekend over de levensduur, het onderhoud en de kosten van het beheer van deze nieuwe producten. Er moet bijvoorbeeld een apart onderhoudsprogramma opgestart worden. Dit past niet in het kader van kostenefficiënt en doelmatig beheer. Nieuwe technieken die zich wel bewezen hebben en waarover voldoende informatie bekend is wat betreft het onderhoud en de levensduur worden wel toegepast, mits ze doelmatig en efficiënt beheerd kunnen worden binnen de bestaande systemen.

2.6.

De voorkeursvolgorde besparen-vasthouden-bergen-aanpassen-afvoeren wordt landelijk gebruikt. De voorkeursvolgorde besparen-vasthouden-bergen-aanpassen-afvoeren is landelijk erkend en komt van het Planbureau voor de Leefomgeving. Het dwingt zowel onze eigen gemeente als initiatiefnemers om na te denken over slim watergebruik en past daarmee ook bij het uitgangspunt om de gemeente klimaatrobuust in te richten.

2.7.

Bovengrondse hemelwaterbergingen in de openbare ruimte passen binnen het kader van doelmatig en kostenefficiënt beheer. Indien er openbare ruimte aan de gemeente wordt overgedragen bij gebiedsontwikkelingen, dan dient de hemelwaterberging in de openbare ruimte aangelegd te worden, tenzij dit echt niet anders kan. Door de voorzieningen in de openbare ruimte aan te leggen kan de gemeente het functioneren van de voorzieningen en het benodigde onderhoud coördineren. Op particulier terrein is hier geen toezicht op. Dit kan resulteren in voorzieningen die niet meer naar behoren werken, waardoor problemen ontstaan in het hemelwatersysteem. Daarnaast wordt berging bij voorkeur bovengronds aangelegd. Dit heeft meerdere redenen: bovengrondse voorzieningen zijn makkelijker te beheren en passen daarom beter binnen het kader van doelmatig en kostenefficiënt beheer. Daarnaast dragen bovengrondse voorzieningen bij aan de bewustwording over de omgang met hemelwater.

2.8.

Het beoordelingskader structurele grondwateroverlast en hinder-schade-wateroverlast dragen bij aan duidelijkheid voor onze inwoners en het prioriteren van werkzaamheden in het kader van kwaliteits-en risicogestuurd werken. Inwoners en bedrijven zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van een te hoge of lage grondwaterstand. Indien het een structureel probleem betreft en het doelmatig is, dan heeft de gemeente een zorgplicht. In de wet is dit niet verder gespecificeerd. Door duidelijk te beschrijven wat de gemeente bedoelt met “structurele nadelige gevolgen” is duidelijk waar het risico voor de perceeleigenaar ligt en wanneer de gemeente een zorgplicht heeft. Ook het beoordelingskader hinder-overlast-schade helpt om te beoordelen of de gemeente in dient te grijpen. Straten waar bijvoorbeeld regelmatig schade ontstaat kunnen dan voorrang krijgen in de planning in het kader van risico- en kwaliteitsgestuurd werken.

2.9.

Het aanpassen van de gemeentelijke waterbergingseis past bij de toenemende extremen. De huidige gemeentelijke waterbergingseis gaat uit van 20 mm berging voor elke m2 toename van verhard oppervlak. Dit geldt voor ontwikkelingen kleiner dan 500 m2, ontwikkelingen die groter zijn vallen onder de Keur (dan geldt een eis van 60 mm). Het verhogen van de eis past beter bij het klimaatrobuust maken van de gemeente. Buien van 20 mmm kunnen over het algemeen prima opgevangen worden door de riolering. Een bergingseis van 20 mm draagt wel bij aan het ontlasten van het systeem, maar niet bij grotere extremen. Door het KNMI worden buien boven de 50 mm als extreem gedefinieerd1. 40 mm valt dus nog onder de grens van een extreme bui, maar maakt het watersysteem wel robuuster dan een eis van 20 mm. In vergelijking met omliggende gemeenten (Eersel en Bladel) is een eis van 40 mm nog relatief laag, zij hanteren een eis van 60 mm. Omdat ontwikkelingen onder de 500 m2 vaak relatief klein zijn (1 à 2 woningen) en de ruimte vaak beperkt is, is gekozen voor een verhoging naar

1 https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/uitleg/extreme-neerslag

RA23.076

*RA23.076*

4

40 mm en niet naar 60 mm. De berging moet aangelegd worden voor het totale verharde oppervlak in de nieuwe situatie en niet meer alleen over de toename. Dit voorkomt onduidelijkheid over welk gesloopt oppervlak meegeteld mag worden en maakt het systeem klimaatrobuuster. 2.10.

Door te investeren in waterberging geeft de gemeente het goede voorbeeld en draagt bij aan een klimaatrobuuste inrichting. De hemelwaterriolen brengen het water naar de oppervlaktewateren. Als hier geen berging achter ligt, worden de waterlopen teveel belast tijdens extreme situaties, wat voor overstromingen kan zorgen. Daarnaast kan het water in bergingen infiltreren in de bodem in droge periodes. Hiermee draagt waterberging bij aan een klimaatrobuust watersysteem en kan zowel de extremen van droogte als wateroverlast verminderen. Daarnaast geven we door de aanleg van bergingen het goede voorbeeld: als gemeente eisen we waterberging bij nieuwbouw, maar we hebben momenteel niet voldoende berging om te compenseren voor het verharde oppervlak dat we in onze eigen openbare ruimte hebben.

2.11.

Het afkoppelen van particuliere woningen draagt bij aan een beter werkend en klimaatrobuust watersysteem en past binnen het beoordelingskader hinder-overlast-schade. Bij herinrichtingen waarbij een gescheiden riolering wordt aangelegd, worden de voorzijdes van particuliere woningen ook afgekoppeld en aangesloten op het hemelwaterriool. Dit wordt betaald en gefaciliteerd door de gemeente. Het deelname percentage ligt erg hoog, ondanks dat deelname vrijwillig is. Daarom continueren we deze regeling. In het verleden zijn al gescheiden riolen aangelegd, maar is er weinig aandacht geweest voor het afkoppelen van aangrenzende woningen. Hierdoor werken systemen niet optimaal en is er op sommige plekken sprake van wateroverlast. In deze gebieden willen we als gemeente het afkoppelen van de woningen ook financieren en stimuleren om de overlast te verminderen. Inwoners die het zelf willen doen en niet in een gebied wonen waar de gemeente de woningen afkoppelt, kunnen aanspraak maken op de afkoppelvergoeding. Hierdoor worden onze systemen klimaatrobuuster.

2.12.

Water en bodem sturend is een landelijk erkend uitgangspunt en is daarmee een goede basis voor samenwerking. Zowel Waterschap De Dommel als het Rijk werken ook al volgens de kaders van water en bodem sturend. Dit betekent dat functies komen op plekken waar dat past bij de waterhuishoudkundige situatie. Ingrepen in de waterhuishoudkundige situatie om functies mogelijk te maken proberen we te verminderen. Door als gemeente ook vanuit dit gedachtengoed te werken, kunnen we de samenwerking met andere partijen versterken. Bovendien draagt het bij aan duidelijkheid voor de burger. Door functies te plaatsen waar deze passend zijn bij de waterhuishouding, voorkomen we dure ingrepen en maatregelen die niet passen binnen het kader van kostenefficiënt en doelmatig beheer.

3.1.

De kosten moeten worden opgenomen in de begroting om een totaaloverzicht van de lasten van de gemeente te krijgen. De kosten voor het stedelijk watersysteem worden gedekt uit de rioolheffing en niet uit de algemene middelen. Wel dienen deze kosten in de begroting opgenomen te worden zodat de totale lasten voor de inwoners inzichtelijk zijn.

3.2.

Een deel van de vaste lasten in de exploitatie is toegenomen. Onderdeel van de exploitatie zijn vaste lasten zoals de energiekosten (voor pompen en gemalen) en personele formatie. Door de aanbesteding van een nieuw energiecontract zullen de energieprijzen in 2024 sterk stijgen. Deze stijging is verwerkt in de exploitatielasten. Om invulling te geven aan de ambities, is aanvullende personele formatie nodig. Ook deze kosten zijn opgenomen in de exploitatie.

3.3.

De vervangingsopgave en benodigde investeringen om het stelsel kwalitatief op orde te houden zijn groot. De benodigde kredieten zijn gestegen omdat de vervangingsopgave groot is. Met de kredieten uit de vorige planperiode kon slechts 600 meter riolering vervangen worden per jaar. Dit is te weinig om het stelsel in de planperiode kwalitatief op orde te brengen. Daarnaast investeren we in het afkoppelen van woningen en het toezicht op foutaansluitingen. Secundair leveren

RA23.076

*RA23.076*

5

deze inspanningen een bijdrage aan het klimaatrobuust maken van de gemeente, maar vooral zijn ze nodig om het stelsel kwalitatief goed te laten functioneren. 3.4.

De rioolheffing is de afgelopen jaren niet voldoende gestegen. In het VGRP 2017-2021 is ook rekening gehouden met een stijging van de rioolheffing. Deze stijging is echter niet volledig doorgevoerd. In het begin van de planperiode was de personele bezetting gering, waardoor de uitgaven achterbleven. Een verhoging van de rioolheffing is niet noodzakelijk geacht. Er is daarom ook geen extra geld in de voorziening gestort. Aan het einde van de planperiode zijn investeringen ingehaald en is er juist wel geld uit de voorziening gehaald. Omdat deze niet is aangevuld doordat de rioolheffing niet conform het VGRP 20172021 is gestegen, zit er nu niet voldoende geld in de voorziening om de gestegen lasten (deels) te dekken. Dit heeft een groot effect op de hoogte van de rioolheffing.

4.

De Visie Water en Riolering past binnen de kaders van Omgevingswet. Het opstellen van zowel een Visie als een Programma Water en Riolering past binnen de werkwijze van de Omgevingswet. Uw Raad stelt de kaders vast in de visie en het College werkt deze uit in een programma. Met het vaststellen van de Visie lopen we vooruit om de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet.

5.

Om onduidelijkheid te voorkomen moet het VGRP 2017-2021 worden ingetrokken. Het is niet wenselijk dat er meerdere beleidsplannen maatgevend zijn. Daarom wordt het VGRP 2017-2021 ingetrokken.

6.

Het Programma Water en Riolering is de uitwerking van de Visie Water en Riolering. In het Programma Water en Riolering wordt de visie uitgewerkt in concrete maatregelen. Dit programma is daarmee onlosmakelijk verbonden met de keuzes die uw Raad maakt.

7.

Uit inspectiegegevens blijkt dat de levensduur van het riool gemiddeld meer dan 60 jaar is. In het VGRP 2017-2021 is uitgegaan van een gemiddelde levensduur van 50 jaar voor vrijvervalriolering. In de praktijk blijken riolen langer mee te gaan. Er zijn wel riolen die kwalitatief al slecht zijn voordat de 60 jaar is bereikt, maar dit is incidenteel en heeft vaak aanwijsbare oorzaken (toepassen van kortere buizen, lozingspunten van drukriolering). De overige riolen zijn op basis van de inspecties kwalitatief nog in orde. Als de riolering een langere levensduur krijgt, drukt dit minder zwaar op de lasten.

Kanttekeningen 1. Personele kwetsbaarheid. Voor de uitvoering van de ambities in de Visie Water en Riolering en het Programma Water en Riolering is structureel meer personele formatie nodig. Het gaat om 0,77 fte. Deze kosten zijn opgenomen in de exploitatielasten. Deze extra formatie moet wel ingevuld worden om alle doelen te behalen. De arbeidsmarkt is krap en ook omliggende gemeenten zijn op zoek naar personeel met een gelijk functieprofiel. Indien de extra personele formatie niet ingevuld kan worden, zullen niet alle ambities en doelen behaald kunnen worden. De focus zal dan voornamelijk liggen op de ambitie om een veilig en betrouwbaar watersysteem te beheren. Daarnaast blijft de gemeente kwetsbaar bij het vertrek van medewerkers, zowel op het gebied van water, riolering en klimaat als bij disciplines zoals groen en wegen. Niet alleen gaat er gebiedskennis verloren, ook gaat dit ten koste van capaciteit om projecten integraal op te pakken. 2. Verhoging van lasten voor de burger. Om de kwaliteit van het watersysteem op orde te brengen en te houden, zijn veel investeringen nodig. Er moeten meer riolen vervangen worden en er is meer personele formatie nodig. Daarnaast zijn ook de energiekosten fors gestegen. Er is niet voldoende geld in de voorziening om deze kosten op te vangen. De opbrengsten zullen daarom moeten stijgen, waardoor de rioolheffing verhoogd moet worden. 3.

Onzekere inkomsten door fluctuatie waterverbruik. Uw raad én de deelnemers aan het inwonerspanel hebben eerder de voorkeur uitgesproken om de rioolheffing te baseren op het waterverbruik. Er is gekozen om de heffing te baseren aan het daadwerkelijke drinkwaterverbruik van de gebruikers. De heffingen worden niet

RA23.076

*RA23.076*

6

gestaffeld. Het waterverbruik en de inkomsten zijn gebaseerd op een schatting van het waterverbruik gebaseerd op voorgaande jaren. Er is echter over de jaren een fluctuatie in het waterverbruik te zien, waarbij met name in 2023 het waterverbruik een stuk lager lag. De inkomsten zijn daarom onzeker en lastig in te schatten. Er is een aanname gedaan op basis van het lage waterverbruik in 2023, maar het is mogelijk dat het waterverbruik de komende jaren nog verder daalt gezien de focus op energie- en waterbesparing. 4. Water- en bodem sturend werken legt een claim op de beschikbare ruimte. Het uitgangspunt om water en bodem sturend te maken, de verhoging van de bergingseis en de voorkeursvolgorde voor het infiltreren van hemelwater bovengronds leggen een claim op de beschikbare ruimte. Niet overal kan gebouwd worden en berging bovengronds kost ruimte. Dit kan op gespannen voet staan met andere gemeentelijke eisen, zoals het percentage betaalbare/sociale woningen en de parkeernormen. Deze eisen kunnen ook kostenverhogend zijn voor de initiatiefnemer. 5. Onzekerheid in beleid van andere overheidslagen. De Visie Water en Riolering probeert zoveel mogelijk vooruit te lopen op toekomstige ontwikkelingen, zoals water en bodem sturend werken. Hoe dit principe in de praktijk precies wordt uitgewerkt en wat dit voor het beleid van onze gemeente betekent is nog niet duidelijk.

Zowel het waterschap als het Rijk werken ook met dit principe, met het is op dit moment nog niet duidelijk of de uitwerking van het Rijk en het waterschap aansluiten bij elkaar. 6. Klimaatverandering en extremen. Klimaatverandering en het stedelijk watersysteem zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Om te kijken hoe robuust onze leefomgeving en het stedelijk watersysteem zijn, wordt vaak gewerkt met modelbuien. Deze buien zijn gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten met betrekking tot de toename van weersextremen. Dit blijft echter onzeker. De uitdaging om de gemeente klimaatrobuust in te richten en wat we klimaatrobuust vinden kan daarom in de loop der tijd veranderen. Financiën Als gevolg van de Visie Water en Riolering zullen zowel de exploitatielasten als de benodigde investeringen stijgen. Deels komt dit door een stijging van reguliere, vaste lasten: de energieprijzen zijn gestegen door een nieuw contract. De uitvoering vraagt ook om meer personele formatie: deze lasten drukken ook op de exploitatie. Daarnaast groeien de investeringen in rioolvervanging en renovatie ten opzichte van de vorige planperiode: hierdoor zijn meer kredieten nodig. Ook ambities zoals de aanleg van waterberging, het afkoppelen van particuliere woningen en de intensivering van het toezicht op foutaansluitingen kosten geld.

In tabel 1 zijn de jaarlijkse exploitatiekosten en benodigde investeringen opgenomen.

Exploitatielasten Kredieten Nieuwe kapitaallasten Planperiode 2024-2028 Kapitaallasten verleden

2023 €738.941,€616.972,n.v.t.

2024 €1.196.247,€2.811.729,€66.042,-

2025 €1.155.574,€2.367.144,€145.944,-

2026 €1.168.074,€1.601.435,€187.540,-

2027 €1.185.574,€2.762.113,€233.168,-

2028 €1.148.074,€2.225.464,€285.347,-

€392.025,-

€357.737,-

€356.186,-

€354.635,-

€353.084,-

€349.636,-

Tabel 1. Exploitatielasten en benodigde kredieten in de planperiode 2024-2028.

Deze stijgende lasten en investeringen kunnen niet gedekt worden uit de voorziening riolering, omdat deze te laag is. Dit heeft te maken met een aantal onvoorziene uitgaven in de vorige planperiode (o.a. renovatie van riolen), maar ook omdat het tarief van de rioolheffing afgelopen jaren niet voldoende is gestegen. Conform het VGRP 2017-2021 had de rioolheffing de afgelopen jaren moeten stijgen. Door achterblijvende investeringen, mede een gevolg van de geringe personele bezetting, is een stijging niet noodzakelijk geacht. Het geld dat binnengekomen was door de stijging, maar niet was uitgegeven, had anders in de voorziening gestort kunnen worden. Omdat de stijging niet is doorgevoerd, is er geen extra geld naar de voorziening gegaan. Daardoor is de voorziening nu relatief laag en kunnen de stijgende kosten niet uit de voorziening worden betaald. Een grotere stijging van de RA23.076

*RA23.076*

7

rioolheffing is nu nodig. Het uitgangspunt is dat we de kosten die we nu op ons af zien komen niet afwentelen naar de toekomst. Dit is de afgelopen jaren wel gebeurd doordat de rioolheffing niet voldoende gestegen is. Verder voeren we een solide beleid, waarbij de voorziening positief blijft en de inkomsten en uitgaven op lange termijn met elkaar in balans zijn. De rioolheffing stijgt daarom aan het einde van de planperiode in 2028 met €1 per kubieke meter water (t.o.v. de heffing in 2023). Daarnaast is het gemiddelde waterverbruik per huishouden de afgelopen jaren afgenomen. Om dit dalende gebruik te compenseren is een verdere stijging van de heffing per m³ nodig. Tabel 2 toont het verloop van de stijging.

Rioolheffing (per m³) Stijging t.o.v. 2023

2023 €1,98 n.v.t.

2024 €2,43

2025 €2,88

2026 €2,88

2027 €2,93

2028 €2,98

+€0,45 +€0,90

+€0,90

+€0,95

+€1,00

Tabel 2. Rioolheffing in euro’s per kubieke meter en stijging t.o.v. voorgaande planperiode.

Het gemiddelde waterverbruik in 2023 was 121 m³ per huishouden. De totale heffing bij verschillende verbruikshoeveelheden is opgenomen in tabel 3.

2023 2024 2025 2026 2027 2028

Heffing bij 75 m³ €148,50 €182,25 €216 €216 €219,75 €223,50

Heffing bij 100 m³ €198 €243 €288 €288 €293 €298

Heffing bij 125 m³ €247,50 €303,75 €360 €360 €366,25 €372,50

Tabel 3. Totale kosten rioolheffing bij verschillende hoeveelheden waterverbruik.

Eén-op-één vergelijken van de rioolheffing met de omliggende gemeenten is lastig, omdat zowel Bladel als Eersel een andere heffingssystematiek hanteren. Gemeente Bladel baseert voor woningen het bedrag op het aantal personen in een huishouden. In gemeente Bladel is de rioolheffing in 2023:  3-persoonshuishouden: €260;  4-persoonshuishouden: €285;  5- of meerpersoonshuishouden: €371. Volgens het beleidsplan van gemeente Bladel blijven deze bedragen tot 2026 gelijk. In gemeente Eersel is het bedrag ook gebaseerd op waterverbruik, maar worden staffels met vaste bedragen gehanteerd. De jaarlijkse rioolheffing in 2023 in gemeente Eersel bedraagt:  1-100 m³ waterverbruik: €195,84;  101-350 m³ waterverbruik: €297,36. Deze bedragen stijgen mogelijk licht tot 2027. Vervolg  Het Programma Water en Riolering 2024-2028 is onder voorbehoud van vaststelling van de Visie Water en Riolering 2024-2028 vastgesteld door het College. Nadat uw Raad de visie heeft vastgesteld worden zowel het programma als de visie digitaal bekendgemaakt en gepubliceerd zoals wettelijk voorgeschreven. Pas na publicatie treden beide in werking op 1 januari 2024.  De Visie Water en Riolering moet landen in de Omgevingsvisie van de gemeente. De vigerende Omgevingsvisie gaat op 1 januari 2024 van rechtswege over.

De Visie Water en Riolering 2024-2028 is daarmee nog niet direct een onderdeel van de Omgevingsvisie. De uitgangspunten worden wel overgenomen zodra er een nieuwe Omgevingsvisie wordt opgesteld. Wanneer deze aan uw Raad wordt aangeboden is nog niet bekend.  In december stemt uw Raad over de belastingverordening. De rioolheffing die nodig is om de kosten van het Programma Water en Riolering 2024-2028 te dekken wordt in deze verordening meegenomen.  De waterbergingseis wordt opgenomen in de Verordening op de afvoer van hemel- en grondwater. Deze verordening dient juridisch ook aangepast te worden omdat deze anders niet voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. De verordening gaat vanaf 1 januari 2024 RA23.076

*RA23.076*

8

van rechtswege over in het Omgevingsplan. In december wordt de aangepaste verordening aan uw Raad voorgelegd, zodat de verordening past binnen de kaders van de Omgevingswet. De bergingseis wordt dan ook toegevoegd. Halverwege de planperiode, in 2026, wordt het Programma Water en Riolering tussentijds geëvalueerd. Ook zal, indien noodzakelijk, een financiële herberekening van de daadwerkelijke kosten worden gedaan. Uw Raad wordt hier over geïnformeerd.

Bijlagen Bijlage 1: Visie Water en Riolering 2024-2028 (23.17435). Bijlage 2: Programma Water en Riolering 2024-2028 (23.17543).

het college van burgemeester en wethouders, {{esl: Signer1:Capture:size(200,50)}}

{{esl: Signer2:Capture:size(200,50)}}

dhr. J.P.P.S. Ruyters secretaris

mw. A.J.M.H. van de Ven burgemeester

RA23.076

*RA23.076*

9

Raadsbesluit Vergaderdatum: Onderwerp: Documentnr. Corsa.: Case nr. Corsa

14 november 2023 Programma Water en Riolering 2024 t/m 2028 RA23.076 Z22002077

De raad van de gemeente Reusel-De Mierden; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 oktober 2023

Besluit

De raad voornoemd, de griffier,

de voorzitter,

mw. J.M. van Dongen-Hermans

mw. A.J.M.H. van de Ven

RA23.076

*RA23.076*

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=80274799-95aa-4c9b-8aff-38cf76bca6f7