B. Regels def 15-09-2023
Tekst van het document
De hoogte bedraagt maximaal 3,2 m. 3. De oppervlakte bedraagt maximaal 30 m². d. Het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde met een bebouwde oppervlakte groter dan 100 m² is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat: 1. Het plan dient te blijven voldoen aan de uitgangspunten zoals ten tijde van de vaststelling van dit plan zijn gesteld in de regeling ‘Landschapsinvesteringsregeling De Kempen’ en de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’ van de gemeente Reusel -de Mierden. 2. Wanneer sprake is van een gewijzigde opzet, de landschappelijke inpassing minimaal gelijkwaardig dient te zijn aan de landschappelijke inpassing van dit plan zoals opgenomen in bijlage 1.
3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Omgevingsvergunning voor het afwijken van de maatvoering Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, mits het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving, afwijken van het bepaalde in: a. 3.4.2 voor het bouwen van gebouwen op kleinere afstand van de as van de weg mits: a. het stedenbouwkundig en landschappelijk beeld niet worden aangetast; b. de verkeersveiligheid niet wordt aangetast; c. de wegbeheerder wordt gehoord; d. indien het een woning of ander geluidsgevoelig object betreft, wordt voldaan aan de Wet geluidhinder; e. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. b. 3.4.2 voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens mits: a. het stedenbouwkundig en landschappelijk beeld niet worden aangetast; b. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; c. 3.4.3 voor het bouwen met een hogere goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen tot maximaal 7 m respectievelijk 13 m;
d. 3.4.3 voor het bouwen van kassen met een grotere hoogte tot maximaal 7 m goothoogte en een bouwhoogte van maximaal 10 m; e. 3.4.3 voor het bouwen van teeltondersteunende kassen met een grotere hoogte tot maximaal 7 m; f. 3.4.3 voor een lagere dakhelling indien dit beter past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van het gebouw ten opzichten van de omgeving. g. 3.4.4 voor een dakhelling van minimaal 12° indien dit beter past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van het gebouw ten opzichten van de omgeving; h. 3.4.5 voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk op een afstand van meer dan 20 m van de bedrijfswoning indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel; i. 3.4.6 voor het bouwen van terreinafscheidingen met een hoogte van maximaal 2 m mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast; j. 3.4.6 voor het bouwen van kleinschalige windmolens tot een hoogte van maximaal 15 m; k. 3.4.6 voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde tot een hoogte van maximaal 6 m.
3.4.2 Omgevingsvergunning herbouw bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.4 voor het herbouwen van een bedrijfswoning op een andere locatie, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De herbouw dient op de andere locatie stedenbouwkundig aanvaardbaar te zijn. b. De afstand tot de weg waaraan wordt gebouwd bedraagt minimaal 15 m. Indien de bestaande afstand minder bedraagt dan 15 m dient bij herbouw op een andere locatie de afstand tot de weg groter te zijn dan de bestaande afstand. c. De afstand tot de bouwperceelgrens bedraagt minimaal 5 m. d. Het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast. e. De breedte van een bouwperceel mag niet worden verruimd. f. De ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt. g. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. h. Er moet voldaan worden aan de eisen die gelden ingevolge de Wet geluidhinder. i. Overtollige bebouwing wordt gesloopt, waaronder sloop van de oude bedrijfswoning.
3.4.3 Omgevingsvergunning bouwwerken voor seizoensarbeiders Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de bouwregels voor het realiseren van huisvesting van tijdelijke werknemers in bestaande of te realiseren bedrijfsgebouwen onder de volgende voorwaarden: a. De huisvesting is nodig voor een doelmatige bedrijfsvoering. De huisvesting dient te worden gebruikt voor de huisvesting van personen, wier huisvesting daar ter plaatse gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is vanwege een tijdelijk grote arbeidsbehoefte op het eigen bedrijf. b. De huisvesting kan niet plaats vinden in reguliere woningen (koop-/huurwoningen), andere reguliere verblijfsvormen (hotel of pension), wooneenheden in gebouwencomplexen/grotere gebouwen (MOB-complexen, ouden scholen, oude kloosters) en/of de eigen bedrijfswoning. c. Huisvesting in bestaande bedrijfsbebouwing is toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 160 m² per bedrijf (incl. sanitair en gemeenschappelijk verblijf) gedurende maximaal 8 maanden.
d. Per aanduiding 'bouwvlak' zijn maximaal 3 woonunits toegestaan, gedurende een periode van maximaal 8 maanden. De overige maanden worden deze verwijderd. De oppervlakte mag maximaal 30 m2 per woonunit bedragen. e. Zelfstandige bewoning is niet toegestaan. f. Er dient vooraf advies te worden ingewonnen van de AAB inzake de noodzaak van de huisvesting van seizoensarbeiders in het licht van een doelmatige bedrijfsvoering. g. Er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen. h. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
3.5 Specifieke gebruiksregels 3.5.1 Strijdig gebruik In ieder geval geldt als strijdig met de bestemming gebruik van gronden en/of opstallen voor: a. het houden van dieren op meer dan één bouwlaag binnen bedrijfsgebouwen, b. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn; c. de uitoefening van vollegrondsfruit- en/of boomteelt, behoudens bestaand gebruik van de gronden voor vollegrondsfruit en/of boomteelt, binnen een afstand van 50 m tot de bestemmingsgrens van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zijnde de bestemmingsvlakken met de bestemmingen Bedrijf, Horeca, Recreatie - 1, Recreatie - 2, Recreatie - 3, recreatie - 4, Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie 1, Recreatie - Verblijfsrecreatie 2, Sport, Wonen, Wonen - Landgoed, alsmede binnen een afstand van 50 m tot kleinschalige kampeerterreinen; d. een kleinschalig kampeerterrein binnen 50 m van een aanwezige boomgaard. e. het gebruik van het agrarisch bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – melkrundveehouderij’ voor een grondgebonden melkrundveehouderij inclusief nevenactiviteiten zoals bedoeld in lid 3.1.2, zonder dat wordt voldaan aan het bepaalde in lid 3.5.3.
3.5.2 Stikstof Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken.
3.5.3 Voorwaardelijke verplichting ontmanteling Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – voorwaardelijke verplichting ontmanteling veehouderij’ is het uitsluitend toegestaan om de gronden en/of bouwwerken te gebruiken of gebruikt te houden voor een grondgebonden melkrundveehouderij conform de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – melkrundveehouderij’, inclusief nevenactiviteiten als bedoeld in lid 3.1.2, mits ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij uitgesloten’ het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een veehouderij uiterlijk binnen 1 jaar na onherroepelijk worden van het plan is beëindigd en beëindigd blijft. Hieronder wordt verstaan dat de betreffende veehouderij onomkeerbaar buiten bedrijf gesteld is en zodanig is ontmanteld dat deze niet meer voor een veehouderijbedrijf kan worden gebruikt doormiddel van het demonteren van de bedrijfsinrichting, waarvoor het oorspronkelijk bedoeld is, inclusief het verwijderen van mestputten en mestsilo’s.
3.5.4 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing. 1.
Het is uitsluitend toegestaan om de gronden en/of bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing 1’ te gebruiken of gebruikt te houden voor een grondgebonden
melkrundveehouderij, inclusief nevenactiviteiten als bedoeld in lid 3.1.2, mits de landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing 1’ uiterlijk binnen twee jaar na onherroepelijk worden van het plan is gerealiseerd en in stand is gehouden, conform de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels.
3.5.5 Maximumaantal toegestane dieren en soort dieren per agrarisch bedrijf Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – melkrundveehouderij’ is het niet toegestaan om per diersoort meer, dan wel andere soorten dieren te houden dan het maximumaantal toegestane dieren per diersoort, zoals is aangegeven in onderstaande tabel. Soort dieren Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee, waarvan: Het aantal melk- en kalfkoeien gemaximeerd is op Volwassen paarden Fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar Vleeskalveren tot 8 maanden
Maximaal toegestaan aantal dieren 583 427 3 25 25
3.6 Afwijken van de gebruiksregels 3.6.1 Omgevingsvergunning nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken zoals bedoeld in 3.1 voor het toestaan van andere nevenactiviteiten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De agrarische functie blijft op het perceel als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar. b. Voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten geldt dat de volgende functies bij het agrarische bedrijf zijn toegestaan: a. statische opslag met een maximum van 2.000 m²; b. recreatieve voorzieningen met een maximum van 750 m²; c. zorgboerderij met een maximum van 375 m²; d. kleinschalig logeren, anders dan een bed & breakfast als bedoeld in 3.2 onder a., met maximaal 5 kamers/logeereenheden tot een maximum van in totaal 150 m²; e. een overig niet-agrarisch bedrijf met een maximum van 400 m². met dien verstande dat bij cumulatie van meerdere vormen van verbrede landbouw en/of nevenactiviteiten, met uitzondering van opslag/kleinschalig kamperen, het totale daarvoor te gebruiken bedrijfsvloeroppervlakte niet mag meer bedragen dan 25% van het bedrijfsvloeroppervlakte tot een maximum van 750 m². a. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. b. De verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. c.
De verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. d. Het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast.
Artikel 4 Waarde - Archeologie 4.1 4.1 Functies De voor 'Waarde – Archeologie 4.1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van (potentieel) aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming werkt primair ten opzichte van de andere (enkel)bestemmingen.
4.2 Bouwregels Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo (bouwen) dient voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en bouwwerken die dieper gaan dan 0,3 meter onder het maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning weigeren of één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: b.7 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b.8 de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; b.9 het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid a indien de archeologische
waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, indrijven, frezen, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage. b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels; c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld.
4.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht Het in 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 500 m²; c. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
4.3.3 Voorwaarden Voor het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.3.1 gelden de volgende regels: a. de genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden; b. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; c. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 6 5.1 Functies De voor 'Waarde – Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van (potentieel) aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming werkt primair ten opzichte van de andere (enkel)bestemmingen.
5.2 Bouwregels Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo (bouwen) dient voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 25.000 m² en bouwwerken die dieper gaan dan 0,4 meter onder het maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning weigeren of één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; c.
het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, indrijven, frezen, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage. b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels; c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld.
5.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht Het in 5.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 25.000 m²;
c.
reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
5.3.3 Voorwaarden Voor het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.3.1 gelden de volgende regels: a. de genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden; b. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; c. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
Artikel 6 Algemene aanduidingsregels 6.1 Overige zones conform Interim Omgevingsverordening Noord Brabant 6.1.1 overige zone - beperking veehouderij Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone beperking veehouderij’' geldt (in afwijking van het bepaalde in de andere daar voorkomende bestemmingen) het volgende: a. uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij zijn niet toegestaan; b. toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, ten behoeve van een veehouderijbedrijf is niet toegestaan;
6.1.2 overige zone - groenblauwe mantel Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – groenblauwe mantel' gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de bestemming waarbinnen dit geldt.
6.1.3 Overige zone – in Interim Omgevingsverordening te verwijderen Beperking Veehouderij” Ter plaatse van de aanduiding “overige zone – in Interim Omgevingsverordening te verwijderen Beperking Veehouderij” worden de gronden, na besluitvorming door Gedeputeerde Staten, onttrokken aan het werkingsgebied “beperking veehouderij” zoals opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
6.2 Overige zones conform omgevingsvisie Reusel-De Mierden 6.2.1 overige zone - primaat landbouw 2 Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – primaat landbouw 2' is het beleid gericht op zowel de verdere ontwikkeling en het stimuleren van innovaties in de dierhouderij, rekening houdend met milieu- en gezondheidsrisico's, alsmede grootschalige energieopwekking. Nieuwe gevoelige functies, zoals wonen, worden echter niet uitgesloten.
Artikel 7 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van: a. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bebouwingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; b. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes voor het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes voor de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits: 1. de oppervlakte per gebouwtje bedraagt maximaal 20 m²; 2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,5 m; 3. het bouwwerk mag geen aantasting geven van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant, c. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, wordt vergroot: 1. voor kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m; 2. voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen tot maximaal 3,50 m; 3. voor vrijstaande antennemasten tot maximaal 18 m;
d.
e.
f. g.
h.
4. voor lichtmasten en vlaggenmasten tot maximaal 8 m; het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak bedraagt; 2. de bouwhoogte maximaal 1,50 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt; de bepalingen voor de bouw van gebouwtjes voor bancaire dienstverlening, met dien verstande, dat: 1. de bebouwde oppervlakte maximaal 5 m² bedraagt; 2. de bouwhoogte maximaal 2,5 m bedraagt. de bepalingen met betrekking tot bouwwerken, geen gebouw zijnde voor kleinschalige windmolens tot een hoogte van maximaal 15 m. de bepalingen om trekkershutten te kunnen realiseren, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Het aantal trekkershutten bedraagt maximaal 3. 2. De totale oppervlakte bedraagt maximaal 100 m². 3. Trekkershutten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. 4. De in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 5. Er dient een erfbeplantingsplan opgesteld te worden waaruit een zorgvuldige landschappelijke inpassing blijkt. 6.
Het mag geen aantasting geven van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant; de onder a tot en met h genoemde afwijkingen kunnen uitsluitend verleend worden, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2. de verkeersveiligheid; 3. de sociale veiligheid; 4. de milieusituatie; en 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 8 Overige regels 8.1 Melding Onderstaande regels met betrekking tot meldingen gelden uitsluitend in combinatie met de regels in de betreffende bestemming. In de betreffende bestemmingen is verwezen naar 8.1.
8.1.1 Meldingsplicht a. het is verboden om zonder voorafgaande melding een functie als bedoeld in 3.2 onder a. aan te vangen; b. het verbod als bedoeld onder a. is niet van toepassing indien de functie is toegestaan ingevolge het bepaalde in 3.1,
8.1.2 Voorwaarden De meldingsplichtige functie als bedoeld onder 8.1.1 is uitsluitend toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: Functie
Voorwaarden
bed & breakfast met max. 2 - de bed & breakfast wordt uitgeoefend in de kamers/logeereenheden (4 bedden) in een (bedrijfs)woning en niet in een vrijstaand bijbehorend (bedrijfs)woning bouwwerk bij de (bedrijfs)woning; - het aantal kamers/logeereenheden voor de bed & breakfast bedraagt maximaal 2 (4 bedden); - de bed & breakfast wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoner van de (bedrijfs)woning.
8.1.3 Procedureregels a. De melding als bedoeld in 8.1.1 wordt tenminste zes weken voor aanvang van de functie gedaan bij het college van burgemeester en wethouders. b. Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt: 1. een duidelijke omschrijving van de aard, de omvang en de locatie (inclusief begrenzing) van de functie en de datum waarop de functie aanvangt; 2. naam en adres van degene die de functie gaat uitoefenen; c. De functie die wordt gemeld, dient te voldoen aan de voorwaarden die daarvoor zijn opgenomen in 8.1.2
8.2 Parkeren en laden en lossen a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor wijziging van het gebruik moet op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid worden gerealiseerd en vervolgens in stand worden gehouden. b. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid als bedoeld onder a. als wordt voldaan aan het beleid zoals opgenomen in 'Module 8. Ruimtelijke Ontwikkelingen' van het 'Gemeentelijk Verkeers- en VervoersPlan (GVVP)' d.d. 19 september 2017, dan wel als dit beleid wordt gewijzigd of herzien, wordt voldaan aan het actuele beleid op het moment dat de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. c. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor wijziging van het gebruik moet, als het beoogde gebruik van een bouwwerk en/of gronden aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat bouwwerk, dan
wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort, en vervolgens in stand worden gehouden. d. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a. en c. als bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt aangetoond dat anderszins is geborgd dat onevenredige parkeeroverlast en onevenredige verkeersoverlast als gevolg van het laden en lossen van goederen in het openbaar gebied wordt voorkomen.
8.3 Voorrangsregeling Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt dat in afnemende mate prioriteit wordt verleend aan de dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4.1, Waarde – Archeologie 6;
8.4 Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijen Onderstaande regels met betrekking tot ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen gelden uitsluitend in combinatie met de regels in de betreffende bestemming. In de betreffende bestemmingen is verwezen naar de hieronder opgenomen bepaling(en):
8.4.1 Omgevingsvergunning toename bestaande oppervlakte dierenverblijf Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken zoals bedoeld 3.1.2 onder d ten behoeve van een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij, niet zijnde een geitenhouderij(tak), ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' en/of de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' door het oprichten van bebouwing en/of door het in gebruik nemen van aanwezige bebouwing als dierenverblijf, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden voor een veehouderij, zoals opgenomen in 8.4.2; b. indien sprake is van een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf ten behoeve van een hokdierhouderij, wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden voor hokdierhouderijen zoals opgenomen in 8.4.3; c. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – beperking veehouderij' wordt voldaan aan de regels, zoals opgenomen in 6.1.1; d. de uitbreiding is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - melkrundveehouderij' en uitsluitend ten behoeve van de ter plaatse toegestane dieren en diersoort(en) (omgevingsvergunning milieu c.q. melding in het kader van het activiteitenbesluit), zoals aangegeven in artikel 3.7.5: 1.
een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een pluimveehouderij(tak) uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - pluimvee'; e. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf; f. de uitbreiding is noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling, en/of dierenwelzijn; g. advies kan worden gevraagd aan de AAB over het bepaalde onder f. en g.; h. voldaan wordt aan de bouwregels voor bedrijfsgebouwen als opgenomen in 3.4; i. binnen gebouwen mogen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de begane grondlaag worden gehouden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volièreen scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; j. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving en gelet op de volgende aspecten, inpasbaar in de omgeving:
1.
k. l.
er is rekening gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden; 2. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid; 3. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personenen goederenvervoer is verzekerd; er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; de milieu-planologische haalbaarheid van het initiatief dient te worden aangetoond. Hierbij dient tenminste te worden voldaan aan navolgende voorwaarden: 1. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals opgenomen in 3.7.2; 2. er dient minimaal hydrologisch neutraal te worden gebouwd.
8.4.2 Algemene voorwaarden veehouderijen Voor een uitbreiding van een veehouderij en/of een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij gelden de volgende bepalingen: a. er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, welke zijn opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten; b. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke minimaal de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert, waarbij eveneens geldt: 1. er wordt voldaan aan de vastgestelde normen uit de gemeentelijke geurverordening; 2. bij een intensieve veehouderij bedraagt dat de achtergrondbelasting maximaal 10 ou/m3; bij een hogere achtergrondbelasting wordt een geurbelastingreducerende maatregel toegepast, waarbij de 50%-regeling uit artikel 3 lid 4 Wet geurhinder en veehouderij van overeenkomstige toepassing is en moet hieraan worden voldaan; c.
er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
8.4.3 Aanvullende voorwaarden hokdierhouderijen In het kader van staldering gelden de volgende bepalingen: a. Een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij is uitsluitend toegestaan indien bewijs is overlegd dat: 1. binnen het stalderingsgebied als bedoeld in de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; 2. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: ▪ ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
▪
b.
c.
d. e.
ingeval van herbestemming, minimaal 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; 3. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling; als bestaande oppervlakte dierenverblijf als bedoeld onder a. geldt het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; het te saneren dierenverblijf als bedoeld onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden: 1. het betreft een legaal opgericht dierenverblijf; 2. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren. het bewijs dat aan de voorwaarden van het bepaalde onder a. tot en met c. is voldaan, is uitgegeven door of namens Gedeputeerde Staten; er dient sprake te zijn van een duurzame locatie; indien geen sprake is van een duurzame locatie kan alleen medewerking worden verleend, indien sprake is van 'duurzame ontwikkeling plusplus'.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 9 Overgangsrecht 9.1 Overgangsrecht bouwwerken 9.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
9.1.2 Omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 9.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 9.1.1 met maximaal 10%.
9.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 9.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
9.2 Overgangsrecht gebruik 9.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
9.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 9.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
9.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 9.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
9.2.4 Strijd met voorheen geldend bestemmingsplan Het bepaalde in 9.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 10 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 Reusel.