KH fase II - bijlagen bij toelichting en regels - gecomprimeerd
Tekst van het document
1.3.1
M.e.r.-(beoordelings)plicht op basis van toetsing Besluit m.e.r.
Conclusie Het project Kleine Hoeven fase II leidt wel tot een project-m.e.r.beoordelingsplicht op basis van bijlage D van het Besluit m.e.r. Toelichting op conclusie Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Voor een aantal activiteiten geldt een zogenoemde m.e.r.-plicht (Bijlage C in het Besluit m.e.r., ook wel Clijst genoemd). Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor andere activiteiten geldt dat zij afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben (Bijlage D in het Besluit m.e.r., ook wel D-lijst genoemd). Voor deze laatste activiteiten geldt een zogenaamde m.e.r.beoordelingsplicht. De onderhavige activiteit valt te scharen onder activiteit D11.3 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, zie tabel 1.1.
D 11.3
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein .
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Tabel 1.1 | Activiteiten D 11.3 uit het Besluit milieueffectrapportage (bekeken d.d. 08-07-2022)
Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante (indicatieve) drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Daarbij kunnen de volgende situaties zich voordoen (zie ook figuur 1.2): 1. Een project zit boven drempelwaarde van een activiteit uit de C-lijst. In dat geval geldt een rechtstreekse m.e.r.-plicht voor plannen en besluiten uit kolom 3 en 4.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
6/39
2. Een project zit onder de drempelwaarde van een activiteit uit de C-lijst, maar boven de drempelwaarde van een activiteit uit de D-lijst. In dat geval geldt voor een plan dat is aangewezen in kolom 3 een directe m.e.r.-plicht. Voor besluiten die zijn aangewezen in kolom 4 geldt een formele m.e.r.beoordelingsplicht. 3. Een project blijft onder de drempelwaarde van de activiteit uit de D-lijst. Voor die projecten moet via een (‘vormvrije’) m.e.r.-beoordeling worden bepaald of een MER nodig is. Figuur 1.2 | Schematische weergave m.e.r.-beoordeling (Kenniscentrum InfoMil)
Het planvoornemen leidt niet tot een overschrijding van de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.. Aangezien de uitbreiding van bedrijventerrein Kleine Hoeven fase II een oppervlakte van circa 71.000 m2 (7,1 hectare) betreft (waarvan circa 47.000 m2 of 4,7 ha uitgeefbaar), valt dit planvoornemen onder de drempelwaarden van activiteit D11.3. Er dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als is vastgesteld dat belangrijk nadelige gevolgen zijn uitgesloten, geldt voor de activiteit geen m.e.r.- plicht.
1.3.2
M.e.r.-(beoordelings)plicht op basis van passende beoordeling
Conclusie Het project Kleine Hoeven fase II leidt op grond van artikel 7.2a lid 1 Wet milieubeheer in principe niet tot een PlanMER-plicht. Er is namelijk geen noodzaak voor het uitvoeren van een passende beoordeling. De wetgeving rondom de mogelijke effecten op stikstofgevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden is momenteel echter dynamisch. Wanneer hierin veranderingen optreden die toch leiden tot een PlanMER-plicht, dan is er een mogelijkheid om op basis van artikel 3 Besluit m.e.r. te volstaan met een planm.e.r.-beoordeling. Daarom is er voor gekozen om in deze aanmeldingsnotitie ook de informatie op te nemen die nodig is voor een plan-m.e.r.-beoordeling. Daardoor kan, indien dit later nodig blijkt te zijn, gebruik worden gemaakt van artikel 3 Besluit m.e.r. Toelichting op conclusie Volgens art. 7.2a lid 1 Wet milieubeheer zijn plannen die volgens een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht zijn en waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt plan-m.e.r.-plichtig. Er is naar verwachting sprake van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebied als gevolg van de ontwikkeling. Daarom is gekozen om een ecologische beoordeling uit te voeren om te bepalen of de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden niet in het geding komen.
Uit de ecologische beoordeling is gebleken dat er geen sprake is van significant negatieve effecten en dat een passende beoordeling niet nodig is. Er geldt daardoor in eerste instantie voor deze activiteit dan ook geen plan-m.e.r.-plicht.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
7/39
De wetgeving en jurisprudentie rondom stikstofdepositie op Natura 2000gebieden is echter dynamisch. Wanneer hieruit later naar voren komt dat er toch een passende beoordeling nodig is, zou daaruit alsnog een plan-m.e.r.plicht kunnen ontstaan. In dat geval kan worden teruggevallen op artikel 3 Besluit m.e.r. Hierop wordt hieronder een toelichting gegeven. Artikel 3 Besluit m.e.r. Artikel 3 van het Besluit m.e.r. (Bm) regelt dat er geen directe m.e.r.-plicht geldt ‘bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt’ (artikel 7.2a, lid 1 Wet milieubeheer). Artikel 3 Bm bevat daarvoor afwijkingsregels in welke gevallen je kunt volstaan met een m.e.r.-beoordeling. Dit betreft de situatie waarin het een ‘klein gebied’ betreft (nader gedefinieerd in artikel 3, lid 1 onder a) of een ‘kleine wijziging’ van een bestaand plan (artikel 3, lid 1 onder b). Anders gezegd: als je alléén een MER moet opstellen omdat je (veelal op basis van stikstofdepositie, maar ook voor soortenbescherming) een passende beoordeling moet opstellen, dan kun je nu op basis van deze regeling volstaan met een m.e.r.-beoordeling. In bijlage 1 van deze aanmeldingsnotitie is artikel 3 opgenomen.
Klein gebied In voorliggend geval is ons inziens sprake van een ‘klein gebied’ in de zin van artikel 3 lid 1a onder 2°. Dit wordt nader onderbouwd in bijlage 1 van deze aanmeldingsnotitie. Om te bepalen of er sprake is van een ‘klein gebied’ geldt op dit moment als enige referentie een uitspraak van de Raad van State2 van december 2022 en een uitspraak van het Hof van Justitie EU3 van september 2016. Uit de overwegingen van de Afdeling kan worden afgeleid dat wanneer een bestemmingsplan niet meer dan 1% van het grondgebied van de gemeente omvat, dat plan betrekking heeft op een klein gebied. In een eerdere uitspraak van het Hof was nog uitgegaan van een percentage van 5% van het grondgebied van het bevoegd gezag. Het gaat in beide gevallen om een zuiver kwantitatief criterium, namelijk de oppervlakte van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft, ongeacht de milieueffecten. De gemeente Reusel – De Mierden kent een landoppervlak van 78,66 km2. Met een oppervlak van het bestemmingsplangebied van circa 7,1 ha (0,07 km2) is er sprake van een gebied ter grootte van 0,09% van het oppervlak van het lokale bestuursniveau. Verder is in paragraaf 1.3.1 reeds geconstateerd dat de voorgenomen activiteit qua oppervlak ruimschoots onder de drempelwaarde van de D-activiteit zit. Daarmee is ons inziens sprake van een ‘klein gebied’.
Kleine wijziging Er is zowel in de wet als in de Memorie van Toelichting geen nadere definitie van wanneer sprake is van een ‘kleine wijziging’. Wel is er uit het verleden jurisprudentie beschikbaar van de Afdeling bestuursrechtspraak over de vraag of en zo ja wanneer een (project-)MER nog mag worden gebruikt, indien het project na het gereedkomen van het MER een wijziging heeft ondergaan.
2
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 21 december 2022, bestemmingsplannen reconstructie N65 gemeente Vught. (punt 33) 3 HvJ EU 8 september 2016, C-444/15, ECLI:EU:C:2016:665 (punt 68)
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
8/39
Uit die jurisprudentie komt in de kern naar voren dat wanneer de afwijking van een project (ten opzichte van de in het MER beschreven alternatieven) niet substantieel of wezenlijk is, er gebruik kan worden gemaakt van het bestaande MER. Er is (onder omstandigheden) bijvoorbeeld geen sprake van substantiële of wezenlijke afwijking als in plaats van een kruising een viaduct wordt aangelegd of wanneer de as van een wegtracé met ruim 100 meter verschuift4. Aangezien het in voorliggende casus gaat om een bestemmingsplanwijziging waarvoor in een groot deel van het bestemmingsplangebied sprake is van een wijziging van de gebruiksfunctie, is het op voorhand niet aannemelijk dat hier sprake is van een kleine wijziging. Geen aanzienlijke milieueffecten Uit voorliggende aanmeldingsnotitie en de plan-m.e.r.-beoordeling die daarmee moet worden uitgevoerd, moet blijken dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Zie hiervoor paragraaf 5.2. Conclusie artikel 3 Besluit m.e.r. Je kunt gebruik maken van de mogelijkheid uit artikel 3 Besluit m.e.r. als er sprake is van een ‘klein gebied’ of een ‘kleine wijziging’ waarbij geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Voor dit project kan worden onderbouwd dat er sprake is van een ‘klein gebied’.
Dat betekent dat – wanneer voor dit project in de toekomst toch een passende beoordeling nodig blijkt te zijn – voor dit project middels een plan-m.e.r.-beoordeling onderbouwd kan worden dat er geen sprake is van belangrijk nadelige effecten. Voorliggende aanmeldingsnotitie biedt in dat geval de informatie waaruit moet blijken of er sprake is van belangrijk nadelige milieueffecten. Vooruitlopend op de resultaten van de aanmeldingsnotitie, wordt gesteld dat indien nodig gebruik gemaakt kan worden van artikel 3 van het Besluit m.e.r.
1.3.3
M.e.r.-(beoordelings)plicht op basis van provinciale milieuverordening
Conclusie Het project Kleine Hoeven fase II leidt niet tot een directe m.e.r.plicht op basis van de provinciale milieuverordening van Noord-Brabant. Toelichting op conclusie Tot slot is er nog de mogelijkheid dat er in de provinciale milieuverordening activiteiten zijn benoemd die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Dit laatste is voor deze situatie niet het geval.
1.3.4
Conclusie toetsing m.e.r.-(beoordelings)plicht
Voor de voorgenomen activiteit moet een project-m.e.r.-beoordeling (op grond van de D-lijst van het Besluit m.e.r.) worden uitgevoerd. Omdat wetgeving en jurisprudentie rondom stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dynamisch is, wordt ook rekening gehouden met een eventuele plan-m.e.r.-beoordeling in de toekomst. De informatie die voor beide m.e.r.-beoordelingen nodig is staat in deze aanmeldingsnotitie.
4
Zie AbRvS 3 december 2008, JM 2009/14 (tracébesluit capaciteitsuitbreiding Coentunnel) en AbRvS 24 maart 2010, JM 2010/86 (tracébesluit omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen). Wat betreft bestemmingsplannen wordt bijvoorbeeld gewezen op AbRvS 18 juli 2012, nr. 201103110/1/R3 (bestemmingsplan ‘Zilverbaan, 2e fase Westelijke Ontsluitingsroute’, gemeente Veldhoven).
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
9/39
1.4
Te nemen besluiten
De plicht om een m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren geldt alleen in combinatie met een besluit of een plan dat voor de betreffende activiteit in kolom 3 of 4 is aangewezen. In het geval van dit project is er één relevant plan/besluit waarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht kan gelden. Bestemmingsplanwijziging De ontwikkeling past niet in het vigerende bestemmingsplan. Er moet daarom een planologische procedure doorlopen worden. De ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt via een bestemmingsplanprocedure. Omdat het bestemmingsplan de ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk maakt , is het een ’besluit' in kolom 4 (zie ‘artikel 3.1, eerste lid’ uit de Wet ruimtelijke ordening in tabel 1.1).
1.5
Doel van deze aanmeldingsnotitie
De m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of bij de voorgenomen activiteit mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het kader van een m.e.r.-beoordeling wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld. In een aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere m.e.r-procedure nodig is. Bij de m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: •
Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden er dient een m.e.r.-procedure doorlopen worden.
•
Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen.
Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij… (zie hiervoor verder kader 1.2). Dit uitgangspunt betekent dat geen nadere m.e.r.-procedure nodig is, tenzij sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten voor de project-m.e.r.-beoordeling worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van ‘Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten’. Voor de plan-m.e.r.-beoordeling geldt als toetsingskader Bijlage II van de smb-richtlijn. Voor wat betreft de kenmerken en plaats van de activiteit en de kenmerken van de potentiële effecten komen de toetsingscriteria uit beide richtlijnen inhoudelijk grotendeels met elkaar overeen. Voor de opbouw van deze aanmeldingsnotitie is gebruik gemaakt van de meest uitgebreide lijst van toetsingscriteria (die voor de project-m.e.r.-beoordeling). Op basis daarvan dient het project te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit: a. Omvang van het project; b. Cumulatie met andere projecten; c. Gebruik natuurlijke hulpbronnen; d. Productie afvalstoffen; e. Verontreiniging en hinder;
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
10/39
f.
Risico op zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; g. Risico voor de menselijke gezondheid. 2. Plaats van de activiteit: a. Bestaand grondgebruik; b. Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. Opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden. 3. Kenmerken van het potentiële effect: a. De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van het effect; b. De aard van het effect; c. Grensoverschrijdend karakter; d. Intensiteit en complexiteit effect; e. Waarschijnlijkheid effect; f. Verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid effect; g. De cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; h. De mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen. Bijlage II van de smb-richtlijn geeft voor ‘kenmerken van plannen en programma's’ enkele andere toetsingscriteria: •
De mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen.
•
De mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt.
•
De relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling.
•
Milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma.
•
De relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Gemeenschap (bijv. plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming).
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
11/39
In hoofdstuk 2 wordt daar onder kenmerken van het project nog apart op ingegaan. KADER 1.2 UITLEG AANMELDINGSNOTITIE Zoals aangegeven is het uitgangspunt bij de m.e.r.-beoordelingsnotitie het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor inhoud en diepgang van deze aanmeldingsnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken. Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijk nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.-plicht. Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Inhoud aanmeldingsnotitie Voor een aanmeldingsnotitie die wordt opgesteld in het kader van de m.e.r.beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldingsnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu. In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige gevolgen, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken.
1.6
Procedure m.e.r.-beoordeling
Deze aanmeldingsnotitie geeft het bevoegd gezag (college van B&W van de gemeente Reusel – De Mierden) de informatie die nodig is (conform artikel 7.16 Wet milieubeheer, óf artikel 7.17 lid 2) om te beoordelen of een m.e.r. nodig is voor de in paragraaf 1.3 genoemde activiteit. Op basis van deze aanmeldingsnotitie neemt het bevoegd gezag een beslissing of voor deze activiteit, omwille van belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
12/39
Het bevoegd gezag neemt uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst van de aanmeldingsnotitie een m.e.r.-beoordelingsbeslissing. Tegen een m.e.r.beoordelingsbeslissing is alleen bezwaar of beroep mogelijk als deze beslissing de belanghebbende, los van het voor te bereiden besluit, rechtstreeks in zijn belang treft. Verder staat er tegen een m.e.r.-beoordelingsbeslissing geen direct bezwaar en beroep open. Mocht een belanghebbende, anders dan de initiatiefnemer, het niet eens zijn met de gevolgde procedure, dan kan bezwaar of beroep worden ingediend bij het besluit in het kader waarvan de m.e.r.beoordeling plaatsvond, in dit geval het bestemmingsplan.
1.7
Leeswijzer
In deze inleiding is aan bod gekomen waarom een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, wat het doel is van deze aanmeldingsnotitie en wat de procedure is voor de m.e.r.-beoordeling. Hoofdstuk 2 gaat in op de kenmerken van het project en in hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de kenmerken van het plangebied. Hoofdstuk 4 beschrijft of het project potentiële nadelige milieueffecten met zich meebrengt. Dit gebeurt aan de hand van een beschrijving van de te verwachten effecten voor onder andere de thema’s natuur, externe veiligheid, landschap en water. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de effecten zoals beschreven in hoofdstuk 4 beoordeeld. Deze beoordeling leidt tot de conclusie of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en of dit leidt tot het moeten opstellen van een milieueffectrapport (MER).
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
13/39
2.
Kenmerken van het project
2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de kenmerken van het project. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de kenmerken van het project. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. In de daaropvolgende paragraaf worden relevante kenmerken van het project nader toegelicht. Potentiële effecten als gevolg van de kenmerken van het project worden in hoofdstuk 4 beschreven. Criteria
Beschrijving
Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)
Het project omvat de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Kleine Hoeven (gemeente Reusel – De Mierden) in zuidelijke richting. De uitbreiding heeft een oppervlakte van circa 7 hectare en is genaamd Kleine Hoeven fase II.
Tabel 2.1 | Samenvatting van de kenmerken van het project op basis van de toetsingscriteria uit Bijlage III van de Europese Richtlijn
De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt via een herziening van het bestemmingsplan. Het betreft een bestemmingsplan met directe bouwtitel. Daardoor is het een project (kolom 4) in de zin van het besluit m.e.r. Het planvoornemen betreft activiteit D 11.3, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein’. De grenswaarden die voor deze activiteit worden gehanteerd zijn als volgt: 1°. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Met een totale oppervlakte van circa 7 hectare blijft het voornemen onder de drempelwaarden uit het besluit m.e.r. Cumulatie met andere projecten
Er zijn voor zover bekend geen projecten in de omgeving die cumulatieve effecten kunnen hebben met voorliggend plan. Het bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I is al in gebruik.
Gebruik natuurlijke hulpbronnen5
In de aanlegfase van het voornemen zal er sprake zijn van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Dit betreft voornamelijk het verwijderen van enkele solitaire bomen en struiken in het plangebied. Op het bedrijventerrein komen geen bedrijven die gebruik zullen maken van in de omgeving aanwezige natuurlijke hulpbronnen.
Productie afvalstoffen6
Er is geen sprake van productie van (gevaarlijke) afvalstoffen met nadelige milieugevolgen. In de aanlegfase van het voornemen zal er sprake zijn van de productie van afvalstoffen. Dit bestaat voornamelijk uit bouwafval. Dit bouwafval zal volgens de Nederlandse wet- en regelgeving worden verwerkt. In de gebruiksfase zal er sprake zijn van bedrijfsafval. Ook dit zal volgens de Nederlandse wet- en regelgeving moeten worden verwerkt. Bij de aanvraag van een vergunning door een bedrijf zal worden getoetst op eventuele productie van afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
Verontreiniging: Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden, tijdelijk een beperkte en lokale verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Hierop wordt nader ingegaan onder ‘4. Kenmerken
5
Toelichting: Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op, of in de nabijheid van, de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten. 6 Afvalstoffen zijn stoffen (preparaten of voorwerpen) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer). Nadelige milieugevolgen kunnen ontstaan bij het vrijkomen van gevaarlijke afvalstoffen.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
14/39
van het potentiële effect’, paragraaf 4,7. De voorgenomen ontwikkeling zal verder niet leiden tot een andere vorm van verontreiniging. Op basis van het historisch bodemonderzoek (Sweco, 2022) wordt de locatie over het algemeen als onverdacht op verontreinigingen beschouwd. Uitgezonderd de voormalige zinkassenweg ‘Hamelendijk’ (perceel RSL00F555). Hierop wordt nader ingegaan onder ‘4. Kenmerken van het potentiële effect’, paragraaf 4.2. Hinder: Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden lokaal beperkte verkeershinder en geluidhinder optreden. Tijdens de gebruiksfase kan eveneens hinder ontstaan door een toename van verkeer en een toename van geluidemissie. Op mogelijke effecten als gevolg van de verkeerstoename en geluidshinder wordt nader ingegaan onder ‘4. Kenmerken van het potentiële effect’, paragraaf 4.5 en 4.6. Risico op zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering
Op het terrein wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. Bevi-inrichtingen worden niet toegelaten en er zijn geen PR en GR contouren. Er wordt, arbeidsgerelateerde ongevallen buiten beschouwing gelaten, geen grotere kans op zware ongevallen verwacht. Als er naar de klimaateffectatlas wordt gekeken is er in de toekomst een kleine kans op een lage grondwaterstand en daarmee droogte. De waterdiepte na een zeer hevige bui (140 mm/2uur) is binnen het gebied slechts op enkele plaatsen een paar centimeter boven maaiveld. Hier worden geen noemenswaardige effecten verwacht. Er is geen kans op overstromingen uit grotere waterlopen. Er is als gevolg van de ontwikkeling dus geen risico op zware ongevallen of rampen.
Risico voor de menselijke gezondheid
Risico’s op de menselijke gezondheid kunnen ontstaan als gevolg van geluidhinder en luchtkwaliteit. Hierop wordt nader ingegaan onder ’4. Kenmerken van het potentiële effect’, paragraaf 4.7 en 4.6.
Bijlage II van de smb-richtlijn kent voor de plan-m.e.r.-beoordeling nog enkele specifieke toetsingscriteria die niet reeds in voornoemde toetsingscriteria inbegrepen zijn. Deze zijn opgenomen in tabel 2.2: Criteria
Beschrijving
De mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen.
Het voornemen kent een rechtstreekse bouwtitel en vormt daardoor niet het kader voor andere projecten of activiteiten. Verder heeft het voornemen geen betrekking op de toewijzing van hulpbronnen.
De mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt.
Het bestemmingsplan staat onder aan de hiërarchie van plannen en programma’s. In de aanmeldingsnotitie is getoetst aan effecten op beschermde waarden in hogere plannen/programma’s. Hieruit komen geen belangrijk nadelige effecten naar voren.
De relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling.
Het planvoornemen voorziet in de uitbreiding van locaties voor bedrijvigheid. In Reusel is de vraag naar nieuwe bedrijfskavels groot. Volgens de nevendoelstellingen zoals genoemd in het bestemmingsplan, geeft de ontwikkeling van bedrijventerrein Kleine Hoeven naast bedrijvigheid bovendien een landschappelijke en ecologische invulling aan het gebied, met als voornaamste doel om het stedelijk weefsel op duurzame wijze af te ronden.
Tabel 2.2 | Samenvatting van de kenmerken van het plan op basis van de toetsingscriteria uit Bijlage II van de smb-richtlijn
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
15/39
De relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Gemeenschap (bijv. plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming).
2.2
Het bestemmingsplan regelt een project en is niet relevant voor de toepassing van milieuwetgeving.
Bedrijventerrein Kleine Hoeven II
De gemeente Reusel – De Mierden is voornemens om het bedrijventerrein Kleine Hoeven uit te breiden. De uitbreiding, genaamd Kleine Hoeven fase II moet gaan plaatsvinden ten zuiden van de straat Kleine Hoeven te Reusel. Het plangebied bestaat op dit moment uit enkele akkerlanden en een braakliggend stuk grond met (tijdelijke) opslag van zand en andere materialen. Er loopt een greppel door het gebied, met enkele struiken en bomen. Daarnaast is een droogstaande sloot aanwezig langs de begrenzing van het plangebied, parallel aan de weg. Zie figuur 2.1.
Figuur 2.1 Impressies van het plangebied (bron: Verkennend Natuuronderzoek, Sweco, 2022).
Binnen het plangebied is de uitbreiding van het bedrijventerrein Kleine Hoeven beoogd, onder de noemer Kleine Hoeven II. Het betreft een gebied van circa 67.000 m2 (6,7 hectare), waarvan circa 46.000 m2 (4,6 ha) uitgeefbaar terrein. Bedrijventerrein Kleine Hoeven voorziet in de opvang van lokale bedrijvigheid. Binnen Kleine Hoeven fase II zijn kavelgroottes van circa 1.000 m2 tot 5.000 m2 voorzien. Volgens de nevendoelstellingen zoals genoemd in het bestemmingsplan, geeft de ontwikkeling van bedrijventerrein Kleine Hoeven naast bedrijvigheid bovendien een landschappelijke en ecologische invulling aan het gebied, met als voornaamste doel om het stedelijk weefsel op duurzame wijze af te ronden. Ten zuiden van het plangebied liggen enkele woningen. Het betreft hier reeds bestaande woonfuncties, met omliggende agrarische gronden. De afstand tussen deze bestaande woningen en de beoogde nieuwe bedrijvigheid, is belangrijk voor milieuzonering. Dit wordt in het bestemmingsplan gewaarborgd. Het planvoornemen omvat uit de volgende onderdelen: •
De aanleg van ontsluitingswegen binnen het plangebied die aantakken op de reeds bestaande Kleine Hoeven en Hamelendijk.
•
Ophoging van het gebied.
•
Bouwrijp maken en aanleg openbaar gebied.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
16/39
Onderstaande figuur toont het inrichtingsplan voor Kleine Hoeven fase II. Figuur 2.2 | Ontwerp plantekening van het planvoornemen.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
17/39
3.
Locatie van het project
3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de plaats van het project beschreven. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de locatiekenmerken van het project. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. Dit dekt tevens de toetsingscriteria uit Bijlage II van de smb-richtlijn. In de volgende paragrafen worden de mogelijk aanwezige waarden nader toegelicht. Criteria
Beschrijving
Bestaande grondgebruik
De gronden ter plaatse van Kleine Hoeven fase II liggen ten zuiden van het bestaande bedrijventerrein Kleine Hoeven, nabij de kern Reusel (zie paragraaf 3.2). De gronden worden grotendeels gebruikt voor agrarische doeleinden. Een deel van de gronden is braakliggend.
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied
De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. In het plangebied is groen aanwezig, bestaande uit gras, struiken en solitaire bomen. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied.
Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.
3.2
Tabel 3.1 | Samenvatting van de locatiekenmerken van het project
Vanuit water of bodem kent het plangebied mogelijk enkele belemmeringen (zie paragraaf 3.3). Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een grondwaterbeschermingsgebied. Het is echter niet uit te sluiten dat er sprake is van bodemverontreiniging. Bovendien zorgt de ontwikkeling voor verharding in het gebied welke gecompenseerd moet worden. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.2. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 2,5 km afstand (Voordelta) (zie paragraaf 3.4). Hier kunnen mogelijk indirecte effecten op ontstaan. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.3. Het plangebied ligt niet binnen NNB (zie paragraaf 3.4) Wel grenst het plangebied direct aan NNB. Op eventuele effecten wordt nader ingegaan in paragraaf 4.3. Het plangebied wordt gebruikt door verschillende (beschermde) soorten (zie paragraaf 3.5). Op de effecten op soorten wordt nader ingegaan in paragraaf 4.4. Het plangebied omvat geen monumenten. Wel liggen er enkele lijnrelicten rond het plangebied. Deze blijven behouden binnen het planvoornemen en liggen bovendien buiten de grenzen van het plangebied (zie paragraaf 3.6). Het plangebied kent geen belangrijke landschappelijke waarden (zie paragraaf 3.6). De middels proefsleuvenonderzoek in kaart gebrachte archeologische vondsten zullen worden opgegraven (zie paragraaf 3.7).
Bestaand grondgebruik
Het beoogde plangebied ligt ten zuiden van het bestaande bedrijventerrein Kleine Hoeven, ten zuidoosten van Reusel. In het noorden en oosten wordt het plangebied begrensd door de weg Kleine Hoeven, in het westen door de weg Hamelendijk. Ten zuiden van het plangebied liggen enkele woningen, bovendien ligt er ook een intensieve veehouderij ten zuiden van het toekomstige bedrijventerrein. Deze veehouderij heeft momenteel al geen uitbreidingsmogelijkheden, waardoor ook uitbreiding richting het plangebied niet mogelijk is. Het planvoornemen zorgt dan ook niet voor een belemmering van de bedrijfsvoering van deze veehouderij (Geuronderzoek (Sweco, 2022). Het plangebied kent nu hoofdzakelijk een agrarische bestemming. De gronden zijn gebruikt voor de teelt van aardappelen en maïs. Een klein stuk van het Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
18/39
plangebied is braakliggend en wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag van onder andere zand. Aan de oostzijde heeft het plangebied een maaiveldhoogte van circa NAP +32,40 m Richting het westen loopt dit geleidelijk af naar NAP +31,80 m à +NAP +30,90 m langs de Hamelendijk. Het maaiveld ligt het laagste in de noordwesthoek van het plangebied, in de bocht tussen de Hamelendijk en de Kleine Hoeven. Figuur 3.1 | Hoogteligging [m +NAP]
3.3
Bodem en (grond)water
Bodemopbouw Onderstaande uitsnede van de Bodemkaart van Nederland laat zien het dat plangebied uit Hoge Zwarte enkeerdgronden (zEZ21) bestaat. Omringd door veldpodzolgronden (Hn21) en laarpodzolgronden (cHn21). Zwarte enkeerdgronden zijn humusrijke zandgronden die zijn ontstaan door bemesting met heideplaggen. Veldpodzolgronden zijn zandige ondergronden die sterk zijn uitgelogd van ijzer en basen. Over het algemeen komen deze gronden voor op de relatief lager gelegen delen in het landschap en hebben een relatief hoge grondwaterstand. Laarpodzolgronden bezitten dezelfde relatief natte kenmerken als veldpodzolgronden, maar hebben een humusrijke toplaag welke is ontstaan door plaggenbemesting.
Figuur 3.2 | Bodemkaart van Nederland
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
19/39
De ondiepe ondergrond bestaat voornamelijk uit (grof) zand. Met behulp van het REGIS model is de diepere bodemopbouw bepaald. De bovenste 2 meter, van NAP +32,0 m tot NAP +30,0 bestaat uit fijn zand van de formatie van Boxtel. Tussen NAP +30,0 m tot NAP +22,5 m ligt de Formatie van Sterksel, deze bestaat uit (grof) zand. Hieronder ligt op NAP +22,5 m een kleilaag van ongeveer 2 meter dik, deze kleilaag is onderdeel van de Formatie van Stramproy. Vanaf NAP +20,0 tot NAP +5,0 meter bestaat de ondergrond uit een dik (grof)zandig pakket van de Formatie van Stramproy. Hieronder ligt vervolgens een kleilaag van 10 meter dik van de Formatie van Waalre. Bodemkwaliteit Uit het vooronderzoek (Sweco, 2022) blijkt dat de bodemfunctieklasse van de onderzoekslocatie ’Industrie’ is. Volgens de ontgravingskaarten voldoet de kwaliteit van zowel de boven- en ondergrond aan de klasse ’landbouw/natuur’. Voor de toepassingskaart van de bodem geldt de toepassing ’landbouw/natuur’. In het verleden zijn in de omgeving op diverse plaatsen sterke verontreinigingen met zware metalen aangetoond. Dit hangt samen met de voormalige toepassingen van zinkassen binnen het gebied. De meeste van deze verontreinigingenzijn inmiddels gesaneerd. Op de onderzoekslocatie heeft vroeger een boerderij gestaan (Kleine Hoeven 2) deze locatie is na sloop in 2013 onderzocht.
Destijds zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Op het westelijk deel van de onderzoekslocatie loopt de Hamelendijk. Dit betreft een voormalige zinkassenweg. Op de locatie zijn sporen van asbest aangetoond. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op bodemkwaliteit. Grondwater De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) geeft de bandbreedte weer waartussen de grondwaterstand zich gedurende het grootste deel van het jaar beweegt. Op basis van bureau- en veldonderzoek wordt de GHG voor het plangebied gedefinieerd als 40 cm-mv voor het westelijke deel (rond de NAP +30,20 m) en 80 cm-mv voor het oostelijke deel (rond de NAP +31,20 m). De GLG ligt op 160 cm-mv voor het oostelijke deel en op 120 cm-mv voor het westelijke deel. Aangezien de bodem voornamelijk uit grof en fijn zand bestaat wordt de ondergrond geschikt geacht voor infiltratie. Het plangebied ligt niet in grondwaterbeschermingsgebied. Het dichtstbijzijnde grondwaterbeschermingsgebied ligt op circa 10 kilometer van het plangebied.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
20/39
De voorgenomen ontwikkeling brengt geen activiteiten met zich mee die kunnen leiden tot verontreiniging van (grond)water. Op dit onderwerp wordt in hoofdstuk 4 daarom niet verder ingegaan. Oppervlaktewater Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap De Dommel. In de volgende figuur is een uitsnede van de legger weergegeven. Te zien is dat er meerdere B-watergangen in het plangebied aanwezig zijn. In totaal ligt er 380 m B-watergang binnen het plangebied. Daarnaast is er langs de Kleine Hoeven en de Hamelendijk, aan de plangebied zijde, een B-bermsloot aanwezig. Deze Bwatergang heeft langs de Kleine Hoeven een lengte van 165 m en langs de Hamelendijk een lengte van 285 m. Op basis van het AHN4 is bepaald dat de B-watergangen ongeveer 70 cm diep en 2 meter breed zijn (insteek-insteek). Figuur 3.3 | Legger oppervlaktewater Waterschap De Dommel (in grijs het plangebied)
Ten noorden van het plangebied ligt Kleine Hoeven Fase I, en ten westen van Fase 1 ligt de Rouwenbogtloop. Dit is een A-watergang. De hemelwaterafvoer van Fase I is aangesloten op deze watergang. Voor deze watergang heeft het waterschap de doelstelling om aan beide zijden een NVO (Natuurvriendelijke Oever) van 5 meter te realiseren. Daarnaast ligt er aan de linkerzijde (westzijde) een beschermingszone van 1 meter en aan de rechterzijde (oostzijde) een beschermingszone van 5 meter breed. Het plangebied is in huidige staat onverhard. Met het voorliggend plan neemt de verharding binnen Kleine Hoeven fase II toe (Watertoets Kleine Hoeven fase II (Sweco, 2023)). Dit betekent dat er in het gebied behoefte is aan hemelwaterberging. Voor dit plan wordt de benodigde hemelwaterberging voor Kleine Hoeven Fase I (bestaand bedrijventerrein) en Fase II (deze uitbreiding) samen berekend.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
21/39
Daarnaast liggen er enkele B-watergangen in het gebied die moeten worden gedempt. Dit kan, omdat het gebied wordt opgehoogd, waardoor deze watergangen niet meer nodig zijn. Effecten als gevolg van het plan op de waterhuishouding kunnen echter niet op voorhand worden uitgesloten en worden daarom besproken in hoofdstuk 4.
3.4
Beschermde natuurgebieden
Natura 2000-gebieden Er zijn meerdere Natura-2000 gebieden in de buurt van het plangebied, namelijk Kempenland-West (3,8 km), Regte Heide & Riels Laag (17,9 km), Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (11,2 km) en Kampina & Oisterwijkse Vennen (21,2 km). Daarnaast zijn er ook meerdere Belgische Natura 2000gebieden die in de buurt van het plangebied liggen (Verkennend natuuronderzoek Reusel (Sweco, 2022)). Directe effecten zoals ruimtebeslag of lichthinder kunnen omwille van de afstand op voorhand worden uitgesloten. Dit geldt niet voor effecten als gevolg van externe werking door stikstofdepositie. Eventuele effecten worden daarom besproken in hoofdstuk 4. Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe mantel Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het NNB of de Groenblauwe mantel. Ruimtebeslag is daarom op voorhand uitgesloten. Wel bevinden zich gebieden met deze status in de omgeving van het plangebied (Verkennend natuuronderzoek Reusel (Sweco, 2022)). Ten noorden van het plangebied op een afstand van circa 7 meter ligt een bosgebied. Dit ‘droog bos met productie’ maakt deel uit van het NNB. Tevens is er NNB gebied aanwezig ten oosten van het plangebied. Dit betreft ‘vochtig bos met productie en kruiden- en faunarijk grasland’. Het gebied ten westen en zuidoosten van het plangebied is onderdeel van de Groenblauwe mantel, zie de volgende figuur.
Figuur 3.4 | Links: Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (groen en oranje gearceerd). Rechts: Ligging van het plangebied ten opzichte van de Groenblauwe mantel (blauw gestreept gearceerd)
Het plangebied grenst echter wel bijna direct aan een NNB-gebied; er ligt enkel een weg tussen. Het NNB-gebied betreft droog bos met productie. Gelet op de voornemens voor het bouwen van industrieterrein, de ligging van het plangebied te midden van agrarisch en industriegebied en grenzend aan NNBgebied, zijn effecten vanuit de externe werking op het aangrenzende bos niet op voorhand uit te sluiten.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
22/39
Er is door externe werking mogelijk sprake van negatieve effecten zoals verstoring door geluid, licht en trillingen op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB-gebied. Eventuele effecten worden daarom besproken in hoofdstuk 4.
3.5
Beschermde soorten
Er zijn soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Mogelijkerwijs worden deze soorten negatief beïnvloed. Dit betreft de volgende beschermde soorten en/of functies van het plangebied voor beschermde soorten: vleesmuizen (in de bomenrijen), de steenuil (in het akkerland en greppel met bomen en struiken) en overige broedvogels (in de vegetatie) (Verkennend natuuronderzoek Reusel (Sweco, 2022)). Het plangebied is niet geschikt voor of omvat geen ingreep op het geschikte habitat voor beschermde flora, overige beschermde zoogdieren, beschermde amfibieën en reptielen, beschermde vissen en beschermde ongewervelden. Effecten als gevolg van het plan op beschermde soorten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en worden daarom besproken in hoofdstuk 4.
3.6
Cultuurhistorische en landschappelijke waarden
Er zijn geen monumentale waarden nabij het plangebied aanwezig. Wel zijn de wegen rond het plangebied aangeduid als landschappelijk lijnrelict met een redelijk hoge historisch geografische waarde. Dit heeft ermee te maken dat de Hamelendijk en de huidige weg Kleine Hoeven al vanaf circa 1900 herkenbaar zijn in het landschap. Een deel van de gronden wordt bovendien op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Reusel-De Mierden aangeduid als besloten akker met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde. Aangezien de lijnrelicten rond het plangebied behouden blijven, de ontwikkeling aansluit bij bestaande bebouwing en het plangebied in de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant is aangeduid als gebied waar verstedelijking afweegbaar is, worden negatieve effecten op cultuurhistorische en landschappelijke waarden op voorhand uitgesloten.
3.7
Archeologische waarden
Het plangebied heeft volgens de archeologische verwachtingen- en waardekaart uit 2021 een hoge archeologische verwachtingswaarde. Het plangebied maakt onderdeel uit van een Esdek ten oosten van de kern Reusel. Delen van het plangebied zijn echter mogelijk verstoord als gevolg van het gebruik als agrarische grond. Aangezien de geplande graafwerkzaamheden, voor de aanleg van de bedrijven en bijbehorende infrastructuur, eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen verstoren is in 2022 proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Uit het proefsleuvenonderzoek kwamen twee behoudenswaardige vindplaatsen naar voren: •
Vindplaats 1: een deel van een erf uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd.
•
Vindplaats 2: een nederzetting uit vermoedelijk de late prehistorie.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
23/39
Omdat behoud als gevolg van de ontwikkeling van het gebied tot nieuw bedrijventerrein niet mogelijk is, heeft de gemeente Reusel-De Mierden besloten dat de behoudenswaardige archeologische resten die verstoord zullen worden eerst moeten worden opgegraven. Zie de volgende figuur voor de locaties van de twee vindplaatsen. Figuur 3.5 | Aangetroffen sporen archeologische vindplaatsen
Aangezien de twee archeologische vindplaatsen verder worden opgegraven en het plangebied uitgebreid is onderzocht kunnen verdere negatieve effecten op archeologische waarden worden uitgesloten.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
24/39
4.
Kenmerken van de potentiële effecten
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de potentiële effecten nader beschreven. In tabel 4.1 worden de aspecten die hierbij van belang zijn samengevat. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. Deze zijn ook dekkend voor de toetsingscriteria uit Bijlage II van de smb-richtlijn. In de daaropvolgende paragrafen worden verschillende (milieu)thema’s nader toegelicht. De effecten worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de bestaande toestand van het milieu (huidige situatie) evenals de verwachte ontwikkelingen indien de voorgenomen activiteit niet gerealiseerd wordt (autonome situatie). Voor dit project geldt de huidige situatie als referentiesituatie. Er zijn geen autonome ontwikkelingen die spelen in of in de directe nabijheid van het plangebied. Waar relevant zijn effecten steeds als volgt beoordeeld: effecten zonder aanvullende maatregelen en effecten met aanvullende maatregelen om effecten te voorkomen of te beperken (mitigerende maatregelen). Of sprake is van belangrijk nadelige gevolgen wordt beoordeeld op basis van het voornemen inclusief eventuele maatregelen. Het is daarbij van belang dat de betreffende maatregelen in het bestemmingsplan, of op een andere wijze, worden geborgd. Criteria
Beschrijving
De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van het effect
Effecten, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring dan wel overige directe effectindicatoren reiken slechts tot enkele honderden meters ver. Het plangebied ligt naast een bestaand bedrijventerrein. De grootte van de eventueel getroffen bevolking is relatief klein. Effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen tot enkele kilometers ver merkbaar zijn.
De aard van het effect
De effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten (gebruiksfase). Tijdens de aanlegfase zal er voornamelijk sprake zijn van overlast door bouwwerkzaamheden. De permanente effecten hebben voornamelijk betrekking op ecologie, een toename van verkeerstromen en daarmee ook op geluid en luchtkwaliteit. Sommige effecten zijn te mitigeren. Deze worden besproken onder ‘De mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen’.
Grensoverschrijdend karakter
Eventuele effecten op Natura 2000-gebieden in het buitenland, in dit geval België, zijn meegenomen in de ecologische beoordeling. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van landsgrensoverschrijdende effecten met België voor stikstof. Zie hiervoor het thema stikstof zoals opgenomen in paragraaf 4.3.
Intensiteit en complexiteit effect
Op de volgende thema’s wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan: Bodem en water (paragraaf 4.2) Beschermde natuurgebieden (paragraaf 4.3) Beschermde soorten (paragraaf 4.4) Verkeer (paragraaf 4.5) Geluid (paragraaf 4.6) Luchtkwaliteit (paragraaf 4.7) De beschreven effecten zullen zich voordoen. De mate waarin de beschreven effecten in de aanlegfase zullen optreden, hangt af van de snelheid van de aanleg van het bedrijventerrein.
Waarschijnlijkheid effect
Tabel 4.1 | Samenvatting van de kenmerken van de potentële effecten
Voor de gebruiksfase wordt middels mitigerende maatregelen gezorgd dat de kans op effecten op beschermde soorten of gebieden zo beperkt mogelijk blijft.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
25/39
Verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
De effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten (gebruiksfase). Na de aanlegfase van het bedrijventerrein zullen de permanente effecten lastig omkeerbaar zijn. Hiervoor zijn mitigerende maatregelen voorgedragen onder ‘De mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen’.
De cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten
Er zijn voor zover bekend geen projecten in de omgeving bekend die cumulatieve effecten kunnen hebben met voorliggend voornemen. Wel zijn er mitigerende meekoppelkansen met Kleine Hoeven fase I voor het thema water. Zie hiervoor paragraaf 4.2.
De mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen
Eventuele effecten in de aanlegfase zijn vaak moeilijk te mitigeren, maar deze zijn ook tijdelijk van aard. Overige effecten van het project, kunnen mogelijk wel gemitigeerd of voorkomen worden. Bodemkwaliteit In het noordelijk deel van de onderzoekslocatie is asbest aangetroffen. Dit gebied is nader onderzocht, waaruit is gebleken dat de onderzoekslocatie niet sterk verontreinigd is met asbest (maximaal 66 mg/kg. Bij gehalten lager dan 100 mg/kg mag de grond elders toegepast worden als secundaire bouwstof. Geadviseerd wordt na te gaan of verwijdering van de asbesthoudende grond in relatie tot de toekomstige bestemming wenselijk is. Beschermde gebieden Natuurnetwerk Brabant Uit de ’Nee, tenzij-toets’ blijkt dat ten behoeve van NNB de volgende maatregelen nodig zijn om effecten te voorkomen:
Gebruikmaken van speciale armaturen die het licht zo min mogelijk verspreiden naar plekken waar de verlichting niet voor bedoeld is en aan de boven- en zijkant goed zijn afgeschermd. Houdt daarbij de grens aan van <1 lux tot de bosrand. Ook dient een barrière in de vorm van dichte vegetatie worden gerealiseerd op de begrenzing van het NNB-gebied en het industrieterrein ten zuiden van het NNB-gebied om verstoring ten aanzien van licht (koplampen en andere verlichting) richting het natuurnetwerk te minimaliseren. Zo kan worden voorkomen dat in de bosrand van het NNB-gebied lichtverstoring ontstaat. Opstellen ecologisch werkprotocol waarin: • de juiste lichtbronnen worden aangewezen; • wordt aangegeven welke lawaaiproducerende aanlegwerkzaamheden buiten het broedseizoen moeten worden uitgevoerd.
Beschermde soorten Voor vleermuizen zijn mitigerende maatregelen mogelijk. Zo kan aantasting van de vliegroute worden vermeden door de werkzaamheden enkel overdag uit te voeren. Mits deze maatregelen in acht worden genomen, kunnen effecten op vleermuizen worden uitgesloten. Door ruimtebeslag op essentieel foerageergebied en mogelijke indirecte aantasting van de verblijfplaats van de steenuil, is een ontheffing Wnb bij de provincie Noord-Brabant noodzakelijk. Deze ontheffing is niet zondermeer verleenbaar. Het is daarom extra van belang dat tijdens de uitvoering leefgebied gemitigeerd wordt én dat het terrein dusdanig wordt ingericht dat er bijvoorbeeld minder leefgebied verloren gaat. Er wordt een activiteitenplan opgesteld met compensatiemaatregelen, die middels een voorwaardelijke verplichting zullen worden geborgd in het bestemmingsplan. Verkeer
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
26/39
De planlocatie is per fiets vanuit de kernen Reusel en Bladel binnen 20 minuten te bereiken. Indien het fietsen voor werknemers aantrekkelijk wordt gemaakt, zal het aandeel werknemers dat met de auto komt lager zijn dan aangenomen conform de kerncijfers van het CROW (Verkeersonderzoek Kleine Hoeven fase II (Sweco, 2022)).
4.2
Bodem en water
Bodem Op basis van verkennend water-bodemonderzoek (Sweco, 2022) zijn er milieuhygiënisch geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel wordt het volgende geadviseerd en opgemerkt: •
In het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde concentraties aan zware metalen gemeten. De verontreiniging van ondiep grondwater met zware metalen vormt geen directe belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden, derhalve is aanvullend onderzoek van het grondwater niet noodzakelijk. Indien er werkzaamheden beneden de grondwaterstand plaatsvinden, waardoor bemaling en/of lozen van grondwater noodzakelijk is, dient rekening gehouden te worden met de sterk verhoogde concentraties aan zware metalen.
•
Opgemerkt wordt dat ter plaatse van de Hamelendijk tijdens onderhavig onderzoek geen verhoogde gehalten aan zware metalen zijn aangetoond. Tevens zijn geen zinkassen aangetroffen. In 2016 zijn wel sterk verhoogde gehalten aangetoond en zijn ter plaatse van een boring zinkassen aangetroffen. Waarschijnlijk zijn de zinkassen zoals vastgesteld in het Pilotonderzoek van 2008 heterogeen aanwezig. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij de voorgenomen werkzaamheden.
•
Op de onderzoekslocatie zijn op een aantal plaatsen puin in de grond (boringen 16, 21, 22) of puin als halfverharding in de wegberm van de Hamelendijk (boringen: 46, 48, 49, 50, 52) aangetroffen. Aangezien er geen duidelijkheid is over de herkomst/aanleg van dit puinmateriaal is dit puin aanvullend onderzocht op het voorkomen van asbest (Verkennend asbestonderzoek (Sweco, 2022)). Bij uitvoering van het verkennend asbestonderzoek is ter plaatse van asbestgat A13 een indicatief gehalte van 100 mg/kg aangetoond. Dit is aanleiding geweest om op het noordelijk perceel ter plaatse van de voormalige locatie Kleine Hoeven 2 een nader asbestonderzoek uit te voeren. Uit het nader asbestonderzoek (Sweco, 2023) blijkt dat de gemeten gehalten onder de interventiewaarde liggen. Voor asbest geldt een hergebruiksnorm van 100 mg/kg. Het hoogste gehalte betreft 66 mg/kg. De onderzoekslocatie is derhalve niet sterk verontreinigd met asbest. Bij gehalten lager dan 100 mg/kg mag de grond elders toegepast worden als secundaire bouwstof. Los van het asbestgehalte, gelden ook restricties ten aanzien van de hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de toe te passen partij grond.
Sweco | Kleine Hoeven fase II Projectnummer 51009762 Datum 24-10-2023
Versie D1D1
Document referentie NL23-648800269-62283
27/39