CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.1667.BPGveeg5017-ON01_tb25.pdf

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan "Stedelijk Gebied, veegplan 2022"7.104 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

DRAAIBOOM 35 LAGE MIERDE Ruimtelijke onderbouwing

Gemeente Reusel-De Mierden

Status:

Versie-1

Projectnr:

21-003-G

Datum:

3 augustus 2021

COLOFON Titel

Draaiboom 35 Lage Mierde

Onderdeel

Ruimtelijke onderbouwing

Projectnummer

21-003-G

Status

Versie-1

Datum

3 augustus 2021

Opdrachtgever

Familie Kuijpers

Auteur

Ralf Buelens (BUELENS Ruimte)

INHOUD 1

2

3

4

5

INLEIDING

1

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

1 1 1 2 2

Aanleiding Ligging plangebied Vigerende bestemmingsplan Procedure Leeswijzer

PLANBESCHRIJVING

3

2.1 2.2

3 4

Bestaande situatie Toekomstige situatie

BELEID

5

3.1 3.2 3.3

5 7 8

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

OMGEVINGSASPECTEN

11

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

11 11 12 13 15 16 17 17 18 19 21 21 21

Archeologie Bedrijven en milieuzonering Bodem Natuur Externe veiligheid Wegverkeerslawaai Luchtkwaliteit Verkeer Water Geur agrarisch Gezondheid i.r.t. veehouderijen Spuitzones Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

UITVOERBAARHEID

23

5.1 5.2

23 23

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

BIJLAGE 1. Voortoets stikstofdepositie

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens om een bouwtitel toe te voegen aan het perceel aan de Draaiboom 35. In het vigerende bestemmingsplan is hiervoor een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De wijzigingsbevoegdheid ligt niet over het gehele plangebied. Hierdoor is het niet mogelijk om voor het gehele plangebied een wijzigingsplan procedure te doorlopen. Met de gemeente is afgesproken dat het initiatief meegenomen wordt met het (veeg)bestemmingsplan. Dit is een bestemmingsplan voor verschillende locaties waarbij het gaat om kleinschalige aanpassingen/ initiatieven of een correctie van het bestemmingsplan. Om het initiatief mee nemen in het (veeg)bestemmingsplan dient een goede ruimtelijke onderbouwing te worden aangeleverd. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hier in. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt toegelicht dat het initiatief past binnen het ruimtelijke beleid van de diverse overheden en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het zuiden van de kom Lage Mierde. Op afbeelding 1.1 is een luchtfoto van de kom van Lage Mierde weergegeven. Met rode stip is de ligging van het plangebied aangegeven.

Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied

1.3

Vigerende bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied 2018’. Dit bestemmingsplan is op 2 oktober 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Op afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven. Met blauw is het plangebied aangegeven.

3 augustus 2021

1

ROB Draaiboom 35

Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplan

Aan het plangebied is de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin’ toegekend. Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn bestaande woningen met bijgebouwen toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte van de woning bedraagt 6 respectievelijk 10 meter. Binnen de bestemming ‘Tuin’ zijn tuinen, erven, tereinen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Behoudens het perceel met nummer 1312 is aan het plangebied een wijzigingsbevoegdheid toegekend om een bouwtitel voor een woning toe te voegen.

1.4

Procedure

Deze ruimtelijke onderbouwing wordt als bijlage opgenomen bij het (veeg)bestemmingsplan. Voordat het (veeg)bestemmingsplan rechtskracht verkrijgt dient de procedure te zijn doorlopen, zoals vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het (veeg)bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor advies voorgelegd aan relevante overlegpartners zoals de Provincie, Waterschap De Dommel en Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost. Het ontwerp (veeg)bestemmingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de terinzagelegging kan een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze kenbaar maken. De ingediende zienswijzen worden afgewogen bij de vaststelling van het (veeg)bestemmingsplan. Het vastgestelde (veeg)bestemmingsplan wordt ook ter inzage gelegd. Gedurende deze terinzagelegging kan beroep worden ingesteld bij de Raad van State. Dit kan uitsluitend door belanghebbenden die ook een zienswijze tegen het ontwerpplan hebben ingediend, of door andere belanghebbenden voor zover het onderdelen betreft die gewijzigd zijn vastgesteld.

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 staat de huidige en toekomstige situatie van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 bevat een samenvatting van het actuele beleidskader dat relevant is voor het initiatief. Hierbij wordt ingegaan op Rijks, Provinciaal en Gemeentelijk beleid. Vervolgens wordt het initiatief in hoofdstuk 4 getoetst aan relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 staat de juridische planbeschrijving beschreven. Tot slot volgt in hoofdstuk 6 een beschrijving van de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. 3 augustus 2021

2

ROB Draaiboom 35

2

PLANBESCHRIJVING

2.1

Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen aan Draaiboom 35 te Lage Mierde. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Hooge en Lage Mierde, sectie H, nummers 1704 en 1312. Op afbeelding 2.1 is het plangebied met rood aangegeven.

Afbeelding 2.1: Bestaande situatie

De Draaiboom is een historische bebouwingslint. De lintbebouwing is gevarieerd van opzet. In het plangebied staat geen bebouwing. Het is in gebruik als gazon/ tuin. Aan de straatzijde staan enkele struiken. Aan de achterzijde grenst het plangebied aan de achtertuinen van woningen. Op afbeelding 2.2 is een foto van de bestaande situatie weergegeven.

Afbeelding 2.2: Foto bestaande situatie 3 augustus 2021

3

ROB Draaiboom 35

2.2

Toekomstige situatie

De toekomstige woning wordt zorgvuldig ingepast in de bestaande ruimtelijke structuur. De voorgevel wordt gesitueerd in de gevellijn van naastgelegen woningen. Om voldoende afstand te creëren tussen de woningen wordt voor vrijstaande hoofdgebouwen 3 meter afstand aangehouden tot de zijdelingse perceelsgrenzen. Het plangebied wordt ontsloten via de Draaiboom. Parkeren wordt opgelost op eigen terrein. Er wordt ruimte gereserveerd voor voldoende parkeerplaatsen. Op afbeelding 2.3 is een impressie de nieuwe verkaveling weergegeven. De definitieve verkaveling kan hiervan afwijken.

Afbeelding 2.3: Nieuwe situatie/ verkaveling

3 augustus 2021

4

ROB Draaiboom 35

3

BELEID

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, vastgesteld 13 maart 2012)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie bevat concreet en bondig het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. De structuurvisie heeft betrekking op:  rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;  rijksbelangen m.b.t. (inter)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;  rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. De nationale ruimtelijke belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt een vertaling van de planologische rijksbelangen uit de SVIR in instructieregels voor provincies en gemeenten. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau in bestemmingsplannen te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op ondermeer het kustfundament, de grote rivieren, de ecologische hoofdstructuur en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.

Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, bescherming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, reserveringsgebieden voor nieuwe hoofdwegen en spoorlijnen en reserveringsgebieden voor uitbreiding van enkele bestaande hoofdwegen. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Relevante regels Het plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van het radarstation op de locatie Herwijnen. In een gebied rondom dit radarstation moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom het radarstation mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In onderhavig radarverstoringsgebied is de maximale hoogte (van windturbines) gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. Met voorliggend initiatief wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat en er wordt ook geen planologisch kader geboden voor het oprichten van windturbines. 3 augustus 2021

5

ROB Draaiboom 35

Tevens is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied behorende bij het radarstation Woensdrecht. Hiervoor geldt een maximale bouwhoogte van 113 meter ten opzichte van NAP. Deze maat wordt eveneens niet overschreden met voorliggend initiatief. De maximaal toegestane bouwhoogtes vanuit de radarverstoringsgebieden vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.

3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een uitwerking van bepalingen uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het Bro is onder meer het volgende opgenomen:  de verplichting om ruimtelijke visies, plannen, besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur digitaal ('electronisch') beschikbaar te stellen. Alle ruimtelijke plannen zijn te vinden op ruimtelijkeplannen.nl. Er is overgangsrecht opgenomen in het Bro;  de vormgeving en inrichting van ruimtelijke plannen en dergelijke;  gedetailleerde bepalingen over de inhoud van een bestemmingsplan;  overgangsrecht voor bestaande gebouwen, bouwwerken of bestaand gebruik; BP Noord Aa 2C 13 18-0365  de procedure voor het afhandelen van een planschadeverzoek;  bepalingen over het exploitatieplan en subsidieregelingen. Relevante regels In het Bro is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6 lid 2). De Ladder is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het doel van de ladder is een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Wanneer een ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt dient het initiatief te worden getoetst aan de ladder. De ladder heeft betrekking op ontwikkeling van woningbouw, kantoren, bedrijven, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen.

Een ruimtelijke onderbouwing dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Beoordeling Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van één woontitel. Gelet op de uitspraak van de Raad van State op 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4720) kan worden geconcludeerd dat het initiatief te klein is om te spreken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De uitspraak gaat over een bestemmingsplan dat het inpassen van acht woningen mogelijk maakt. Hierbij oordeelde de Raad van State dat een dergelijke kleinschalige ontwikkeling niet gezien kan worden als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro. Omdat het toevoegen van één woontitel niet wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling hoeft niet te worden getoetst aan de ladder.

3 augustus 2021

6

ROB Draaiboom 35

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant

Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant een Omgevingsvisie opgesteld. Deze Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De visie benoemt daarbij een aantal hoofdopgaven. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. Gesteld wordt dat gemeenten de eerstverantwoordelijken zijn waar het gaat om ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden zo laag mogelijk weggelegd. Gemeenten moeten een eigen invulling geven aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

3.2.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 19 maart 2014 is de structuurvisie in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie geeft in hoofdlijnen het ruimtelijk beleid voor de provincie weer tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Meer dan voorheen wil de provincie duurzaam en zorgvuldig met de ruimte omgaan. De provincie streeft naar een complete kennis- en innovatieregio. Daarvoor zijn een aantrekkelijke woon- en leefomgeving, natuur- en landschapsontwikkeling, een robuust verkeer- en vervoersysteem en een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven van cruciaal belang. De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend: 1. groenblauwe structuur; 2. infrastructuur; 3. gemengd landelijk gebied; 4. stedelijke structuur. Beoordeling Het plangebied is op de structurenkaart aangewezen als ‘Kernen in het landelijk gebied’. Op afbeelding 3.1 is een uitsnede van de structurenkaart weergegeven. Met rode pin is de locatie van het plangebied aangegeven.

Afbeelding 3.1: Uitsnede structurenkaart (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

In de kernen in het landelijk gebied geldt het uitgangspunt dat er ten hoogste zoveel woningen mogen worden gebouwd als nodig is voor de opvang van de eigen woningbehoefte. Uit de ‘Kempische Visie op Wonen 2019-2023’ blijkt dat er behoefte is aan nieuwe woningen. Voorliggend initiatief voorziet hier in. Gelet hierop past het initiatief binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. 3 augustus 2021

7

ROB Draaiboom 35

3.2.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019 en betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant. Beoordeling Het plangebied is in de verordening aangeduid als stedelijk gebied (landelijke kern). Op afbeelding 3.2 is een uitsnede van de kaart van de verordening weergegeven. Binnen stedelijk gebied kan worden voorzien in de ruimte voor wonen, werken en andere voorzieningen om zo de verstedelijking zo veel mogelijk te bundelen.

Afbeelding 3.2: Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening (bron: https://noord-brabant.tercera-ro.nl/)

Voor het stedelijke gebied geldt dat het initiatief een duurzame stedelijke ontwikkeling dient te zijn en past binnen de regionale afspraken. De nieuwe woning wordt zorgvuldig ingepast in de bestaande structuur waarbij nieuwe, duurzame en gasloze, bebouwing wordt gerealiseerd. Hierdoor kan het initiatief worden gezien als een duurzame stedelijke ontwikkeling. Planologisch gezien voorziet voorliggend initiatief in het toevoegen van één wooneenheid. Uit de ‘Kempische Visie op Wonen 2019-2023’ blijkt dat er behoefte is aan nieuwe woningen. Hierdoor past het initiatief binnen de kaders van de regionale afspraken.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Kempische Visie op Wonen 2019-2023

Op 12, 21 en 28 maart 2019 hebben de gemeenteraden van Bladel, Bergeijk, Eersel en Reusel-De Mierden de Kempische visie op wonen 2019-2023 vastgesteld. In deze visie worden vijf speerpunten genoemd voor de regionale woningmarkt: 1. Versnellen van de bouwproductie, op een zorgvuldige manier; 2. Behoud voor betaalbaar wonen; 3. Zorg voor elkaar faciliteren; 4. Klaar voor de toekomst; 5. Werken en wonen.

3 augustus 2021

8

ROB Draaiboom 35

Beoordeling Voor de gemeente Reusel-De Mierden wordt voor de periode 2018-2028 een behoefte van ca. 550 woningen verwacht. Gelet op de druk op de woningmarkt is er behoefte aan nieuwe woningen. Voor het versnellen van de bouwproductie wordt de voorkeur gegeven aan herbestemmingslocaties binnen bestaand stedelijk gebied. Voorliggend initiatief voorziet hierin.

3.3.2

Omgevingsvisie Reusel-De Mierden

Op 22 mei 2018 is de 'Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden' door de raad vastgesteld. Op 28 mei 2019 en op 15 december 2020 is een addendum op de visie vastgesteld. De Omgevingsvisie beschrijft hoe de gemeente er over 15 jaar uit ziet. Het gaat over de fysieke leefomgeving, waarbij wordt beschreven hoe het gebied ingericht is (de ruimte), hoe de inwoners hier veilig en gezond kunnen leven (het sociale) en wat er aan bedrijvigheid is (de economie). De Omgevingsvisie is geen plan op detailniveau, het geeft richting aan waar de gemeente naar toe wil. De omgevingsvisie is opgesteld vooruitlopend op de aankomende Omgevingswet. Deze visie is niet zozeer een gewenst eindbeeld, maar er wordt gekozen om de strategie om er te komen vast te leggen. Aan elk gebied waar in deze omgevingsvisie aandacht aan is besteed, is daarom een strategie gekoppeld. Voor het grootste deel van de dorpskernen is op de strategiekaart aangegeven om de bestaande situatie te bestendigen. De strategie daarbij is het behouden van de bestaande kracht en het doorzetten van de huidige beleidslijnen. Beoordeling Aan het plangebied in de visiekaart ‘Lintbebouwing’ toegekend. Op afbeelding 3.3 is een uitsnede van de visiekaart weergegeven. Met rode stip is het plangebied aangegeven.

Afbeelding 3.3: Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie Reusel-De Mierden (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Voor de kern van Lage Mierde is het zaak dat de ruimtelijke structuur wordt verstrekt en de open zichten vanaf de linten naar het achterliggende landschap worden gehandhaafd.

3 augustus 2021

9

ROB Draaiboom 35

De nieuwe woning wordt zorgvuldig ingepast in de bestaande lintbebouwing. De bestaande structuur wordt hierdoor versterkt. Van een achterliggend landschap is hier geen sprake. Aan de achterzijde van het plangebied grenzen tuinen van woningen.

3 augustus 2021

10

ROB Draaiboom 35

4

OMGEVINGSASPECTEN

4.1

Archeologie

Beleid, wet- en regelgeving Begin juli 2009 hebben de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden, Bladel, Eersel, Bergeijk, Heeze-Leende, Cranendonck, Waalre en Valkenswaard aan de SRE Milieudienst opdracht gegeven om een Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg en een gemeentelijke Erfgoedkaart op te stellen, waarin de archeologische waarden en verwachtingen zijn opgenomen. Situatie Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat aan het plangebied een hoge verwachting (historische kernen en linten) is toegekend. Hiervoor geldt dat bij bodemingrepen die groter zijn dan 250 m2 en dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. In het (veeg)bestemmingsplan wordt aan het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ toegekend. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning zal worden beoordeeld of er een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect archeologie de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg staat.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Beleid, wet- en regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of er voldoende afstand wordt gehouden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een Handreiking Bedrijven en milieuzonering opgesteld. In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Tabel richtafstanden per milieucategorie. Milieucategorie

Richtafstanden in 'rustige woonwijk'

Richtafstanden in 'gemengd gebied'

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

4.1

200 meter

100 meter

4.2

300 meter

200 meter

3 augustus 2021

11

ROB Draaiboom 35

Situatie Invloed plan op de omgeving Het plan betreft het toevoegen van één woning binnen een bestaande bebouwingslint. De bestemming ‘Wonen’ wordt niet gewijzigd. Er is hierdoor geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving. Invloed omliggende inrichtingen op plan Ten westen, op ca. 60 meter, van het plangebied ligt bedrijventerrein Koningshoek. Aan het bedrijventerrein is de bestemming ‘Bedrijventerreinen’ toegekend. Binnen deze bestemming is bedrijvigheid met een milieucategorie 1, 2 en 3.1 toegestaan. In de omgeving zijn meerder bedrijven (bedrijventerrein Koningshoek), horeca en detailhandel aanwezig. Hierdoor kan het gebied worden aangemerkt als een gemengd gebied. Activiteiten met een milieucategorie van 3.1 hebben, bij een gemengd gebied, een richtafstand van 30 meter tot aan een gevoelige functie zoals wonen. Het dichtstbijzijnde bedrijf staat op een afstand van 58 meter van de nieuwe woning. Er wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Verder zijn er in de nabijheid van het plangebied geen bedrijven gevestigd. Er zijn geen inrichtingen die invloed hebben op het plangebied. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.3

Bodem

Beleid, wet- en regelgeving Artikel 3.1.6 van het Besluit Ruimtelijke Ordening geeft aan dat in het kader van de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan onderzoek verricht dient te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe functie mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe functie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Bouw kan pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem geschikt te maken. Situatie Met voorliggende bestemmingsplanwijziging worden geen bodemingrepen verricht. Het huidige gebruik (wonen) wordt niet gewijzigd. Voor de locatie geldt volgens de bodemfunctieklassekaart de functieklasse 'wonen'. Een nader bodemonderzoek is op dit moment niet nodig. Bij de aanvraag van de vergunning voor het bouwen de woning wordt een bodemonderzoek overlegd.

Conclusie Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg.

3 augustus 2021

12

ROB Draaiboom 35

4.4

Natuur

Beleid, wet- en regelgeving Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (WNB) in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Situatie Natura 2000 Op circa 1,5 kilometer van het plangebied ligt Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’. Dit Natura 2000-gebied heeft met waterloop ‘De Reusel’ een uitloper naar het zuiden die het plangebied in het westen benaderd tot op circa 550 meter. Op afbeelding 4.1 is de ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van dit gebied (geel) weergegeven.

Afbeelding 4.1: Natura 2000 (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met voorliggende initiatief niet aan de orde. Om te beoordelen of voorliggend bouwplan leidt tot een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied is een berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. Uit de rekenresultaten blijkt dat het initiatief niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het NNN werd voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het ruimtelijk beleid is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Op afbeelding 4.2 is de ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van deze gebieden (grijs) weergegeven.

3 augustus 2021

13

ROB Draaiboom 35

Afbeelding 4.2: Natuurnetwerk Nederland (NNN) (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Er is geen sprake van directe vernietiging van het NNN. Aangezien het initiatief geen directe relatie heeft met een gebied dat is aangewezen als NNN en geen verbindende functie vervult zijn negatieve effecten uit te sluiten. Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op het Nationaal Natuurnetwerk is met voorgenomen initiatief geen sprake. Flora- en fauna Bomen/ planten Er worden geen (waardevolle) bomen en/of planten gerooid. Ter plaatse van de tuin (het gazon) vindt actief maaibeheer plaats. Vissen Door het ontbreken van essentieel oppervlaktewater in het plangebied wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten. Vogels Alle vogels zijn beschermd. Broedende vogels in en direct rond het plangebied mogen niet verstoord worden. Gezien de impact van het initiatief en de aanwezige natuur/landbouwgronden in de wijdere omgeving zijn negatieve effecten voor roofvogels op populatieniveau niet te verwachten. Zoogdieren De tuin is geschikt als leefgebied voor algemene grondgebonden zoogdieren zoals egels en diverse soorten muizen. Doordat er voldoende leefgebied in de omgeving aanwezig is, is er geen sprake van afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling.

In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om zelfstandig en veilig de tuin te kunnen verlaten.

3 augustus 2021

14

ROB Draaiboom 35

Volgens verspreidingsgegevens komen in de omgeving vleermuizen voor. Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Met voorgenomen initiatief worden geen vliegroutes verstoord. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn er in de omgeving hagedissen, hazelwormen en gladde slangen waargenomen. Deze reptielen zijn waargenomen in de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan is daarmee dan ook uitgesloten. Amfibieën In de omgeving zijn algemene soorten zoals de bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander waargenomen. Ook zijn de niet vrijgestelde poelkikker, heikikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander waargenomen. In het plangebied is echter geen geschikt oppervlaktewater aanwezig, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten redelijkerwijs is uitgesloten. Conclusie Vanuit de natuurbeleidskaders zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4.5

Externe veiligheid

Beleid, wet- en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor derden. Het gaat daarbij zowel om het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen) als om inrichtingen met opslag, productie en/of gebruik van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn risicomaten met bijbehorende risiconormen opgenomen voor respectievelijk inrichtingen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het externe veiligheidsbeleid kent twee risicomaten, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de overlijdenskans per jaar als gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij een ongeval. Dit kan op een kaart worden weergegeven met behulp van contouren. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt met behulp van een diagram weergegeven. Bovendien geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld om advies in te winnen bij hulpverleningsdiensten omtrent aspecten als hulpverlening en zelfredzaamheid.

Situatie Met behulp van de risicokaart (http://nederland.risicokaart.nl/risicokaart.html) is op 3 augustus 2021 gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten plaatsvinden of risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Op afbeelding 4.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Met blauw is de locatie van het plangebied aangegeven.

3 augustus 2021

15

ROB Draaiboom 35

Afbeelding 4.3: Uitsnede risicokaart

Uit de risicokaart blijkt dat In de directe omgeving geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd over het spoor, het water of door leidingen. Ook vinden er geen risicovolle activiteiten plaats en zijn er geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van het voorgenomen initiatief niet in de weg staat.

4.6

Wegverkeerslawaai

Beleid, wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor de toelaatbare geluidbelasting. De geluidseisen zijn alleen van toepassing op geluidgevoelige bestemmingen die gelegen zijn binnen de geluidzone van een geluidsbron. Een geluidzone is een gebied aan weerszijden van het spoor, van een weg of rond een bedrijven/ industrieterrein. Geluidgevoelige bestemmingen zijn woningen, basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, instellingen voor hoger beroepsonderwijs, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen. Situatie Direct om het plangebied liggen wegen met een snelheidsregime van 30 km/u. Conform de Wgh hebben deze wegen geen geluidzone. Op grond van de Wgh geldt voor het aspect wegverkeerslawaai geen onderzoeksplicht. Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect wegverkeerslawaai de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg staat.

3 augustus 2021

16

ROB Draaiboom 35

4.7

Luchtkwaliteit

Beleid, wet- en regelgeving Wet milieubeheer (5.2 Luchtkwaliteitseisen) Het doel van Wet milieubeheer, hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen is het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOX), stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10 en PM2,5), lood (Pb), koolmonoxide (CO2) en benzeen. De normen gelden overal in de buitenlucht en niet alleen ter plekke van gevoelige bestemmingen. In de praktijk blijken er vooral grenswaardenoverschrijdingen te zijn voor PM10 en NO2. Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Het begrip NIBM speelt een belangrijke rol in de regelgeving voor luchtkwaliteit en is uitgewerkt in het Besluit 'Niet in betekende mate bijdragen’ en de Regeling 'Niet in betekende mate bijdragen’. Projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van grenswaarden).

In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen), tot 100.000 m2 kantooroppervlakte met één ontsluitingsweg (200.000 m2 met twee ontsluitingswegen) en intensieve veehouderijen (afhankelijk van het aantal dieren), bij voorbaat aangemerkt als niet in betekenende mate. Situatie Met voorliggend initiatief wordt één woontitel toegevoegd. Gelet op het aantal draagt het project 'Niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Hieruit kan worden opgemaakt dat het initiatief geen bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en past binnen de kaders van de Wet milieubeheer. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg.

4.8

Verkeer

Beleid Voor een goede ruimtelijke ordening is een goede verkeersafwikkeling en een veilige verkeersontsluiting van alle modaliteiten van belang. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. Situatie Verkeer Het toevoegen van één woontitel brengt extra verkeer met zich mee. Deze toename is minimaal en zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. De capaciteit van de (omliggende) wegen is groot genoeg om het extra verkeer op te vangen. Beide woningen worden ontsloten via de bestaande uitritten. Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de richtcijfers voor parkeernormering die door de gemeente Reusel-De Mierden gehanteerd worden. Dit betreft de richtcijfers volgens het CROW. Het plangebied ligt binnen een weinig stedelijke omgeving (bron: CBS) in de rest van de bebouwde kom. Op grond van de CROW-publicatie wordt voor vrijstaande woningen uitgegaan van een parkeernorm van 1,9 tot 2,7

3 augustus 2021

17

ROB Draaiboom 35

parkeerplaatsen per woning. De parkeernormen hebben een bepaalde bandbreedte (minimaal en maximaal). Een gemiddelde norm zorgt voor een goede parkeerbalans. Er geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.9

Water

Beleid, wet- en regelgeving In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is tevens een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Waterschap De Dommel Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap De Dommel. Waterschap De Dommel heeft in april 2016 het Waterbeheerplan ‘Waardevol Water’ vastgesteld. Dit waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Aanvullend op het waterbeheerplan hebben de drie Brabantse waterschappen sinds 1 maart 2015 de beschikking over één gezamenlijke verordening. Dit betreft de zogenaamde Brabant Keur. Hierdoor hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten. Gemeentelijk beleid Het waterbeleid van de gemeente Reusel - De Mierden is opgenomen in het (verbreed) gemeentelijk rioleringsplan 2017-2021 (vGRP).

Het vGRP beschrijft het beleid, de ambities en de te nemen maatregelen ten aanzien van afvalwater, grondwater en hemelwater binnen de gemeente. Situatie Waterberging Het Waterschap maakt onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2000 m², 2000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Wanneer de toename van het verhard oppervlak minder is dan 2000 m2 is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. Vanaf maart 2021 is een partiele herziening van de keur vastgesteld. Met deze herziening is het verhard oppervlakte aangescherpt van 2000 m2 naar 500 m2. In onderstaande tabel is de toename van het verhard oppervlakte weergegeven voor de toekomstige situaties: Vanaf 1 december 2020 ligt een partiele herziening van de keur ter inzage. Met deze herziening wordt het verhard oppervlakte aangescherpt van 2000 m2 naar 500 m2. In onderstaande tabel is de toename van het verhard oppervlakte weergegeven. Voor de bebouwing is uitgegaan van de maximale breedte (7m) en diepte (12m) van het hoofdgebouw en de maximale oppervlakte (150m2) aan bijbehorende bouwwerken.

3 augustus 2021

18

ROB Draaiboom 35

Tabel toename verharding Bebouwing Verharding tuin Totale verharding Onverhard Oppervlakte plangebied

Bestaande situatie 0 m2 0 m2 0 m2 904 m2 904 m2

Toekomstige situatie 234 m2 100 m2 334 m2 570 m2 904 m2

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de toename van de verharding minder is dan 500 m2 ten opzichte van de bestaande situatie. Riolering Het hemelwater en het huishoudelijke afvalwater worden gescheiden ingezameld. Ten behoeve van de waterkwaliteit worden zoveel mogelijk duurzame bouwmaterialen toegepast. Beschermingszone In of rondom het plangebied ligt geen beschermingszone van een watergang of waterkering. Conclusie De kwalitatieve en kwantitatieve waterbelangen komen met de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in het gedrang.

4.10

Geur agrarisch

Beleid, wet- en regelgeving Wet geurhinder en veehouderij Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Situatie Invloed plan op agrarische bedrijfsvoering Om te beoordelen of voorliggend initiatief een belemmering vormt voor de agrarische bedrijfsvoering moet worden nagegaan of er reeds woningen dichter bij de betreffende agrarische bedrijven staan. In dat geval zijn de bestaande woningen maatgevend en vormt de nieuwe woning geen nadere belemmering. Op afbeelding 4.4 zijn de omliggende agrarische bedrijven weergegeven. Met groene stippen zijn de bestaande bedrijven aangegeven. Met blauwe stip is het plangebied aangeduid.

3 augustus 2021

19

ROB Draaiboom 35

Afbeelding 4.4: Uitsnede kaart veehouderijen in Noord-Brabant (bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant)

Het plangebied ligt op ca. 500 meter van het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf. Er staan meerdere woningen tussen het plangebied en het bedrijf in. Het initiatief vormt geen nadere belemmering voor de agrarische bedrijfsvoering. Beoordeling woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de ‘achtergrondbelasting geur’ beschouwd te worden. Deze wordt gevormd door de gecumuleerde geurbelasting van meerdere veehouderijen uit een gebied. Op afbeelding 4.5 is de achtergrondbelasting van geur door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen in de omgeving weergeven. Met rood is het plangebied aangegeven.

Afbeelding 4.5: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur (bron: atlas.odzob.nl/portal/apps/webappviewer)

Uit afbeelding 4.5 blijkt dat norm voor geur tussen de 0 en 3 ouE/m3 bedraagt. De kwaliteit van geur ter plaatse van het plangebied is zeer goed. Hierdoor zijn er wat betreft het aspect geur geen beperkingen.

3 augustus 2021

20

ROB Draaiboom 35

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.

4.11

Gezondheid i.r.t. veehouderijen

Beleid, wet- en regelgeving Om het bevoegd gezag te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden is de Handreiking veehouderij en volksgezondheid opgesteld. De handreiking bevat een overzicht van de belangrijkste gevonden verbanden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden laat zien wat decentrale overheden kunnen doen om gezondheidsrisico’s van veehouderijen mee te wegen in besluitvorming. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Of daadwerkelijk advies wordt ingewonnen bij de GGD is een afweging van het bevoegd gezag. Situatie Er wordt geadviseerd om bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij is gelegen, gebruik te maken van de afstandsbepaling uit het Endotoxinen toetsingskader 2.0 uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op ca. 600 meter van het plangebied. Het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 hoeft verder niet doorlopen te worden. Conclusie Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico op deze locatie. Het aspect gezondheid vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.12

Spuitzones

Beleid, wet- en regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Wanneer er sprake is van het spuiten van gewassen dient, in het kader van spuitzones, in beginsel een afstand van 50 meter te worden gehanteerd om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Situatie in de omgeving van de plangebied zijn geen activiteiten met fruitboomgaarden en bollenteelt aanwezig. De verwachting is ook niet dat in de omgeving deze teelten uitgevoerd gaan worden. Conclusie Spuitzones vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.13

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

Beleid, wet- en regelgeving Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (mer), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 3 augustus 2021

21

ROB Draaiboom 35

  

Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige mer- (beoordelings)plichtige besluiten; Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig mer- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de drempelwaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit MER. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit MER geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije mer-beoordeling’ uit voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten er toch een MER moet worden opgesteld. Situatie Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van één woontitel. Deze activiteit wordt in de D-lijst van het Besluit MER aangemerkt als: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. Er dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Voorliggend plan blijft ver onder de drempelwaarden. Er geldt geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een voorvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Door middel van de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden.

Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een m.e.r. Conclusie Geconcludeerd wordt dat belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten zijn. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving.

3 augustus 2021

22

ROB Draaiboom 35

5

UITVOERBAARHEID

5.1

Economische uitvoerbaarheid

Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De ontwikkeling wordt geheel op risico van de initiatiefnemer aangegaan en is daarmee een volledig particulier initiatief. Het plangebied is volledig in eigendom van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Reusel-De Mierden en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal is verzekerd. Geconcludeerd kan worden dat de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate is verzekerd.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat het bestuursorgaan dat is belast met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met relevante overlegpartners. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt als bijlage toegevoegd bij het (veeg)bestemmingsplan. Het (veeg)bestemmingsplan wordt toegestuurd naar de Provincie, Waterschap De Dommel en Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost. Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het (veeg)bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wro juncto afdeling Awb. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. Eventuele zienswijzen zullen worden meegenomen in de besluitvorming omtrent onderhavig plan.

3 augustus 2021

23

ROB Draaiboom 35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=e6827495-1e0d-40e8-98c8-e11e31a49d87