Eindrapportage Rekenkameronderzoek Ondermijning in 4 Kempengemeenten_02052024
Tekst van het document
Maatschappelijke weerbaarheid
Inspanningen onder de noemer van ‘maatschappelijke weerbaarheid’ zijn erop gericht om als het ware een pact te sluiten met burgers. Het is de bedoeling om burgers alert te maken op risico’s vanwege criminele praktijken of invloeden, om burgers te bewegen om signalen over mogelijke 40
criminaliteit te melden en om niet te zwichten voor verleidingen. Bijvoorbeeld ‘snelle’ drugsinkomsten (bij handel of verhuur van een schuur of kamertje) of het gebruik van illegale drugs. Dit laatste kan persoonlijke problemen opleveren (ongezondheid en schulden) en drugsgebruik is een impuls voor drugshandel en drugsproductie. In het kader van het versterken van de weerbaarheid van de samenleving worden heel wat inspanningen geleverd in de vier Kempen-gemeenten. Het vergroten van de meldingsbereidheid van burgers werd als kernpunt benoemd voor de gemeentelijke ondermijningsaanpak. In de vragenlijst is geïnformeerd naar gemeentelijke inspanningen wat betreft maatschappelijke weerbaarheid. We zetten de gegevens eerst op een rij per gemeente, waarna we ingaan op enkele (gedeelde) initiatieven om het drugsgebruik te reduceren. 6.4.1 Oirschot Uit het ‘jaaroverzicht 2022’ blijkt dat in dit jaar de zogenoemde ‘Bijtende bende’ is ingezet, met de bedoeling zo de meldingsbereidheid van burgers te vergroten (aldus het jaaroverzicht) en om vooral ook het drugsgebruik te reduceren (zie verderop voor een uitleg over de bijtende bende). In het kader van ‘veilig ondernemen’ zijn in 2020 - zo meldt wederom het jaaroverzicht - voorlichtingsacties georganiseerd op een bedrijventerrein en is overleg gevoerd met de lokale horeca over ondermijning.
De gemeente heeft ook een zogenoemd ondersteuningsnetwerkteam opgericht ten behoeve van agrariërs, omdat hun bestaansrecht op het spel staat, terwijl ze daar zelf steeds minder invloed op hebben. Er wordt in contact getreden met boeren, op zoek naar maatwerk als een agrariër zijn werkzaamheden staakt. De gemeente telt “relatief veel” veehouders die stoppen. “Veel veehouders” slopen of herbestemmen stallen: “Dit voorkomt verloedering en daarmee de kans op ondermijning“. Ook wordt geconstateerd dat “relatief veel veehouders uit Oirschot meedoen aan stoppersregelingen van het Rijk”. Tijdens onze interviewronde staat Oirschot op het punt om zich aan te sluiten bij Meld Misdaad Anoniem (verder: MMA), zodat ze rechtstreeks relevante anonieme meldingen ontvangen. Respondenten merken dat burgers bij voorkeur anoniem melding maken van misdaad. Op die optie wordt gewezen in contact met burgers. 6.4.2 Reusel-De Mierden In Reusel-De Mierden wordt gewezen op een wijkgericht project dat in Lage Mierde is opgestart; in 2019 werd dit opgezet door de toenmalige IV-ambtenaar. Het werd onder meer gestart vanwege signalen over bovengemiddeld drugsgebruik, hetgeen gepaard ging met drugshandel. Er is met succes bij de Taskforce-RIEC budget aangevraagd in het kader van de zogenoemde landelijke versterkingsgelden voor de aanpak van ondermijning.
De uitvoering van de activiteiten liep vast op beperkende maatregelen vanwege het coronavirus. In 2022 zijn alsnog de volgende maatschappelijke activiteiten uitgevoerd: -
Inzet Bijtende Bende in Lage Mierde (mei) Gezamenlijke wijkschouw in Lage Mierde met buurtpreventie en ketenpartners (juni) Een themabijeenkomst met buurtpreventie en dorpsraden, als vervolg op de wijkschouw, plus een column in het regionaal blad ‘Uitstraling’ over ondermijning (oktober) Inzet Bijtende Bende op de weekmarkt in Reusel-De Mierden (november) Sociale mediacampagne16 met het RIEC en verspreiden van informatie in een brief (flyer) van de burgemeester (december).
Over de (mogelijke) resultaten wordt het volgende vermeld: “Wij merken dat het onderwerp meer is gaan leven bij de inwoners, er wordt gesproken over de informatiefolders die huis aan huis verspreid zijn. De datarapportage van de sociale mediacampagne moet nog worden opgeleverd; op grond van 16
Zie voor een toelichting: https://www.reuseldemierden.nl/campagne-tegen-drugscriminaliteit-in-de-kempen
41
de data kunnen we beoordelen welke vervolginterventie(s) passend is. Op de themabijeenkomst was aan het einde van de avond vertrouwen om signalen te delen, dit was een mooi resultaat. Door politie werd ook uitleg gegeven dat anoniem melden ook echt anoniem is, in de hoop dat dit de meldingsbereidheid van inwoners verhoogt. De gemeente heeft in 2022 langs bovenstaande lijnen bewoners gewezen op de mogelijkheid om strikt anoniem te melden bij MMA. De gemeente is sinds oktober 2023 aangesloten bij MMA. 6.4.3 Bladel In deze gemeente zijn in 2022 de volgende activiteiten georganiseerd om het bewustzijn van de risico’s van (de schadelijke effecten van) criminaliteit een impuls te geven (we citeren bijna letterlijk uit de ingevulde vragenlijst): -
-
Huisbezoeken in vooraf geselecteerde wijk met politie en woningstichting, waarbij onder andere voorlichting is gegeven over (vormen van) ondermijnende criminaliteit. Informatiebijeenkomst voor het buitengebied over ondermijnende criminaliteit in samenwerking met politie, Taskforce-RIEC en ZLTO. Voorlichting over ondermijnende criminaliteit in het centrum van Bladel tijdens de weekmarkt, met politie en woningstichting. Inzet van de Bijtende bende, een Mobiel Medialab en een ‘drugscontainer’ (die bezoekers informatie en materialen laat zien over drugshandel en drugsproductie). Training over het herkennen van signalen van ondermijning voor buurtpreventie tijdens de jaarlijkse eindejaarbijeenkomst.
Naast dit soort trainingen en voorlichtingsactiviteiten wordt “meer structureel (…) gewerkt aan maatschappelijke weerbaarheid (…) vanuit de Keurmerken Veilig Ondernemen” (voor winkelgebieden en bedrijventerreinen) en in het kader van buurtpreventie. Daarbij wordt gewezen op de optie om desgewenst anoniem te melden, bij MMA. 6.4.4 Eersel In Eersel worden het Keurmerk Veilig Ondernemen en het daartoe opgebouwde netwerk benut om ondernemers te attenderen op mogelijke ondermijning. Er is onder meer een schouw georganiseerd in 2022. De politie heeft “een aantal voorlichtingen verzorgd”; genoemd worden een inwonersavond, voorlichting aan ondernemers en op de toeristenmarkt. De Bijtende bende is ook hier ingezet, net als de zogenoemde escape room, waarbij een particulier bedrijf voorlichting geeft over ondermijning. Voorts hebben politie en gemeente controles uitgevoerd van leegstaande stallen; daarbij is tevens voorlichting gegeven en onder meer gewaarschuwd voor schadelijke consequenties van bedoelde of onbedoelde stallenverhuur aan (drugs)criminelen. In de gemeente Eersel werden vijftig leegstaande stallen gecontroleerd; er werden geen onrechtmatigheden aangetroffen. Er zijn in het buitengebied ook controles uitgevoerd, waarbij de focus lag op maneges en paardenstoeterijen.
Tijdens die controles is in gesprek getreden met ondernemers; om te waarschuwen voor mogelijke criminaliteit en om te horen wat er wat dat betreft speelt of bekend is. 6.4.5 Bovenlokaal: terugdringen van drugsgebruik langs drie sporen Respondenten en bronnen wijzen op verschillende (gelijktijdige) bovenlokale inspanningen om het drugsgebruik terug te dringen. Ten eerste gaat het om de zogenoemde Bijtende bende. Verschillende gemeenten melden dat dit op een locatie is ingezet. Met het ‘inzetten’ van de Bijtende bende wordt bedoeld dat – ergens in de gemeente (vaak centraal) – de zogenoemde Immersive Room Bijtende Bende wordt geplaatst. 42
Bezoekers krijgen een interactieve 3D-ervaring waarin ze ontdekken hoe milieuschade door drugsafval samenhangt met het kopen van synthetische drugs. Dit is in lijn met informatie op de website www.bijtendebende.nl. Het maakt deel uit van een ‘interventiemix’, met onder meer een Audiotour (waarin deelnemers al ‘wandelend’ door de Brabantse natuur geïnformeerd worden over milieuschade door drugsafval) en een Sociale mediacampagne (een onlinecampagne waarin de verschillende onderdelen uit de interventiemix gedurende twee weken actief werden gepromoot via Instagram en Snapchat). In 2020 is de Bijtende bende als pilot geëvalueerd. Het Trimbos Instituut concludeerde dat het niet mogelijk is al iets te concluderen over de mate waarin de boodschap bijdraagt aan gedragsverandering (Möhle en Van Gelder, 2020). Ten tweede worden in het Kempen-gebied, onder de noemer Kempenbranie, elementen benut uit het zogenoemde IJslandse preventiemodel. Dit loopt sinds 2018 en beoogt het middelengebruik (alcohol, drugs en tabak) onder jongeren tussen de 12 en 18 jaar te reduceren of te voorkomen. De inzet wordt gericht op de omgeving rondom jeugdigen om, met een omweg, hun gedrag te beïnvloeden. Zonder jeugdigen (steeds) aan te spreken op hun gedrag. De inzet wordt gericht op drie speerpunten: ouderbetrokkenheid, mentaal welbevinden en zinvolle vrijetijdsbesteding.
Als ouders zicht hebben op het leven en de tijdsbesteding van jongeren, gebruiken deze jeugdigen minder snel middelen. Dat geldt ook voor jongeren die lekker in hun vel zitten; met programma’s wordt getracht het mentaal welbevinden gunstig te beïnvloeden. Zinvolle vrijetijdsbesteding is ook een rem op middelengebruik en daartoe wordt, met sportverenigingen, gewerkt aan een veilig en gevarieerd sportaanbod. Er worden onder andere jongerenruimten (Spot en Mobile Spot) ingericht, onder meer op de middelbare scholen in Bladel, waar jongeren onder begeleiding van jongerenwerkers kunnen ‘hangen’ en deel kunnen nemen aan activiteiten. Ten derde loopt sinds 2021 in de regio Oost-Brabant het project Skip die trip, gericht op het denormaliseren of ontmoedigen van drugsgebruik. Het project wil een nieuwe norm realiseren over drugsgebruik; er dient minder te worden gedacht dat gebruik drugs ‘normaal’ is. Op korte termijn is het de bedoeling dat er draagvlak ontstaat om dit in klare taal te bespreken. Op lange termijn wordt beoogd de norm te stellen dat drugsgebruik niet normaal is. Het betreft een breed opgezet project van de gemeenten in Oost-Brabant, de GGD Hart voor Brabant, de GGD Brabant Zuidoost en Novadic Kentron. Er is een monitor-onderzoek uitgevoerd: ruim 11.000 Brabantse jongeren hebben (tussen oktober en december 2021) een vragenlijst ingevuld.
Een meerderheid (53 procent) van de respondenten gaf aan in het afgelopen jaar drugs te hebben gebruikt. Het jaar 2023 heeft in het teken gestaan van het ontwikkelen en uitvoeren van interventies. Dit zal onder meer worden gericht op cannabisgebruik en op drugsgebruik bij dancefestivals. Het monitor-onderzoek verschaft op gemeenteniveau informatie. Daarbij worden regionale scores voor Oost-Brabant vergeleken met lokale uitkomsten, onder meer in Oirschot, Reusel-De Mierden en Bladel. De monitor rapport daarnaast op het niveau van de gemeente-combinatie Bergeijk en Eersel. De scores pakken wat betreft gerapporteerd drugsgebruik in Oirschot, Reusel-De Mierden en Bladel (duidelijk) gunstiger uit dan op regioniveau. De enige uitzondering is het gebruik van xtc/mdma in Oirschot; dat stemt overeen met het regionale gemiddelde. De gemeentecombinatie Bergeijk en Eersel scoort ongunstiger dan het regionale gemiddelde wat betreft cannabisgebruik en tripmiddelen. Zie (verder) de onderstaande tabel.
43
Tabel 6.3: Resultaten van vragen over gerapporteerd drugsgebruik onder jongeren van 16 tot en met 27 jaar in de regio Oost-Brabant, met de gemiddelde regionale scores in vergelijking met die in drie gemeenten en een gemeentecombinatie (bron: https://www.skipdietrip.nl/monitor/) % OostBrabant Cannabis Ooit cannabis (hasj, wiet) gebruikt Afgelopen jaar cannabis (hasj, wiet) gebruikt Afgelopen 4 weken cannabis (hasj, wiet) gebruikt Xtc/mdma Ooit xtc/mdma gebruikt Afgelopen jaar xtc/mdma gebruikt Afgelopen 4 weken xtc/mdma gebruikt Tripmiddelen - LSD, paddo’s, 2C-B, ketamine Ooit tripmiddelen gebruikt Afgelopen jaar tripmiddelen gebruikt Afgelopen 4 weken tripmiddelen gebruikt
Oirschot
Reusel-De Mierden
Bladel
Bergeijk & Eersel
61% 43% 24%
L L L
VL VL VL
VL VL VL
H VH VH
39% 29% 12%
G G G
VL VL VL
VL VL L
VL VL L
32% 23% 8%
L VL VL
VL VL VL
VL VL VL
VH VH VH
Toelichting: VH = Veel hoger; H = Hoger; G = Gelijk; L = Lager; VL = Veel lager t.o.v. de score in Oost-Brabant
Ook ten aanzien van andere monitor-vragen scoren de vier Kempengemeenten over het algemeen gunstiger dan of gelijk aan het gemiddelde in Oost-Brabant. Daarop bestaan - vooral in de gemeentecombinatie Bergeijk en Eersel en niet in Bladel - uitzonderingen en die staan in bijlage 1 op een rij. 6.4.6 De boer op In de vier Kempen-gemeenten zijn politiemensen, milieutoezichthouders en gemeenteambtenaren langsgegaan bij boerenbedrijven; om te controlerenen en om in gesprek te treden met agrariërs. De professionals gingen zogezegd ‘de boer op’. Er werd met boeren gesproken en professionals konden rondkijken. Er werden geen strafbare feiten aangetroffen. Wel leverde de ronde “interessante verklaringen” op “over mensen die hen benaderd hadden om een schuur te verhuren”, klaarblijkelijk ten behoeve van strafbare feiten, in het bijzonder drugscriminaliteit. Dit toont een interessant patroon: er wordt informatie verstrekt als je mensen opzoekt en aanspreekt. Dat lijkt beter te werken dan alleen een campagne of een oproep om te melden. Uiteraard val dit te combineren. 6.4.7 Een voorzichtige tussenbalans: actie, lange adem en barrières Respondenten vinden het lastig om de balans op te maken van inspanningen om de maatschappelijke weerbaarheid te vergroten. Onderzoekstechnisch valt dat ook niet mee, zo bleek onder meer uit de Trimbos-studie naar de Bijtende bende.
Effecten zijn moeilijk te meten, zeker op de korte termijn. En waar kijk je naar? Een afname van het drugs- of middelengebruik? Dat vergt een andersoortig onderzoek dan wij uitvoeren. Hoe meet je de meldingsbereidheid van burgers? Er kan simpelweg worden gekeken naar meldingen van burgers; dan vallen de effecten nog niet mee vanwege het geringe aantal meldingen. Mogelijk kiezen burgers liever voor een anonieme melding via MMA; ook dat wordt onder de aandacht gebracht. In elk geval blijken gemeenten zich langdurig te willen committeren aan burgerbetrokkenheid bij het melden en voorkomen van criminele praktijken. Losse acties hebben weinig effect (zoals het ‘neerzetten’ van een escape room of van de Bijtende bende), maar het idee is om het simpelweg lang vol te houden en acties te stapelen. In algemene zin, maar ook gericht: op jongeren qua middelengebruik, in het buitengebied (spreken met agrariërs en ze ondersteunen) en ook specifiek wat betreft drugsgebruik op festivals. We zijn wat de maatschappelijke weerbaarheid betreft voorzichtig om te oordelen; net als de respondenten. Veel activiteiten liggen (deels) buiten het directe aandachtveld van onze belangrijkste respondenten; IVC-ers trekken niet de kar bij het verminderen van het middelengebruik. Het blijft wel 44
een punt dat de IV-organisaties over weinig signalen over ondermijning beschikken: inwoners en ondernemers geven erg weinig signalen af. Er zijn meldingsbarrières, aldus een burgemeester: “Mensen kunnen via MMA melden, we staan met standjes. Maar je ziet dat het op zich een moeilijk bespreekbaar onderwerp blijft. Mensen vinden het spannend. Mensen staan niet in rijen van tien om te zeggen: ik zie iets. Maar we proberen toch veel te investeren op bewustwording. In de hoop dat er wel signalen komen”. Voorts bestaat onder burgers afstand en afkeer tot de overheid. Dit kan een reden zijn om niet te melden, bijvoorbeeld omdat wordt getwijfeld aan de manier waarop een melding wordt afgehandeld. Tot slot is de uitgestrektheid van het gebied een drempel om in directe contacten kennis te nemen van informatie van burgers. Zeker voor agenten en toezichthouders geldt dat ze met weinig professionals werken in een groot werkgebied. 6.5
Slotsom: werkbaar houden
De hoofdstukken 4 en 5 presenteerden twee botsende perspectieven. Aan de ene kant de vele prioriteiten (zeven) en een lange lijst met activiteiten (meer dan zeventig) op het IV-dossier, met een specifieke overlegstructuur en beleidstheorie wat ondermijning betreft; met actielijnen en tal van sub-activiteiten, inclusief de integrale aanpak van complexe casus. En aan de andere kant een gemiddelde IV-formatie van één of twee krachten. De consequentie is dat de IV-ambtenaren de ambities van de ondermijningsaanpak vergaand temperen. De beleidstheorie wordt in de praktijk teruggebracht tot enkele signalen op jaarbasis, tot het (mede) organiseren van enkele KIT-acties, tot (niet al te diepgaand) Bibob-onderzoek op geijkte terreinen en tot het organiseren van acties om de interne of externe weerbaarheid te vergroten (al heeft dat weinig tastbare resultaten). Het leidt tot een activiteitenlijst en tot overlegverplichtingen die vallen uit te voeren binnen de beschikbare tijd. De overleg- en organisatiestructuren in RIEC-verband (op basisteamniveau en nog meer regionaal of provinciaal) en de hoge ambities achter de lange lijst met Brabantse normen lijken uit een andere wereld te komen dan de ambtelijke realiteit van onze respondenten.
De vier Kempen-gemeenten ondernemen gedoseerd actie op het ondermijningsdossier en er wordt zo enige vooruitgang geboekt, al komt er één belangrijk kwetsbaar punt naar boven. Het lukt de gemeenten niet om meer dan enkele signalen over ondermijning per jaar naar boven te krijgen; uit de ambtelijke organisatie of uit de maatschappelijke omgeving. Dat komt onder meer doordat de gemeenten onvoldoende beschikken over het vermogen of de zoekende instelling om zachte signalen (intern en extern) op te zoeken en te beoordelen. Dat zou veel meer informatie op moeten leveren over ondermijning dan thans beschikbaar is binnen de vier Kempen-gemeenten. Op vragen over criminele fenomenen kregen we van onze respondenten vooral te horen dat ze er nauwelijks zicht op hebben; er zijn wat signalen (“en die nemen we serieus”), maar dat is het dan. Met als disclaimer dat er wel veel meer misdaad kan zijn, maar dat zij het niet zien en dat ze daar ook door politie, justitie of Taskforce-RIEC niet op worden gewezen. De consequentie is dat het volgende criminologische hoofdstuk veel moeilijker viel te schrijven dan de verwachting was.
45
7.
Criminele kennis: een onvolledig verhaal
Inleiding Dit hoofdstuk valt in feite niet te schrijven op basis van de gespreksronde en het ontvangen bronmateriaal. Dat leverde namelijk nauwelijks informatie op over georganiseerde misdaad in de vier Kempen-gemeenten. We durven er dus niet de consequentie aan te verbinden dat ons onderzoek zich richt op een misdaadarm gebied in Noord-Brabant. Omgekeerd, kunnen we evenmin constateren dat de misdaad wel een invloedrijke factor is in Oirschot, Reusel-De Mierden, Bladel en Eersel. We zetten kort en schematisch de criminele kansenstructuur in Oost-Brabant op een rij. Over de precieze aard of omvang van de misdaad of ondermijnende praktijken in de vier Kempen-gemeenten wisten onze respondenten anno 2023 weinig te vertellen. Terwijl in Oost-Brabant omstreeks 2014 integrale ondermijningsbeelden werden opgeleverd door het RIEC. Dat legde een basis voor de kennis over ondermijning in de Kempen en dat zou - zo was destijds het voornemen - al doende steeds verder worden aangevuld en verscherpt in samenspel tussen gemeenten, politie, justitie en RIEC. Dat is er niet van gekomen. De beantwoording van de criminologische vragen is daardoor niet mogelijk. Over de criminele kansen kunnen relevante (beschikbare) data op een rij worden gezet; over de ondermijnende praktijken is ons bronmateriaal niet afdoende. 7.1
Criminele kansen: riant of toch niet!?
Het valt op dat aan de ene kant de (regio van de) vier Kempengemeenten een rijke misdaadhistorie kennen wat betreft professionele drugsproductie, en aan de andere kant gunstig scoren in de zogenoemde Onderwereldkaart die de mate van ondermijnende criminaliteit in het gehele land in kaart probeert te brengen. De Onderwereldkaart schat – op basis van twintig indicatoren – de ondermijningsgevoeligheid van 352 Nederlandse gemeenten. Gemeente Bladel staat op plek 214; gemeente Eersel op plek 287; gemeente Reusel-De Mierden op plek 265; en gemeente Oirschot op plek 281.17 Dat betekent dus dat de vier gemeenten – gezien over de hele breedte en ten opzichte van andere gemeenten – op basis van geregistreerde informatie niet erg kwetsbaar zouden zijn voor ondermijning. Toch laten enkele indicatoren zien dat er uitzonderingen bestaan op het algemene beeld van de Onderwereldkaart. Het betreft met name een groot aantal bedrijfsvestigingen in verschillende risicobranches (zie tabel 7.2) plus de productie van synthetische drugs. Er worden, volgens ‘Zicht op Ondermijning’, tussen 2015 en 2020 in totaal 140 synthetische drugslabs aangetroffen in OostBrabant. Dat is (van de tien politie-eenheden) een ‘eerste plaats’, die wordt gedeeld met twee eenheden met een groter oppervlakte (Zeeland & West-Brabant en Oost-Nederland).
Het is de vraag wat de rol is van (criminelen in) de vier Kempen-gemeenten, want het gaat bij deze drugsproductie om bovenlokale netwerken. Productie van synthetische drugs gaat bovendien vrijwel altijd samen met de productie en handel van andere drugssoorten (Tops e.a., 2018). Voorts is het de vraag in hoeverre drugsgeld wordt geïnvesteerd in vastgoed en (andere) risicobranches. Het Kempengebied kent ook een rijke misdaad- en smokkelhistorie. Het gebied telt tot in de jaren zeventig bendes die gewelddadige misdrijven plegen. In het criminologische onderzoek voor de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (1996) wordt aandacht besteed aan een Noord-Brabants en Limburgs conglomeraat van dieven, stropers en smokkelaars, actief in de jaren zestig en zeventig. Ze 17
Bron: RTL Nieuws (J. Bunsboek en K. Voskuil), Schulden, drugs, risicojongeren: deze gemeenten zijn het kwetsbaarst voor zware criminelen, te raadplegen via: https://www.rtlnieuws.nl/onderzoek/artikel/5350780/onderwereldkaart-kwetsbaar-gemeenten-criminaliteitgeorganiseerde-misdaad
46
verdienden veel geld met hun grove misdaad, maar wisten zich daarmee verzekerd van de volle aandacht van politie en justitie.18 Deze bendes (waaronder de Kempenbende) gebruikten veel geweld, ook tegenover de politie. Het geweld nam in de jaren tachtig af en dit leek aanvankelijk gunstig, totdat duidelijk werd dat de rust werd veroorzaakt door criminele innovatie: afgeschermde hennepteelt kwam in de plaats van zichtbaar geweld. Vanaf de jaren tachtig werd dit gecombineerd met de productie van synthetische drugs: eerst amfetamine en later ook xtc. Hennepteelt kwam door het hele land opzetten; de combinatie met synthetisch drugs was in die tijd typerend voor de georganiseerde misdaad in Limburg en Noord-Brabant (Tops e.a., 2018). 7.1.1 Situationeel Het hele Kempengebied en de regio rondom de steden Eindhoven en Tilburg – met daarbinnen de vier Kempengemeenten – kent criminele kansen die liggen besloten in de fysieke infrastructuur. Het gaat om een optelsom van factoren, zoals een anoniem/dunbevolkt gebied, de nabijheid van (criminele netwerken in en rondom) Eindhoven en Tilburg, de grensligging en de goede bereikbaarheid over weg en spoor. Zie verder de onderstaande tabel. Tabel 7.1: Situationele criminele gelegenheidsstructuren in het Kempengebied
1.
Situationeel
1a. Dunbevolkt gebied (vier Kempengemeente): veel kernen (21) en dorpen / ruim 70.000 inwoners op een oppervlakte van 350 vierkante kilometer -Verdeelsleutels pakken ongunstig uit: gemeentebegroting en politiesterkte in hoge mate gebaseerd op inwonertal - Fysieke afstand tussen burgers en overheid (gemeente/politie) - Criminele netwerken uit de streek (inclusief Eindhoven, Tilburg, Best, Waalre en Veldhoven) kennen de streek goed - Laag toezichts-niveau politie/gemeente: zeker in de avonduren en nacht - Anonimiteit in het buitengebied en geschikte fysieke infrastructuur voor drugsopslag, drugsproductie 1b. Anonieme risicolocaties - Bedrijventerreinen - Vakantieparken - Buitengebied: geschikte fysieke (agrarische) infrastructuur voor drugsopslag, drugsproductie en bijvoorbeeld ook voor stropen - Manages en paardenhandel in het buitengebied: kansen voor investeren van crimineel geld, criminele ontmoetingen en witwassen (taxatie / waardebepaling is moeilijk) 1c. Grensligging - Grensligging creëert criminele drugsmarkten: verkoop van drugs aan buitenlandse criminelen (tussenhandel); invoer en uitvoer van drugs of van grondstoffen of hardware t.b.v. drugsproductie; drugstoerisme - Optie voor Brabantse criminelen om in België te produceren (hennep of synthetische drugs) of te wonen - Invoer van vuurwerk t.b.v.
verkoop op Nederlandse markt - Andere criminele markten door grenslegging: uitvoer van gestolen goederen; btw-ontduiking / carrouselfraude bij handel met buitenland (bijvoorbeeld auto’s) - Oost-Brabant kent een historie van illegale grensoverschrijdende handel 1d. Goede infrastructuur: verstedelijking, platteland en goed bereikbaar - Criminele kansen die liggen besloten in anonimiteit van het platteland - Tegelijkertijd nabijheid van twee grote steden: Eindhoven en Tilburg - Goede verbindingen over de weg: snelwegen en N-wegen; binnen Oost-Brabant en heel Noord-Brabant; 18
Fijnaut, 1996, p. 47-48.
47
richting België en naar de Randstad en naar Limburg - Goede spoorverbindingen (o.a. goederenvervoer tussen Tilburg en China en een railterminal voor vervoer en overslag van zeecontainers in Eindhoven), vervoer over water (o.a. een containerterminal in Tilburg) en door de lucht (Eindhoven Airport). 1e. Oost-Brabant: criminele benutting van legale infrastructuur bij drugscriminaliteit - Talrijke criminele drugsnetwerken benutten in het Kempengebied / in en rondom Eindhoven en Tilburg de infrastructuur bij productie, opslag, invoer, vervoer en handel; lokaal ingebed in de regio en internationaal actief - Criminele know how voor drugsproductie is aanwezig – hennep, maar ook al decennialang voor de productie van synthetische drugs - Criminele vermogens om te investeren in vastgoed (woningen, horeca of bedrijfsvastgoed), vakantieparken of bedrijven is ruim beschikbaar
7.1.2 Sociaaleconomisch Vanuit een sociaaleconomisch perspectief komen criminaliteits-dempende en -bevorderende factoren in beeld. De vier gemeenten zijn welvarend en kampen niet met grote en geconcentreerde economische achterstanden. De aanwezigheid van een groot bedrijf als ASML heeft misschien niet alleen voordelen (denk aan de druk op de woningmarkt), maar heeft stevige welvaart naar het gebied gebracht, waar ook de hier onderzochte vier gemeenten van meeprofiteren. Of dit consequenties heeft voor de aantrekkingskracht van de illegale economie in het gebied, hebben we in deze studie niet kunnen nagaan; het zou een interessante onderzoeksvraag zijn. Het buitengebied is (met tal van schuren en loodsen) gevoelig voor drugsproductie; de woningen in de vier gemeenten zijn dat juist niet volgens data van ‘Zicht op ondermijning’. Wel bestaat behoefte aan huisvesting van een (toegenomen) aantal arbeidsmigranten; voor een aanzienlijk deel short stay en afkomstig uit Oost-Europa. Vakantieparken met een zwakke recreatiefunctie kunnen dienst gaan doen als locatie waar arbeidsmigranten (en andere kwetsbare personen) illegaal wonen. De vier Kempengemeenten tellen - volgens gegevens van ‘Zicht op Ondermijning’ - in diverse branches relatief veel vestigingen. Voor de agrarische sector geldt dat deze in het voortbestaan wordt bedreigd. Zie (verder) de onderstaande tabel.
Tabel 7.2: Sociaaleconomische criminele gelegenheidsstructuren in het Kempengebied
2.
Sociaaleconomisch
2a. Vier relatief welvarende gemeenten - De vier gemeenten zijn in veel opzichten welvarend of kennen althans geen grote groepen met economische achterstanden, zoals die er wel zijn in grote steden (ook in Eindhoven en Tilburg) - In 2021 bedraagt het gemiddelde bruto jaarinkomen per inwoner in Noord-Brabant € 29.266; dat is hoger in Eersel (€ 31.200) en Oirschot (€ 31.200) en wat lager in Bladel (€ 29.000) en Reusel-De Mierden (€ 28.500) - Er zijn wel concrete locaties (straten, een deel van een buurt) waar mensen wonen die leven rond het sociaal minimum; respondenten brengen dit in verband met risico’s op criminaliteit of overlast - Wel wordt jeugdproblematiek gesignaleerd, inclusief drugsgebruik. Deze signalen zijn het meest duidelijk in Bladel en in Reusel-De Mierden 2b. Relatief weinig woningen die ‘gevoelig’ zijn voor hennepteelt Het project ‘Zicht op ondermijning’ heeft - mede op basis van aangetroffen kwekerijen - modelmatig een schatting gemaakt van de mate waarin een (verhoogd) risico bestaat dat woningen (t.o.v. het totale woningenbestand) worden gebruikt voor hennepteelt. Daarbij wordt o.a. rekening gehouden met het woonoppervlakte en met de WOZ-waarde. Voor Nederland komt (peiljaar 2018) de gemiddelde score uit op 9,3%. De vier Kempengemeenten scoren duidelijk lager: Oirschot (2,4%); Reusel-De Mierden (4,7%); Bladel (4,3%) en Eersel (3,9%).
N.B.: dit gaat dus niet over stallen, schuren of bedrijfspanden.
48
2c. Behoefte aan (huisvesting van) arbeidsmigranten In de provincie Noord-Brabant werkten in 2020 ruim 91.000 arbeidsmigranten; de meeste werken in Eindhoven (10.365), gevolgd door Tilburg (9.210). De meeste arbeidsmigranten zijn werkzaam in de zakelijke dienstverlening, transport en groothandel, m.n. het aandeel werkzaam in de transportsector is gegroeid sinds 2010. De meeste arbeidsmigranten verblijven 8 tot 12 maanden (41%); de gemiddelde verblijfsduur wordt steeds korter (ca. een derde verblijft tot 4 maanden), dus er is behoefte aan short staylocaties. Bijna de helft van de in de provincie Noord-Brabant werkzame arbeidsmigranten is Pools. Daarnaast kent Noord-Brabant een bovengemiddelde groei in Roemeense arbeidsmigranten.19 2d. Vakantieparken: meer kwaliteitsarme vakantieparken in Noordoost Brabant dan in Zuidoost In Noord-Brabant tellen de regio’s West-Brabant en Noordoost-Brabant relatief veel vakantieparken met weinig toeristisch-recreatieve kwaliteit en perspectief.
Grofweg worden drie typen onderscheiden: campings waarin niet of te laat is geïnvesteerd; parken met oneigenlijk gebruik (met name huisvesting arbeidsmigranten) en onvoldoende regie van de ondernemer hierop; een klein aantal bungalowparken waar nagenoeg volledig permanent gewoond wordt.20 Zuidoost Brabant telt enkele kwetsbare locaties; wel zijn juist hier de meeste bedrijven gevestigd met hoge kwaliteit en een toekomstperspectief qua recreatiefunctie. 2e. Existentiële agrarische crisis Bedreiging van het voortbestaan van ondernemers in de agrarische sector. 2f. Risicobranches volgens ‘Zicht op Ondermijning’: voor zover ze vaker voorkomen dan in NL Aantal branchevestigingen per 10.000 inwoners (peildatum: Q1, 2021): - Bouwnijverheid: NL = 124,4. Hogere scores in de K4: Oirschot = 149,2 [wijk Oostelbeers: 223,3]; Reusel-De Mierden = 207,3 [wijk Hulsel = 296,3]; Bladel = 175,5 [Casteren = 299,5]; Eersel = 162,3 [wijk Vessem = 208,9] - Cafés: NL = 6,3. Hogere scores in de K4: Oirschot = 9; Reusel-De Mierden = 10,7 - Financiële holdings: NL = 150,8. Hogere scores in de K4: Oirschot = 172 [wijk Oirschot: 200,8]; Bladel = 189,6 [wijk Bladel = 216,1]; Eersel = 206,4 [wijk Knegsel = 228,1] - Goederenvervoer over weg: NL = 10. Hogere scores in de K4: Oirschot = 15,4; Reusel-De Mierden = 22,1; Eersel = 14,3. De score in Bladel ligt dicht bij het Nederlandse gemiddelde: 11,2.
- Groot- en detailhandel in auto’s: Hogere scores in de K4: Oirschot = 6,9 - Haarverzorging: NL = 17,9. Hogere scores in de K4: Oirschot = 27,6; Reusel-De Mierden = 29,7; Bladel = 25,3; Eersel = 20,5 - Schoonheidsverzorging: NL = 23,6. Hogere scores in de K4: Reusel-De Mierden = 32,8 - Overige welness (geen haar of schoonheidsverzorging): NL = 12. Hogere scores in de K4: Oirschot = 14,9; Reusel-De Mierden = 15,2. - Handel in en reparatie van auto’s: NL = 20,9. Oirschot = 31,3; Bladel = 31,2; Eersel = 25,6 2g. Zomer-dancefestivals: drugsgevoelig In de regio verschillende dancefestivals in de zomer die gevoelig zijn voor een hoge mate van drugsgebruik, met name synthetische drugs.
7.1.3 Cultureel De culturele factoren werken, zo lijkt het, twee kanten op. Aan de ene kant zijn er factoren die de bereidheid van burgers afremmen om melding te maken van mogelijke criminaliteit. Aan de andere kant wijzen respondenten op sociale controle, getuige bijvoorbeeld het grote aantal burgers dat deelneemt aan buurtpreventie. Zie (verder) tabel 7.3.
19 20
Bron: Arbeidsmigranten in provincie Noord-Brabant, Factsheet kerngegevens, 5 april 2022. Bron: ZKA, Vitaliteitsonderzoek verblijfsrecreatie Noord-Brabant. Rapportage │Oktober 2018.
49
Tabel 7.3: Sociaaleconomische criminele gelegenheidsstructuren in het Kempengebied
3.
Cultureel
3a. Meldingsbereidheid: remmende factoren - Leven en laten leven: niet met de ander bemoeien - Een zekere vrees/angst bij het melden van misdaad - Afkeer van/wantrouwen jegens de overheid: dat bestaat, maar de consequenties zijn niet zeker; mogelijk niet willen melden/niet vertrouwen op wijze waarop met melding wordt omgegaan - Slechte meldingservaringen: geen opvolging na signalering. Dit is plausibel vanwege het lage niveau van toezicht (zie hoofdstuk 5) en de geringe ruimte voor lokale opsporing in het basisteam De Kempen (zie Van der Torre en Van Valkenhoef, 2017), waarbij de schaarse opsporingscapaciteit eerder – vanwege beschikbare informatie – wordt ingezet in bijvoorbeeld Veldhoven of Best. 3b. Sociale controle: buurtpreventie als sociaal fenomeen Actieve bewonersnetwerken; in aanleg een goede bron voor signalen over ondermijning. 3c. Jeugd en drugs- of middelengebruik: onderschatting of toenemend besef? - Alcoholgebruik als gewoonte? - Onderschatting van drugsproblematiek? - Gebruik illegale drugs als [min of meer] gewoon verschijnsel
7.2
Ondermijnende praktijken: onder de radar (van deze studie)
De informatie in de gesprekken met 34 respondenten (twee politiefunctionarissen en verder gemeente-respondenten) en het aangeleverde bronmateriaal hebben weinig informatie opgeleverd over ondermijnende praktijken in de vier Kempengemeenten. Het contrast met een recente interviewronde in negen gemeenten op het Groningse platteland is groot (Van der Torre e.a., 2023). Interviews bij de Groningse gemeenten leverden reeds veel inzicht op in de criminele kansen en praktijken; dat werd nog eens aangevuld met kennis bij politie, justitie en het RIEC. We durven niet te concluderen dat het misdaadniveau in het Groningse ommeland op een beduidend hoger niveau ligt dan in vier Brabantse Kempengemeenten, ingeklemd tussen Eindhoven, Tilburg en de Belgische grens. Het punt is dat we simpelweg niet in beeld hebben gekregen wat de stand van zaken is wat betreft de ondermijnende effecten van georganiseerde misdaad in Oirschot, Reusel-De Mierden, Bladel en Eersel. De gemeenteraden hebben het recht om hierover – in woord en op schrift – op een overtuigende wijze te worden geïnformeerd. Justitie, de Taskforce-RIEC en de politie zouden dit moeten kunnen. Een overgrote meerderheid van de raadsleden die we hebben gesproken, heeft behoefte aan inzicht in de ondermijnende effecten van de lokale georganiseerde misdaad.
Er worden nu wel veiligheidsplannen (kort) besproken en goedgekeurd, maar er wordt geen heldere informatie gegeven over ondermijnende praktijken. Het goed informeren van lokale politici is van oudsher een kernwaarde in de zogenoemde gebiedsgebonden politievisie, als noodzakelijke schakel in gemeenschappelijke inspanningen om criminaliteit aan te pakken (Cachet e.a., 1998).
50
8.
Conclusies en aanbevelingen
Inleiding In hoofdstuk 1 hebben we uitgelegd dat de door de rekenkamer(-commissie) vooraf geformuleerde onderzoeksvragen niet volledig vallen te beantwoorden. Lopende het onderzoek hebben zes empirische vragen plaatsgemaakt voor de hoofdvraag wat nu precies de gemeentelijke taak is bij de aanpak van ondermijning en hoe dat al met al gaat in de vier Kempen-gemeenten. Dit kwam door drie ervaringen of bevindingen: a.) twijfel over de gemeentelijke rol bij de ondermijningsaanpak; b.) de geringe informatie die beschikbaar was over ondermijnende praktijken; en c.) de bescheiden tijdsinvestering van gemeentelijke veiligheidsambtenaren in de ondermijningsaanpak. Gedurende het onderzoek werd in politiek-bestuurlijke kringen de vraag gesteld wat de taak is van gemeenten en van burgemeesters bij de aanpak van ondermijning. Is het wel nodig zo’n rekenkameronderzoek naar ondermijning? Soms werd de vraag gesteld of gemeenten wel een taak hebben bij de ondermijningsaanpak. Want dat is toch (vooral) een zaak van politie en justitie? Deze discussies agendeerden vragen die voorafgaan aan de oorspronkelijk geformuleerde onderzoeksvragen. Wat is de taak van gemeenten bij de aanpak van ondermijning? Wat mag worden verwacht van politie en justitie? Het is relevant om hierover duidelijkheid te scheppen.
We hebben getracht dit te doen in hoofdstuk 2 en 3 en recapituleren de argumenten in dit slothoofdstuk. De stevige ambities bij de regionale en provinciale ondermijningsaanpak worden op gemeentelijk niveau teruggebracht tot een hanteerbaar aantal uitvoerbare acties en overlegmomenten. Daarmee worden bescheiden resultaten geboekt en het levert in beperkte mate inzicht op in de lokale ondermijnende effecten van de georganiseerde misdaad. Wel troffen we in de interviewronde ambtelijke professionals aan die er met stevige inzet het beste van proberen te maken, terwijl anderen net zijn gestart en stellig van plan zijn de schouders eronder te zetten; aan ambitie bij hen geen gebrek. 8.1
Ondermijning als gemeentelijke taak
Er vallen in algemene zin – dus niet alleen ten aanzien van de vier gemeenten – enkele belangrijke bevindingen te formuleren wat betreft de gemeentelijke ondermijningsaanpak (vgl. Tops en Van der Torre, 2024): 1. We maken onderscheid tussen georganiseerde misdaad en ondermijning. Georganiseerde misdaad heeft betrekking op criminele samenwerkingsverbanden. Ondermijning heeft betrekking op de schadelijke effecten van georganiseerde misdaad op de samenleving. Dit onderscheid heeft praktische betekenis, omdat het leidt tot rolverduidelijking. De aanpak van georganiseerde misdaad als zodanig is primair een taak van de opsporingsinstanties, zoals politie en Openbaar Ministerie. De aanpak van ondermijning daarentegen is primair een verantwoordelijkheid voor het openbaar bestuur; daarbij hebben gemeenten een cruciale taak, met een hoofdrol voor de burgemeester. 2. Georganiseerde misdaad en ondermijning dienen van elkaar te worden onderscheiden, maar ze dienen niet te worden gescheiden; zij vormen twee zijden van dezelfde medaille. De strafrechtelijke aanpak (door politie en justitie) van georganiseerde misdaad heeft minder effect als niet tegelijkertijd de schadelijke (ondermijnende) effecten worden teruggedrongen. Een serieuze gemeentelijke aanpak van ondermijning kan niet zonder effectieve strafrechtelijke aanpak van criminele samenwerkingsverbanden.
Er bestaat een continuüm, met aan de ene zijde rechercheonderzoeken naar georganiseerde misdaad en aan de andere 51
zijde strikt preventieve inspanningen door het lokaal bestuur. Daarbij kan intensieve samenwerking nodig zijn met andere publieke en private partijen, inclusief ondernemers en bewoners. 3. Burgemeesters zijn geen crimefighter of sheriff; dat is voorbehouden aan opsporingsinstanties, in het bijzonder de politie. Burgemeesters hebben wel een belangrijke rol in het beschermen van de lokale gemeenschap. Zij zijn medeverantwoordelijk voor het integer houden van de samenleving, voor het tegengaan van ontwikkelingen die het ontstaan of voortbestaan van georganiseerde misdaad bevorderen en voor het zoeken en benaderen van mensen die klem worden gezet door illegale praktijken. Ondermijning kan, zo volgt uit het bovenstaande, worden gezien als een blijvende moderne opdracht voor het lokaal bestuur. Wat die opdracht betreft, kunnen vier belangrijke conclusies worden geformuleerd over de vier Kempengemeenten: 1. De ondermijningaanpak verdient bestuurlijk gezien meer opvolging en aandacht. De stevige ambities bij de regionale en provinciale ondermijningsaanpak lijken in de weerbarstige praktijk te worden teruggebracht tot een hanteerbaar aantal uitvoerbare acties en overlegmomenten. Daarmee worden weinig resultaten geboekt en het levert in zeer beperkte mate inzicht op in de lokale ondermijnende effecten van de georganiseerde misdaad. 2.
Het idee dat de strafrechtelijke aanpak van de georganiseerde misdaad - waar nodig - dient te worden gecombineerd met gemeentelijke inspanningen om de ondermijning aan te pakken, komt in de vier Kempengemeenten onvoldoende uit de verf. 3. Er bestaat een integrale beleidstheorie voor de aanpak van ondermijning, er zijn talrijke Brabantse normen opgesteld en er zijn integrale overlegstructuren ingericht. Dit legt een zekere basis voor de ondermijningsaanpak, al resulteert het in een (over)complexe werkomgeving en in een optelsom van een groot aantal normen en prioriteiten die niet vallen uit te voeren door de dun bezette ambtelijke veiligheidsorganisaties. Dat stagneert. Zie verder paragraaf 8.2. 4. De gemeentelijke ondermijningsaanpak krijgt te maken met dynamiek in de ambtelijke veiligheidsorganisatie en in de directe omgeving daarvan.
Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH) werd eerst (2016) gezamenlijk geconcentreerd en toen weer (2023) gedeeltelijk gedecentraliseerd (Oirschot, Reusel-De Mierden en Eersel) of afgesplitst (Bladel); vertrek en benoemingen op bovenlokale sleutelfuncties (de basisteam-programmaleider ondermijning; de coördinator voor het Kempen Interventie Team en binnen het RIEC, in de top en de accountmanager en de intelligence specialist); een lopende discussie over de meest passende taakstelling en schaal van de Taskforce-RIEC; en personele schommelingen binnen de gemeentelijke veiligheidsorganisaties (vertrek, een recente aanstelling, verlof of tijdelijke inhuur). Daar komt bij dat werd en wordt gediscussieerd over gemeentelijke herindelingen in Oost-Brabant, ook in het Kempengebied. De huidige schaal van de vier gemeenten stelt grenzen aan de beschikbare (specialistische) veiligheidscapaciteit en aan de personele ruimte op andere afdelingen om een bijdrage te leveren aan de ondermijningsaanpak.
52
8.2
De gemeentelijke ondermijningsaanpak: getemperde ambities
Bij beantwoording van de centrale bestuurskundige onderzoeksvraag (vraag 3) - naar de maatregelen en instrumenten die gemeenten inzetten bij de ondermijningsaanpak – staan twee botsende perspectieven centraal: het strategische beleidsperspectief vervat in plannen en Brabantse normen versus de getemperde ambities in dun bezette gemeentelijke veiligheidsorganisaties. Aan de ene kant zijn er strategische ambities en beleidsstukken: a.) de vele prioriteiten (zeven, waaronder ondermijning) en de erg lange lijst met activiteiten (meer dan zeventig) in het uitvoeringsplan op basis van het Integraal Veiligheidsplan; b.) een beleidstheorie wat betreft ondermijning, met drie actielijnen en sub-activiteiten, inclusief de integrale aanpak van complexe casus; c.) 47 sub-normen, verdeeld over vijf thema’s, in de ‘Brabantse norm weerbare overheid’; en d.) specifiek overleg op het ondermijningsdossier op basisteamniveau met deelname van de burgemeester of IV-ambtenaar, namelijk: het bestuurlijk overleg ondermijning De Kempen (BOO); het ambtelijk voorbereidingsoverleg (AOV), o.a. voor screening en selectie van signalen t.b.v. een integrale (RIEC-)aanpak; en de werkgroep ondermijning (WO), o.a. voor monitoring voor acties wat betreft bestuurlijke en maatschappelijke weerbaarheid. Met aan de andere kant per gemeente een IV-formatie van één of twee krachten.
De ambities van de ondermijningsaanpak worden getemperd. De beleidstheorie en -ambities worden in de praktijk teruggebracht: tot de integrale aanpak van één of twee signalen op jaarbasis, tot het (mede) organiseren van enkele controleacties van het Kempen Interventieteam (KIP), tot - niet al te diepgaand - Bibob-onderzoek op geijkte terreinen (met name horeca) en tot het organiseren van enkele trainingen of acties om de alertheid op (‘bewustzijn’) en signalering van ondermijning te vergroten onder gemeenteambtenaren of burgers; dat heeft vooralsnog weinig tastbare resultaten. Het resulteert in activiteitenlijstjes en in overlegverplichtingen die vallen uit te voeren. Overige bevindingen en conclusies: -
De optelsom van zeven prioriteiten en 74 acties of maatregelen in of naar aanleiding van het Integraal Veiligheidsplan overvraagt de IV-formatie in de vier Kempengemeenten (die uiteenloopt van 1,67 tot 2,51 fte). Dit is een rem op de ambtelijke ruimte en tijd voor de ondermijningsaanpak.
-
Het Integraal Veiligheidsplan constateert dat ondermijnende criminaliteit “(…) zichtbaar en onzichtbaar aanwezig [is] in onze wijken, dorpen, industrieterreinen en buitengebied”. Deze constatering kon door onze respondenten nauwelijks worden geconcretiseerd of bevestigd; ook konden ze het niet weerleggen. Signalen over ondermijning zijn per gemeente op één hand te tellen; als er een casus of signaal speelde, kregen we hooguit een beknopte toelichting.
-
Per gemeente loopt zelden meer dan één integrale (RIEC-)casus; dit tempert de relevantie van de zogenoemde Werkgroep ondermijning waarin gestalte wordt gegeven aan deze casusaanpak, al speelt er in een gemeente soms wel een zwaarwegende casus. Zo’n casus vergt dan wel veel tijd en dat knelt al snel met andere ondermijningsambities.
-
De beleidstheorie van de ondermijningsaanpak bevat - onder de noemer bestuurlijke weerbaarheid - de gemeentelijke opdracht om geijkte instrumenten te benutten (Bibobtoetsing, Damocles-beleid) en om ambtelijke afdelingen alert (‘bewust’) te maken op ondermijning, zodat ze signalen over mogelijke ondermijning melden. Dit laatste stagneert: 53
er zijn nauwelijks signalen, daarvan worden geen overzichten bijgehouden, er is geen gemeentelijk informatieoverleg om ze te bespreken, en er zijn geen werkwijzen om zachte signalen of vermoedens uit te zoeken en te analyseren (waardoor ze al snel weer uit beeld verdwijnen; zie ook paragraaf 8.3). Er zijn weinig trainingen verzorgd om de ambtelijke signalering en alertheid aan te jagen. Bibob-toetsing en het Damocles-beleid zijn wel ingebed in werkprocessen. Respondenten plaatsen kanttekeningen bij beschikbare tijd en kwaliteit ten behoeve van Bibob-toetsing. -
De ondermijningsaanpak streeft naar het ophogen van de maatschappelijke weerbaarheid: het is onder meer de bedoeling dat bewoners en ondernemers signalen over ondermijning melden. Dit mondt niet of sporadisch uit in een melding (die wordt opgepakt).
-
Er lopen drie verschillende trajecten – namelijk de ‘bijtende bende’-aanpak, preventieactiviteiten in het kader van ‘Kempenbranie’ en het project ‘Skip die trip’ (in heel Oost-Brabant) om het drugsgebruik terug te dringen; we scharen dat onder de pijler ‘maatschappelijke weerbaarheid’. Dit krijgt voornamelijk gestalte buiten de IV-ambtenaren om; wel vinden respondenten ‘use reduction’ belangrijk in de vier Kempen-gemeenten. De keerzijde van drugsgebruik is drugshandel; daarover weten onze respondenten weinig te vertellen.
-
De ondermijningsaanpak beoogt actie te organiseren bij ‘betekenisvolle signalen en casus’. Dit stagneert in de vier Kempengemeenten, getuige het kleine aantal signalen en casus.
-
In een uitgestrekt gebied van 340 vierkante kilometer werken zeven boa’s in domein 1 (‘blauwe’, geüniformeerde boa’s) en twee ‘groene’ boa’s die actief zijn in het buitengebied. Te midden van andere werkzaamheden (o.a. reageren op meldingen) is dit te weinig om gestalte te kunnen geven aan het signaleren van ondermijning. Temeer omdat boa’s doorgaans in koppels werken én voornamelijk tijdens kantooruren; ook komen ze nauwelijks op interessante risicolocaties, zoals bedrijventerreinen of vakantieparken.
-
Er zijn in de vier gemeenten geen overzichten beschikbaar met heldere en (redelijk) volledige informatie - voor de periode van 2019 tot en met medio 2023 - over uitgevoerde acties of controles of opgelegde bestuursrechtelijke sancties in het kader van de ondermijningsaanpak. Bijvoorbeeld over de precieze aard van de locaties; het aantal controles, acties of sancties door de jaren heen; de aard daarvan; de directe opbrengsten (b.v. overtredingen of strafbare feiten) en de verzamelde signalen en informatie, plus de opvolging daarvan. Dit soort informatie zou helpen bij het monitoren, stroomlijnen en evalueren van de ondermijningsaanpak, alsook bij het informeren van gemeenteraden over de gang van zaken.
54
8.3
De gemeentelijke ondermijningsaanpak: leerpunten en effecten
Deze paragraaf zet - in antwoord op onderzoeksvraag 4 en 6 - enkele (belangrijke) leerpunten op een rij en trekt enkele conclusies over de effecten van de gemeentelijke ondermijningsaanpak. Dit ligt in het verlengde van de conclusies die in de voorgaande paragrafen zijn getrokken. De volgende leerpunten komen in beeld: -
De gemeentelijke veiligheidstaak groeit - door het hele land heen - snel: meer taken en instrumenten, de nodige crises en meer complexe taken, zoals de ondermijningsaanpak. In veiligheidsplannen resulteert dit in de vier Kempen-gemeenten in ambities en een overschot aan prioriteiten ten behoeve van de ambtelijke uitvoering. Daarmee wordt een stap of fase overgeslagen die bestuurskundigen ‘invoering’ noemen: alvorens uitvoering mogelijk is, dient te worden voorzien in voldoende budget en personeel, alsook in persoonlijke kwaliteiten die passen bij een specifieke taak, zoals de ondermijningsaanpak. Twee gelijktijdige trajecten zijn of lijken nodig: a.) minder prioriteiten en activiteiten opnemen in veiligheidsplannen; én b.) kwantitatieve en kwalitatieve groei (dat gaat deels hand in hand) in de ambtelijke veiligheidsorganisaties. Dit levert een betere werksituatie op voor de ambtenaren die er nu al hard aan trekken in het kleine aantal uren dat beschikbaar is.
-
Langs de bovenstaande redeneerlijn wordt duidelijk dat de 47 (sub-)normen in de zogenoemde Brabantse norm voor de ondermijningsaanpak de vier Kempen-gemeenten overvragen: heroverweging en reductie van het aantal normen blijkt noodzakelijk om het werkbaar te houden. De normen zijn thans geen groeimodel of wenkend perspectief; voor de onderzochte gemeenten is het onrealistisch. Er bestaat behoefte aan een overzichtelijk aantal realistische normen en daarop gebaseerde actie, zodat de ondermijningsaanpak blijvend op gang wordt gebracht.
-
De huidige focus op (enkele) harde signalen bij de aanpak past niet goed bij de ‘ongrijpbare’ aard van ondermijning. Er kan niet voornamelijk worden gewacht totdat harde signalen worden gemeld: zogenoemde ‘brengzaken’. Er dient juist ook – mede op basis van zachte signalen – informatie te worden opgehaald: ondermijning is vooral een optelsom van ‘haalzaken’. In de ondermijningsaanpak dienen ook – en misschien wel juist – vermoedens als (zacht) signaal serieus te worden genomen. Vermoedens vragen om opvolging (b.v. onderzoek en analyse) om vast te kunnen stellen of er feiten en omstandigheden zijn die (verdere) actie nodig maken. Ook als de feitelijkheid (nog) niet kan worden vastgesteld, kan of behoort actie te worden ondernomen; bijvoorbeeld meer of gerichte surveillance/toezicht, controle en/of in overleg treden met bewoners of ondernemers.
-
Het bovenstaande resulteert in een leerpunt bij het versterken van de ‘bestuurlijke weerbaarheid’. Om tot een vitale gemeentelijke ondermijningsaanpak te komen bestaat behoefte aan professionals die zijn gericht op het ophalen en interpreteren van informatie, om vervolgens op basis van een situatieanalyse urgentie te kweken en over te gaan tot actie: vaak in de eigen ambtelijke organisatie of in het directe persoonlijke netwerk (b.v. enkele politiemensen, boa’s of de omgevingsdienst), zodat een beroep op RIEC-structuren of de basisteam programmaleider niet nodig is. Die structuren en professionals kunnen gericht worden ingezet bij (een gering aantal) ‘zwaardere’ zaken. Dit vergt voldoende ambtelijke IVcapaciteit. 55
-
Om het bovenstaande te kunnen realiseren, bestaat behoefte aan burgemeesters die de gemeentelijke ondermijningsaanpak aanjagen en steunen; intern en extern.
Over de effecten van de gemeentelijke en integrale ondermijningsaanpak:
8.4
-
Het aantal casus-gerichte interventies en de uitgevoerde controles (zie hoofdstuk 6 voor een overzicht) liggen op een bescheiden niveau, waardoor externe effecten op het misdaadniveau niet vallen vast te stellen met de door ons gehanteerde onderzoeksmethoden. We hebben - op éen na - geen effectmetingen aangetroffen. Het effect van het project ‘bijtende bende’ op het drugsgebruik kon in die ene effectmeting niet worden vastgesteld.
-
Het meten van externe effecten van de ondermijningsaanpak (op het misdaadniveau) is erg lastig; het is eenvoudiger om de output – de geleverde inspanningen, wat daarbij is aangetroffen en doorgevoerde interventies – op een rij te zetten. Dat staat echter niet goed op een rij (zie de vorige paragraaf); dat zou wel helpen, bij het organiseren van de aanpak, maar ook om te kunnen beredeneren welke effecten mogelijk worden bereikt.
-
We troffen geen nulmetingen aan van de omvang en/of aard van een verschijningsvorm van ondermijning bij het veldwerk. Bijvoorbeeld een inventarisatie van de stand van zaken wat betreft ondermijning in een risicobranche of op risicolocaties, zoals vakantieparken of bedrijventerreinen. Wel bracht Skip die Trip het drugsgebruik in beeld met een nulmeting, om te volgen of dit in de komende jaren verminderd. Er waren geen studies beschikbaar naar relevante fenomenen, zoals drugshandel of drugsproductie.
-
De interne effecten c.q. procesopbrengsten van de ondermijningsaanpak op het ambtelijke apparaat zijn niet in beeld gebracht in de vier gemeenten. Vanwege het geringe aantal interne trainingen, het geringe aantal interne signalen over mogelijke ondermijning en bij gebrek aan een gemeentelijk ondermijningsoverleg zijn waarschijnlijk ook deze interne effecten gering. Het criminologische perspectief: een vicieuze cirkel
Er is bij de ambtelijke en bestuurlijke ondermijningsaanpak een vicieuze cirkel ontstaan in de vier Kempen-gemeenten. Op vragen over criminele fenomenen kregen we van onze respondenten vooral te horen dat ze er nauwelijks zicht op hebben; er zijn wat signalen (“en die nemen we serieus”), maar dat is het dan. Met als disclaimer dat er wel meer misdaad kan zijn. Doordat er in beperkte mate informatie naar boven komt over ondermijnende praktijken, lukt het niet om overtuigende informatie te presenteren; als basis voor meer ambtelijke inspanningen of bestuurlijke urgentie, zodat beter in beeld komt wat er speelt. De grondgedachte achter de ondermijningsbeelden die (omstreeks 2014) werden opgesteld door het RIEC, is niet uit de verf gekomen. Die luidde dat op basis van een eerste integrale analyse van ondermijning (kansenstructuren en praktijken) op gemeenteniveau, de beschikbare kennis steeds verder zou worden uitgebouwd. Waarbij periodiek een actueel en steeds overtuigender ondermijningsbeeld gemaakt zou worden. 8.5
Over de gemeenteraad
Het overgrote deel van de gemeenteraadsleden die we hebben gesproken, heeft behoefte aan inzicht in de lokale ondermijnende gevolgen van georganiseerde misdaad. In onze gespreksronde hebben we niet in beeld gekregen wat de stand van zaken is wat betreft ondermijnende praktijken in Oirschot, 56
Reusel-De Mierden, Bladel en Eersel. Raadsleden hebben wel het recht om hierover beter te worden geïnformeerd; zo niet vanuit het ambtelijk apparaat, dan door politie, justitie of de taskforce-RIEC. Er zijn voor raadsleden wel bijeenkomsten en presentaties over ondermijning verzorgd. Bij ons veldwerk zijn we niet gestuit op evaluaties van de voortgang van de ondermijningsaanpak; wel verschafte een jaaroverzicht informatie over de nodige acties die in 2022 zijn uitgevoerd. Over de ondermijningsaanpak verschaft dit rekenkameronderzoek nadere informatie, als opmaat tot een goed gesprek op bestuurlijk (en/of politiek) niveau. 8.6
Aanbevelingen
De volgende aanbevelingen worden geformuleerd: 1. Zorg dat duidelijk is dat de aanpak van ondermijning een gemeentelijke taak is; er dient geen ruimte voor twijfel te bestaan ten aanzien van de ondermijningsaanpak als gemeentelijke taak 2. Stel een actueel en openbaar (dus niet herleidbaar) ondermijningsbeeld op gemeenteniveau op, met behulp van informatie die beschikbaar is bij onder andere politie, justitie en RIEC. Informeer gemeenteraden periodiek over de stand van zaken; zo nodig deels vertrouwelijk, maar maak openbaar wat belangrijke ondermijnende fenomenen zijn en waaruit dat blijkt. Wacht niet op een perfect ondermijningsbeeld; dat ontstaat al doende. Maak een shortlist van signalen en vermoedens en ga aan de slag. 3. In de ambtelijke veiligheidsorganisatie is groei noodzakelijk: kwantitatief en kwalitatief, met de materiekennis en organisatorische positionering om de ondermijningsaanpak aan te jagen. 4. Verminder het aantal veiligheidsprioriteiten en normen t.b.v. de ondermijningsaanpak. Benoem een maximaal aantal normen die er écht toe doen bij de gemeentelijke ondermijningsaanpak; stel échte prioriteiten op. 5. Zorg voor periodieke (twee- of vierjaarlijkse) evaluaties van de ondermijningsaanpak en bespreek deze met de gemeenteraad. Stel onder andere heldere overzichten op van geleverde inspanningen en van geconstateerde feiten, plus een interpretatie en analyse. 6.
De gemeenten maken werk van de preventie van drugsgebruik. Het logische spiegelbeeld is dat de drugshandel lokaal in kaart wordt gebracht en primair strafrechtelijk wordt aangepakt door politie en justitie. 7. Overweeg binnen het geheel aan gemeentelijke prioriteiten, eventueel in afstemming binnen de Kempen, capaciteitsuitbreiding ten aanzien van de boa-capaciteit. Ze dienen dan o.a. vaker in de avonduren te werken en risicolocaties of hotspots te bezoeken en daar gesprekken te voeren met (goed geïnformeerde) burgers.
57
9.
Nawoord rekenkamer
De rekenkamer heeft kennis genomen van de bestuurlijke reactie. Het doet ons deugd dat het college zijn erkentelijkheid uitspreekt voor het (in onze opdracht) uitgevoerde onderzoek en daarvan met belangstelling kennis heeft genomen. Wij zijn het college en de ambtelijk betrokkenen buitengewoon erkentelijk voor de door hen verrichte inspanningen. Het onderzoek was immers weerbarstiger en duurde langer dan wij aanvankelijk hadden ingeschat. In zijn reactie beperkt het college zich tot de in het rapport opgenomen aanbevelingen en geeft daarbij aan dat deze voor hem niet allemaal helder waren, dan wel het college deze niet allemaal (geheel) onderschrijft. Wij stellen daarmee ook vast dat de conclusies niet hebben geleid tot maken van opmerkingen. Dat brengt ons puntsgewijs tot de bij de afzonderlijke aanbevelingen geplaatste reacties. Deze treft u hieronder aan. 1. Het college stelt dat de aanpak van ondermijning en de hiermee verband houdende georganiseerde criminaliteitsaanpak een gezamenlijke verantwoordelijkheid is die de gemeente deelt met partners zoals de politie, het Openbaar Ministerie en Belastingdienst. Die zienswijze onderschrijven wij. Dat onderschrijft de aanbeveling, om hierover volstrekt duidelijk te zijn. 2.
Het college verzoekt ons om te duiden hoe een actueel en openbaar (dus niet herleidbaar) ondermijningsbeeld zich verhoudt tot de aanbevolen shortlist van signalen en vermoedens. Ter verduidelijking, de genoemde shortlist is niet openbaar en bedoeld voor intern gebruik dan wel afstemming met de hiervoor onder punt 1. genoemde partners. Wel bevat een criminologisch openbaar rapport over ondermijning ook concrete aanknopingspunten voor ambtelijke actie, bijvoorbeeld (niet-herleidbare) beschrijvingen van de gang van zaken op risicolocaties (bijvoorbeeld vakantieparken) of van locaties met drugshandel. 3. Het college verzoekt ons om de aanbeveling om de ambtelijke veiligheidsorganisatie uit te breiden, zowel kwantitatief als kwalitatief, en organisatorisch adequaat in te bedden toe te lichten. In onze rapportage wordt inderdaad zowel geduid op de formatie-omvang als de daarvoor binnen deze formatie noodzakelijke expertise. Onze aanbeveling reikt niet tot de vorm waarin dit dient plaats te vinden of waar deze organisatorisch dient te worden gepositioneerd. Het is overigens gebruikelijk dat ambtelijk functionarissen worden gepositioneerd binnen de ambtelijke organisatie. Dat wil zeggen onder verantwoordelijkheid van de gemeentesecretaris en niet rechtstreeks onder de burgemeester.