b_NL.IMRO.1667.BPGveeg5017-ON01_tb32.pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING GROENEWEG 9 TE REUSEL
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Marialaan te Reusel Opdrachtgever
Accent Adviseurs Luchthavenweg 13E 5657 EA Eindhoven
Rapportnummer Versienummer
16918.003 D1
Status
Eindrapportage
Datum
23 september 2021
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw F.M.W.G. Kiggen
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer K.H. Eymael
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Eekhoorn ........................................................................................................................ 18 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 16918.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Accent Adviseurs opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Groeneweg 9 te Reusel. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling ter plaatse van het voormalige Fraterhuis en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 1 van 24
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 4.970 m²) ligt aan de Groeneweg 9, in de kern van Reusel. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 139.305, Y = 374.505. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (gele pijl).
De onderzoekslocatie is deels bebouwd met een voormalig klooster (voormalige Fraterhuis). Het klooster dateert volgens BAG-viewer uit het jaar 1958. De muren zijn opgebouwd uit bakstenen muren. Het zuidelijk- en middendeel van het voormalig klooster bestaat uit meerdere woonlagen en het dak is voorzien van dakpannen met dakbeschot. Het noordelijk deel bestaat uit een aanbouw met een plat dak en enkel een woonlaag. Verder bestaat de locatie uit een siertuin met gazon, struiken en bomen. De onderzoekslocatie grenst in noord-, zuid- en westelijke richting aan woningen met bijbehorende siertuinen. In oostelijke richting grenst de locatie aan gebouwencomplex. Verder bevinden zich op 200 meter ten westen van de onderzoekslocatie weilanden. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek op 17 augustus 2021.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 2 van 24
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omkaderd) en directe omgeving.
Figuur 3. Voormalig klooster, kijkrichting zuidoostelijk.
Rapport 16918.003 versie D1
Figuur 4. Voormalig klooster, kijkrichting oostelijk.
Figuur 5. Voormalig klooster, kijkrichting noordelijk.
Pagina 3 van 24
Figuur 6. Voormalig klooster (te slopen gedeelte), kijkrichting noordwestelijk.
Figuur 7. Voormalig klooster, kijkrichting zuidelijk.
Figuur 8. Voormalig klooster, kijkrichting zuidoostelijk.
Figuur 9. Voormalig klooster, kijkrichting zuidwestelijk.
Figuur 10. Sfeerimpressie achtertuin onderzoekslocatie, kijkrichting westelijk.
Figuur 11. Sfeerimpressie voortuin onderzoekslocatie, kijkrichting westelijk.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens het noordelijk deel van de bestaande bebouwing te slopen. Het betreft de bebouwing met het plat dak. Het zuidelijkdeel en middendeel blijft behouden en ter plaatse zullen inpandig woningen worden gerealiseerd. Vooralsnog zijn de werkzaamheden die hiermee gepaard gaan onbekend. Tevens zal de tuinkas verwijderd worden. Vervolgens zal er op de oostzijde van het perceel een nieuw appartementencomplex gerealiseerd worden. In figuur 12 is de toekomstige indeling van het perceel weergegeven.
Figuur 12. Toekomstige situatie plangebied.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 4 van 24
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 17 augustus 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van zolders is er met behulp van onder andere een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van rust- voorplantingsplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.
Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 5 van 24
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 6 van 24
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 7 van 24
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 8 van 24
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, steenuil, kerkuil, ransuil, roek, sperwer, buizerd en slechtvalk. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Huismus De huismus wordt zowel binnen als buiten de bebouwde kom in zowel dorpen als stedelijk gebied waargenomen. De huismus nestelt in ruimtes tussen dakpannen en het dakbeschot die via de dakgoot te bereiken zijn. Daarnaast broedt de huismuis ook in gaten in gebouwen. Het zuidelijk- en middendeel van de bebouwing is geschikt als nestlocatie voor huismus, vanwege de aanwezigheid van geschikte ruimtes onder dakpannen die vanuit de dakgoot te bereiken zijn (figuur 13 en 14). Bij de voorgenomen werkzaamheden (zoals isoleren, renoveren of vervangen van dakpannen) is mogelijk sprake van verstoring en vernietiging van jaarrond beschermde nesten ten aanzien huismus (hetgeen wat op basis van de quickscan niet is uit te sluiten). Derhalve dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismuis (hoofdstuk 6)
Figuur 13. Het voormalige klooster beschikt over dakgoten die mogelijk toegang geven tot ruimte onder de dakpannen.
Rapport 16918.003 versie D1
Figuur 14. Via de dakgoten kunnen huismussen onder de dakpannen kruipen.
Pagina 9 van 24
Gierzwaluw Gierzwaluwen zijn net als huismussen koloniebroeders. De nesten van gierzwaluwen bevinden zich over het algemeen binnen de bebouwde kom. Gierzwaluwen nestelen zich in gebouwen, onder dakgoten, achter regenpijpen, onder dakpannen, donkere holtes in ventilatieschachten, spleten in muren en ook wel in neststenen. Het zuidelijk- en middendeel van de bebouwing die bij de voorgenomen herontwikkeling behouden blijft, is minimaal geschikt als nestlocatie voor gierzwaluw vanwege de beperkte ruimte tussen dakgoot en muur. Het gedeelte met het platte dak is meer geschikt als nestplaats van gierzwaluw vanwege ruimtes tussen de regengoot en de muur (figuur 15 en 16). Op basis van de quickscan kan niet worden uitgesloten dat op de onderzoekslocatie nestlocaties van gierzwaluw aanwezig zijn (hoofdstuk 6).
Figuur 15. Spleet in muur, mogelijk geschikt als verblijfplaats voor gierzwaluw.
Figuur 16. Spleet in muur, mogelijk geschikt als verblijfplaats voor gierzwaluw.
Roek Roeken zijn echte koloniebroeders. De kolonies bestaan meestal uit enkele tientallen tot een honderdtal nesten. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van roeken aangetroffen. Aanwezigheid van broedplaatsen van een roekenkolonie kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Steenuil en kerkuil De steenuil en kerkuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Zowel de steenuil als de kerkuil broeden voornamelijk in soort specifieke nestkasten en de steenuil ook in boomholten. De onderzoekslocatie biedt een gering geschikte habitat voor de steenuil en kerkuil. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen (veren, braakballen en/of fecaliën) en geschikte nestlocaties waargenomen op de onderzoekslocatie. Op basis van de quickscan kunnen nestlocaties van de steenuil en kerkuil worden uitgesloten op de onderzoekslocatie. Buizerd, sperwer, havik en ransuil Ransuil heeft een leefgebied variërend van agrarisch gebieden tot bos(randen), duinen en parken. Daarnaast komt de ransuil ook voor in steden en dorpen. De sperwer broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen.
De buizerd is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Zowel de ransuil en buizerd broeden bij voorkeur in oude kraaien-, ekster- en oude roofvogelnesten. De sperwer bouwt jaarlijks een nest dicht tegen de stam in een dicht bos en soms in struiken. Op de onderzoekslocatie in het westelijk deel van de tuin, is tijdens het veldbezoek een groot nest waargenomen dat mogelijk in gebruik is door een ransuil, sperwer of buizerd waargenomen (figuur 17). De omvang van het nest was niet goed zichtbaar door het aanwezige bla-
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 10 van 24
derendek. Roofvogels en uilen zijn in het algemeen gevoelig voor verstoring, met name bij de nestplaats. Aangezien dit nest binnen de verstoringsafstand bevindt van 75 meter van de voorgenomen plannen, is mogelijk sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming indien dit nest in gebruik is door ransuil, sperwer en buizerd (hoofdstuk 6).
Figuur 17. Aangetroffen nest dan mogelijk in gebruik is door ransuil, sperwer of buizerd.
5.1.2
Overige broedvogels
De bebouwing en het groen op de onderzoekslocatie bieden nestgelegenheid aan broedvogelsoorten zoals merel, roodborst, kauw, houtduif etc. Tijdens het veldbezoek zijn ook meerdere nesten waargenomen van mogelijk een houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens het cursusdictaat “Vleermuizen en Planologie” (Limpens, H., Regelink, J. 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis, franjestaart, ingekorven vleermuis en baardvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren. De ruimte langs de regenpijpen (figuur 15 en 16) en ruimte onder de daklijst biedt deze mogelijkheden tot verblijfplaatsen in de spouwmuren (figuur 18 en 19). Ook het dakpannen dak is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Tijdens het veldbezoek is middels een zaklamp de zolder onderzocht. Ter plaatse zijn geen van vleermuizen of uitwerpselen van vleermuizen waargenomen. Wel zijn enkele
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 11 van 24
vlindervleugels waargenomen. Vlinders staan op het dieet van de gewone grootoorvleermuizen. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, (milde) winterverblijfplaats en als paarverblijf (zie hoofdstuk 6).
Figuur 18. Ruimte langs regenpijp die mogelijk toegang geeft tot de spouwmuur.
Figuur 19. Ruimte tussen daklijst en buitenmuur
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten, klimop en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. In een conifeer in het zuidwestelijk deel van de tuin zijn holten waargenomen in de bast van de boom (figuur 20). Indien deze boom bij de voorgenomen plannen wordt gekapt is mogelijk sprake van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van boombewonende soorten zoals ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en ingekorven vleermuis (hoofdstuk 6). Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Figuur 20. Boom met diverse holten (rood omcirkeld).
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en mogelijk en ingekorven vleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is eveneens geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft siertuinen, bermen en agrarische percelen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, vooropgesteld dat de bomen in de omgeving van de Groeneweg, die als potentiële vliegroute kunnen fungeren, gehandhaafd blijven
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 12 van 24
bij de herbestemming van de onderzoekslocatie en geen toename van nachtelijke verlichting optreedt (zie hoofdstuk 6). 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1 Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn en steenmarter. Boommarter, bunzing, hermelijn en wezel De boommarter, bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Aangezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden.
Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen uit te sluiten als gevolg van de voorgenomen ingreep. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt beperkt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Eekhoorn De eekhoorn leeft voornamelijk in oude loof- en naaldbossen, maar komt ook voor in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van een bos. De eekhoorn bouwt een bolvormig nest in bomen. De nesten zijn bekleed met gras, mos of wol. Op de onderzoekslocatie (westelijk deel van de tuin) is tijdens het veldbezoek een groot nest waargenomen van mogelijk een eekhoorn.
De omvang van het nest was niet goed zichtbaar door het aanwezige bladerendek (hoofdstuk 6). Overige streng beschermde soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 13 van 24
5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, konijn en verschillende muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen en muizen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar binnen een straal van 2 kilometer rondom de onderzoekslocatie de streng beschermde levendbarende hagedis waargenomen. De levendbarende hagedis heeft heide en hoogveen als voorkeurshabitat, maar komt ook voor in open bossen en ruige graslanden en in een beperkt deel van de duinen. Het is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers van vochtige terreindelen. Vanwege de ligging van de onderzoekslocatie (omsloten door twee openbare wegen en in de directe nabijheid van woningen) en het intensief gebruik van de onderzoekslocatie wordt de onderzoekslocatie niet geschikt geacht als habitat voor de levendbarende hagedis. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de levendbarende hagedis niet aan de orde. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen een straal van 2 kilometer rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de volgende soorten waargenomen: Alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad waargenomen. Doordat wateroppervlakten als beken, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor (streng) beschermde amfibieën uitgesloten. Tevens is vanwege de aard van de onderzoekslocatie geen geschikt landhabitat voor beschermde amfibieën aanwezig.
De Alpenwatersalamander komt vaak voor in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. De rugstreeppad is een echte pionierssoort die leeft in open, zonbeschenen gebieden met hier en daar schuilplaatsen. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarde (bron: RAVON). Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De waarnemingen uit de NDFF van streng beschermde amfibieën, hebben naar verwachting betrekking op de visvijvers gelegen op 2 kilometer ten noorden en westen van de onderzoekslocatie. De eerste waarneming van de Alpenwatersalamander heeft betrekking op een tuin gelegen op 500 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën.
Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6).
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 14 van 24
Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Tevens hebben libellen water nodig voor voortplanting, welke ontbreekt op de onderzoekslocatie waardoor dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van libellen kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komt binnen een straal van 2 kilometer vanaf de onderzoekslocatie de grote vos en teunisbloempijlstaart voor. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan waardplanten. Geschikte waardplanten voor de grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten) en teunisbloempijlstaart (wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van streng beschermde vlinders.
Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding en tuin is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 15 van 24
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels
Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van deze soort te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen herontwikkeling kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient voorafgaand aan de werkzaamheden een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van deze soort conform de Kennisdocumenten van de huismus. Gierzwaluw Nesten van gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen eveneens onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van deze soort te beschadigen, te vernielen of weg te nemen.
Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van gierzwaluwen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen herontwikkeling kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient voorafgaand aan de werkzaamheden een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van deze soort conform de Kennisdocumenten van de gierzwaluw. Buizerd, sperwer, havik en ransuil Op de onderzoekslocatie is een groot nest aangetroffen. De omvang van het nest was niet goed zichtbaar door het aanwezige bladerendek, maar mogelijk is dit nest in gebruik door een soort met een jaarrond beschermd nest als buizerd, sperwer, havik, ransuil. Een aanvullende nestencheck in het bladerloze seizoen (globaal half november t/m maart) is noodzakelijk om de omvang en geschiktheid van roofvogel- en ransuil nesten aan te tonen. Indien potentiele jaarrond beschermde nesten worden aangetroffen is een nader onderzoek nodig in het broedseizoen om vast te stellen of deze daadwerkelijk door deze soorten in gebruik zijn.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 16 van 24
6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. De bebouwing en de conifeer op de onderzoeklocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing, renovatie van het voormalige klooster en kap van de conifeer zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden bij de bebouwing zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en grijze grootoorvleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.
Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. De vleermuizen die gebruik maken van bomen als verblijfplaats zijn ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en ingekorven vleermuis. Indien de conifeer (gelegen in zuidwestelijk deel van de tuin) bij de voorgenomen plannen wordt gekapt is mogelijk sprake van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de reeds benoemde boombewonende soorten. Derhalve dient allereerst een inspectie plaats te vinden om de geschiktheid van de holten en spleten als verblijfplaats vast te stellen en op basis van deze bevindingen al dan niet een protocollair onderzoek uitvoeren. Verder dient rekening gehouden te worden dat de bomenrij in de omgeving van de Groeneweg die mogelijk als vliegroute fungeert voor vleermuizen, behouden blijft en geen toename optreedt van nachtelijke verlichting op de bomenrij tijdens en na de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 17 van 24
6.3
Eekhoorn
De eekhoorn is een nationaal beschermde soort krachtens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Verblijfplaatsen van deze soort mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield. Ook mogen individuen niet opzettelijk worden gedood. Op de onderzoekslocatie is een groot nest aangetroffen. Dit nest kan mogelijk een voortplantings- en winternesten van de eekhoorn zijn. Een aanvullende nestencheck in het bladerloze seizoen (globaal half november t/m maart) is noodzakelijk om de omvang en geschiktheid van het nest ten aanzien van eekhoorn vast te stellen. 6.4
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 18 van 24
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kempenland-West, bevindt zich op circa 3,1 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 21).
Figuur 21. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: natura2000.nl).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stik-
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 19 van 24
stof. De afstand tot stikstof gevoelig habitat binnen Nederlands natuurgebied bedraagt meer dan 6,5 km. Op basis van deze afstand worden externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoeken niet verwacht. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. 7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 375 meter ten westen van de onderzoekslocatie. In figuur 22 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 22. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron:kaartbank.brabant.nl).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 20 van 24
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht, wel gelden mogelijk de gemeentelijke verordeningen.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 21 van 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Accent Adviseurs een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Groeneweg 9 te Reusel. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling ter plaatse van het voormalige Fraterhuis en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen of broedvogelcheck voorafgaan aan sloop-, kap- en/of graafwerkzaamheden.
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
- nader onderzoek naar nestlocaties huismus en gierzwaluw conform kennisdocument. - nesteninspectie roofvogelnesten in bladerloze seizoen.
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
- aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen conform vleermuisprotocol; - aanvullend holen/spleten inspectie uitvoeren indien de conifeer wordt gekapt. Op basis van de inspectie al dan niet een protocollair onderzoek uitvoeren.
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
voldoende alternatieven in de directe omgeving.
vliegroutes
nee
nee
*nee
*nee
* mits de bomenrij in de omgeving van de Groeneweg behouden blijft en geen toename optreedt van nachtelijke verlichting op de bomenrij.
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
Nee
- nesteninspectie in bladerloze seizoen voor eekhoornnesten. - aandacht voor zorgplicht ten aanzien van egel, mol, konijn en verschillende muizensoorten.
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van bruine kikker en gewone pad.
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 22 van 24
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
6,5 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
375 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
n.v.t
n.v.t
n.v.t
mogelijk gelden gemeentelijke verordeningen.
Gebiedsbescherming
Bijzonderheden / opmerkingen*
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Op basis van onderhavige quickscan dient voorafgaand aan de herontwikkeling van de onderzoekslocatie meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de eventuele functie van de onderzoekslocatie voor huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. Ten aanzien van buizerd, sperwer, havik, ransuil en eekhoorn nesten dient in het bladerloze seizoen een nesteninspectie uitgevoerd te worden. Indien de conifeer met holten/ spleten bij de voorgenomen plannen wordt gekapt is mogelijk sprake van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van boombewonende vleermuizen. Derhalve dient allereerst een inspectie plaats te vinden om de geschiktheid van de holten en spleten als verblijfplaats vast te stellen en op basis van deze bevindingen al dan niet een protocollair onderzoek uitvoeren. Verder dient rekening gehouden te worden dat de bomenrij in de omgeving van de Groeneweg die mogelijk als vliegroute fungeert voor vleermuizen behouden blijft en geen toename optreedt van nachtelijke verlichting op de bomenrij tijdens en na de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te voeren.
Het wordt geadviseerd om materiaalopslag buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor beschermde soorten behorend tot overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming vanwege het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden en verwonden van individuen te voorkomen. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden en ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie. Wel geldt er mogelijk een gemeentelijke kapverordening.
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 23 van 24
Econsultancy Swalmen, 23 september 2021
Rapport 16918.003 versie D1
Pagina 24 van 24
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 23 september 2021 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Reusel, periode 2011-2021. NDFF. Geraadpleegd op 23 september 2021 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 23 september 2021 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten.
Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 23 september 2021 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.
Geraadpleegde websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.natura2000.nl/gebieden www.ravon.nl (soortgegevens reptielen en amfibieën) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF)
Rapport 16918.003 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.