CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.1667.BPGveeg5017-ON01_tb7.pdf

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan "Stedelijk Gebied, veegplan 2022"14.360 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De gemiddeld hoogste grondwaterstand ligt op meer dan 80 cm –mv. De grondwaterstand ten tijde van het bodemonderzoek (18 mei 2021) was 130 cm –mv (met een zeer natte meimaand in 2021). Deze grondwaterstand is ook terug te zien bij peilbuis B50H0425

UrbiTom

28

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Ten zuiden van het plangebied (bron: dinoloket). Omdat de mogelijkheden in de kleine tuinen bij de nieuwe woningen zeer beperkt zijn, is infiltratie hier een oplossing die een onevenredig zware claim legt op de tuinen. Wel kan er voorzien worden in berging in de vorm van infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen die voor de bebouwing op eigen terrein zijn gesitueerd. Bij het aanbrengen van infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen is een vrij dikke afdeklaag nodig, gezien de belasting van de parkeerplaatsen (ca. 50 cm). Uitgaande van een gemiddeld hoogste grondwaterstand van 80 cm –mv, kan dan een berging hierboven worden bereikt van (80 – 50=) ca. 30 cm. Bij een bergingsopgave van 7.7 m3 resulteert dit in een oppervlakte benodigde infiltratieruimte van (7.7/0.3 = ) ca. 25 m3. Er zijn 7 parkeerplaatsen voorzien (totale oppervlakte ca. 12.5 x 7 = 87.5 m2), dus ruim voldoende oppervlak om de infiltratievoorzieningen onder te situeren. Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling bij de aanleg geen gebruik maken van uitloogbare materialen, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. Het vuilwater wordt gescheiden aangeboden aan het gemeentelijk riool. Hierbij krijgt elke woning een aparte rioolaansluiting.

Conclusie In het kader van de planprocedure zijn de gevolgen ten aanzien van de waterhuishouding inzichtelijk gemaakt en de daaruit voortkomende waterbergingsbehoefte. Geconcludeerd kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding zijn. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water. Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het VGRP 2016 -2021 is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel. Omdat de mogelijkheden voor buitenruimte op het perceel zeer beperkt zijn, is het infiltreren van hemelwater op eigen terrein een opgave die een onevenredig zware claim legt op de tuinen. Daarom zal het hemelwater, gescheiden van het afvalwater, worden aangeboden aan het riool van de Bernardusweg. Wel kan hergebruik van hemelwater op eigen terrein gestimuleerd worden, door te voorzien in regentonnen, die op de hemelwaterafvoeren worden aangesloten met een voorziening, waarbij het hemelwater terugloopt in de afvoeren als de regentonnen vol zijn.

5.5

Geluid Bepaald moet worden of er sprake is van geluidsbelasting ten gevolge van nabijgelegen wegen en het beoordelen of er voldaan wordt aan de bepalingen van de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegen met een onderzoekszone is vanwege de beoogde nieuwbouw van woningen een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai vereist. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek wordt derhalve uitgevoerd ten behoeve van een juridisch-planologische procedure.

UrbiTom

29

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Dit onderzoek is verricht door Tritium Advies. De rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De onderzoeksbevindingen zijn navolgend weergegeven. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de N269 en de Neterselsedijk. Het plan is tevens gelegen aan de 30 km/uur weg Bernardusweg. Conclusie Voor de 30 km/uur weg Bernardusweg geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde met maximaal 7 dB overschrijdt. Voor een 30 km/uur weg kan echter geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze weg niet zoneplichtig is. Voor de gezoneerde weg Neterselsedijk geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de Kempenbaan (N269) geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 2 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt hiermee nergens overschreden.

Derhalve is het mogelijk om voor de meest oostelijke woning een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet mogelijk. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. Om een hogere waarde te kunnen verlenen dient tevens voldaan te worden aan één van de vijf subcriteria zoals genoemd in het “Ontheffingenbeleid hogere waardeprocedure Wet geluidhinder” van de gemeente Reusel-De Mierden. In onderhavige situatie wordt aan deze eis voldaan aangezien het bouwplan bestaande bebouwing vervangt.

Conform de aanvullende voorwaarden uit het geluidbeleid van de gemeente Reusel-De Mierden, dient iedere afzonderlijke woning te beschikken over een geluidluwe gevel. Uit de rekenresultaten blijkt dat de woningen beschikken over een geluidluwe zuidgevel. Indien bij de indeling van de woningen rekening wordt gehouden met de geluidbelaste zijde(n), wordt aan alle voorwaarden uit het geluidbeleid voldaan. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.

UrbiTom

30

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Aangezien voor de meest oostelijke woning sprake is van een procedure hogere waarde, is voor deze woning een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Ondanks dat voor de overige woningen geen hogere waarde aangevraagd hoeft te worden, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat alsnog geadviseerd voor deze woningen een aanvullend onderzoek uit te voeren ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Geadviseerd wordt aan te sluiten bij voornoemde nieuwbouweis waarbij voor de hogere waarde de geluidbelasting op de gevel kan worden aangehouden. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

5.6

Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: -

een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.

UrbiTom

31

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Zoals op onderstaande kaart met de gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019 is te zien, bedraagt deze ter plaatse van het plangebied 18-19 microgram PM10/m3, dus ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3.

Gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 6 nieuwe woningen. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. De kaart met gemiddelde fijnstofconcentraties van het RIVM laten zien dat de concentraties fijnstof (pm10) ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3 blijft. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling.

5.7

Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Uit gemeentelijke gegevens blijkt dat het initiatief niet gelegen is in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, van transportroutes en van leidingen.

UrbiTom

32

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Uitsnede kaart Atlas voor de Leefomgeving, thema ‘Veiligheid’

Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht.

5.8

Flora en fauna Voor het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing van het initiatief en in het kader van de Wet Natuurbescherming, is het noodzakelijk een ecologische effectbeoordeling op te stellen ten einde zicht te krijgen of er met de ingreep effecten optreden ten aanzien van beschermde natuurwaarden. Daarom is een quickscan ecologische waarden verricht. Hiervoor heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is op 8 december 2021 uitgevoerd, waarbij het plangebied is bezocht en beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Het onderzoek is gerapporteerd in een quickscan, die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. De conclusies uit deze rapportage zijn navolgend weergegeven. Beschermde natuurgebieden Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kempenland-West, bedraagt ca. 600 m. Om de stikstofdepositie vanwege het initiatief te bepalen, is een berekening uitgevoerd. In navolgende paragraaf ‘stikstofdepositie’ worden de resultaten hiervan besproken. De stikstofdepositie vanwege het initiatief bedraagt minder dan 0,00 mol/ha/jaar.

Er is derhalve geen noodzaak voor nadere toetsing of een compensatieplan.

UrbiTom

33

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Beschermde soorten Vaatplanten Op en rondom het gebouw (inclusief het gehele terrein) zijn geen beschermde en/of bijzondere vaatplanten aangetroffen. Het terrein ligt zowel aan de noordzijde als aan de zuidzijde aan de openbare weg. De achterkant van het gebouw (oostzijde) grenst direct aan de buren door middel van een verharde oprit. Door het ontbreken van kruidenstroken of grasvegetaties zijn er om zijn om die reden dan ook geen beschermde en/of bijzondere soorten aangetroffen en/of te verwachten. Broedvogels (al of niet met jaarrond beschermde nesten) De bebouwing is geheel ongeschikt voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Er zijn nergens mogelijke nestlocaties voor huismus, gierzwaluw, huiszwaluw en andere soorten waarvan nesten jaarrond beschermd zijn. De dakconstructie heeft nergens openingen, oversteken of andere geschikte invliegplekken om als broedplek te dienen. In de bomen, langs de openbare weg aan de westzijde van het gebouw kunnen enkele soorten broeden, die algemeen voorkomen, zoals Turkse tortel of houtduif en haagmussen. Omdat dit groen gehandhaafd blijft (gemeentelijk eigendom) treedt er geen verlies op van een potentieel broedgebied. Wel dienen de werkzaamheden buiten de broedperiode uitgevoerd te worden. Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren komen in zéér beperkte mate voor in en rondom het gebouw.

In het gebouw zelf zijn sporen van muizen (uitwerpselen) en steenmarter (oude uitwerpselen) aangetroffen. Er is geen sprake van een actieve bewoning van de bebouwing door steenmarters. Er lagen twee oude uitwerpselen en er zijn andere (versere) sporen aangetroffen. Opgemerkt dient te worden dat de bebouwing in het leefgebied ligt van steenmarters. Dergelijke gebieden zijn tot 20 km2 groot. Een belangrijke functie voor de steenmarter in de gebouwen is in elk geval geheel uit te sluiten. Zwaar beschermde soorten zijn op voorhand geheel uit te sluiten. Hiervoor zijn geen optimale habitats aanwezig en/of ontwikkeld. Vleermuizen Het te renoveren en te slopen bebouwing bevat diverse plekken onder het dakbeschot die geschikt lijken voor vleermuizen. Uit een gerichte inspectie met zaklamp blijkt echter dat deze smalle openingen allemaal afgedicht zijn met houtwerk aan de achterzijde van de daktrimmen. De daktrim steekt slechts 2 cm uit ten opzichte van deze aftimmering. Dergelijke plekken zijn daarmee niet geschikt voor vleermuizen (te weinig ruimte) als mogelijk vaste rust- en verblijfplaats. Het gedeelte met het plat dak aan de noordwestzijde is opgetrokken uit metselwerk waarin diverse stenen met openingen (ventilatie) verwerkt zijn. Deze openingen zijn veel te klein om als verblijfplaats te dienen.

Het aanwezig zijn van vaste rust- en verblijfplaatsen in dit gebouw is daardoor met zekerheid uit te sluiten. Een nader onderzoek is daarmee eveneens niet aan de orde.

UrbiTom

34

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Amfibieën, vissen, reptielen, libellen Beschermde en of bijzondere vissen, amfibieën en libellen zijn in het gehele gebied niet aangetroffen en/of te verwachten. Er is nergens optimaal habitat ontwikkeld voor deze soort, ter plaatse van de locatie. Dagvlinders en overige ongewervelden Algemeen voorkomende soorten dagvlinders en overige ongewervelden kunnen het terrein als foerageergebied gebruiken, maar het gehele terrein is verder ongeschikt als voortplantingsgebied, omdat er geen optimaal voortplantingshabitat, bestaande uit een bloemrijke vegetatie met waardplanten, aanwezig is of in ontwikkeling is. Zwaar beschermde soorten zijn niet aangetroffen en/of te verwachten. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn.

Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Conclusie In het te renoveren en te slopen gebouw (plat dak) zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Nader onderzoek naar de functie van het gebouw en het terrein voor vleermuizen is daarmee niet aan de orde. Effecten op beschermde en/of bijzondere vaatplanten zijn uit te sluiten. Het gehele terrein is bebouwd en grenst aan de openbare weg/buren (volledig “verhard”). Door het ontbreken van een optimaal habitat (waterpoelen en/of sloten) is de aanwezigheid van beschermde amfibieën, reptielen en libellen uit te sluiten. Effecten door de ontwikkeling treden dan ook niet mee op en leiden niet tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Effecten op algemeen voorkomende dagvlinders en overige ongewervelden zijn op voorhand uit te sluiten. Het terrein is door het ontbreken van de juiste habitat (bloemrijke vegetatie) ongeschikt als voortplantingsgebied. De ingreep leidt niet tot overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

UrbiTom

35

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

-

-

5.9

Gemeente Reusel-De Mierden

Effecten op beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn geheel uit te sluiten. De sloop en renovatie leidt dus niet tot overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Effecten op broedvogels al of niet met jaarrond beschermde nesten zijn op voorhand uit te sluiten. Effecten op algemeen voorkomende soorten vogels die in de directe omgeving kunnen broeden zijn te voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (dus buiten de periode half maart-half juli).

Stikstofdepositie Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft “Kempenland West” (gebiedsnummer 135). De Reusel, die onderdeel uitmaakt van dit Natura 2000 gebied, is op ca. 0,6 kilometer van het plangebied gelegen. Dit is een beek. De stikstofgevoelige habitat van ‘Kempenland West’ bevindt zich op ca. 0,9 km van het besluitgebied (De Utrecht). Om te bezien of er sprake is van stikstofdepositie is in mei 2021 door Van Empel Milieuadvies met de AERIUS Calculator 2020 een berekening gemaakt van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Deze berekening is opgenomen in de bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura-2000 gebieden veroorzaakt. Conform de “Handreiking Voortoets Stikstof” die in de bijlage bij het rapport is gevoegd, is geen passende beoordeling noodzakelijk. De berekening toont aan dat het aspect stikstof geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen.

5.10

Hinderlijke bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en gevoelige functies, zoals wonen, noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Voor het plangebied is het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ van toepassing.

UrbiTom

36

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Fragment uit geldend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied 2018’ met daarin rood omlijnd aangegeven de begrenzing van het plangebied.

Zoals de uitsnede van de geldende bestemmingsplannen in en rondom het plangebied (zie afbeelding) laat zien, is er geen hinderlijke bedrijvigheid nabij het plangebied aanwezig. Op kortere afstand tot deze bedrijfsbestemmingen zijn woonbestemmingen aanwezig. Op korte afstand zijn geen agrarische bouwblokken gelegen. In de paragrafen inzake geurhinder en spuitzones is verduidelijkt dat er ook geen beperkingen zijn vanwege – of voor – agrarische bedrijvigheid, door de woningbouw die onderwerp is van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Conclusie In het plangebied en de omgeving is geen niet-agrarische bedrijvigheid aanwezig die belemmeringen oplevert voor de woonkwaliteit. Ook levert de nieuwe bouwmogelijkheid voor een woning in het plangebied geen beperkingen op voor bedrijvigheid in de omgeving.

5.11

Gezondheid

5.11.1 Pluimvee‐ en varkenshouderijen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit vrijkomende fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een belangrijk bestanddeel in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine

UrbiTom

37

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

toetsingskader 2.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ worden de volgende richtafstanden gehanteerd: Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Binnen 250 m afstand komen geen actieve veehouderijen voor. De dichtstbijzijnde veehouderij betreft een paardenhouderij aan het Mispeleind 4 op ruim 400 m van het plangebied. De dichtstbijzijnde varkenshouderij ligt aan de Dunsedijk 1 op ca.

590 m van het plangebied. Pluimveebedrijven liggen op meer dan 2 km afstand van het plangebied. Dichtstbijzijnd is een pluimveebedrijf aan de Neterselsedijk 37 op meer dan 2.4 km van het plangebied (bron: www.bvb.brabant.nl). Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een overschrijding van de endotoxine advieswaarde ter plaatse van het plangebied. 5.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een nieuwe woning. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Dichtstbijzijnd is een geitenhouderij aan de Baan 3 te Hooge Mierde, die op ca. 2790 m van het plangebied ligt.

UrbiTom

38

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect veehouderijen en volksgezondheid is het nieuwbouwplan aan de Bernardusweg aanvaardbaar.

5.12

Geurhinder Het beleid ten aanzien van het aspect geur is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die op 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de wet zijn normen bepaald die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is (geen geuremissiefactoren vastgesteld), stelt de wet minimumafstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend met contouren. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (OUÅ of OUÅ/S). Hiervoor zijn emissiefactoren vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Door de ODZOB is in februari 2021 een kaart vervaardigd waarop de achtergrondbelasting vanwege geurhinder is weergegeven voor Noord Brabant.

Op onderstaande uitsnede van deze kaart is te zien dat het plangebied is gesitueerd binnen een leefomgeving met de kwalificatie ‘zeer goed’. In de nabijheid van het plangebied liggen kleinere veehouderijbedrijven, die allen op meer dan 400 m gesitueerd zijn. Voorgrondbelasting speelt derhalve geen rol. Bovendien kent het plangebied in de directe omgeving woonbestemmingen, die op kortere afstand van deze veehouderijen gesitueerd zijn.

Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur Brabant (ODZOB) UrbiTom

39

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Conclusie De leefomgeving aan de oostzijde van Lage Mierde, waar zich ook het plangebied bevindt, is gekwalificeerd als ‘goed’. Er zijn geen veehouderijen op korte afstand gelegen. Bovendien kent het plangebied in de directe omgeving woonbestemmingen, die op kortere afstand van deze veehouderijen gesitueerd zijn. Geurhinder vormt derhalve geen belemmering voor woningbouw.

5.13

Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. In de nabijheid van het plangebied is een agrarische bestemming gelegen. Het betreft een weiland op de hoek van de N269 en de Bernardusweg. Het weiland wordt begraasd dus hier worden met zekerheid geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Er liggen bestaande woningen op kortere afstand van het weiland dan de woningen die in het plangebied worden mogelijk gemaakt. De bestaande woningen zijn maatgevend voor eventueel ander agrarisch gebruik dan weiland.

Conclusie Er is geen sprake van beperkingen voor het gebruik van het plangebied door spuitzones of van beperking van spuitzones door het voorgenomen gebruik van het plangebied ten opzichte van de situatie in het geldende bestemmingsplan.

UrbiTom

40

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

5.14

Gemeente Reusel-De Mierden

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.‐beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.

wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (Hof van Justitie EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Beoordeling Vaste gedragslijn van de gemeente Reusel-De Mierden is, dat er voor initiatieven met minder dan 5 woningen geen vormvrije mer-beoordeling hoeft te worden gedaan, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden in verband met de aanwezigheid van natuur. Voorliggend initiatief betreft 6 woningen, dus is een vormvrije mer-beoordeling aan de orde.

UrbiTom

41

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- plichtig besluit, indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C-lijst of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een ontwikkelingslocatie voor woningbouw. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Onderhavig plan betreft de toevoeging van 6 nieuwe woningen. De ontwikkeling ligt derhalve ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er dus geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000gebieden. Dit is aangetoond met een berekening van de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening Noord Brabant 2010. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

5.15

Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling binnen het plangebied. Binnen het plangebied is verder geen sprake van straalpaden en invloeden van zendmasten. Voor aanvang van werkzaamheden zal een KLIC-melding worden verricht.

UrbiTom

42

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

6

Gemeente Reusel-De Mierden

Uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet zowel op maatschappelijk als op financieel vlak haalbaar zijn. Dit hoofdstuk wordt een beknopte financiële toelichting gegeven en zijn de doorlopen procedures en de uitkomsten daarvan opgenomen als onderbouwing van de maatschappelijke haalbaarheid.

6.1

Economische uitvoerbaarheid De kosten voor de planvorming en de uitvoering van de in deze ruimtelijke onderbouwing beschreven ontwikkeling zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is veiliggesteld door het sluiten van een anterieure overeenkomst, waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De gemeente ondervindt derhalve geen negatieve financiële gevolgen ten aanzien van deze ontwikkeling en loopt geen financieel risico.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze ruimtelijke onderbouwing zal als deeltoelichting bij het op te stellen veegplan voor de gemeente Reusel in 2021 worden gevoegd. Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Door de initiatiefnemer is op 11 november 2021 in het gemeenschapshuis De Ster te lage Mierde overleg gevoerd met omwonenden en gebruikers uit de omgeving. Een (geanonimiseerd) verslag van dit overleg is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.

UrbiTom

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=11b69b88-e938-4b84-9414-d57a9356f2ba