CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

MER Bijlage 6 PVE Archeologisch.pdf

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan "Stedelijk gebied, herziening woningbouwlocatie Hulsel"19.391 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Archeozoölogische en botanische resten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater pertinent aanwezig is, zijn archeozoölogische en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.8

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

De archeologische resten uit de perioden Paleolithicum tot en met Middeleeuwen worden verwacht beneden het plaggendek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het plaggendek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Aan en direct beneden het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. 4.9

Gaafheid en conservering

Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Door de lage grondwaterspiegel zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische en botanische resten - niet tot slecht geconserveerd zijn en deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijke structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Dit zal het archeologische onderzoek moeten uitwijzen. De onderzoeken uit de buurt hebben aangegeven dat beneden het esdek ten westen van het plangebied plaatselijk een BChorizont is aangetroffen. Waar deze ontbrak lag het esdek direct op de C-Horizont. In de C-horizont zijn de archeologische sporen waargenomen te midden van een sporen van bioturbatie. Ten oosten van het plangebied zij bij gravende onderzoeken zowel intacte esdekken aangetroffen als verstoorde.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 15 van 36

Beneden het esdek is veelal gelijk de C-horizont aangetroffen waarin de archeologische sporen zijn vastgesteld. Deze bodems kunnen in het plangebied ook voorkomen waardoor de kans aanwezig is dat een deel van de sporen is aangetast en dat vondstmateriaal verspreid is geraakt (bij het ontbreken van een E- en B-horizont).

5 5.1

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING Doelstelling

Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. 5.2

Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders

Het in dit PvE omschreven onderzoek is inventariserend van karakter en heeft niet als primair doel voort te bouwen op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Brabants zandgebied. 32 Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 3. Gebruik van het water 5. Sociale en economische differentiatie 6. Emigratie, immigratie, acculturatie 7. De archeologie van het rituele 9. Dodenbestel en grafmonumenten 10. De vroegste bewoning van Nederland 11. Overgang Laat-Paleolithicum - Vroeg-Mesolithicum 12. Neolithisatie proces (‘Neolithisering’) 13. De verankering van het boerenbestaan 14. De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw 16. Overgang Romeinse tijd naar Vroege Middeleeuwen 17. ‘Frankisering’ en kerstening 18. Dorpsvorming 20. De relatie stad – platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens - materiële cultuurrelaties 23. Netwerken en infrastructuur Uit het Paleolithicum en Mesolithicum kunnen in het plangebied sporen van jagers-verzamelaars worden aangetroffen. Het gaat hier om tijdelijke kampementen. Het landschap wordt vanaf het Neolithicum door de mens op diverse wijzen ingericht en gebruikt.

De nalatenschap van deze inrichting en het gebruik daarvan geeft ons de mogelijkheid inzicht te krijgen in het leef- en denkpatroon van de bewoners gedurende de Late-Prehistorie en de Middeleeuwen. De vraagstellingen bij dit thema beslaan een breed geheel. De aandacht bij het onderzoek naar het natuurlijke landschap is vooral gericht op de niet door de mens beïnvloede omgeving, c.q. die aspecten van de natuur die uiteindelijk 32 http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 16 van 36

het menselijk handelen hebben beïnvloed. Bij dit onderzoeksthema staat de ontstaanswijze van het gebied centraal. Er kan namelijk naast de landschappelijke ligging van de vindplaatsen ook een beeld van de ruimere regio verkregen worden. Het onderzoekskader voor het archeologisch onderzoek vormt de gemeentelijke onderzoeksagenda van Reusel-De Mierden die in het kader van het gemeentelijk archeologiebeleid is opgesteld. 33 5.3

Vraagstelling

De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. 5.4

Onderzoeksvragen

5.4.1 Algemeen Bij het Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuvenonderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen een rol te spelen: Inventariserend onderzoek 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? 2. Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? 3. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? 4. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? Karterend onderzoek 5. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 6. In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord? 7. Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en) (licht dit toe)? 8. Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? 9. Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Reusel-De Mierden aanscherpen? 10. Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? 11. Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA, versie 4.1, bijlage IV Waarderen van vindplaatsen.

Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. 5.4.2 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 12. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 13. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid 33 Berkvens, R., 2011: Samenvatting van de NOaA. Eerste opzet voor een onderzoeksagenda voor de Kempen, Eindhoven.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 17 van 36

o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site-patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)? 14. Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie? 15. Wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt? 5.4.3 Middeleeuwse nederzetting Indien er in het plangebied resten van middeleeuwse nederzettingen worden aangetroffen dienen de onderstaande onderzoeksvragen die aansluiten bij het eerdere onderzoek van Archol beantwoord te worden. 16. Welke gebouwen bevinden zich op het erf? Welke type gebouwen komen er in de loop van de tijd voor en welke functie hebben zij gehad? 17. Hoe zien de afzonderlijke gebouwplattegronden er uit? 18. Bevatten de overblijfselen van de hoofdgebouwen en andere sporen uit de VolleMiddeleeuwen gegevens die kunnen duiden op een ruimtelijke indeling van de nederzetting, zoals erven en de erfindeling en gelijktijdigheid van gebouwen (horizontale stratigrafie en dergelijke)? 19. Het eerdere onderzoek van Archol in 2008 geeft aan dat ‘Merovingisch Hulsel’ noordelijker is gelegen dan de Karolingische opvolger.

In hoeverre ondersteunen de resultaten van het proefsleuvenonderzoek in het plangebied deze gedachte? 5.4.4 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 20. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van het onderzoeksgebied (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? 21. Wat is de ouderdom en stratigrafie van het dekzand? 22. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? Is er sprake van een eerddek, oude akkerlaag podzol, etc.? Zijn er fases te onderscheiden in de bodemopbouw? Wat zijn de onderscheidende kenmerken daarvan en wat is de waarschijnlijke datering? 23. Hoe is de stratigrafie in antropogene zin? Is er sprake van loopvlakken, ophogingslagen of cultuurlagen? Wat zijn de kenmerken van de stratigrafische eenheden en wat is de datering? Wat was (waarschijnlijk) het niveau van het maaiveld in de onderscheiden archeologische perioden? 24. Waar bevindt zich binnen het plangebied het esdek? Als esdek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 25. Indien er een esdek wordt aangetroffen. Wat is de dikte en wanneer is dit esdek aangelegd? 26.

Zijn er aan de onderkant van het plaggendek ontginningssporen, zoals spitsporen of esgreppels, aanwezig? Dekt het esdek alle sporen af of zijn er ook sporen gegraven vanuit of door het esdek? Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit het esdek een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming van dit esdek? 27. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 28. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 29. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein?

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 18 van 36

Mochten er in het veld sporen worden aangetroffen die verband houden met de aangetroffen vindplaatsen direct aansluitend aan het plangebied kunnen (indien noodzakelijk) er in het evaluatierapport aanvullende vragen worden opgenomen om de link te leggen met deze vindplaatsen. 5.4.5 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richtten op het eventuele vervolgonderzoek, het is hierbij van belang om te weten of de vindplaats geschikt is voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysischantropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden. 5.5

Aanbeveling

Op basis van de resultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties:  behoud in situ;  definitieve opgraving;  vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen maken.

6 6.1

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN Strategie

In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. De gemeente Reusel-De Mierden beschikt over aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog die voldoende ervaring heeft met onderzoek in het Brabants zandgebied, of in vergelijkbare regio’s, contexten en periodes. In het veld worden de werkzaamheden fulltime uitgevoerd door een Senior KNA-archeoloog als dagelijks wetenschappelijk leider die ervaring heeft met onderzoek op het Brabants zandgebied, of in vergelijkbare regio’s, contexten en periodes, bijgestaan door minimaal een KNA-archeoloog/veldtechnicus. In het onderzoeksgebied worden verspreid in een dambord patroon 18 proefsleuven aangelegd van 20 x 4 meter (zie figuur 11).34 Hiermee wordt 1.440 m2, ongeveer 8 % van het onderzoeksgebied onderzocht.

Op deze wijze wordt verwacht dat er goede uitspraken gedaan kunnen worden over de aanwezigheid en kwaliteit van archeologische waarden. Met de ligging van de proefsleuven is rekening gehouden met de landschappelijke situatie (overgang lage dekzandruggen naar lage zandgron34 In het zuidoostelijk deel van het plangebied zijn twee proefsleuven gepland, Dit is binnen de grenzen van het plangebied dat

het ADC in Archis heeft aangegeven als onderzoeksgebied. Hier hebben echter geen sleuven gelegen waardoor onderzoek hier alsnog noodzakelijk is.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 19 van 36

den naar beekdal). Eveneens wordt verwacht dat mochten de vindplaatsen ten oosten en westen van het plangebied doorlopen in het huidige plangebied ze door het gekozen sleuvenplan blootgelegd zullen worden. Bij het plaatsen van de sleuven is eveneens rekening gehouden met aanwezige bomen en de vorm van het plangebied. Indien noodzakelijk kan er maximaal 360 m² extra proefsleuven aangelegd worden indien van belang en noodzakelijk voor een goede waardenstelling. Deze aanvullende vierkante meters kunnen worden gebruikt om nieuwe sleuven aan te leggen of sleuven te verlengen of te verbreden, bijvoorbeeld om een groter deel van een structuur bloot te leggen, een spoor te vervolgen of om de begrenzing van een vindplaats beter in beeld te brengen. Dit gebeurt alleen in overleg en na goedkeuring van de bevoegde overheid. Het is niet uit te sluiten dat er drie opgravingsvlakken dienen te worden aangelegd (ter hoogte van de akkerlaag onder het plaggendek, het ‘reguliere’ sporenniveau en een dieper laat-paleolithisch niveau) of zelfs meer, afhankelijk van de stratigrafie binnen het plangebied. Het is derhalve zaak de stratigrafie zo spoedig in beeld te brengen. Dit dient te gebeuren door een fysisch geograaf of een vergelijkbare deskundige met voldoende ervaring en kennis van het Zuid-Nederlandse dekzandgebied.

Hij of zij dient twee zaken vast te stellen: a) de ouderdom en stratigrafie dekzand en b) de aan- of afwezigheid van een akkerlaag onder het vermoede esdek. Reeds in het begin van het proefsleuvenonderzoek dient over beide aspecten voldoende duidelijkheid te worden verschaft. Dit dient te gebeuren door van tien verschillende, gelijkmatig over het plangebied verspreid liggende proefsleuven het uiteinde – ongeveer een bak breed - diep uit te graven. In het licht van de voorgenomen bodemingrepen wordt op basis van de profielinformatie het aantal aan te leggen vlakken bepaald. Deze bepaling dient te geschieden in overleg met (de vertegenwoordiger) van de bevoegde overheid en de opdrachtgever. 6.2

Methoden en technieken

Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA versie 4.1. Voorwerk  Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek.  Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed door het aanvragen van een OM-nr.  Het definitieve PvE wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. Veldwerk  Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09.  Verspreid over het terrein worden 18 proefsleuven aangelegd van 20 x 4 meter. Hiermee wordt circa 8 % van het plangebied onderzocht.  Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die ruime ervaring heeft met archeologisch werk. De aanleg van de werkputten en het trekken van het vlak dient door een senior KNA archeoloog begeleid te worden.  Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak.  De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 20 van 36

 Zodra archeologische sporen worden aangetroffen zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. Een tweede, op een hoger niveau gelegen vlak wordt aangelegd, indien hier reeds relevante grondsporen en vondsten (mobilia) worden aangetroffen.  Er wordt uitgegaan van de aanleg van meerdere vlakken.  Voorafgaand aan de aanleg van eehn dieper vlak dienen de sporen in het eerste vlak afgewerkt te zijn tenzij deze in het eronder liggende vlak nog zichtbaar zullen zijn.  Tijdens het proefsleuvenonderzoek worden profiel- en vlakinformatie altijd gecombineerd. Dit houdt in dat profielen niet achteraf worden schoongemaakt, d.w.z. nadat het vlak reeds is onderzocht.  In verband met de mogelijkheid dat de mogelijke vindplaats(en) behouden blijft/blijven, ex situ, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk.  Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd.  Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt.

 De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens.  Er wordt altijd een vlaktekening gemaakt, ook wanneer geen (antropogene, archeologische) grondsporen zichtbaar zijn. Dit betekent dat ook alle recente verstoringen worden geregistreerd. Deze vlaktekening is altijd in het veld aanwezig (ook bij digitaal intekenen). Alle sporen, verstoringen en bodemverkleuringen worden ingetekend en beschreven op de vlaktekeningen. Het puttenplan geeft een overzicht van alle werkputten en het gehanteerde meetsysteem.  Tijdens het onderzoek worden alle vondsten verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. Een uitzondering wordt gemaakt voor vondsten die overduidelijk recent zijn, zoals plastic en bouwmateriaal onversierd (hiervan mag na overleg met (de vertegenwoordiger van) het bevoegde gezag en de depothouder een selectie meegenomen worden).  Alle vlak-/laagvondsten worden in beginsel driedimensionaal ingemeten.

Bij 5 of meer vondsten per m2 en bij vuursteen zelfs twee stuks per m 2, wordt in overleg met het bevoegde gezag gekeken en bepaald of deze verzamelwijze moet worden bijgesteld.Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd. Voor aanleg vondsten uit grondsporen geldt in principe dat de horizontale ligging bij grondsporen tot 1 m doorsnede niet verder wordt gespecificeerd. Voor grondsporen met een diameter van 1 m of meer wordt inzake de vondstverzameling contact opgenomen met het bevoegde gezag. Ditzelfde geldt wanneer (dikke, dat wil zeggen >5 cm) vondstlagen worden aangetroffen.  Stortvondsten worden per proefsleuf onder een vondstnummer verzameld.  Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd.  Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld.  Tijdens de werkzaamheden wordt het vlak vanaf het maaiveld af met een metaaldetector steeds gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen.  De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker.

 Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd.  Daarnaast dient de stort met een metaaldetector te worden onderzocht.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 21 van 36

 Bij het waterpassen van het vlak om de 5 meter, wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de proefsleuven meegenomen.  De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst. Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk.  Alle aanpassingen van het proefsleuvenonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid.  Er wordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid.  Vuursteensites: in het geval vuursteensites worden aangetroffen, dan vindt overleg plaats met de opdrachtgever/bevoegd gezag. Als richtlijn geldt het volgende: Indien in een proefsleuf sprake is van meer dan twee vuursteenvondsten per m 2 bij het laagsgewijs verdiepen van het tussenvlak (vanaf ca 30 – 25 cm boven de C-Horizont), dan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval wordt in de lengterichting van de proefsleuf over een vermoede concentratie een raai van minstens 10 proefvakjes van 0.5 x 0.5 m aangelegd om de 0.5 m.

Deze vakjes worden vanaf het tussenvlak handmatig uitgeschaafd. De grond wordt per laag van 5 cm verzameld en gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Het uitschaven vindt plaats tot een diepte waarop in twee achtereenvolgende lagen geen artefacten meer worden aangetroffen. De raai kan verlengd worden indien de concentratie groter blijkt of zich in een bepaalde richting blijkt voort te zetten. Vervolgens kan, indien blijkt dat het hier om een vuursteenconcentratie gaat, ook in de breedte van de sleuf een raai vakjes over de concentratie worden aangelegd. Van één zijde van de raai worden de profielen van de vakjes getekend, gerelateerd aan een absolute hoogte. Een verdere strategie om de omvang van de concentratie buiten de proefsleuf te bepalen, wordt in overleg met de opdrachtgever/bevoegde overheid bepaald. Bij positieve resultaten wordt het vlak niet machinaal verdiept.  De bouwvoor wordt gescheiden gehouden van de overige grond en als laatste teruggestort.  Na documentatie worden de proefsleuven weer gedicht. 6.3

Omgang kwetsbare vondsten en monsters

Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNALeidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal”. 6.4

Structuren en grondsporen

 Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven).  De sporen worden getekend; de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en wordt de hoogte ten opzichte van NAP bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of Total Station getekend worden.  Er dient te allen tijde een uitdraai van de veldtekening in het veld aanwezig te zijn.  Sporen in het vlak worden gedocumenteerd; de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op daartoe geëigende formulieren, conform KNA versie 4.1.  Om tot een goede waardering van de vindplaats (en beantwoording van de vraagstellingen uit het PvE te komen), dienen in principe alle grondsporen tijdens het IVO-P te worden gecoupeerd en afgewerkt om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Bij een geringe spoordichtheid worden alle geïsoleerde sporen, behalve recente sporen en verstoringen (van na 1950) gecoupeerd. Indien de hoeveelheid grondsporen zeer groot is en/of indien er onmiskenbare

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 22 van 36

     

 

  

 

6.5

gebouwplattegronden/structuren herkenbaar zijn, vindt overleg plaats met het bevoegde gezag over de te volgen strategie. Aangetroffen graven (inhumaties/crematies) worden gedocumenteerd conform KNA versie 4.1, de graven worden niet geborgen. Aangetroffen funderingen, vloeren en water- of beerputten dienen aanvankelijk behouden te blijven. Bij het aantreffen van verstoringen dienen deze te worden verklaard en gedateerd. Er kan, anders gezegd, niet worden volstaan met een duiding van “(sub)recente verstoring”. Na documentatie worden de sporen weer dicht gegooid. De coupes dienen individueel gewaterpast te worden. Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). De vulling van sporen uit de Steentijd dient te worden gezeefd over een maaswijdte van 3 mm. Muurwerk moet worden ingemeten, gefotografeerd en onderzocht op constructieve aard, omvang en ouderdom conform KNA versie 4.1.

Baksteengrootte, metselverband en tienlaagsmaat dient genoteerd te worden, indien aanwezig. Bodemlagen moeten ten opzichte van eventueel muurwerk afzonderlijk worden beoordeeld. Bij putten dient het onderscheid gemaakt te worden tussen water-, afval- en beerputten. Indien de vulling een vondstcomplex bevat, wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld. De verticale positie van vondsten wordt per vulling vastgelegd, behalve als er sprake is van een homogene vulling. In het laatstgenoemde geval wordt de Z-waarde precies bepaald of wordt vastgelegd of materiaal zich bovenin, halverwege of onderin de vulling bevindt. Kansrijke sporen worden bemonsterd. Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. Lichten

Vanaf het moment dat vondstmaterialen herkend worden tijdens het veldwerk begint de fase van het lichten, verpakken, (tijdelijk) opslaan en conserveren. In de meeste gevallen kan het lichten door het veldteam ter plaatse uitgevoerd worden. In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient evenwel een specialist bij de lichting betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden; ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNA-leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de specialist. 6.6

Aardwetenschappelijk onderzoek

Het fysisch-geografisch onderzoek bestaat uit het bestuderen van de profielopbouw door een fysischgeograaf met een specialisatie in zandgronden, waarbij de aandacht is gericht op de opbouw van de bodem. Het profiel dient minimaal de bodemopbouw (bodemkundig en lithografisch) vanaf het maaiveld tot minimaal 0,5 m onder het niveau waarop sporen zichtbaar zijn, gedocumenteerd te

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 23 van 36

worden. Het lengteprofiel wordt beschreven en getekend middels twee meter brede kolomopnames aan het begin en einde van een van de werkput. Bij afwijkende patronen in de bodemopbouw of grondsporen in de putwand (te denken valt aan locale depressies, afvallagen, restanten van oud loopvlak et cetera) wordt het hele profiel getekend en gefotografeerd (schaal 1:20). De profielen worden beschreven en getekend op basis van archeologica, textuur, kleur, structuur en lithostratigrafie. Tijdens het proefsleuvenonderzoek worden profiel- en vlakinformatie altijd gecombineerd. Dit houdt in dat profielen niet achteraf worden schoongemaakt, d.w.z. nadat het vlak reeds is onderzocht. 6.7

Anorganische artefacten

 Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld.  Archeologisch relevante vondsten en/of vondststrooiingen en/of clusters artefacten worden ter plaatse ingemeten en voorzien van een X-, Y-, en Z-waarden.  Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1.  Voor conservering dient de opdrachtgever rekening te houden met een stelpost van € 2.500,-.35  Bij de vondst van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt.  Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van wat er verwacht wordt of kan worden, is overleg nodig tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder, op aangeven van de opdrachtnemer. De depothouder maakt zijn wensen ten aanzien van selectiedeselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide extra kosten aan bod.

De opdrachtnemer wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid. Zo nodig informeert de depothouder (/eigenaar) tevens de depotbeheerder. Binnen twee dagen vanaf het moment van aantoonbaar melden/persoonlijk contact met/bij de depothouder dient een reactie ten aanzien van het wel/niet meenemen van het materiaal door de depothouder te zijn gegeven. Bij het uitblijven van een reactie binnen de afgesproken termijn mogen de overige partijen beslissen of zij het materiaal wel/niet uit het veld meenemen.  Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerende archeologen representatief worden geselecteerd. 6.8 

 

Organische artefacten Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld. Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1. De organische artefacten dienen in het veld op zodanige wijze te worden verzameld zodat ze na determinatie en uitwerking een antwoord geven op de gestelde onderzoeksvragen.

35 Dit is een indicatieve prijs waaraan geen rechten ontleend kunnen worden.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 24 van 36

 6.9 

   

Bij de vondst van bijzondere organische artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking en conservering ter hand genomen wordt. Voor conservering dient de opdrachtgever rekening te houden met een stelpost van € 2.500,-.36 Archeozoölogische en -botanische resten Uit relevante, kansrijke contexten (bijvoorbeeld sporen of vondststrooingen met veel verkoold materiaal en andere paleo-ecologische resten) dienen monsters genomen te worden ten behoeve van analyse door specialisten (archeobotanisch onderzoek). De monsters worden nog niet gezeefd. In overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever zal worden bepaald of analyse van de monsters noodzakelijk is. Monsters worden in de eerste plaats gewaardeerd. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. Deze werkzaamheden dienen als verrekenbare post te worden opgenomen.

6.10 Overige resten Indien mogelijk worden monsters genomen voor micromorfologisch onderzoek, botanisch onderzoek, pollenanalyse, fosfaatbepaling, onderzoek naar diatomée, mijten etc. Deze monsters dienen slechts te worden genomen indien ecologisch veelbelovende sporen worden aangetroffen. 6.11 Dateringstechieken Waar mogelijk en relevant voor de onderzoeksvragen worden uit sporen met houtskool, fosfaatverkleuringen, organische of anderszins opvallende vulling monsters genomen voor 14C of dendrochronologische dateringen en voor botanisch onderzoek. Ongeacht dus of ander vondstmateriaal uitsluitsel geeft over de datering van sporen/lagen. Vaak is dit in het veld namelijk nog niet duidelijk en daarnaast dient een dateringsonderzoek ter verificatie van de determinatie van vondsten die vaak geen scherpe datering opleveren. Indien archeozoölogische resten worden aangetroffen worden deze volledig geborgen en wordt niet volstaan met het nemen van een monster. Wanneer de sporen daartoe geschikt zijn, moeten alle sporen van één en dezelfde structuur bemonsterd worden ten behoeve het verzamelen van macroresten. 6.12 Bouwstenen Een bouwsteen is gedefinieerd als een logische of logistieke informatie-eenheid van de documentatie van een opgraving.

Deze bouwstenen definiëren de wijze van documenteren van de basisgegevens van een specifiek (waarnemings)proces of een specifieke activiteit binnen een archeologisch onderzoek, te weten administratieve (bijvoorbeeld: project en OM-nr.) en ruimtelijk-geografische (de positie en ruimtelijke begrenzing). Een bouwsteen, of een combinatie van bouwstenen, kan bijvoorbeeld de vorm hebben van een analoge (papieren) lijst of veldtekening, maar ook van een digitale databasetabel of een kaartlaag in een CAD- of GIS-toepassing. Van de werkzaamheden in het veld dienen dag- en weekrapporten te worden bijgehouden. Tevens dienen sporen op spoorformulieren, vondsten op vondstformulieren, monsters op monsterformulieren, tekeningen op tekeningformulieren en foto’ s op fotoformulieren te worden geregistreerd.

36 Dit is een indicatieve prijs waaraan geen rechten ontleend kunnen worden.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 25 van 36

6.13 Complexiteit De complexiteit van het archeologisch onderzoek is standaard. De mogelijkheid van het voorkomen van meerdere perioden is het enige dat het onderzoek gecompliceerd kan maken. 6.14 Beperkingen Vanwege het inventariserende karakter van het proefsleuvenonderzoek mogen grotere structuren (bijvoorbeeld beschoeiingen, muurresten en putten) niet verwijderd worden. Door deze beperking kan mogelijk niet op alle onderzoeksvragen een duidelijk antwoord gegeven worden. Het nader uitwerken van materiaalgroepen en het conserveren van artefacten gebeurt nadat er een selectie- en waarderingsrapport is geschreven waarin de voorgenomen uitwerkingen worden verwoord en beargumenteerd. Uiteindelijke uitwerking en conservering wordt in overleg met en na goedkeuring van de opdrachtgever en de bevoegde overheid gedaan.

7

UITWERKING EN CONSERVERING

7.1

Structuren, grondsporen en vondstspreidingen

 De structuren en grondsporen worden zodanig uitgewerkt dat de vraagstelling kan worden beantwoord.  De analyse van de sporen is gericht op het herkennen van structuren, het toekennen van een betekenis aan de individuele sporen en/of structuren, het vinden van patronen in de materiële cultuur en het dateren van de betreffende sporen.  Beschrijving structuren en grondsporen: - verspreiding en diepteligging; - beschrijving aard, fysieke kwaliteit en ouderdom (zo mogelijk).  De aangetroffen lagen, grondsporen en structuren dienen per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen de lagen, grondsporen en structuren te worden meegenomen in de interpretatie en in de conclusie(s).  Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een ‘allesporenkaart’ voorzien van het landelijke coördinatengrid en topografie. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren.  De algemene technische uitwerking omvat het digitaliseren van alle in het veld gemaakte tekeningen, het bewerken van digitale afbeeldingen en het digitale gegevensbeheer. Digitalisering van coupetekeningen mag zo nodig worden uitgesteld tot de wetenschappelijke uitwerking.  Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een ‘allesporenkaart’, of op (bij een complexe stratigrafie) gecombineerde vlaktekeningen.

 Alle vondsten worden gereinigd en primair geanalyseerd (bakselniveau voor keramiek).  Onherkenbare brokken metaal dienen te worden geröntgend.  Paleo-ecologische resten worden gekarakteriseerd-gewaardeerd.  Relevante verspreidingskaarten van vondsten worden opgenomen. 37  Alle foto’s, tekeningen, vondsten, monsters worden geadministreerd. Handgeschreven verslagen worden uitgetikt en gearchiveerd. Overige analoge documentatie wordt gescand en gearchiveerd.

37 Onder ‘relevant’ wordt verstaan dat deze kaartjes de antwoorden op de onderzoeksvragen onderbouwen en inzichtelijk

maken.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 26 van 36

 

  

    

7.2

Alle gekarakteriseerde vondsten, sporen en structuren worden geregistreerd in een digitaal gegevensbestand. In de synthese van de onderzoeksbevindingen wordt de analyse van bodemopbouw, sporen, vondsten en monsters en andere gegevens in logisch verband geplaatst, voorzien van deugdelijke argumentatie, referenties aan de wetenschappelijke literatuur en ondersteund door tabellen, foto’s en tekeningen. In de synthese worden complexen en perioden onderscheiden en in een breder (ten minste regionaal) kader geplaatst. Typechronologische analyse en determinatie van structuren en sites vindt plaats binnen het kader van de archeoregio. Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een ‘allesporenkaart’ voorzien van het landelijke coördinatengrid. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. Tenslotte zal nog een overzichtskaart worden gemaakt van de landschappelijke situatie met de sporen daarop geprojecteerd. Fysisch-geografische analyse (beschrijving bodemopbouw, analyse van gaafheid) vindt zoveel mogelijk plaats binnen de technische uitwerking. In de analyse dient in ieder geval de (paleo)landschappelijke context voor de aangetroffen activiteiten en functies beredeneerd te worden (locatiekeuzeanalyse) en de wisselwerking tussen antropogeen landgebruik en de vorming van het landschap.

Analyse van paleo-ecologische resten vindt plaats volgens het vastgestelde evaluatierapport. Het beeldmateriaal dient de locatie van het onderzoek, de werkwijze en de bevindingen te illustreren. Niet gepubliceerd beeldmateriaal wordt bij de documentatie op CD-ROM of DVD gevoegd. Tekeningen van (in principe) alle (gecombineerde) vlakken, profielen, structuren, belangrijke individuele sporen (vlak en coupe), overzichtstekeningen, analytische en interpretatieve tekeningen en kaarten, foto’s en graphics worden voor publicatie gereed gemaakt; evenals foto’s en tekeningen van relevante objecten. Kaarten, vlak-, profiel- en coupetekeningen worden van een legenda voorzien, verwijzend naar gehanteerde kleur of arcering of andere code (bijvoorbeeld nummers van lagen). Op alle tekeningen van een horizontaal vlak worden op regelmatige plaatsen NAP-hoogten gezet. In profieltekeningen moeten x, y, z-waarden in RD-coordinaten en NAP worden aangegeven met het oog op de aansluiting met vlaktekeningen en aangrenzende profielen. In profieltekeningen worden de niveaus van de aangelegde vlakken aangegeven. Met gekleurde (contour)lijnen, pijlen en tekst worden foto’s van profielen, complexe structuren e.d. verduidelijkt. Analyse aardewetenschappelijke gegevens

Aardwetenschappelijke analyse vindt indien mogelijk plaats in het veld op basis van het bestudeerde profiel. Deze analyse zal in de regel worden uitgevoerd door de KNA-archeoloog. De veldgegevens van het vlak en de profielen moeten uitgewerkt worden in tekeningen en kaarten met een overzichtelijke codering conform KNA versie 4.1. De bodemlagen moeten duidelijk worden aangegeven in de profielen met daaraan gekoppeld een (globale) datering. 7.3

Anorganische artefacten

 De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën.  De anorganische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. • Aardewerk: determinatie per periode, eventueel op type. • Natuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig/gebruikstype. • Metaal: op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 27 van 36

 Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd.  Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt.  Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd.  Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken.  Niet te determineren metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context worden gevonden, worden geröntgend ten behoeve van de determinatie, selectie (i.v.m. mogelijke conservering) en screening van de inhoud.  De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. 7.4 

  

7.5 

 

 

7.6

Organische artefacten Organische artefacten worden door specialisten geanalyseerd tot op het niveau dat noodzakelijk is om de vraagstelling uit het PvE te beantwoorden. • Bewerkt hout (artefacten en constructiehout): determinatie op houtsoort, artefacttype, beschrijving van bewerkingssporen, eventueel datering. • Bot: determinatie op diersoort, botelement, artefacttype, eventueel datering. Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). Vondsten worden beschreven en gewaardeerd. De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. Archeozoölogische en -botanische resten Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking archeozoölogische en botanische resten worden gesteld, wordt verwezen naar de KNA versie 4.1. In aanvulling daarop, wanneer het voor het onderzoek relevant is, worden van dateerbare (grond)sporen met mogelijk goed geconserveerd archeologisch materiaal en van relevante vondstlagen (bijvoorbeeld uit beerputten) monsters genomen voor botanisch, 14C, dendrochronologisch en paleo-ecologisch onderzoek.

Van de kwalitatief goede grondmonsters zal een specialist samen met de KNA-archeoloog de monsters scannen op potentie in relatie tot de beantwoording van de vraagstelling. Na afloop van het veldwerk zal in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden vastgesteld welke monsters dienen te worden geanalyseerd. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden. Het specialistenrapport dient (integraal) in de eindrapportage te worden opgenomen en geïntegreerd te worden in beantwoording van onderzoeksvragen en synthese van het onderzoek. Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.)

De beeldrapportage van de uitwerking bestaat (minimaal) uit de volgende afbeeldingen:  Uitsnede topografische kaart met de onderzoekslocatie.  Kaarten met de ligging van het plangebied en de belangrijkste structuren en grondsporen.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 28 van 36

 Allesporenkaart (ASK), weergegeven per periode geprojecteerd op relevante historische kaarten.  Eventueel coupetekeningen en/of foto’s.  Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid).  Toevoegen indien relevant: een afbeelding van het plangebied met daarop weergegeven de zones die in aanmerking komen voor behoud in situ/vervolgonderzoek en/of vrijgave.

8 8.1

RAPPORTAGE Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eind-/tussenrapport

 Direct aansluitend aan het veldwerk dient met de uitwerking van de veldgegevens worden begonnen.  Indien archeologische waarden zijn aangetroffen dient er een uitwerkingsplan te worden opgesteld, met kosten van eventueel meerwerk. Dit plan dient voorgelegd te worden aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid ter goedkeuring.  Binnen zes weken na einde van het veldwerk of de goedkeuring van het uitwerkingsplan dient een conceptrapport te worden opgeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken, in het bijzonder wanneer analyse van vondstmateriaal meer tijd vraagt. 8.2

Procedure toetsing eind-/tussenproduct door bevoegd gezag

Opdrachtgever en bevoegde overheid ontvangen ieder één exemplaar van het conceptrapport ter keuring. De op- en aanmerkingen van beide partijen dienen te worden verwerkt en leiden tot de definitieve versie van het rapport. 8.3

Inhoud eind-/tussenrapport

Het rapport dient minimaal de volgende onderdelen te bevatten.  Een korte samenvatting van de resultaten van het voorgaand onderzoek.  Een paragraaf waarin staat vermeld wat voor soort plan het betreft, welke ontwikkelingen er gaan plaatsvinden en tot welke diepte verstoring gaat plaatsvinden en in welke fase van de planprocedure het plan zich bevindt.  Een overzichtskaart - met landelijke coördinaten - met de begrenzingen van het plangebied (minimaal 1:25.000).  Een gedetailleerde (overzichts)kaart - met landelijke coördinaten - met de ligging van de proefsleuven (en de eventuele opgraving), waarop de hoofdstructuren van de archeologische sites herkenbaar staan aangegeven.  Een kaart van het plangebied waarop: o het areaal van de archeologische sites staat aangegeven (indien van toepassing); o het areaal van verstoorde bodemprofielen in het plangebied staat aangegeven (indien van toepassing).  Een paragraaf met (verantwoording) methode en technieken.  Een paragraaf met de vraagstelling en de doelstelling van het archeologisch onderzoek.  Een paragraaf over eerder gedane archeologische vondsten in het plangebied of in de nabijheid van het plangebied.  Een paragraaf over de fysische geografie van het plangebied.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 29 van 36

 De resultaten van het onderzoek dienen te worden geleverd in de vorm van een standaardrapport inclusief vlaktekeningen (zie hieronder) en indien noodzakelijk profieltekeningen, vondstenlijsten (zie hieronder), sporenlijsten (zie hieronder) en monsterlijsten.  De vlaktekeningen van de proefsleuven - met landelijke coördinaten - waarop de grondsporen (uitgesplitst naar periode) herkenbaar staan afgebeeld inclusief hun nummer.  Relevante coupetekeningen en/of foto’s.  De vondstenlijst waarin per archeologisch artefact (AF) staat aangegeven: 1. het spoor waarin het AF is aangetroffen, 2. de conserveringstoestand van het AF (verbrand, vorst schade, geërodeerd, et cetera), 3. de determinatie, 4. de datering van het AF en 5. een beschrijving van het AF (l. x b. x h., baksel/materiaal, versiering, bewerkingssporen, etc.).  De sporenlijst waarin staat aangegeven: 1. het soort spoor, 2. de (conserverings-)toestand van het spoor, 3. de datering van spoor en 4. welke vondstnummers er in aanwezig zijn.  Een paragraaf van vindplaatsbeschrijvingen met daarin in ieder geval de volgende thema’s: de omvang en ligging, de datering, de vondstomstandigheden, de aard van de vondsten, de conservering en de diepteligging.  Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten.  De eventuele beperkingen van de toegepaste methode.

 Een paragraaf met de antwoorden op de onderzoeksvragen  Een waardering van de nieuwe sites volgens de KNA versie 4.1.  Een paragraaf met conclusies en aanbevelingen ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek. 8.4

Verschijning en oplage eindrapport en/of specialistisch deelrapport

 Het rapport wordt uitgegeven door de uitvoerende instantie en in de huisstijl van deze instantie.  Van het conceptrapport wordt één exemplaar aan de opdrachtgever geleverd en één exemplaar aan de bevoegde overheid. De opdrachtgever wordt in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren op de rapportage. De bevoegde overheid zal het rapport toetsen aan het PvE en de KNA 4.1.  Na verwerking van eventuele op- of aanmerkingen wordt het definitieve rapport aan de opdrachtgever opgeleverd.  De rapportage wordt uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van opmerkingen door de bevoegde overheid definitief opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken.  De resultaten van het onderzoek dienen een brede toegankelijkheid te krijgen. Na het verwerken van opmerkingen zal het eindrapport digitaal worden verstuurd aan de Gemeente Reusel-De Mierden, de adviseur van de gemeente, het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant, de Provincie Noord-Brabant, het RCE, Heemkundige Kring De Mierden en de Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland (AWN23). Een digitaal rapport wordt toegezonden aan de redactie van de Archeologische Kroniek van Noord-Brabant p.a. Archeologische Sectie van het Noordbrabants Genootschap (http://www.noordbrabantsgenootschap.com/kroniek.html).

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 30 van 36

9

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING

9.1

Selectie materiaal voor uitwerking

 De selectie van vondsten en monsters wordt gedaan in het licht van de vraagstelling, onder verantwoording van de Senior KNA-archeoloog. De gemaakte selectie wordt in het evaluatierapport beschreven.  Er dient beargumenteerd te worden welk materiaal niet onderzocht (hoeft te) word(en). Dit gebeurt in samenspraak met de opdrachtgever, bevoegde overheid en de depothouder.  Na goedkeuring van het evaluatierapport vindt de wetenschappelijke uitwerking plaats, waarbij materiaal- en andere specialisten worden ingeschakeld, eventueel laboratoriumonderzoek plaats vindt, objecten worden getekend en gefotografeerd en geconserveerd. De resultaten van het veldwerk worden geanalyseerd. Vondsten en monsters worden verder gewaardeerd en geanalyseerd en de gegevens worden verwerkt in teksten en in een database. 9.2

Selectie materiaal voor deponering en verwijdering

Alle organische en anorganische artefacten die hiervoor in aanmerking komen, zoals houten en leren objecten en metalen voorwerpen, dienen te worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken met instemming van de eigenaar van de vondsten, de provincie. De Senior KNAarcheoloog kan een voorstel tot de selectie maken, waarin hij op onderbouwde wijze aangeeft, waarom bepaalde voorwerpen niet hoeven te worden gedeponeerd. Als het depot daarmee instemt kunnen deze voorwerpen verwijderd worden. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden hoeven niet geconserveerd te worden.  Tijdelijke opslag van geselecteerde vondsten dient zo te geschieden dat de kwaliteit ervan niet achteruit gaat.  (Eerste) selectie vindt plaats door de uitvoerende instantie (Senior KNA-archeoloog, dan wel materiaalspecialist). 9.3

Selectie materiaal voor conservering

 In overleg met de bevoegde overheid wordt bepaald welke voorwerpen voor conservering in aanmerking komen.  Voor de conservering gelden bovendien de aanleveringseisen van het Archeologisch Depot van de provincie Noord-Brabant.

10

DEPONERING

10.1 Eisen betreffende depot 

Alle vondsten zijn vanaf het moment van vinden eigendom van de provincie (Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten), tenzij zij gedaan zijn in een gemeente met een eigen erkend depot (zie ook Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten) dan wel van de Staat indien zij buiten het grondgebied van enige gemeente zijn gevonden. In deze gevallen valt het eigendom toe aan respectievelijk gemeente of Staat. De projectleider kan na de uitwerking het depot voorstellen een deel van de vondsten te selecteren voor definitieve verwijdering uit de collectie, mits wetenschappelijk verantwoord en op advies van een deskundige specialist. De selectie dient representatief te zijn voor het geheel van het verzameld materiaal binnen de aangetroffen materiaalcategorie. Het is wenselijk om van het materiaal dat wordt verwijderd be-

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 31 van 36

paalde basisinformatie te registreren (zoals aantal, gewicht etc.), alvorens het te deselecteren. Deze representatieve selectie maakt deel uit van het selectierapport en dient altijd ter goedkeuring voorgelegd worden aan depothouder (/eigenaar). Het is aan de beheerder van het depot om over de definitieve verwijdering te beslissen. Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerend archeologen representatief worden geselecteerd.  Opgegraven vondstcomplexen (onderzoeksdocumentatie en vondsten) worden zo compleet mogelijk aangeleverd.  De vondsten, monsters en documentatie dienen binnen een periode van 2 jaar na afronding van het veldwerk te worden overgedragen aan het Archeologisch Depot van de Provincie Noord-Brabant, conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA versie 4.1.  De (eind)resultaten van het onderzoek worden verwerkt in ARCHIS. 10.2 Te leveren product Eind-/tussenproduct is een rapport volgens de vigerende versie van de KNA-specificatie volgens onderstaande bepalingen in dit hoofdstuk van dit PvE. Bij het eindproduct hoort een bewijs (af te geven door de ontvangende instantie) van overdracht van vondsten en documentatie.

10.3 E-depot Conform KNA versie 4.1 wordt ook een digitale versie van het rapport aangeleverd aan en opgenomen in het zogenaamde E-depot onder vermelding van het onderzoeksmeldingsnummer.

11

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN

11.1 Personele randvoorwaarden 

 

Het onderzoek moet worden verricht door een daarvoor gecertificeerd bedrijf conform BRL 4000 en de protocollen 4003 en 4004, onder leiding van personeel dat in het beroepsregister is ingeschreven. Het team dat het onderzoek uitvoert staat fulltime onder leiding van een Senior KNA-archeoloog als projectleider, met ervaring met voldoende onderzoeken in het Brabants zandgebied, of in vergelijkbare regio’s contexten en periodes. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door een Senior KNA-archeoloog die fulltime in het veld aanwezig is, als dagelijks wetenschappelijk leider, met ervaring met onderzoeken in het Brabants zandgebied, of in vergelijkbare regio’s contexten en periodes, en minimaal een veldtechnicus/KNA-archeoloog. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een medewerker met ervaring. De door de archeologisch uitvoerder in te zetten functionarissen zoals Projectleider, KNAarcheoloog en specialisten dienen over aantoonbare kennis te beschikken over nederzettingen en vondstmateriaal van de aan te treffen archeologische periode(n). De graafwerkzaamheden worden uitgevoerd door een kraanmachinist met aantoonbare ervaring op de Brabantse zandgronden. Indien deze niet voorhanden is, dient de machinist te worden begeleid door een Senior KNA-archeoloog. De veldploeg dient qua samenstelling te voldoen aan de KNA versie 4.1.

Dit is minimaal een Senior KNA-archeoloog / KNA-archeoloog Ma en een KNA-archeoloog Ba / Senior veldtechnicus. Een fysisch-geograaf met een specialisatie in Brabantse zandgronden wordt ingezet voor de interpretatie van bodemprofielen bij het proefsleuvenonderzoek.

PvE 9028.005 versie C2

Pagina 32 van 36

 De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische en archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden.  Zowel voor veldwerk als voor de uitwerking, conservering en rapportage is de aanwezigheid van een Senior KNA-archeoloog en een specialist met periode-/materiaal- of gebiedspecifieke kennis en/of ervaring vereist.  Uitwerking en rapportage dienen te geschieden door materiaal- en diachrone-specialisten (zoals fysisch-geograaf, fysisch-antropoloog, aardewerkdeskundige, archeozoöloog, archeobotanicus) met aantoonbare ervaring op het gebied van de door hen te onderzoeken materiaalgroep/categorie. 11.2 Overlegmomenten Indien tijdens het veldwerk sporen, structuren of vondsten worden aangetroffen waarvan de aard, omvang of complexiteit niet voorzien was, wordt direct contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Er vindt dan op korte termijn een bijeenkomst plaats, waarop de archeologisch uitvoerder, de opdrachtgever en de bevoegde overheid een vervolgstrategie bepalen. 11.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie  Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA versie 4.1 en dit PvE. In alle gevallen waarin dit PvE niet voorziet, zijn de procesbeschrijvingen en specificaties in de KNA versie 4.1 van toepassing.

 Het veldwerk wordt uitgevoerd onder leiding van een Senior KNA-archeoloog als eindverantwoordelijke betrokken bij het project.  Ten aanzien van de conditie, kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden. De KNA-archeoloog neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is.  Na afloop van het veldwerk wordt een kort (telefonisch) overleg gehouden met de opdrachtgever over de resultaten.  Te deponeren vondsten en monsters worden ingekrompen tot een minimale hoeveelheid benodigd voor herinterpretatie en/of uitgebreider onderzoek, gebaseerd op wetenschappelijke criteria.  De start van het archeologisch onderzoek dient een week van tevoren gemeld te worden bij de bevoegde overheid en diens adviseur de ODZOB. 11.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen De externe communicatie rondom het archeologisch onderzoek ligt geheel in handen van de opdrachtgever. Vanuit de archeologisch uitvoerder zal alle medewerking worden verwacht voor het verschaffen van inhoudelijke informatie die voor de externe communicatie van belang kan zijn. Indien het wenselijk wordt geacht dat er een informatiemoment wordt georganiseerd en de inzet vanuit de archeologische uitvoerder hiervoor niet vanuit de verleende opdracht is te realiseren, dan worden hiervoor eerst aanvullende afspraken gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=4110570c-0d00-437e-b752-15e36845de03