c.16030-AA007_Bijlage_ecologische quickscan.pdf
Tekst van het document
Natuur
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Kruisdijk 4 Hulsel Rapportnummer: 2024-BE-1012 In opdracht van: Van Dun Advies Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2024-BE-1012 Opdrachtgever Van Dun Advies Contactpersoon De heer R. Jansen Locatie Kruisdijk 4 Hulsel Auteur Veerle Basten Collegiale controle Freek Rovers
Opleverdatum 30 augustus 2024
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 4 1.4 Criteria................................................................................................................................... 4 1.5 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 5
2.
BELEIDSKADER .............................................................................................................. 6 2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 6 2.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 6 2.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 8 2.4 Zorgplicht .............................................................................................................................. 8
3.
PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................... 9 3.1 Ligging plangebied ............................................................................................................... 9
4.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN .......................................................................... 12 4.1 Bureauonderzoek ............................................................................................................... 12 4.2 Veldonderzoek .................................................................................................................... 13 4.3 Beschrijving plangebied ..................................................................................................... 13
5.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 19 5.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 19 5.2 Soortenbescherming .......................................................................................................... 20 5.3 Houtopstanden ................................................................................................................... 33
6.
RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 34 6.1 Resultaten ........................................................................................................................... 34 6.2 Advies en aanbevelingen .................................................................................................... 35
7.
BRONNEN ................................................................................................................... 37
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
SAMENVATTING
Initiatiefnemer is voornemens om twee oude varkenstallen in het plangebied aan de Kruisdijk 4 te Hulsel te slopen. Daarna zal een nieuwe loods gerealiseerd worden. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan in het plangebied in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. Er kan worden geconcludeerd dat negatieve effecten op het leefgebied van beschermde soorten zoals grondgebonden zoogdieren, vissen en ongewervelden op voorhand kan worden uitgesloten, evenals het voorkomen van beschermde flora.
De te slopen varkensstallen bieden geen geschikte openingen voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. Klimplanten op een van de stallen, die als nestplaats kunnen dienen, moeten buiten het broedseizoen worden verwijderd. Hoewel de stallen enkele openingen hebben, zijn deze grotendeels dicht en dagelijks in gebruik, wat de aantrekkelijkheid voor marters beperkt. Bovendien zijn er geen sporen van marterachtigen aangetroffen. Een tijdelijke stapel groenafval biedt mogelijk onderdak voor kleine marterachtigen, maar is geen permanent deel van het plangebied. . Voor de veiligheid van reptielen en amfibieën wordt geadviseerd een paddenscherm te plaatsen. Dit om verwondingen of sterfte van rugstreeppadden te voorkomen. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Veerle Basten Brabant Eco Augustus 2024
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Van Dun Advies is het voornemen in het plangebied aan de Kruisdijk 4 te Hulsel twee oude varkenstallen te slopen, waarna een nieuwe loods gerealiseerd zal worden. De woning blijft behouden. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor het plangebied en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving.
Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.
1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o De uitkomsten en vervolgstappen van het natuuronderzoek zijn te begrijpen voor de opdrachtgever. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
1.5 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
2. BELEIDSKADER
De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de Nederlandse wet waarin onder andere de Wet natuurbescherming is opgenomen. In de Omgevingswet is zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden geregeld. De Omgevingswet bestaat uit een algemene wettekst dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en de Omgevingsregeling. Op enkele uitzonderingen na, zijn de provincies het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningverlening en handhaving.
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van ruim 160 beschermde natuurgebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden) om bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving te beschermen. Deze gebieden zijn in de Omgevingswet strikt beschermd (artikel 5.1 Omgevingswet). Het is verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt ook voor projecten die een externe werking kunnen hebben op de gebieden.
2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden en ecologische verbindingszones dat helpt te voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)’ en zijn uitgewerkt in de provinciale omgevingsverordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud van de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN (Bkl artikel 7.8). Bij activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN dienen deze gevolgen zodanig te worden gecompenseerd dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijven.
2.2 Soortenbescherming De Omgevingswet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: bescherming van Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of omgevingsvergunning. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een omgevingsvergunning of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. o Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. o Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een omgevingsvergunning worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
2.2.1 Vogelrichtlijnsoorten De Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen treffen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om voor deze vogels een ‘voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen’. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. De Omgevingswet bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels in heel Nederland.
2.2.2 Habitatrichtlijnsoorten De Habitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden. Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitats en wilde planten- en diersoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van de Omgevingswet van toepassing.
2.2.3 Andere soorten De nationaal beschermde soorten, ‘andere soorten’, staan vermeld in bijlage IX van het Bal. Dit zijn soorten die in Nederland beschermd zijn en niet vermeld zijn in de Europese richtlijnen en verdragen. Het betreft een limitatieve lijst van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan voor die soorten geen omgevingsvergunning nodig. Beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten art. 11.37 Bal
Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten art. 11.46 Bal
Beschermingsregime andere soorten (nationaal beschermd) art. 11.54 Bal
Lid 1a: Het is verboden van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1a: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlange I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1a: Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1b: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Lid 1b: Het is verboden dieren als bedoeld onder a opzettelijk te verstoren.
Lid 1b: Het is verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Lid 1c: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld onder a te rapen en deze onder zich te hebben.
Lid 1c: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te vernielen of te rapen in de natuur
Lid 1d: Het is verboden vogels als bedoeld onder a opzettelijk te storen.
Lid 1d: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a te beschadigen of te vernielen.
1c: Het is verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Lid 1e: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Tabel: Verbodsbepalingen beschermingsregimes Omgevingswet
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
2.3 Bescherming van houtopstanden Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. De belangrijkste elementen met betrekking tot de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herbeplantingsplicht en de specifieke zorgplicht. De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad om een bebouwingscontour houtkap vast te stellen in het omgevingsplan. Met het aanwijzen van de bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente in feite wanneer de rijksregels (artikel 11.3 Bal) over het vellen van houtopstanden gelden. De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap met een oppervlakte van meer dan 10 are of wanneer die bestaan uit rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Er zijn uitzonderingen (artikel 11.111, Bal). De provincie is het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht van de regels over houtopstanden en bepaalt welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Het indienen van een melding moet uiterlijk 4 weken en niet eerder dan 1 jaar voor het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal). In sommige gevallen is niet de provincie maar de minister van LNV het bevoegd gezag. Dat is het geval als het vellen van houtopstand of herbeplanten een activiteit van nationaal belang is of daarmee samenhangt.
2.4 Zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht (artikel 1.8 Omgevingswet). Dit houdt in dat overheden, bedrijven en burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Deze algemene zorgplicht is niet van toepassing als er een specifieke zorgplicht geldt of er specifieke decentrale of rijksregels zijn. Naast de algemene zorgplicht is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Voor bijna alle activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt een specifieke zorgplicht. Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Er geldt een specifieke zorgplicht voor onder andere flora- en fauna-activiteiten (artikel 11.27 Bal), Natura 2000-gebieden (artikel 11.6 Bal) en houtopstanden (artikel 11.16 Bal). Een specifieke zorgplicht verbiedt handelingen waarvan iedereen zou moeten weten dat ze niet door de beugel kunnen. Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen.
De specifieke zorgplichten gelden ook als er gedetailleerde rijksregels voor een activiteit zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
3.1 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Kruisdijk 4, in het buitengebied, ten westen van de kern van Hulsel, oostelijk van de N638. Hulsel is een dorp behorende tot de gemeente Reusel-De Mierden in de provincie Noord-Brabant. Ten westen van het dorp stroomt de Raamsloop. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Hulsel
Satellietfoto omgeving plangebied, plangebied is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.
3.2 Huidige situatie invloedsgebied Het plangebied bestaat uit een woonhuis, twee voormalige varkensstallen, twee vijvers, verharding, gras, struiken en bomen. Het invloedsgebied bestaat uit bedrijfsbestemmingen en agrarische percelen vooral bestaande uit akkerland en weiland, met daartussen bebossing. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.
Globaal omlijnd plangebied in blauw, te slopen bebouwing in rood omkaderd. Bron: Google Earth.
3.3 Voorgenomen ontwikkeling Het initiatief bestaat uit gedeeltelijk slopen van de bestaande bebouwing in het plangebied aan de Kruisdijk 4 te Hulsel. Het voornemen is om twee oude varkenstallen te slopen. Daarna zal een nieuwe loods van ca. 500m2 gerealiseerd worden. De woning (70m2) blijf behouden.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Beoogde situatie. Bron: Van Dun Advies
Beoogde situatie. Bron: Van Dun Advies
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Omgevingswet. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Omgevingswet voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.
Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten zijn potentieel aanwezig in het invloedsgebied van de beoogde ingreep? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Omgevingswet ten aanzien van het onderdeel ecologie overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving. Het is een momentopname en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, als nationaal. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van het plangebied gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.
gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
4.2 Veldonderzoek Op vrijdag 23 augustus 2024 in de ochtend hebben ecoloog Freek Rovers en junior ecoloog Veerle Basten in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt met een zuidwestenwind met windkracht 4 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 20 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van het invloedsgebied in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. In het plangebied en omgeving is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
4.3 Beschrijving plangebied Het plangebied Kruisdijk 4 ligt ten westen van de kern van Hulsel en bevindt zich in een omgeving die vooral bestaat uit agrarische percelen. Het gebied grenst in het zuiden aan de Kruisdijk. In het westen, noorden en oosten grenst het aan akkerland. Aan de oostzijde staat nog bebouwing. Het plangebied bestaat uit een woning met vijver, de twee te slopen oude varkensstallen, twee schuurtjes en een ruime tuin met een grote vijver, bomen, struiken en andere vegetatie. De woning, gelegen aan de zuidoostzijde van het plangebied, is gebouwd met bakstenen en heeft deels houten gevelbekleding. Het puntdak is bedekt met zonnepanelen. Aan de noordzijde van de woning ligt een vijver en direct rondom de woning is verharding aanwezig, zoals een oprit. De ruime tuin bestaat uit gazon, afgewisseld met bomen, struiken en andere beplanting. De bomen omvatten voornamelijk kastanje, wilg, conifeer, acacia, berk, (rode) beuk, eik en tulpenboom. De struiken zijn voornamelijk taxus, meidoorn, sleedoorn, hulst, hazelaar, rododendron en vlinderstruik, evenals enkele andere soorten zoals rode en witte klaver, sporkehout en teunisbloem. In de tuin staan ook twee schuren: een bakstenen schuur in het zuidwesten en een houten schuur in het oosten. Aan de westzijde van het plangebied bevinden zich de twee te slopen varkensstallen.
Tijdens het veldbezoek werden deze stallen niet meer als varkensstal gebruikt, maar als opslagruimte. De stallen hebben rode bakstenen muren en een golfplaten dak, met afdichtingsprofielen onder het dak. Er is oppervlakkige voegschade op enkele plaatsen en de grotere stal richting het oosten is deels bedekt met klimplanten. De oostelijke stal heeft aan de oostzijde een houten overkapping met een golfplaten dak, waar zich onder andere twee paardenboxen bevinden.
Woning westzijde en tuin
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Vijver en woning noordzijde plangebied
13
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Overzicht tuin en schuurtje zuidzijde plangebied
Overzicht tuin en schuurtje zuidzijde plangebied
Overzicht vijver en tuin ten midden van plangebied
Overzicht tuin oostzijde plangebied
Overzicht tuin ten midden van plangebied
Overzicht vijver en tuin ten midden van plangebied
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Schuurtje oostzijde plangebied
Overzicht tuin noordzijde plangebied
Overzicht tuin noordzijde plangebied
Overzicht tuin noordzijde plangebied
Overzicht tuin noordzijde plangebied
Overzicht tuin noordwestzijde plangebied
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Noordzijde van westelijke stal
Westzijde van westelijke stal en tuin
Zuidzijde van westelijke stal
Zuid- en oostzijde van westelijke stal
Oost- en noordzijde westelijke stal en westzijde oostelijke stal
Binnenzijde westelijke stal
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Binnenzijde westelijke stal
Binnenzijde westelijke stal
Binnenzijde westelijke stal
West- en zuidzijde oostelijke stal
Westzijde oostelijke stal
Noordzijde oostelijke stal
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Noord- en oostzijde oostelijke stal
Overkapping met paardenboxen oostzijde oostelijke stal
Binnenzijde oostelijke stal
Binnenzijde oostelijke stal
Binnenzijde oostelijke stal
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 900 meter afstand van westelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000-gebied Kempenland-West. Op ongeveer 5 kilometer afstand, ook naar het westen ligt Natura 2000gebied Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout en westelijk op 5,5 kilometer Natura 2000-gebied Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000-gebieden zijn in blauw aangegeven.
Minimaal 900 meter tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000
Natura 2000-gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu
Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius-berekening kan dit staven.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 250 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in diverse kleuren.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Minimaal 250 meter tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Natuurnetwerk Nederland-gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Een Aerius-berekening kan dit staven.
5.2 Soortenbescherming Bijlage 1, project Kruisdijk nummer BE-1012 d.d. 15 juli 2024 geeft een overzicht van de waargenomen planten- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Bijlage 2 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 3 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten.
Per soortgroep wordt in onderstaande paragrafen beschreven welke soorten worden verwacht in het plangebied, welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
5.2.1 Flora Volgens de NDFF is er de laatste vijf jaar 1 beschermde plantensoort waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze plant staat op de Rode Lijst en is sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoort is te vinden in de onderstaande tabel. Soort Drijvende waterweegbree
Afstand plangebied 0-2 km
Habitat helder, voedselarm tot matig voedselrijk, zwak zuur water
Drijvende waterweegbree Drijvende waterweegbree is een plant van helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water. Ze komt voor in laaglandbeken, vennen, kanalen en poelen. Het is een vrij zeldzame soort met een uitgebreide verspreiding in de hoge delen van Nederland. Het bolwerk ligt in Noord-Brabant. Ze is de afgelopen decennia sterk achteruitgegaan en staat inmiddels op de Rode Lijst. Afhankelijk van de omgeving kent de plant meerdere groeiwijzen. In diep (meren) of stromend water (beken) worden dichte matten met rozetten gevormd, met alleen ondergedoken lijnvormige bladeren. In ondiepe delen van vennen en plassen ontwikkelen zich vanuit deze rozetten bloeiende planten met kenmerkende drijfbladeren. Op periodiek droogvallende oevers ontwikkelen zich planten met gesteelde bladeren die vaak uitbundig bloeien. Veldbezoek flora Onder de Omgevingswet beschermde planten komen voornamelijk voor in voedselarme biotopen met specifieke standplaatscondities. Dit soort locaties worden voornamelijk gevonden in natuurgebieden, zoals de duingebieden langs de Noordzeekust en in de provincie Limburg, alsmede op bedrijfsterreinen als de Maasvlakte. Tijdens veldonderzoek is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van beschermde soorten, echter zijn deze hier niet waargenomen.
Het plangebied beschikt over een ruime tuin die bestaat uit gazon, afgewisseld met bomen, struiken en andere tuinbeplanting. De bomen bestonden voornamelijk uit kastanje, wilg, conifeer, acacia, berk, (rode) beuk, eik en tulpenboom. Struiken waren vooral soorten als taxus, meidoorn, sleedoorn, hulst, hazelaar, rododendron en vlinderstruik. Verder stonden er nog vele andere soorten, waaronder rode en witte klaver, sporkehout, teunisbloem.
Rode beuk in plangebied
Vegetatie in plangebied
Deelconclusie flora Geen van de beschermde soorten is aangetroffen in het projectgebied, noch geschikt biotoop dat bewijs zou leveren dat deze soort(en) er aanwezig zouden kunnen zijn. De vijver in het plangebied blijft behouden. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Er kan volstaan worden met de algemene zorgplicht.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 7 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 3 vleermuissoorten, 3 marterachtigen en 1 overige soort. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of vergunningverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuissoort
Afstand plangebied
Habitat en bescherming
Franjestaart
0-2 km
Vooral bomen, strikt beschermd
Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis
0-2 km
Soms bebouwing, soms bomen, strikt beschermd
0-2 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd
Verblijfplaatsen Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De in het plangebied staande bomen met geschikte stamdiameter zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan. Alle bomen in en rond het plangebied blijven behouden tijdens de voorgenomen werkzaamheden. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. De te slopen varkensstallen bieden geen geschikte openingen voor vleermuizen. De daken bestaan uit golfplaten met daaronder afdichtingsprofielen. De ruimten waar ventilatiegaten zaten zijn dichtgemaakt met hout en kopgevels zijn dichtgemetseld, waardoor geen openingen of kieren aanwezig zijn. Wel is er op meerdere plekken voegschade, maar dit is oppervlakkig en biedt geen ruimte voor vleermuizen. Hoewel de open ventilatiegaten in theorie toegang bieden tot de binnenzijde van de stallen, zijn hier geen uitwerpselen of prooiresten zoals afgebeten vlindervleugels gevonden.
De open ventilatiegaten bevinden zich relatief laag in de muur, op ongeveer 1.5 meter hoogte en de stallen worden dagelijks gebruikt waardoor er een redelijke mate aan verstoring plaatsvind. De eigenaar heeft verspreid aan bomen in de tuin vleermuiskasten opgehangen om vleermuizen een geschikte verblijfplaats te bieden en de lokale vleermuispopulatie te ondersteunen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Muurplaat en afdichtingsprofiel westelijke stal
Strak aangesloten kozijn en gedicht ventilatiegat westelijke stal
Oppervlakkige voegschade westelijke stal
Dichtgesmeerde kopgevel westelijke stal
Dichtgesmeerde kopgevel oostelijke stal
Muurplaat en afdichtingsprofiel oostelijke stal
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Vleermuiskast
Vleermuiskasten
Foerageergebied Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn, zoals de bossen en weilanden. Vliegroutes Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. Er zijn duidelijke lijnvormige elementen in het plangebied aanwezig, die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. De bomenlaan in het noorden van het plangebied kan dienen als vliegroute voor vleermuizen. Deze is geen onderdeel van de ingreep en zal gehandhaafd blijven.
Mogelijke vliegroute langs bomenlaan noordzijde plangebied
Vleermuizen worden snel verstoord door verlichting. Soms kunnen vleermuizen door verlichting een verblijfplaats, vliegroute of foerageergebied niet meer gebruiken. De mate waarin het licht vleermuizen verstoord is afhankelijk van de hoeveelheid licht, de lichtkleur en de gevoeligheid van de soort voor licht. Omdat de bebossing rondom de te slopen stallen geschikt kan zijn als foerageerplaats, wordt geadviseerd om aandacht te besteden aan het gebruik van licht tijdens de werkzaamheden. Het is aan te raden zoveel mogelijk te werken tijdens daglicht. Indien gebruik van kunstlicht noodzakelijk is, dient dit alleen op het plangebied gericht te worden en niet op de bomen. Deelconclusie vleermuizen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen omgevingsvergunning nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012 Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort
Afstand plangebied
Bescherming
Boommarter Bunzing Steenmarter
0-2 km 0-2 km 0-2 km
Beschermd Beschermd Beschermd
Boommarter De schuilplaats van de boommarter bestaat meestal uit een holle boom, de nestplek evenzeer en hun leefgebied bestaat doorgaans uit bos, zowel loof- als naaldbos en gemengd bos, jong en oud. Toch wagen ze zich ook buiten bosgebieden, maar bomen zijn nooit ver weg. De dieren leven solitair en kunnen goed zwemmen. ’s Nachts legt een boommarter 2 tot 20 kilometer af. Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen.
De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Veldbezoek marterachtigen De aanwezigheid van marterachtigen verraadt zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van voornoemde marterachtigen in de stallen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op aanwezigheid van deze. De stallen zijn in principe dicht, op enkele plekken na, waardoor marters theoretisch gezien naar binnen kunnen. Echter, het dak is niet beschoten en er is geen zolder, waar bijvoorbeeld een steenmarter graag zit. De oude stallen worden gebruikt als opslag en worden elke dag betreden en het aanwezige materieel wordt gebruikt. Het is zeer onwaarschijnlijk dat marterachtigen een schuil- of voortplantingsplaats opzoeken in een dusdanig druk onderdeel van het plangebied. Tussen de twee stallen in ligt een stapel groenafval. Deze stapel zouden in theorie geschikt kunnen zijn voor kleine marterachtigen, maar is enkel in overslag en is dus slechts tijdelijk aanwezig. De stapel maken geen permanent deel uit van het plangebied.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
25
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012
Tijdelijke stapel groenafval
Deelconclusie marterachtigen Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen van marterachtigen in de stallen gevonden. De tijdelijke stapel groenafval biedt mogelijk onderdak, maar maakt geen permanent deel uit van het plangebied. Door het dagelijkse gebruik van de stallen is het zeer onwaarschijnlijk dat marterachtigen hier een schuil- of voortplantingsplek vinden. Overige grondgebonden zoogdieren De overige grondgebonden zoogdieren omvatten alle verder in het wild levende zoogdieren, waaronder vooral knaagdieren, evenhoevigen en insecteneters. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen omgevingsvergunning hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige grondgebonden zoogdieren te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige soort Eekhoorn
Afstand plangebied 0-2 km
Bescherming Beschermd
Eekhoorn Eekhoorns zijn te vinden in verschillende bosomgevingen, waaronder loof-, naald- en gemengd bos. Ze komen ook voor in tuinen, parken en houtwallen. Als er voldoende voedsel beschikbaar is, kunnen ze ook in bebouwde gebieden worden aangetroffen. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, zoals eikels, noten en zaden uit kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Specifieke voedselbomen kunnen zijn: eiken-, beuken-, walnoot-, hazelnoten- en pijnbomen. Eekhoorns bouwen nesten in bomen. Naast één hoofdnest zijn ook vaak vijf tot zes bijnesten aanwezig. Veldbezoek overige grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn veel bomen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nesten van eekhoorns in deze bomen waargenomen, echter is de afwezigheid van nesten niet met zekerheid uit te sluiten omdat het veldbezoek is uitgevoerd in de bladrijke periode. Er zijn geen sporen van eekhoorns in het plangebied waargenomen, in de vorm van bijvoorbeeld afgeknaagde notendoppen of afgescheurde boomschors, waardoor het waarschijnlijk is dat eekhoorns geen actief gebruik maken van de bomen in het plangebied. Bovendien blijven de bomen behouden.
Tijdens het veldbezoek is gebleken dat het aannemelijk is dat er vrijgestelde soorten in het plangebied kunnen worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
26
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012 Deelconclusie overige grondgebonden zoogdieren Het is uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van overige grondgebonden zoogdieren. Alle bomen in het plangebied blijven behouden.
5.2.3 Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil Wespendief
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Beschermingscategorie* en habitat 4, boombewonend 4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, boom- of gebouwbewonend 4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, gebouwbewonend 4, boombewonend 3, boom- of gebouwbewonend 4, boombewonend 2, boombewonend 4, boombewonend 1, gebouwbewonend 4, boombewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Omgevingswet het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust - en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk va n bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Soms maken ze gebruik van nestkasten die speciaal voor hen zijn opgehangen. De ransuil is een uilensoort die in verschillende habitats voorkomt, waaronder bosgebieden, parken, open landschappen met verspreide bomen en agrarisch gebied met houtwallen en bosjes. Ze nestelen zich vaak in
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
27
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012 bomen, meestal in verlaten nesten van andere vogels zoals kraaien of eksters. Ze geven ook de voorkeur aan bomen met dichte takken of holen in oude bomen. De oehoe is een grote uilensoort die een breed scala aan habitats bewoont, variërend van rotsachtige berggebieden tot bosrijke gebieden en zelfs open landschappen. Oehoes maken vaak gebruik van bestaande nesten van andere grote vogels, zoals arenden of roofvogels, maar ze kunnen ook hun eigen nesten bouwen op rotsrichels, in bomen of zelfs op de grond. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van de huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Deze uitgesproken standvogels nestelen bij voorkeur onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en mussenkasten. Ooievaar Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven.
Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Roek Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. Grote gele kwikstaart In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd wanneer er geen alternatieve nestmogelijkheden aanwezig zijn in de directe omgeving van de ingreep. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid.
Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Overige Vogelrichtlijnsoorten Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen gestart worden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gestart gaat worden met de sloopwerkzaamheden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie door een deskundig ecoloog is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Met
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
28
Ecologische quickscan Kruisdijk 4 Hulsel, BE-1012 betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Veldbezoek vogels In de te slopen varkensstallen zijn geen geschikte holtes voor gierzwaluwen en huismussen aanwezig en er zijn geen hoogvliegende gierzwaluwen of huismussen waargenomen tijdens het veldbezoek. Onder de golfplaten daken zitten afdichtingsprofielen en muurplaten en de kopgevels zijn dichtgemetseld. Hierdoor zijn er geen openingen of kieren. De eigenaar heeft in het plangebied een verscheidenheid aan nestkasten opgehangen om verschillende vogelsoorten aan te trekken. Zo zijn er kasten beschikbaar voor bijvoorbeeld mezen en mussen, evenals speciale nestkasten voor uilen en roofvogels. Door deze diversiteit aan nestkasten hoopt de eigenaar een rijke biodiversiteit te bevorderen en een veilige broedplaats te bieden voor verschillende vogelsoorten in het gebied. De stallen bieden geen geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden.
Hoewel uilen via enkele open ventilatiegaten de stallen zouden kunnen binnendringen, zijn deze gaten te klein voor hen. Tijdens het veldbezoek is er bovendien gezocht naar sporen van kerkuilen en steenuilen in de stallen, zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of ruiveren, maar er zijn geen sporen van uilen aangetroffen. Hoewel er geen natuurlijke nesten van roofvogelsoorten in de bomen zijn aangetroffen, betekent dit niet dat het plangebied ongeschikt is voor deze vogels. Dankzij de opgehangen nestkasten kan het terrein toch aantrekkelijk zijn voor roofvogels die een geschikte broedplaats zoeken. Er is voor de slechtvalk geen geschikte habitat aanwezig in het plangebied. De slechtvalk broedt bij voorkeur in hoge gebouwen (>4 verdiepingen). Een van de stallen is deels bedekt met klimplanten, die mogelijk dienen als nestplaats voor vogels. Deze vegetatie biedt een waardevolle schuilplek en broedmogelijkheid voor verschillende vogelsoorten. Om te voorkomen dat broedende vogels worden verstoord, is het belangrijk om de klimplanten alleen buiten het broedseizoen te verwijderen. Hierdoor blijft de stal beschikbaar voor vogels tijdens hun broedperiode en wordt hun habitat niet onterecht aangetast. In het opgaande groen van de gecultiveerde tuin kunnen algemene Vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden.