b_NL.IMRO.1667.BPGveeg5017-ON01_tb23.pdf
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Lindestraat 1, Reusel Gemeente Reusel-De Mierden
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Lindestraat 1, Reusel Gemeente Reusel-De Mierden
Datum: April 2022 Projectgegevens: NOT01-SNL037-01B
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1 1.2
1 1
Aanleiding Situering plangebied
2
Toetsingskader
2
3
Welke m.e.r.-verplichting?
3
(Vormvrije) m.e.r.-beoordeling
4
4.1 4.2 4.3
4 5 6
4
5
De kenmerken van de activiteit Plaats van het project Kenmerken van het potentiele effect
Conclusie
22
UrbiTom
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
LAGE
REUSEL Plangebied Plangebied
Ligging en begrenzing plangebied (Bron: Google Maps 2021 en www.kadastralekaart.com)
Plangebied
UrbiTom
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Gemeente Reusel-De Mierden
De eigenaar van de bebouwing en de onderliggende percelen op de hoek van de Lindestraat en de Zeegstraat te Reusel heeft het initiatief genomen om tot herontwikkeling van zijn eigendom te komen met woningbouw. De gemeente heeft in haar principebesluit van 23 april 2021 besloten om medewerking te verlenen aan dit initiatief onder voorwaarde dat: a. De ontwikkeling plaatsvindt conform de planopzet van 3 maart 2021; b. 3 van de 7 woningen in de sociale sector (koop of huur) gerealiseerd worden; c. De initiatiefnemer een omgevingsdialoog met de omgeving voert. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Het plangebied heeft weliswaar een woonbestemming, maar de opgenomen bouwmogelijkheden sluiten niet aan op het bebouwingsinitiatief. De gemeente zal het initiatief opnemen in een bestemmingsplan voor nieuwe ontwikkelingen (een zogenaamd veegplan). Er is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld als deeltoelichting voor het initiatief bij deze bestemmingsplanherziening.
1.2
Situering plangebied Het plangebied betreft de percelen, kadastraal bekend gemeente Reusel, sectie A, nummers 3121, 3122 en 3156. Totaaloppervlakte van deze percelen bedraagt 1535 m2 (zie afbeeldingen voorgaande pagina).
UrbiTom
1
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
2
Gemeente Reusel-De Mierden
Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1.
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.);
2.
Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden;
3.
Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (Hof van Justitie EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
UrbiTom
2
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
3
Gemeente Reusel-De Mierden
Welke m.e.r.-verplichting? Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- plichtig besluit, indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C-lijst of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een ontwikkelingslocatie voor woningbouw. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Onderhavig plan betreft de toevoeging van 6 nieuwe woningen. De ontwikkeling ligt derhalve ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er dus geen plicht tot het opstellen van een MER.
Het onderhavige plan komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden, maar het te nemen besluit (het bestemmingsplan) komt voor in zowel kolom 3 als 4. Omdat ten behoeve van onderhavig plan na vaststelling van het bestemmingsplan geen andere besluiten meer worden genomen die voorkomen in kolom 4 van de D-lijst, is het bestemmingsplan te beschouwen als een 'besluit' in de zin van het Besluit m.e.r. Op basis van het vorengaande dient een aanmeldingsnotitie in het kader van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden.
UrbiTom
3
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
4
Gemeente Reusel-De Mierden
(Vormvrije) m.e.r.-beoordeling In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten.
4.1
De kenmerken van de activiteit Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; g. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). Ad a. de omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 7 woningen. Gelet hierop, en gelet op de stedelijke omgeving van het plangebied, wordt gesteld dat het een project van beperkte omvang betreft waarbij op voorhand geen sprake lijkt van significant negatieve milieu-effecten. Ad b. cumulatie met andere projecten De realisatie van 7 woningen betreft een op zichzelf staand project en maakt geen onderdeel uit van een grotere ontwikkelingslocatie. Van een relevante cumulatie met projecten buiten onderhavig plan is geen sprake. Ad c. gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. In het onderhavige plan worden geen houtopstanden gekapt.
Daarnaast worden naast de reguliere bouwmaterialen geen natuurlijke hulpbronnen verwijderd dan wel gebruikt in het onderhavige plan. Het gebouw wordt niet meer aangesloten op aardgas (fossiele brandstof).
UrbiTom
4
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Ad d. de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van het gebouw en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen tijdens het gebruik van de woningen. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Ad e. verontreiniging en hinder Er is geen sprake van een, op basis van milieuwetgeving, vergunningplichtige inrichting. Relevante verontreiniging en hinder als gevolg van het toekomstig gebruik van het plangebied, door 7 woningen, is niet aan de orde. Ad f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaat‐ verandering De realisatie en ingebruikname van 7 woningen betreft geen risicovolle inrichting. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. Ten opzichte van de bestaande situatie is er sprake van een beperkte toename van het verhard oppervlak. De afvoer van het hemelwater zal afgekoppeld worden van het rioolstelsel en binnen het plangebied infiltreren. Hiermee wordt in voldoende mate rekening gehouden met de klimaatverandering. Ad g.
risico’s voor menselijke gezondheid Er is geen sprake van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting. Onderhavig plan heeft geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. Ook ligt het project niet in de nabijheid van veehouderijen, spuitzones of niet-agrarische bedrijvigheid die een negatieve invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid.
4.2
Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik, b. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied, c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: - wetlands, oeverformaties, riviermondingen; - kustgebieden; - berg- en bosgebieden; - natuurreservaten en -parken; - gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG;
UrbiTom
5
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
-
Gemeente Reusel-De Mierden
gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen; gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Ad a. het bestaande grondgebruik In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een voormalig gemeenschapshuis dat thans als opslag fungeert. Het betreft geen specifieke milieugevoelige locatie. Ad b. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversi‐ teit) van het gebied In de huidige situatie is er geen sprake van een rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen in het gebied. Ad c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu In het plangebied of de omgeving ervan bevinden zich geen van de in de opsomming genoemde (potentieel) waardevolle gebieden. Ook betreft het geen gebied waar milieukwaliteitsnormen niet worden nagekomen of dat zich kenmerkt door een hoge bevolkingsdichtheid.
4.3
Kenmerken van het potentiele effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 (de kenmerken van het project) en 2 (de plaats van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden) b. de aard van het effect c. het grensoverschrijdend karakter van het effect d. de intensiteit en de complexiteit van het effect e. de waarschijnlijkheid van het effect f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten h. de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Het potentiële effect van de activiteit is vanwege de omvang zeer beperkt, voor wat betreft het fysieke bereik en de grootte van de getroffen bevolking. Om een beeld te schetsen van de specifieke effecten wordt in de navolgende paragrafen de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling weergeven. Er wordt vanwege de verwaarloosbare effecten niet specifiek stilgestaan bij de bovenstaande punten (a t/m h). Enerzijds worden specifiek effecten behandeld, zoals eventuele effecten van de verkeerstoenames op de bereikbaarheid, de geluidbelasting en luchtkwaliteit.
Anderzijds gaat het om de meer locatiegerelateerde effecten die te maken hebben met de omgeving. Dan gaat het bijvoorbeeld over de effecten op flora en fauna (waaronder stikstofdepositie).
UrbiTom
6
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
4.3.1
Gemeente Reusel-De Mierden
Bodem Lankelma Geotechniek Zuid B.V. zal een verkennend bodemonderzoek uitvoeren in het plangebied. De aanleiding voor het laten uitvoeren van een bodemonderzoek is de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de onderzoekslocatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van dit onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). De rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De bevindingen uit de rapportage zijn navolgend weergegeven. Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,6 m-mv overwegend uit matig fijn siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn in boring B07 bijmengingen (zwak baksteenhoudend) gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Een gedeelte van de onderzoekslocatie was begroeid met de Japanse Duizendknoop. Deze is verwijderd en hierdoor zijn een aantal boringen later geplaatst.
Na het verwijderen van de Japanse Duizendknoop is een aantal asbestplaatjes gevonden op het maaiveld, hierdoor is een drietal proefsleuven (S01 t/m S03) gegraven en is een extra grondmengmonster geanalyseerd op de parameter asbest. Grond In het grondmengmonster MM1 (bovengrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. In het grondmengmonster MM3 (bovengrond) zijn analytisch licht verhoogde gehalten met cadmium en zink aangetoond. De gehalten overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlaag indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. In het grondmengmonster MM2 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlaag indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01 zijn analytisch geen verhoogde gehalten aangetoond. Asbest in grond In grondmonster ABG01 is in de bovengrond een licht verhoogd gehalte met asbest aangetoond (2,0468 mg/kg d.s.). In de grondmengmonsters ASBMM01 en MVM01 is in de bovengrond geen verhoogd gehalte met asbest aangetoond.
Het betreffende grondmonster is genomen ter plaatse van de druiprand aan de zuidzijde van de schuur in het noordoosten van het plangebied.
UrbiTom
7
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
De druiprand aan de noordzijde van deze schuur is nog niet onderzocht, omdat het terrein ter plaatse ten tijde van het veldbezoek vrijwel ontoegankelijk was door opgaande beplanting. Op korte termijn zal hier vervolgonderzoek plaatsvinden, waarbij het terrein ter plaatse visueel zal worden geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest en waarbij grondmonsters zullen worden genomen. Ook zal hierbij een nader onderzoek naar de aanwezigheid van PCB plaatsvinden. Hierover zal gerapporteerd worden tijdens de procedure voor het veegplan voor het stedelijk gebied waarin onderhavige locatie wordt meegenomen, derhalve voor de aanvraag van een omgevingsvergunning, waarvoor moet worden aangetoond dat er sprake is van een situatie zonder bodemverontreiniging. Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ dient op basis van de resultaten formeel gezien te worden verworpen. Conclusie Middels het verrichte bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.
Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken: wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de bovengrond indicatief als zijnde klasse AW2000 bestempeld. De ondergrond is indicatief bestempeld als klasse AW2000; het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag. 4.3.2
Geluid Bepaald moet worden of er sprake is van geluidsbelasting ten gevolge van nabijgelegen wegen en het beoordelen of er voldaan wordt aan de bepalingen van de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegen met een onderzoekszone is vanwege de beoogde nieuwbouw van woningen een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai vereist. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek wordt derhalve uitgevoerd ten behoeve van een juridisch-planologische procedure. In juni 2021 is onderzoek verricht door Tritium Advies uit Nuenen. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Schoolstraat, Zeegstraat en de Voort. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur weg Lindestraat.
UrbiTom
8
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Conclusie Uit tussenresultaten is gebleken dat de woningen op de kavels 4 en 5 niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de aanwezigheid van een geluidluwe gevel. Een mogelijkheid voor het creëren van een geluidluwe gevel voor deze woningen is het plaatsen van een geluidscherm ter plaatse van de groene erfafscheiding aan de Zeegstraat. Dit scherm dient minimaal 1,8 meter hoog en geheel kierdicht te zijn en een minimale massa van circa 20 kg/m2 te hebben. Hiermee zijn alle woningen in het plangebied voorzien van een geluidluwe gevel ter plaatse van de achtergevel op de begane grond. De Lindestraat is een 30 km/uur weg. Voor een 30 km/uur weg kan geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze weg niet zoneplichtig is. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van het wegverkeer op de Lindestraat niet aan de orde. De geluidbelasting vanwege de Lindestraat is wel (cumulatief met de geluidbelasting vanwege de onderzochte 50 km-wegen) onderzocht om te bezien of er sprake kan zijn van een goed woonen leefklimaat voor de woningen en buitenruimten in het plangebied. Voor de 30 km/uur weg Lindestraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde van 48 dB met maximaal 5 dB overschrijdt.
Van een goed woon- en leefklimaat is sprake, wanneer het, hiervoor beschreven, geluidscherm wordt aangebracht, zoals dat ook is opgenomen in het schetsvoorstel (afgebeeld in de planomschrijving en hieronder). Voor de gezoneerde weg Voort geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de wegen Schoolstraat en Zeegstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met respectievelijk maximaal 4 en 10 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt hierdoor nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.
Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard, met uitzondering van het geluidscherm, zoals opgenomen in het schetsvoorstel, omdat dit kan worden uitgevoerd als groene erfafscheiding van 1.8 m hoog (dus passend binnen de maximum bouwhoogte voor erfafscheidingen in het geldende bestemmingsplan). Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve eveneens niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard.
UrbiTom
9
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Om een hogere waarde te kunnen verlenen dient tevens voldaan te worden aan één van de vijf subcriteria zoals genoemd in het “Ontheffingenbeleid hogere waardeprocedure Wet geluidhinder” van de gemeente Reusel-De Mierden. In onderhavige situatie wordt aan deze eis voldaan aangezien het bouwplan een open plek binnen de bebouwde kom van Reusel invult. Indien het voornoemd geluidscherm wordt gerealiseerd en bij de indeling van de woningen rekening wordt gehouden met de geluidbelaste zijde(n) wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. In de akoestische rapportage is uitgegaan van de situering van een geluidscherm op de perceelsgrens rond de achtertuin van de woning op de hoek van de Zeegstraat en de Lindestraat (zie onderstaande tekening). De gemeente heeft aangegeven dat het geluidscherm om stedenbouwkundig-ruimtelijke redenen 1m uit de perceelsgrens moet worden gesitueerd. Hiervoor is doorgerekend of dit nog consequenties heeft voor de hoogte van het scherm en de geluidwaarden aan de gevels/in de buitenruimte. Geconstateerd is dat verschuiving met 1 m niet resulteert in verandering van de geluidwaarden en dat het scherm de berekende hoogte van 1.8 m kan behouden.
Het rapport akoestisch onderzoek zal hierop worden aangepast en bij het op te stellen veegplan worden gevoegd.
Nieuwe situatie
UrbiTom
10
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Aangezien voor onderhavige woningen sprake is van een procedure hogere waarde, is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Het bouwakoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd, alvorens omgevingsvergunning kan worden verleend. 4.3.3
Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: -
een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).
Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Zoals op onderstaande kaart met de gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019 is te zien, bedraagt deze ter plaatse van het plangebied 18-19 microgram PM10/m3, dus ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3.
Gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019
UrbiTom
11
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 7 nieuwe woningen. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. De kaart met gemiddelde fijnstofconcentraties van het RIVM laten zien dat de concentraties fijnstof (pm10) ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3 blijft. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling. 4.3.4
Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Uit gemeentelijke gegevens blijkt dat het initiatief niet gelegen is in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, van transportroutes en van leidingen. Dichtstbijzijnd is de N284, die als transportroute voor gevaarlijke stoffen fungeert. Het invloedsgebied beslaat 200 m vanuit de as van de weg. Het plangebied heeft een kortste afstand van ca. 300 m en ligt dus ruim buiten het invloedsgebied.
Plangebied
Uitsnede kaart Atlas voor de Leefomgeving, thema ‘Veiligheid’ UrbiTom
12
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. 4.3.5
Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er zijn plannen om de huidige bebouwing te slopen om plaats te maken voor nieuwe woningen. Vanwege dit voornemen is het noodzakelijk de ingreep te toetsen aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, om zicht te krijgen of er effecten optreden op beschermde natuurwaarden. Dit is via een veldbezoek beoordeeld. Dit onderzoek is op 30 april 2021 uitgevoerd, waarbij het plangebied is bezocht en beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Het onderzoek is gerapporteerd in een quickscan, die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. De conclusies uit deze rapportage zijn navolgend weergegeven. Beschermde natuurgebieden Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. De kortste afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kempenland-West, bedraagt ca. 2.6 km. Om de stikstofdepositie vanwege het initiatief te bepalen, is een berekening uitgevoerd. In navolgende paragraaf ‘stikstofdepositie’ worden de resultaten hiervan besproken.
De stikstofdepositie vanwege het initiatief bedraagt minder dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is derhalve geen noodzaak voor nadere toetsing of een compensatieplan. Beschermde soorten Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Broedplekken voor gierzwaluwen en huismus zijn niet aangetroffen en ook niet te verwachten, omdat er geen geschikte broedlocaties aanwezig zijn. De te slopen bebouwing is inmiddels dermate vervallen dat eventueel aanwezige broedplekken niet meer geschikt zijn. Er zijn ook nergens restanten van nesten aangetroffen die anders doen vermoeden. Huismussen zijn, ondanks de start van hun broedperiode, ook niet aangetroffen in het gehele gebied. De voormalige achtertuin en het aangrenzende gemeentelijke gazon, waar twee te kappen zomereiken groeien, vormen geen geschikt broedgebied voor broedvogels. De hele achtertuin is namelijk begroeid met Japanse duizendknoop en deze vegetatie biedt geen geschikte nestlocaties. In de te kappen zomereiken zijn geen nesten aangetroffen van jaarrond beschermde soorten (zoals roofvogels). Oude nesten van zwarte kraai, die mogelijk dienst kunnen doen als
UrbiTom
13
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
broedplek voor ransuil, zijn eveneens niet aanwezig. In de bomen zijn voorts geen boomholtes aangetroffen die door spechten als broedplek gebruikt kunnen worden. Vleermuizen De te slopen bebouwing in het plangebied is ongeschikt voor vleermuizen om te gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats. Het woonhuis is erg vervallen, waardoor de doortochting een negatieve invloed heeft op de stabiliteit van het klimaat. Dergelijke situaties zijn voor vleermuizen ongeschikt om te dienen als vaste rust- en verblijfplaats. Vleermuizen gedijen het beste bij een constante temperatuur zonder tocht. De rotting van de dakconstructie maakt hier ook dat dergelijke plekken geen geschikte vast rust- en verblijfplaats vormt. Daarnaast zijn er geen spouwopeningen aanwezig. De onderzoekslocatie kan een geschikt jachtgebied vormen voor vleermuizen die in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie verblijfplaatsen hebben. Het gaat hier echter niet om essentieel foerageergebied. Daarvoor is de aangetroffen vegetatie niet afwisselend genoeg. De twee zomereiken groeien naast een laanelement van andere bomen. De verwijdering van deze twee bomen betekent niet dat een eventuele foerageerfunctie van het gebied verloren gaat. Omdat deze bomen geen direct onderdeel uitmaken van het aanwezige laanelement gaat een eventuele vliegverbinding (geen primaire vliegroute) niet verloren.
Vaatplanten (muurplanten) Er zijn in en aan het gebouw en in de achtertuin geen plantensoorten aangetroffen die een beschermde status hebben of die groeien op specifieke plekken zoals in muren of onder lekkende dakgoten en regenbuizen (soorten zoals tongvaren en steenbreekvaren). Grondgebonden zoogdieren Er zijn geen aanwijzingen dat er in de bebouwing steenmarters leven. Er zijn nergens uitwerpselen en sporen aangetroffen die anders doen vermoeden. In het gebied kunnen diverse andere algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren voorkomen zoals diverse muizensoorten. Beschermde soorten zoals das, bunzing, hermelijn, wezel en dergelijke komen niet voor op de ingreeplocatie. Daarvoor is het habitat niet optimaal ontwikkeld. Overige soorten Andere beschermde soorten, zoals reptielen, dagvlinders, libellen, vissen, amfibieën en andere ongewervelden, zijn niet aangetroffen en ook niet te verwachten op de locatie. Hiervoor zijn geen (optimaal ontwikkelde) leefgebieden aanwezig. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en
UrbiTom
14
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Conclusie Er zijn geen beschermde natuurwaarden aanwezig en/of te verwachten in de bebouwing en rondom de onderzoekslocatie. Er treden geen effecten op ten aanzien van beschermde natuurwaarden. Er is geen nader soortgericht onderzoek noodzakelijk ter plekke. Er vinden geen overtredingen plaats van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. De werkzaamheden dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden buiten de broedperiode van vogels om verstoring van nesten (mogelijk aanwezig in de directe omgeving) te voorkomen, of de werkzaamheden dienen te starten voor het broedseizoen met een doorloop tijdens het broedseizoen.
Op deze manier wordt vanwege de toenemende menselijke activiteit in het gebied voorkomen dat broedvogels zich zullen gaan vestigen.
4.3.6
Stikstofdepositie Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft “Kempenland West” (gebiedsnummer 135). De Reusel, voorzover deze onderdeel uitmaakt van dit Natura 2000 gebied, is op ca. 2,6 kilometer van het plangebied gelegen. De stikstofgevoelige habitat van ‘Kempenland West’ bevindt zich op ca. 5,6 km van het plangebied (De Utrecht). Om te bezien of er sprake is van stikstofdepositie is in mei 2021 door Van Empel Milieuadvies met de AERIUS Calculator 2020 een berekening gemaakt van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Deze berekening is opgenomen in de bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura-2000 gebieden veroorzaakt. Conform de “Handreiking Voortoets Stikstof” van BIJ 12 die in de bijlage bij het rapport is gevoegd, is geen passende beoordeling noodzakelijk. De berekening toont aan dat het aspect stikstof geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen.
UrbiTom
15
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
4.3.7
Gemeente Reusel-De Mierden
Hinderlijke bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en gevoelige functies, zoals wonen, noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Voor het plangebied is het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ van toepassing. Zoals navolgende uitsnede van de geldende bestemmingsplannen in en rondom het plangebied laat zien, is er geen hinderlijke bedrijvigheid nabij het plangebied aanwezig. Op kortere afstand tot bedrijfsbestemmingen zijn woonbestemmingen aanwezig. Dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming betreft een bedrijf aan de Zeegstraat 33r t/m 35r met de bestemming ‘Bedrijf – nutsbedrijf’. De afstand van de bestemmingsgrens van dit bedrijf tot de dichtstbijzijnde bouwmogelijkheid in het plangebied bedraagt meer dan 230 m.
Tussen het bedrijf en het plangebied zijn bestaande woonbestemmingen op aanmerkelijk kortere afstand dan 230 m gelegen, die bepalend zijn voor de mate waarin het bedrijf hinder mag veroorzaken.
Fragment uit geldend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied 2018’ met daarin aangegeven de begrenzing van het plangebied.
UrbiTom
16
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
De dichtstbijzijnde bestemming ‘Gemengd’ (Zeegstraat 33b) ligt op ca. 47 m van de bebouwing binnen het plangebied. De bestemming heeft een aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’, wat betekent dat hier bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2 is toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 m tot bebouwingsmogelijkheden voor gevoelige bebouwing binnen een omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De daadwerkelijke afstand tot het plangebied is derhalve ruimschoots meer dan deze richtafstand. De dichtstbijzijnde bestemming ‘Horeca’ ligt op ca. 77 m van de bebouwing binnen het plangebied. De bestemming heeft geen nadere aanduidingen, wat betekent dat hier horeca A, B of C is toegestaan, zoals nader omschreven in de begripsbepalingen van het geldende bestemmingsplan ‘Stedelijk Gebied 2018’. Grootste richtafstand tot dit type horeca bedraagt 10m op basis van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Het plangebied ligt op aanmerkelijk grotere afstand. Op korte afstand zijn geen agrarische bouwblokken gelegen. Dichtstbijzijnd is de agrarische bedrijfsbestemming van een varkenshouderij aan de Voort 24. In de paragrafen inzake geurhinder en spuitzones is verduidelijkt dat er ook geen beperkingen zijn vanwege – of voor – agrarische bedrijvigheid, door de woningbouw die met deze ruimtelijke onderbouwing wordt mogelijk gemaakt.
Tussen de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch’ en het plangebied zijn diverse woonbestemmingen gelegen, die op kortere afstand van de varkenshouderij liggen en die bepalend zijn voor de milieuruimte van het bedrijf. Conclusie In het plangebied en de omgeving is geen agrarische of niet-agrarische bedrijvigheid aanwezig die belemmeringen oplevert voor de woonkwaliteit. Ook levert de nieuwe bouwmogelijkheid voor een woning in het plangebied geen beperkingen op voor bedrijvigheid in de omgeving. 4.3.8
Gezondheid 4.3.13.1 Pluimvee‐ en varkenshouderijen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit vrijkomende fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een belangrijk bestanddeel in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten.
UrbiTom
17
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ worden de volgende richtafstanden gehanteerd: Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Dit plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een agrarisch bedrijf waarbinnen endotoxinen tot een risico voor de volksgezondheid kunnen leiden. Binnen een afstand van 250 m tot het plangebied komen geen veehouderijen voor. De dichtstbijzijnde veehouderij (Voort 24a) ligt met de bestemmingsgrens op een kortste afstand van ongeveer 250 meter. De stallen liggen op grotere afstand. Dit betreft een varkenshouderij.
Er is éen pluimveebedrijf dat op minder dan 1 kilometer afstand van het plangebied ligt. Het gaat om een bedrijf aan de Kattenbos 14 op ca. 900 m afstand (bron: www.bvb.brabant.nl). Het bedrijf ligt ten west-noordwesten van het plangebied. Zoals in navolgende tabel te zien is, komt de wind slechts in minder dan 6% van de tijd uit deze richting. De overheersende windrichting is in Nederland zuidwest.
Tabel met windrichtingen Nederland
De nieuwe woningen in het plangebied dragen bij aan het behalen van de volkshuisvestelijke doelstellingen, er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en er is ook ten aanzien van overige planologische en milieuaspecten aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
UrbiTom
18
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Het stedelijk gebied is de aangewezen plaats voor het realiseren van nieuwe woningen. Daarnaast leiden de overige milieuaspecten niet tot problemen. Vanwege de kleinschaligheid van het plan zal het gezondheidsrisico slechts marginaal toenemen. De belangen van dit plan wegen op tegen de risico’s van de pluimveehouderij. Geconcludeerd kan worden dat gezien de afstand, de hoeveelheid te realiseren woningen en het feit dat de wind in minder dan 6% van de gevallen uit de richting waait, waarin de pluimveehouderij is gelegen ten opzichte van het plangebied, er slechts een geringe kans is op een overschrijding van de endotoxine advieswaarde ter plaatse van het plangebied, die vervolgens slechts weinig woningen betreft, waarmee de effecten vanwege dit bedrijf te verwaarlozen zijn ten opzichte van de bestaande situatie. 4.3.13.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld.
Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van 7 nieuwe woningen. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Dichtstbijzijnd is een geitenhouderij aan de Baan 3 te Hooge Mierde, die op ca. 4 km van het plangebied ligt. 4.3.13.3 Conclusie Vanuit het aspect veehouderijen en volksgezondheid is het nieuwbouwplan op de hoek van de Zeegstraat en de Lindestraat aanvaardbaar. 4.3.9
Geurhinder Het beleid ten aanzien van het aspect geur is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die op 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de wet zijn normen bepaald die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is (geen geuremissiefactoren vastgesteld), stelt de wet minimumafstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend met contouren. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (ouE of ouE/S). Hiervoor zijn emissiefactoren vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.
UrbiTom
19
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Door de ODZOB is in februari 2021 een kaart vervaardigd waarop de achtergrondbelasting vanwege geurhinder is weergegeven voor Noord Brabant. Op navolgende uitsnede van deze kaart is te zien dat het plangebied is gesitueerd binnen een leefomgeving met de kwalificatie ‘goed’. Aan de Voort 4a en 28 liggen twee varkenshouderijen. De afstand van de bestemmingsgrens tot de woningbouw in het plangebied bedraagt ca. 250 respectievelijk ca. 330 m van het plangebied. Tussen deze bedrijven en het plangebied zijn bestaande woningen langs de Zeegstraat en de Voort aanwezig die op kortere afstand tot de bedrijvigheid liggen en die maatgevend zijn voor de mogelijkheden van de bedrijvigheid. Getuige de kaart met de achtergrondbelasting zijn er maatregelen genomen om de geurbelasting van deze bedrijven te beperken. Conclusie De leefomgeving van het plangebied en omgeving is gekwalificeerd als ‘goed’. Er zijn twee varkenshouderijen op relatief korte afstand van het plangebied gelegen. Het plangebied kent in de directe omgeving woonbestemmingen, die op kortere afstand van deze veehouderijen gesitueerd zijn. Deze woningen zijn maatgevend voor de toelaatbare geurbelasting. Geurhinder vormt derhalve geen belemmering voor woningbouw in het plangebied.
Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur Brabant (ODZOB)
UrbiTom
20
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
4.3.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen 50 m van het plangebied liggen geen gronden waar mogelijk sprake is van een spuitzone. De kortste afstand van een agrarische bestemming tot het plangebied bedraagt meer dan 100 m. Conclusie Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.
UrbiTom
21
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Stedelijk gebied, Lindestraat 1 Reusel’
5
Gemeente Reusel-De Mierden
Conclusie De activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het plangebied Lindestraat 1, Reusel zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
UrbiTom
22