CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan woningbouwlocaties Reusel .pdf

Commissie Ruimte 11 januari 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen BP stedelijk gebied woningbouwlocaties Molen Akkers en Denestraatse Akkers”20.979 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Duurzame verstedelijking

Sinds 1 oktober 2012 is het op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verplicht om in het geval dat een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in de toelichting de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen. In de “Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat bij de regeling “Ruimte voor Ruimte” geen sprake is van extra verstedelijking, omdat aan de oprichting van een Ruimte voor Ruimte woning sloop van bebouwing is voorafgegaan. Toepassing van de ladder is derhalve niet nodig. PROVINCIAAL BELEID 3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant (14-12-2018)

De omgevingsvisie Noord-Brabant is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Het betreft een algemene visie op de Brabantse leefomgeving van de provincie Noord-Brabant. Het betreft een visie die met name de provincie zelf bindt maar ook voor initiatiefnemers een belangrijk toetsingskader is. In deze sub paragraaf behandelen wij kort de kern van de omgevingsvisie en de relaties die te trekken zijn met het onderhavige plan. In de omgevingsvisie is een ‘foto’ genomen van de stand van zaken in 2018 en er is een panorama geschetst voor de situatie in 2050. Het plangebied aan de Rouwenbogt 1 en Gildepad 2 is gelegen in het zuiden van de provincie. Het betreft in 2018 een intensief landbouwgebied met een sterke agrofoodsector. De landbouw is een belangrijke economische factor in 2018 die veel exporteert.

28 APRIL 2020

9

Tegelijk heeft de landbouw als grootste ruimtegebruiker nog te veel een negatieve impact op de kwaliteit van de leefomgeving (bodem, water en lucht) en biodiversiteit en daarmee op het welbevinden van de Brabanders en het vestigingsklimaat. In de omgevingsvisie wordt een vergezicht geschetst van 2050. Er wordt dan duidelijk cyclisch gedacht én gedaan. Groener, duurzamer en slimmer. Brabant is in 2050 welvarend, verbonden en klimaatproof. Dat is het panorama dat wordt geschetst in de omgevingsvisie. Om het panorama te realiseren en Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatproof te laten zijn, worden door de provincie vier hoofopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen en op elkaar inwerken als de tandwielen in een machine: ► ► ► ►

Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie

Deze vier hoofdopgaven zijn belangrijk voor heel Brabant en spelen in de hele provincie. Dat betekent niet dat deze Brabant breed op dezelfde manier worden opgepakt. Bij het uitwerken van een aanpak is het belangrijk om vanuit een gebied specifieke benadering de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Door verschillende doelen met elkaar te verweven en slimme combinaties te maken, ontstaat een grotere meerwaarde voor een gebied. Door niet alleen werkgelegenheid te creëren, maar tegelijkertijd ook bij te dragen aan de omslag naar een circulaire economie bijvoorbeeld. Dit streven naar meerwaarde is de centrale gedachte van deze Omgevingsvisie. In de omgevingsvisie worden een werkwijze en concrete beleidsdoelen geformuleerd. In relatie tot de landbouw bijvoorbeeld: “Eerst en vooral is een verdere beperking van de impact van de primaire landbouw door emissies vanuit de veehouderij en de gevolgen van het gebruik van mest- en gewasbeschermingsmiddelen van belang. Ook de landschappelijke inpassing van stallen, kassen, plastic tunnels en loodsen verdient aandacht”. Het voorgenomen initiatief betreft de sanering van twee intensieve veehouderijbedrijven. De emissies van ammoniak, geur en fijnstof verdwijnen.

Daarnaast wordt bij de bestemmingswijziging voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot de landschappelijke inpassing van loodsen.

3.2.2

Interim omgevingsverordening

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de ‘Imterim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld. In de interim omgevingsverordening (vanaf nu: verordening) zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. Dit bestemmingsplan wordt met name getoetst aan de bepalingen omtrent ruimtelijke ordening zoals deze ook opgenomen waren in de Verordening Ruimte. Onderdeel van de verordening zijn acht kaarten. Twee kaarten met rechtstreeks werkende regels over milieubescherming en landbouw. Zes kaarten met instructieregels over diverse onderdelen zoals stedelijke ontwikkeling. In deze subparagraaf worden enkele relevante kaarten beschouwd en

28 APRIL 2020

10 

wordt het plan getoetst aan de relevante provinciale regels omtrent Ruimte voor Ruimte en omtrent vestiging niet-agrarische functie

Figuur 3-1 Uitsnede kaar 2 Interim omgevingsverordening

Uit figuur 4-1 blijkt aan dat beide locaties gelegen zijn in het landelijk gebied, binnen het gebied beperkingen veehouderij. De locatie Rouwenbogt 3 en Rouwenbogt 4 zijn in het verleden reeds gesaneerd in het kader van een eerdere saneringsregeling. De zes kaarten omtrent instructieregels behorende bij de verordening laten zien dat het plangebied niet is gelegen in bestaand stedelijk gebied of een gebied waar verdere verstedelijking afweegbaar is. De locatie is niet gelegen in een provinciaal natuurgebied of (beoogde) ecologische verbindingszone. Er zijn geen andere provinciale belangen voor deze locatie op basis van het kaartmateriaal. In de verordening zijn basisprincipes omschreven voor een evenwichtige toedeling van functies in paragraaf 3.1.2. Hierbij is het van belang dat een bestemmingsplan invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hierbij is het van belang dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied worden beschouwd met toepassing van de lagenbenadering en dat er sprake is van meerwaardecreatie. Dit bestemmingsplan wordt getoetst aan deze drie elementen.

28 APRIL 2020

 11

Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; De herbestemming van twee voormalige agrarische bedrijfslocaties naar wonen en niet-agrarisch bedrijvigheid is een passende toedeling van functies die plaatsvindt binnen het bestaande agrarische bouwvlak. Hiermee is geen sprake van nieuwvestiging voor bebouwing. b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); In artikel 1.1.1. onder i van het Besluit omgevingsrecht is gedefinieerd wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Hierin is geen ondergrens bepaald. Dit is afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Ten aanzien van woningbouwlocaties volgt uit de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 van de Afdeling dat er in beginsel pas sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden.

Daar is hier geen sprake van, feitelijk gaat het om het toevoegen van één extra woning. De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling hoeft in dit geval dus niet toegepast te worden. c.

gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

De ruimte voor ruimte woning en de loodsen op beide locaties krijgen een specifieke aanduiding binnen het bestaande agrarische bouwperceel. Buiten de aanduiding mogen bijgebouwen worden gebouwd bij de ruimte voor ruimte woning binnen de bestemming wonen. Ook deze ruimte is begrenst tot het achtererfgebied binnen het voormalige agrarische bouwperceel. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen. Het gaat daarbij om het effect op de lagen in wisselwerking met elkaar waarbij de factor tijd actief wordt benut. De eigenschappen van de ondergrond, het landschap, de infrastructuur en de mate van verstedelijking verschillen sterk binnen Brabant. Hierdoor kan een ingreep in het oosten van Brabant heel anders uitpakken dan in West-Brabant. Daarom is het van belang om te weten hoe de omgeving in elkaar steekt en te kijken naar alle lagen: de ondergrond, de netwerklaag, de bovenlaag en de tijdsdimensie. Tussen deze lagen bestaat een wisselwerking. Iedere laag kent zijn eigen dynamiek, verschillende veranderingssnelheid en mate van omkeerbaarheid bij ingrepen.

28 APRIL 2020

12 

In hoofdstuk 5 worden alle afzonderlijke lagen beschouwd en wordt bovendien specifiek getoetst aan provinciale beleidsregels zoals het Natuur Netwerk, de groenblauwe mantel, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, stiltegebied en delen van het watersysteem. Vooruitlopend op de toetsing in hoofdstuk 4 en 5 is de herbestemming van vrijkomende agrarische bedrijven naar woonbestemming binnen een bestaande bebouwingsconcentratie een passende bestemming voor het behoud van de omgevingskwaliteit van dit gebied. Meerwaardecreatie en kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.8 en 3.9) Het begrip meerwaardecreatie is een belangrijke kernwaarde uit de verordening. Het is een basisprincipe waar bijvoorbeeld kwaliteitsverbetering van het landschap onder valt. Het betreft in deze een relatief kleine ontwikkeling waarbij een uitgebreide toetsing op dit aspect geen toegevoegde waarde heeft. In het kader van de normale regels omtrent kwaliteitsverbetering van het landschap zijn twee landschappelijke inpassingsplannen gemaakt van het plan, deze plannen zijn bijgevoegd in bijlage 6 en 7 bij de regels en wordt uitgebreid besproken in artikel 3.2.3. Naast het beplantingsplan is er sprake van een bijdrage aan de fysieke kwaliteitsverbetering door het slopen van voormalige bedrijfsgebouwen en verharding op beide voormalige agrarische bedrijven.

Ten aanzien van gezondheid en woon- en leefklimaat op het gebied van geur, fijn stof en endotoxinen is daarnaast een belangrijke bijdrage de beëindiging van de varkenshouderij aan de Rouwenbogt 1 en pluimveehouderij aan het Gildepad 2. Artikel 3.80 ruimte-voor-ruimte Op basis van artikel 3.80 is het mogelijk om een zogenaamde ‘Ruimte-voor-ruimte’ kavel toe te voegen aan het bestaand landelijk gebied. Hierbij gelden op basis van lid 1 vier voorwaarden: a. er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; Zoals hiervoor reeds beschreven draagt de beëindiging van twee voormalige agrarische bedrijven in belangrijke mate bij aan een verbetering van de omgevingskwaliteit. Met name op de aspecten geur, fijn stof en endotoxinen wordt een forse afname bereikt door de sanering van twee voormalige veehouderijen, waar onder een pluimveehouderij en een varkenshouderij. Dit is met name van belang omdat omliggende woningen op zeer korte afstand van de veehouderijen zijn gelegen. Daarnaast is er sprake van winst van de omgevingskwaliteit door sloop van voormalige bebouwing en verharding en een algehele landschappelijke inpassing van beide voormalige bouwpercelen die aansluit bij de cultuurhistorische waarde van het gebied. b.

de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; Het plangebied van de locatie Rouwenbogt 1 is gelegen in de bebouwingsconcentratie, hiermee is dit een aanvaardbare locatie voor een ruimte voor ruimte kavel. c.

een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;

In bijlage 6 en 7 zijn de landschappelijke inpassingsplan opgenomen zoals dat zal worden uitgevoerd. De uitvoering hiervan is middels voorwaardelijke verplichtingen geborgd in de regels.

28 APRIL 2020

 13

d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar. De herbestemming van twee voormalige bedrijfswoningen, de realisatie van een ruimte voor ruimte woning en de herbestemming van resterende bedrijfsgebouwen leidt niet tot een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling. In lid 2 van artikel 3.80 wordt nader omschreven wanneer sprake is van de benodigde aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit. Deze toetsing wordt door de provincie uitgevoerd in het kader van de ruimte voor ruimte regeling. Onderdeel hiervan is bijvoorbeeld de eis dat minimaal 1.000 m2 aan stallen dient te worden gesloopt en minimaal 3.500 kilo fosfaat (473 varkensrechten) dienen te worden ingeleverd. Op de locatie Rouwenbogt 1a is een voormalige varkenshouderij aanwezig van 1.494 m2 aanwezig. Er wordt een oude zeugenstal gesloopt van 1.044 m2. Het achterste later aangebouwde deel van deze stal a 450m2 blijft staan. Voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan zullen de stallen worden gesloopt, wordt de milieuvergunning ingetrokken en worden de dierrechten ingeleverd. Hiermee is de benodigde kwaliteitswinst op deze locatie verzekerd, dit wordt verankerd in een ruimte voor ruimt titel aanvraag bij de provincie.

vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. In hoofdstuk 4 en 5 van deze toelichting, als in bijlage 7 wordt dit aspect uitgebreid getoetst. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Er is geen sprake van een splitsing van het bouwperceel. c.

overtollige bebouwing wordt gesloopt;

Aan het Gildepad 2 is geen sprake van overtallige bebouwing. De daken zijn recent vervangen en zijn deels voorzien van zonnepanelen. In het kader van meervoudig ruimtegebruik streven de ondernemers een vorm van statische opslag na met als combinatie energie opwekking op de daken. Een passende herbestemming voor deze vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen.

28 APRIL 2020

14 

d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; Er is geen sprake van een kantoor met baliefunctie of een lawaaisport aan het Gildepad 2. Dit wordt geborgd in de planregels. 3.2.3

Conclusie

De herbestemming van beide vrijgekomen agrarische bedrijven is passend binnen de beleidskaders van de interim omgevingsverordening van de provincie. Er wordt voldaan aan de bepalingen omtrent ruimte-voor-ruimte en omtrent herbestemming naar niet-agrarische bedrijvigheid en wonen.

28 APRIL 2020

 15

GEMEENTELIJK PLANOLOGISCH BELEID 3.3.1

Omgevingsvisie Gemeente Reusel-De Mierden

In deze sub-paragraaf kijken we naar de Omgevingsvisie waarin onder andere de toekomstvisie zoals opgesteld in 2013 is verwerkt. In onderstaande visiekaart (figuur 3-2) is goed te zien dat het plangebied is gelegen in een buurtschap dat gezien wordt als drager van transformaties in de intensieve veehouderij. Dit gebied wordt gezien als een gebied dat beter geschikt gemaakt kan worden voor ander functies, zoals wonen, kleinschalig werken, recreatie en omgevingsvriendelijke agrarische activiteiten, in plaats van intensieve veehouderij.

Figuur 3-2 Visiekaart omgevingsvisie Reusel-De Mierden 08-02-2018 ( O = plangebied)

28 APRIL 2020

16 

Figuur 3-3 laat de strategiekaart zien. Het plangebied ligt in een gebied waar de volgende strategie wordt gevolgd: “ruimte bieden voor niet belastende “rode” functies onder de harde voorwaarde dat tegelijkertijd bos en/of natuur wordt aangelegd, landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en permanent in stand gehouden en (recreatieve) langzaamverkeersroutes worden aangelegd, verbeterd en langjarig onderhouden. De gewenste ontwikkeling betreft een kleinschalige gebiedsontwikkeling. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling is een landschappelijke inpassing opgesteld, zie paragraaf 4.5.

Figuur 3-3 Strategiekaart Structuurvisie Reusel-De Mierden 08-02-2018 (O = plangebied)

28 APRIL 2020

 17

3.3.2

Vigerende bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan voor beide locaties is “Buitengebied 2009, herziening fase 1a”, vastgesteld op 9 juli 2013. Dit bestemmingsplan betreft een herziening van de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’. Deze twee bestemmingsplannen vormen samen het actuele gemeentelijke planologisch beleid. Voor de verbeelding moet gekeken worden naar bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ voor de regels naar de herziening ‘Buitengebied 2009, herziening fase 1a’. De vigerende bestemming wordt per locatie beschreven. Rouwenbogt 1 In het vigerende bestemmingsplan, zie figuur 3-4, heeft een deel van het plangebied (rode vlak) aan de Rouwenbogt 1 de enkelbestemming ‘Bedrijf - Agrarisch’ met de functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’. Het overige deel van het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden 1’. Een deel van het plangebied heeft daarnaast de dubbelbestemming ‘Archeologische verwachtingswaarde’. Ook heeft het gehele plangebied de gebiedsaanduidingen ‘Bebouwingsconcentratie’ en ‘Extensiveringsgebied’. De gewenste ontwikkeling is in strijd met de vigerende regels.

Figuur 3-4 Verbeelding ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2009’

28 APRIL 2020

18 

Gildepad 2 In het vigerende bestemmingsplan, zie figuur 3-5, heeft het plangebied (rode vlak) aan het Gildepad 2 de enkelbestemming ‘Bedrijf - Agrarisch’ met de functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’. Ook heeft het plangebied de gebiedsaanduidingen ‘Extensiveringsgebied’. De gewenste ontwikkeling is in strijd met de vigerende regels.

Figuur 3-5 Verbeelding ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2009’

28 APRIL 2020

 19

OMGEVINGSASPECTEN ARCHEOLOGIE Volgens de wettelijke verplichting dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. Als onderdeel van het beleidsplan Archeologische Monumentenzorg is een gemeentelijke erfgoedkaart en een gemeentelijke erfgoed verordening van kracht. Op deze kaart zijn de archeologisch waardevolle gebieden in 7 categorieën verdeeld, variërend van archeologische monumenten tot gebieden zonder archeologische verwachting. Rouwenbogt 1 Volgens de archeologische waardenkaart is het plangebied gedeeltelijk gelegen binnen een gebied met archeologische verwachtingswaarde, categorie 3, 4, 6 en 7 (zie figuur 4-1).

Figuur 4-1 Uitsnede gemeentelijk erfgoedkaart (O is bedrijfslocatie)

28 APRIL 2020

20 

Binnen het plangebied wordt een gebouw gesloopt, wijzigt de functie van de twee andere gebouwen en wordt een nieuwe woning opgericht. Ten behoeven van de oprichting van de woning zullen grondwerkzaamheden plaatsvinden. De nieuwe woning is gelegen ter plaatse van categorie 7 ‘gebied zonder archeologische verwachting’. Deze categorie wordt omschreven als: Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van archeologisch onderzoek, aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Op deze terreinen rusten geen beperkingen ten aanzien van archeologie. Voor de gewenste situatie aan de Rouwenbogt 1 is op basis van het voorgaande geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Gildepad 2 De gewenste situatie aan het Gildepad 2 betreft een functiewijziging van de bestaande gebouwen. Derhalve is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woning en de gewenste functiewijzigingen. CULTUURHISTORIE De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verder ontwikkeling van Brabant.

De provincie heeft daarom een digitale Cultuur Historische Waardenkaart (CHW) opgesteld. Volgens de CHW, zie onderstaande figuur 4-2, is het plangebied niet gelegen in een cultuurhistorisch beschermd vlak, of landschap. Het plangebied is wel gelegen in het archeologisch landschap “Kempen’.

Figuur 4-2 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart, O is bedrijfslocatie (Bron: Province Noord-Brabant)

28 APRIL 2020

 21

Rouwenbogt 1 Onderhavig initiatief betreft de sloop van een gebouw, functiewijziging van twee ander gebouwen en het oprichten van een nieuwe woning. Aangezien het plangebied is gelegen in een bestaande bebouwingsconcentratie (lintbebouwing aan de Rouwenbogt) heeft het initiatief geen invloed op de het archeologisch landschap. Gildepad 2 De gewenste situatie aan het Gildepad 2 betreft een functiewijziging van de bestaande gebouwen. Dit heeft geen invloed op het archeologisch landschap. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woning en de gewenste functiewijzigingen. WATERPARAGRAAF 5.8.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van bouwen inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden.

Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. In deze paragraaf wordt enkel de locatie Rouwenbogt 1 besproken aangezien de gewenste ontwikkeling aan de locatie Gildepad 2 een functiewijziging betreft waarbij niet gebouwd wordt. Het plangebied aan de Rouwenbogt 1 valt onder het beheer van waterschap De Dommel. 5.8.2 Relevant beleid Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de “Keur Waterschap De Dommel 2015” van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Figuur 4-3 geeft een beeld van de ligging van het plangebied op de keurkaart beschermingsgebieden van de ‘Keur 2015’. Hieruit blijkt dat de locatie is gelegen in het grondwaterdeelgebied: ‘Westelijke zandgronden’. Ten noorden van het plangebied liggen beschermde gebieden voor de waterhuishouding.

28 APRIL 2020

22 

Figuur 4-3 Uitsnede kaart beschermde gebieden keur, O is plangebied (Bron Waterschap de Dommel)

Waterbeheerplan de Dommel 2016-2021 Het waterschap heeft in 2015 het “Waterbeheerplan De Dommel 2016-2021” vastgesteld en dit plan is sinds 1 januari 2016 van kracht. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedsbeheer Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal waterplan. Het nieuwe waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016-2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt: ►

►

►

►

De beekdalbenadering: Door het beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan het waterschap integraler en effectiever werken. Wel is samenwerking met andere overheden, andere waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het ommeland. Water verbindt mensen. De gebruiker centraal: De omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt. Ook veranderen de behoeften en belangen van gebruikers. De waarde van water verandert met de maatschappij mee. Daar heeft het waterschap oog voor en speelt daarop in. Samen sterker: Door de handen ineen te slaan met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven, bereikt het waterschap meer dan op eigen houtje. Zij aan zij zoekt het waterschap naar de beste oplossingen en maakt daar werk van. Het waterschap wil inspireren en ruimte geven. Door flexibel te zijn in de samenwerking met ideeën van derden versterkt het waterschap de uitvoeringskracht. Gezonde toekomst: Ook toekomstige generaties wil het waterschap voldoende, veilig en schoon water kunnen bieden. Overal in de maatschappij streeft het waterschap naar duurzaamheid. Het denken in kringlopen is daarbij de basis. Het waterschap sluit hierbij aan en ziet het als een inspirerende uitdaging. Mensen bewust maken van de waarde van water om zo tot duurzaam gebruik te komen zal de komende jaren in het werk van het waterschap verweven zijn.

28 APRIL 2020

 23

5.8.3 Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie Het plangebied is gelegen in grondwatertrap VI en heeft een geschatte Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) van 40 – 80 cm beneden maaiveld en een Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van meer dan 120 centimeter beneden maaiveld. De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit grof zand. 5.8.4 Hydrologisch neutraal bouwen De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de “Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

Het voorgenomen initiatief voorziet in sloop van 1.000 m2 (varkensstal). Er wordt een nieuwe ruimte voor ruimte woning gebouwd inclusief bijgebouwen met een veel kleiner ruimtelijke voetafdruk. Dit wordt begrenst middels een specifieke aanduiding/bouwvlak en bijbehorende planregels voor het bouwen van de woning en bijbehorende bijgebouwen. Hiermee is verzekerd dat er een netto afname is van verhard oppervlakte. Compenserende waterberging is dan ook niet van toepassing voor dit plan. 5.8.5 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen, zoals kunststoffen, gecoat staal, gecoat zink of aluminium (in plaats van lood, asfalt, et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen, zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen, mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. NATUUR Bij ruimtelijke ingrepen, zoals nieuwbouw, dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten- en gebiedsbescherming. 4.4.1

Gebiedsbescherming

Nederland kreeg in 1967 voor het eerst een Natuurbeschermingswet. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. Op den duur voldeed de wet niet meer aan de eisen die internationale verdragen en Europese verordeningen stellen aan natuurbescherming. Daarom

28 APRIL 2020

24 

werd in 1998 een nieuwe Natuurbeschermingswet gemaakt die alleen gericht was op gebiedsbescherming. De bescherming van soorten werd geregeld in de Flora- en faunawet. De Natuurbeschermingswet 1998 is op 1 oktober 2005 gewijzigd. Sindsdien zijn de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Natuurbeschermingswet verwerkt. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet vervangen door de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen gebieden. Rouwenbogt 1 In de nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied betreft de ‘Kempenland-West’ op een afstand van circa 2,7 kilometer ten zuiden van de locatie.

De gewenste functiewijziging en de bouw van de woning leidt niet tot effecten die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op de biodiversiteit van natuurlijke ecosystemen en natuurwaarden in de omgeving van het plangebied. Dit blijkt uit het uitgevoerde onderzoek (bijlage 3) waarbij de effecten van de aanlegfase en gebruiksfase, die door de wijziging van de bestemming mogelijk worden gemaakt, zijn onderzocht. Gildepad 2 In de nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied betreft de ‘Kempenland-West’ op een afstand van circa 2,7 kilometer ten zuiden van de locatie. De gewenste functiewijziging leidt niet tot effecten die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op de biodiversiteit van natuurlijke ecosystemen en natuurwaarden in de omgeving van het plangebied. Dit blijkt uit het uitgevoerde onderzoek (bijlage 4) waarbij de effecten van de aanlegfase en gebruiksfase, die door de wijziging van de bestemming mogelijk worden gemaakt, zijn onderzocht. 4.4.2

Soortenbescherming

Soortenbescherming werd gewaarborgd door de Flora- en Faunawet. Deze wet is op 1 april 2002 in werking getreden en beschermt inheemse dier- en plantensoorten waarbij onderscheid wordt gemaakt in verschillende beschermingscategorieën. Inmiddels, per 1 januari 2017, zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet vervangen door de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Voor alle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan deze wet noodzakelijk. Beschermde soorten kunnen overal voorkomen. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met de

28 APRIL 2020

 25

soortenbescherming ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming plaats te vinden. Rouwenbogt 1 Op 5 december 2018 is een natuurtoets uitgevoerd door een ecologisch onderzoeksbureau (zie bijlage 5). De te toetsen activiteiten betreffen:  Sloop van oude zeugenstal.  Bouw van een woning.  Mogelijk verwijderen haag met Laurierstruiken aan westzijde van de te slopen stal. De conclusie uit het rapport is dat als de aanvang van de sloop buiten het broedseizoen aanvangt de effecten op beschermde soorten voorkomen worden en er geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Gildepad 2 Op 5 december 2018 is een natuurtoets uitgevoerd door een ecologisch onderzoeksbureau (zie bijlage 5). De te toetsen activiteiten betreft:  Wijzigen bestemming De conclusie uit het rapport is dat de wijziging van de bestemming (zonder sloop) geen effect heeft op de beschermde dier- of plantensoorten.

28 APRIL 2020

26 

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Op basis van het provinciale als gemeentelijke beleid is het noodzakelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien in een landschappelijk inpassingsplan. Door een landschapsarchitect is voor beide locaties een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (bijlage 6 en bijlage 7). In deze toelichting beperken wij ons tot de kern van het landschappelijke inpassingsplan namelijk de voorgestelde landschappelijke inpassing. Rouwenbogt 1 In figuur 4-4 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Het inpassingsplan omvat de aanplant van beukenhagen, een bomenrij bestaande uit berken, twee bomenrijen bestaande uit lindes, een notenboom en muurbegroeiing bestaande uit klimop. De beplanting rond de inrit kan mogelijk iets anders uitgevoerd worden in overleg met de gemeente om een inrit voor beide woningen mogelijk te maken die beide eigenaren in staat stelt om over eigen grond een inrit te realiseren.

Figuur 4-4: Landschappelijke inpassing Rouwenbogt 1 (Bron: Bijlage 6)

28 APRIL 2020

 27

Gildepad 2 In figuur 4-5 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Het inpassingsplan omvat de aanplant van vier solitaire bomen (twee noten en twee kastanjes), een bomenrij bestaande uit haagbeuken en een beukenhaag. Aan de zuidoostkant van het plangebied staat nog een bomenrij bestaande uit berken. Deze bomenrij wordt mogelijk over enige tijd gerooid in verband met de plaatsing van zonnepanelen op de daken. De berken zijn op leeftijd en niet van bijzondere waarde of betekenis. Onderdeel van het voorliggende plan is dat de beukenhaag in noordoostelijke richting zal worden doorgetrokken wanneer de berken zijn gerooid.

Figuur 4-5 Landschappelijke inpassing Gildepad 2 (Bron: Bijlage 7)

28 APRIL 2020

28 

VERKEER EN PARKEREN Het beperken van de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen naar een inrichting is een te beschermen omgevingsaspect. In deze paragraaf beschouwen wij wat het effect is van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op dit aspect. De te behandelen onderwerpen zijn parkeren en inritten. 4.6.1

Parkeren

Rouwenbogt 1 In de gewenste situatie geschiedt het parkeren van alle voertuigen op eigen terrein. Ten behoeve van de bestaande woning zijn geen nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. Hier biedt de aanwezige erfverharding voldoende ruimte om te parkeren. Ten behoeve van de Ruimte voor Ruimte woning wordt nieuwe erfverharding aangelegd. De nieuwe erfverharding bied voldoende ruimte om te parkeren. Gildepad 2 Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling zijn geen nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. De aanwezige erfverharding biedt voldoende ruimte om te parkeren. 4.6.2

Inritten

Rouwenbogt 1 In de bestaande situatie wordt het perceel ontsloten middels twee inritten. Een inrit via de Rouwenbogt en een inrit via het Gildepad In de gewenste situatie blijft de inrit aan de Rouwenbogt gehandhaafd. De inrit aan het Gildepad verdwijnt. Ten behoeve van de meest noordelijke loods worden in de gewenste situatie twee inritten gerealiseerd welke aansluiten op het Gildepad. Ook wordt voor de Ruimte voor Ruimte woning een nieuwe inrit gerealiseerd aan de Rouwenbogt. Gildepad 2 De ontsluiting van het perceel Gildepad 2 vindt plaats middels drie inritten. Deze drie inritten betreffen alle bestaande inritten. Ten opzichte van de bestaande situatie vinden er geen wijzigingen plaats.

EXTERNE VEILIGHEID Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten, alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede

28 APRIL 2020

 29

een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten. 2. Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn:  Bedrijven;  Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water);  Hoogspanningslijnen;  Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). Rouwenbogt 1 en Gildepad 2 Op de risicokaart (figuur 4-4) is te zien dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.

Figuur 4-6 Risicokaart externe veiligheid O is plangebied Rouwenbogt 1 en Gildepad 2 (bron: www.risicokaart.nl)

28 APRIL 2020

30 

MILIEUASPECTEN MILIEUZONERING Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te borgen, wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient ervoor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en milieugevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. De vermelde afstanden zijn richtafstanden, die zijn opgenomen in de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk” dan wel “gemengd gebied”. Gezien de verschillende bedrijven en de burgerwoningen in de directe omgeving van de plangebieden is er sprake van functiemenging. De plangebieden worden beschouwd als het omgevingstype “gemengd gebied”. Toetsing gebruik loodsen in milieucategorie 2 op de Rouwenbogt 1 De herbestemming van de resterende loodsen naar opslag of bedrijfsactiviteiten voor zzp’ers is een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.

Hiervoor moet een gemotiveerde integrale afweging worden gemaakt, ook met betrekking tot de milieuzonering. Volgens de VNG-lijst (2009) en in afspraak met de gemeente zijn bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2 toegestaan, waarvoor de volgende richtafstanden gelden:    

voor het aspect ‘geurhinder’ voor het aspect ‘stofhinder’ voor het aspect ‘geluidhinder’ voor het aspect ‘gevaar’

=> 0 meter, => 0 meter, => 30 meter, => 10 meter.

Aangezien het plangebied in het omgevingstype “gemengd gebied” is gelegen kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden. De richtafstanden worden hierdoor:    

voor het aspect ‘geurhinder’ voor het aspect ‘stofhinder’ voor het aspect ‘geluidhinder’ voor het aspect ‘gevaar’

=> 0 meter, => 0 meter, => 10 meter, => 0 meter.

De richtafstanden volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De afstand van noordelijke loods tot aan de dichtstbijzijnde woning (Rouwenbogt 1) bedraagt 62 meter waardoor ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. De afstand van de zuidelijke loods tot aan de bestaande woning aan de Rouwenbogt 1 en de nieuwe Ruimte voor Ruimte woning bedraagt respectievelijk 6,5 en 5,5 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstanden en kan ten aanzien van geluidhinder niet bij voorbaat worden gesteld dat er

28 APRIL 2020

 31

geen nader onderzoek noodzakelijk is. Bij eventueel gebruik van een zzp’er van de loods kan, afhankelijk van de beoogde bedrijfsactiviteiten een geluidsonderzoek industrielawaai noodzakelijk zijn. Het is niet mogelijk om de bestaande loods te verplaatsen. De afstand tussen Rouwenbogt 1 en de loods kan niet worden verkleind. De nieuwe Ruimte voor Ruimte woning kan tevens niet op verdere afstand van de loods worden gerealiseerd omdat dit zou leiden tot landschappelijke en stedenbouwkundige bezwaren. De woning is op een zo ruim mogelijke afstand van de loods gepositioneerd zonder dat dit afbreuk doet aan een zorgvuldige stedenbouwkundige opzet van het kavel en zodanig dat er een robuuste landschappelijke inpassing kan worden gerealiseerd. Toetsing ruimte-voor-ruimte woning Ook de nieuwe Ruimte voor Ruimte woning moet voldoen aan richtafstanden. Op deze manier wordt geborgd dat voldoende afstand gehouden wordt tussen bestaande bedrijven en de nieuwe woning. Aan de overzijde van weg (Rouwenbogt 4) bevindt zich een intensieve veehouderij. Volgens de VNG-lijst is dit een bedrijf in milieucategorie 4.1 waarvoor de volgende richtafstanden gelden.    

voor het aspect ‘geurhinder’ voor het aspect ‘stofhinder’ voor het aspect ‘geluidhinder’ voor het aspect ‘gevaar’

=> 200 meter, => 30 meter, => 50 meter, => 0 meter.

Aangezien het plangebied in het omgevingstype “gemengd gebied” is gelegen kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden. De richtafstanden worden hierdoor:    

voor het aspect ‘geurhinder’ voor het aspect ‘stofhinder’ voor het aspect ‘geluidhinder’ voor het aspect ‘gevaar’

=> 100 meter, => 10 meter, => 30 meter, => 0 meter.

De afstand van de Ruimte voor Ruimte woning tot het bouwvlak van de intensieve veehouderij aan de Rouwenbogt 6 bedraagt 46 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor geur, maar wel ten opzichte van geluid en stof. Met betrekking tot geur is nader onderzoek uitgevoerd (paragraaf 5.3), hieruit blijkt dat aan alle gestelde geurnormen wordt voldaan en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op het aspect geur. Gildepad 2 De herbestemming van het bedrijf is een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Hiervoor moet een gemotiveerde integrale afweging worden gemaakt, ook met betrekking tot de milieuzonering. Volgens de VNG-lijst valt het bedrijf onder de omschrijving “Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)” in milieucategorie 2, waarvoor de volgende richtafstanden gelden:    

voor het aspect ‘geurhinder’ voor het aspect ‘stofhinder’ voor het aspect ‘geluidhinder’ voor het aspect ‘gevaar’

28 APRIL 2020

=> 0 meter, => 0 meter, => 30 meter, => 10 meter.

32 

Aangezien het plangebied in het omgevingstype “gemengd gebied” is gelegen kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden. De richtafstanden worden hierdoor:    

voor het aspect ‘geurhinder’ voor het aspect ‘stofhinder’ voor het aspect ‘geluidhinder’ voor het aspect ‘gevaar’

=> 0 meter, => 0 meter, => 10 meter, => 0 meter.

De richtafstanden volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De afstand tussen het bouwvlak van inrichting aan Gildepad 2 en het bouwvlak van de nieuwe woning aan de Rouwenbogt 1 bedraagt circa 110 meter. Deze afstand is groter dan 30 meter waardoor aan alle richtafstanden wordt voldaan. Milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor dit plan. MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het plan planmerplichtig, projectmerplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Gemeenten en provincies moeten bij bouwprojecten beoordelen of een milieueffectrapport (MER) dan wel een m.e.r.-beoordeling nodig is.

Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, moet bepaald worden of de ontwikkeling een activiteit is die terug te vinden is in kolom 1 van lijst D van de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. Indien dit het geval is moet worden beoordeeld of het plan de drempelwaarden uit de 2e kolom van de lijst D overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Als een plan een activiteit betreft die wordt gerealiseerd onder de gestelde drempelwaarden, dan is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de selectiecriteria als bedoeld in de bijlage III van de EEG richtlijn 2011/92/EU. Deze criteria zijn: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect.

Ten tweede kan ook de noodzaak voor het opstellen van een passende beoordeling zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming leiden tot een rechtstreekse (formele) plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport (MER).

28 APRIL 2020

 33

Rouwenbogt 1 De gewenste functiewijziging is geen plan dat is genoemd in het besluit. De nieuwbouw van de woning is geen stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het besluit. Echter samen met de woningbouw van het moederplan is er wel sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit project blijft onder de normen voor het maken van een MER, wel zal er een zogenaamde vormvrije m.e.r.beoordelingsbesluit worden genomen. Voor de inhoud en procedure verwijzen wij in deze ruimtelijke onderbouwing naar het moederplan: ‘Stedelijk gebied, woningbouwlocaties molen akkers en Denestraatse akkers, Reusel’. Gildepad 2 De gewenste ontwikkeling in het plangebied, namelijk herbestemming van bestaande bedrijfsgebouwen, is geen plan dat is genoemd in het besluit. Het Besluit m.e.r. is hierdoor niet van toepassing. Conclusie Het Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woning en de gewenste functiewijzigingen. Wel zal er in het kader van het moederplan een besluit op een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden genomen. GEUR Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat wanneer een geurgevoelig object wordt opgericht.

In deze paragraaf wordt daarom eerst het lokale geurbeleid besproken. Vervolgens wordt getoetst aan de voorgrondbelasting (individuele geurhinder), daarna de achtergrondbelasting (cumulatieve geurhinder). Op de vierde plaats wordt getoetst aan vaste afstandsnormen voor dieren zonder geuremissiefactoren en afsluitend wordt gemotiveerd de omgekeerde werking besproken. Er wordt afgesloten met een conclusie. In bijlage 8 zijn de relevante berekeningen en kaartmateriaal opgenomen dat ten grondslag ligt aan de bevindingen in deze paragraaf. 5.3.1

Geurgebiedsvisie gemeente Reusel-De Mierden

Op 17 december 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente Reusel-De Mierden de “Gebiedsvisie gemeente Reusel-De Mierden 2013” ten behoeve van de verordening geurhinder en veehouderij” vastgesteld. In deze gebiedsvisie zijn op grond van de gegevens over geurbelasting en hinder streefwaarden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat per gebied vastgesteld. In de geurgebiedsvisie (bijlage 18 – omgekeerde werking) zijn bij de oprichting van nieuwe geurgevoelige objecten, zoals woningbouw, de volgende streefwaarden aangegeven:  Achtergrondbelasting: - voor de bebouwde kom een hinderpercentage van 12%, wat overeenkomt met een achtergrondbelasting van 10 ou en een goede milieukwaliteit; - voor de kernrandzones een hinderpercentage van 16%, wat overeenkomt met een achtergrondbelasting van 14 ou en een matige milieukwaliteit;

28 APRIL 2020

34 

-

voor het buitengebied een hinderpercentage van 20%, achtergrondbelasting van 20 ou en een matige milieukwaliteit.

wat

overeenkomt

met

 Voorgrondbelasting (uitgaande van de hiervoor aangehaalde hinderpercentages voor de achtergrondbelasting): - voor de bebouwde kom 0,1 odour units (12% hinder); - voor de kernrandzones 5 odour units (16% hinder); - voor het buitengebied 10 odour units (20% hinder). Als niet aan deze waarden (achtergrond- en voorgrondbelasting) kan worden voldaan, dan is het oprichten van de nieuw geurgevoelig object niet toestaan. Daarmee wordt voorkomen dat een nieuwe overbelaste situatie ontstaat. Rouwenbogt 1 In de gewenste situatie wordt een nieuwe woning opgericht en wordt van twee gebouwen en de bedrijfswoning de functie gewijzigd. De functiewijziging van de twee gebouwen leidt niet tot de oprichting van een geurgevoelig object aangezien de gebouwen niet bestemd zijn voor bewoning of langdurig verblijf. Omdat de gebouwen geen geurgevoelig objecten betreffen vormen zij geen belemmering voor omliggende agrarische bedrijven. De functiewijziging van de bedrijfswoning behoeft niet getoetst te worden aangezien er geen nieuwe woning wordt opgericht. Voor het oprichten van de nieuwe woning moet wel onderzocht worden of aan de streefwaarden uit de “Gebiedsvisie gemeente Reusel-De Mierden 2013” wordt voldaan. Gildepad 2 De gewenste situatie betreft de functie wijziging van twee gebouwen. Deze gebouwen gaan gebruikt worden voor statische opslag.

Deze gebouwen zijn niet aan te merken als een geurgevoelig object aangezien de gebouwen niet bestemd zijn voor bewoning of langdurig verblijf. Omdat de gebouwen geen geurgevoelig objecten betreffen vormen zij geen belemmering voor omliggende agrarische bedrijven. De bestaande bedrijfswoning blijft een bedrijfswoning waardoor toetsing niet noodzakelijk is. De locatie Gildepad hoeft daarom niet verder onderzocht te worden. 5.3.2

Toetsing voorgrondbelasting

Uit de lokale geurverordening volgt dat locaties in de kernrandzone, zoals de locaties aan de Rouwenbogt, maximaal 5 Ou/sec geurbelasting mogen ervaren. Dit zou een hinderpercentage van maximaal 16 procent betekenen. Oftewel 16 procent van de mogelijke bewoners zou incidenteel hinder kunnen ervaren bij een geurbelasting van 5 Ou/sec. De voorgrondbelasting is de geurhinder veroorzaakt door de meest dichtbij gelegen veehouderij met dieren waarbij sprake is van een geuremissiefactor. In dit geval is dat de veehouderij aan de Rouwenbogt 6. De veehouderij aan de Rouwenbogt 4 is dichterbij gelegen maar heeft geen dieren met een geuremissiefactor. Beide veehouderijen zijn gelegen in beperkingen veehouderij. In bijlage 8 is een voorgrondgeurberekening opgenomen van het restant van de milieuvergunning van de Rouwenbogt 6. Deze locatie heeft nog een vergunning voor het houden van 16 kraamzeugen en 20 guste- en dragende zeugen. Dit komt overeen met een uitstoot van 820,4 Ou/sec emissie. Althans wanneer de dieren traditioneel zouden worden gehuisvest. Op basis van het besluit

28 APRIL 2020

 35

emissiearme huisvesting is dit niet langer toegestaan. Toch is in het kader van een worst case berekening hier mee gerekend. De varkens worden gehouden in de voormalige varkensstal op 98,1 meter afstand van de meest dichtbijgelegen hoek van het beoogde ruimte voor ruimte kavel. Uit de voorgrondberekening zoals opgenomen in bijlage 8 blijkt dat ruim voldaan wordt aan de grenswaarde van 5 Ou/sec. Feitelijk is de emissie hoogstwaarschijnlijk veel lager omdat de dieren niet meer traditioneel mogen worden gehouden vanaf 1-1-2020. De locatie ligt in beperkingen veehouderij en uitbreiding van de intensieve veehouderij is hier niet mogelijk. 5.3.3

Toetsing achtergrondbelasting

De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving van vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat op een locatie als dit meer dan de helft van de voorgrondbelasting is. Daar is in dit geval sprake van, daarom wordt het woon- en leefklimaat ook in deze paragraaf uitgebreider besproken dan in de vorige paragraaf. Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is met behulp van het programma V-Stacks Gebied de achtergrondbelasting van de agrarische bedrijven in een straal van 2.000 meter rondom het plangebied op de beoogde woningen berekend. Ten behoeve van de berekening zijn acht toetspunten ingevoerd. Vier toetspunten betreffen de hoekpunten van het huis en vier toetspunten betreffen de hoekpunten van de bestemming wonen. In bijlage 8 is dit gevisualiseerd en zijn de uitkomsten van V-stacks gebied opgenomen, als mede de input. De achtergrondbelasting ter plaatse van de toetspunten bedraagt in de huidige situatie tussen de 21.96 ouE/m³ en 34.25 ouE/m³ (zie figuur 5-1 en de berekening in bijlage 8). Het leefklimaat met deze achtergrondbelastingen wordt beoordeeld als ‘tamelijk slecht’ of ‘slecht’. In samenhang met de oprichting van de woning zal de intensieve veehouderij aan de Rouwenbogt 1 gesaneerd worden. Met dezelfde ruimtelijke procedure wordt ook de intensieve veehouderij aan het Gildepad 2 gesaneerd.

De achtergrondbelasting ter plaatse van de toetspunten bedraagt in de gewenste situatie tussen de 2,94 ouE/m³ en 3,42 ouE/m³ (zie figuur 5-1, bijlage 8). Het leefklimaat met deze achtergrondbelastingen wordt beoordeeld als ‘goed’ of ‘zeer goed’. De herontwikkeling heeft derhalve een verbetering van het leefklimaat tot gevolg. Dit geldt ook voor andere woningen in de omgeving.

Figuur 5.1 Uitkomstvergelijking uitgevoerde achtergrondberekeningen geurhinder (V-stacks gebied), zie bijlage 8

Volgens de “Verordening geurhinder en veehouderij” van de gemeente Reusel-De Mierden is het plangebied gelegen in een kernrandzone. Ter plaatse mag de achtergrondbelasting dus maximaal

28 APRIL 2020

36 

14 ou bedragen. Uit de berekeningen blijkt dat ruimschoots aan de gestelde eis wordt voldaan en dat het oprichten van een nieuwe woning volgens de geurgebiedsvisie is toegestaan. 5.3.4

Toetsing vaste afstanden

In de Wet geurhinder en veehouderij is in artikel 14 bepaald dat voor een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buitenwerking stellen van de veehouderij op een kavel die op die datum in gebruik was als veehouderij, vaste afstanden gelden. Deze vaste afstanden tussen de woning en een veehouderijbedrijf bedragen binnen de bebouwde kom 100 meter en buiten de bebouwde kom 50 meter. Blijkens de toelichting is de achtergrond van de wetgever dat een bewuste keuze van een veehouder om zijn bedrijf te saneren en om te zetten in woningbouw geen gevolgen dient te hebben voor het karakter van het gebied en geen belemmering moet opleveren voor de omringende veehouderijen, anders dan daarvoor het geval was. De omliggende veehouderijen en de (dan voormalige) bedrijfswoning liggen allen buiten de bebouwde kom Er zijn twee veehouderijen gelegen op relatief korte afstand van de ruimte voor ruimte woningen, het betreffen twee relatief kleine veehouderijen. Beide locaties zijn gelegen in het gebied beperkingen veehouderij. Het gaat om de locaties Rouwenbogt 4 en 6, van beide locaties zijn de vigerende milieuvergunningen ingezien en op basis hiervan worden de vaste afstand getoetst, hiervoor zijn de afstanden tussen de ruimte voor ruimte woning en de agrarische bouwvlakken en de stallen in beeld gebracht in bijlage 8.

Rouwenbogt 4 Rouwenbogt 4 is gelegen op 24 meter (bouwvlak-bouwvlak). De vigerende vergunning betreft een Melding Besluit Landbouw van 2 juni 2009 voor het houden van 90 schapen en 8 paarden. Uit de melding en de tekening die daar bij hoort volgt dat het bedrijfsgebouw haaks op de weg op 48,6 meter afstand, in gebruik is als caravanstalling. Het nieuwe bedrijfsgebouw op 119,4 m is in gebruik voor het houden van paarden en schapen. Deze afstand is ruim voldoende om te voldoen aan de geldende normen in het kader van het Activiteitenbesluit. Rouwenbogt 6 Rouwenbogt 6 is gelegen op 39,3 meter (bouwvlak-bouwvlak). De langgevelboerderij, gemeten vanuit het achterhuis is gelegen op 56,2 meter (bouwvlak-gevel). De vigerende vergunning op dit bedrijf betreft een gedeeltelijke intrekking van de vergunning uit 1998, de intrekking is gedateerd op 10 oktober 2000. Volgens het intrekkingsbesluit resteert op het bedrijf een vergund recht voor het houden van 15 stuks vrouwelijk jongvee, 16 kraamzeugen, 20 guste en dragende zeugen en 7 pony’s. Uit de milieutekening van de oorspronkelijke vergunning blijkt dat in het achterhuis van de langgevelboerderij geen dieren zijn vergund. Er zijn nog in twee gebouwen dieren vergund, zijnde de varkensstal op 98,1 meter en in de kapschuur voor het jongvee op 103,5 meter.

Echter ook al worden er toch dieren bedrijfsmatig gehouden in het meest dichtbij gelegen bedrijfsgebouw, zijnde het achterhuis van de langgevelboerderij, dan nog wordt voldaan aan de vaste afstandseis van 50 meter uit het Activiteitenbesluit. 5.3.5

Toetsing omgekeerde werking

Op verzoek van de omgevingsdienst en de gemeente is tevens beoordeeld of de vestiging van de ruimte voor ruimte woning belemmerend kan werken voor de veehouderijen aan de Rouwenbogt 4

28 APRIL 2020

 37

en 6. Beide bedrijven zijn relatief kleinschalig en gelegen in het gebied ‘beperkingen veehouderij’. Beide locaties zijn in de Omgevingsvisie van de gemeente gelegen in een gebied aangeduid als ‘ruimte voor gebiedsontwikkeling’ en dus geen primaat landbouw gebied. Beide locaties kunnen ook niet voldoen aan de zes eisen die in de omgevingsvisie worden gesteld aan een duurzame locatie omdat ze liggen binnen 250 meter afstand van de kern van Reusel. Ook als voorzettingslocatie voor de intensieve veehouderij zullen ze waarschijnlijk niet geschikt zijn omdat, naast dat ze binnen 250 meter van de kern liggen, ze ook binnen 250 meter van andere woonbestemmingen aan de Rouwenbogt liggen. Dit betekent dat ze ook niet aan 5/6 eisen kunnen voldoen om te worden aangeduid als voortzettingslocatie. Bovendien liggen ze in de extensiveringsgebieden, nu aangeduid als beperkingen veehouderij. Dit betekent dat het transformatielocaties zijn, zoals bedoeld in de Omgevingsvisie. Dit wil niet zeggen dat er geen ruimte meer is voor grondgebonden agrarische bedrijvigheid op deze locaties. Ook op transformatielocaties zal deze ruimte er zijn, mits deze omgevingsvriendelijk zijn. Gezien de bestudeerde vergunningen op beide locaties worden de dieren gehouden op ruime afstand van omliggende woningen.

Ten aanzien van de locatie Rouwnbogt 4 geldt dat de gesplitste langgevelboerderij aan de Rouwenbogt 2 en 2a op kortere afstand is gelegen van de bedrijfsgebouwen, dan de beoogde ruimte voor ruimte woning. Dat betekent dat het gebruik van de voorste loods voor het houden van dieren wordt beperkt door deze woonbestemmingen en niet door de nieuwe ruimte voor ruimte woning. Ten aanzien van de locatie Rouwenbogt 6 is de reeds eerder getransformeerde locatie aan de Rouwenbogt 3 op ongeveer gelijke afstand gelegen van de bedrijfsgebouwen. Dit betekent dat de nieuwe ruimte voor ruimte woning geen beperkende invloed heeft ten opzichte van de bedrijfsactiviteiten. Bovendien wordt ten opzichte van deze locatie voldaan aan de benodigde afstandseisen van 50 meter. Het slopen van de langgevelboerderij en vervangen hiervan door een ander agrarisch bedrijfsgebouw ligt niet in de lijn der verwachting en is vanuit stedenbouw en cultuurhistorie niet wenselijk. Dit betekent dat dit bedrijf ook niet belemmerd wordt in haar ontwikkelingsmogelijkheden. Hierbij moet worden aangetekend dat deze bedrijfsontwikkelingsmogelijkheden zich alleen nog richting een grondgebonden veehouderij zouden kunnen voltrekken, gezien de ligging in beperkingen veehouderij en de aanduiding van transformatielocatie. 5.3.6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=4e7a6a60-d0bf-4b32-8882-e0a4882f829b