b_NL.IMRO.1667.BPGveeg5017-ON01_tb17.pdf
Tekst van het document
5.5
Geluid Bepaald moet worden of er sprake is van geluidsbelasting ten gevolge van nabijgelegen wegen en het beoordelen of er voldaan wordt aan de bepalingen van de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegen met een onderzoekszone is vanwege de beoogde nieuwbouw van woningen een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai vereist. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek wordt derhalve uitgevoerd ten behoeve van een juridisch-planologische procedure. In juni 2021 is onderzoek verricht door Tritium Advies uit Nuenen. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
UrbiTom
27
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Schoolstraat, Zeegstraat en de Voort. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur weg Lindestraat. Conclusie Uit tussenresultaten is gebleken dat de woningen op de kavels 4 en 5 niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de aanwezigheid van een geluidluwe gevel. Een mogelijkheid voor het creëren van een geluidluwe gevel voor deze woningen is het plaatsen van een geluidscherm ter plaatse van de groene erfafscheiding aan de Zeegstraat. Dit scherm dient minimaal 1,8 meter hoog en geheel kierdicht te zijn en een minimale massa van circa 20 kg/m2 te hebben. Vanuit stedenbouwkundig-ruimtelijk oogpunt is het niet wenselijk om dit scherm op de erfgrens te situeren. Daarom wordt een afstand van 1m uit de erfgrens aangehouden (zie ook onderstaand schetsvoorstel). Hiermee zijn alle woningen in het plangebied voorzien van een geluidluwe gevel ter plaatse van de achtergevel op de begane grond.
Nieuwe situatie
UrbiTom
28
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
De Lindestraat is een 30 km/uur weg. Voor een 30 km/uur weg kan geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze weg niet zoneplichtig is. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van het wegverkeer op de Lindestraat niet aan de orde. De geluidbelasting vanwege de Lindestraat is wel (cumulatief met de geluidbelasting vanwege de onderzochte 50 km-wegen) onderzocht om te bezien of er sprake kan zijn van een goed woonen leefklimaat voor de woningen en buitenruimten in het plangebied. Voor de 30 km/uur weg Lindestraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde van 48 dB met maximaal 5 dB overschrijdt. Van een goed woon- en leefklimaat is sprake, wanneer het, hiervoor beschreven, geluidscherm wordt aangebracht, zoals dat ook is opgenomen in het schetsvoorstel (afgebeeld in de planomschrijving en hieronder). Voor de gezoneerde weg Voort geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de wegen Schoolstraat en Zeegstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met respectievelijk maximaal 4 en 10 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt hierdoor nergens overschreden.
Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard, met uitzondering van het geluidscherm, zoals opgenomen in het schetsvoorstel, omdat dit kan worden uitgevoerd als groene erfafscheiding van 1.8 m hoog (dus passend binnen de maximum bouwhoogte voor erfafscheidingen in het geldende bestemmingsplan). Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve eveneens niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard.
Om een hogere waarde te kunnen verlenen dient tevens voldaan te worden aan één van de vijf subcriteria zoals genoemd in het “Ontheffingenbeleid hogere waardeprocedure Wet geluidhinder” van de gemeente Reusel-De Mierden. In onderhavige situatie wordt aan deze eis voldaan aangezien het bouwplan een open plek binnen de bebouwde kom van Reusel invult. Indien het voornoemd geluidscherm wordt gerealiseerd en bij de indeling van de woningen rekening wordt gehouden met de geluidbelaste zijde(n) wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.
UrbiTom
29
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Aangezien voor onderhavige woningen sprake is van een procedure hogere waarde, is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Het bouwakoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd, alvorens omgevingsvergunning wordt aangevraagd.
5.6
Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: -
een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).
Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Zoals op onderstaande kaart met de gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019 is te zien, bedraagt deze ter plaatse van het plangebied 18-19 microgram PM10/m3, dus ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3.
Gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019
UrbiTom
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 7 nieuwe woningen. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. De kaart met gemiddelde fijnstofconcentraties van het RIVM laten zien dat de concentraties fijnstof (pm10) ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3 blijft. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling.
5.7
Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).
Plangebied
Uitsnede kaart Atlas voor de Leefomgeving, thema ‘Veiligheid’
Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen
UrbiTom
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
om onderzoek vragen. Uit gemeentelijke gegevens blijkt dat het initiatief niet gelegen is in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, van transportroutes en van leidingen. Dichtstbijzijnd is de N284, die als transportroute voor gevaarlijke stoffen fungeert. Het invloedsgebied beslaat 200 m vanuit de as van de weg. Het plangebied heeft een kortste afstand van ca. 300 m en ligt dus ruim buiten het invloedsgebied. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
5.8
Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er zijn plannen om de huidige bebouwing te slopen om plaats te maken voor nieuwe woningen. Vanwege dit voornemen is het noodzakelijk de ingreep te toetsen aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, om zicht te krijgen of er effecten optreden op beschermde natuurwaarden. Dit is via een veldbezoek beoordeeld. Dit onderzoek is op 30 april 2021 uitgevoerd, waarbij het plangebied is bezocht en beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Het onderzoek is gerapporteerd in een quickscan, die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. De conclusies uit deze rapportage zijn navolgend weergegeven. Beschermde natuurgebieden Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. De kortste afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kempenland-West, bedraagt ca. 2.6 km. Om de stikstofdepositie vanwege het initiatief te bepalen, is een berekening uitgevoerd. In navolgende paragraaf ‘stikstofdepositie’ worden de resultaten hiervan besproken.
De stikstofdepositie vanwege het initiatief bedraagt minder dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is derhalve geen noodzaak voor nadere toetsing of een compensatieplan. Beschermde soorten Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Broedplekken voor gierzwaluwen en huismus zijn niet aangetroffen en ook niet te verwachten, omdat er geen geschikte broedlocaties aanwezig zijn. De te slopen bebouwing is inmiddels dermate vervallen dat eventueel aanwezige broedplekken niet meer geschikt zijn. Er zijn ook nergens restanten van nesten aangetroffen die anders doen vermoeden. Huismussen zijn, ondanks de start van hun broedperiode, ook niet aangetroffen in het gehele gebied.
UrbiTom
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
De voormalige achtertuin en het aangrenzende gemeentelijke gazon, waar twee te kappen zomereiken groeien, vormen geen geschikt broedgebied voor broedvogels. De hele achtertuin is namelijk begroeid met Japanse duizendknoop en deze vegetatie biedt geen geschikte nestlocaties. In de te kappen zomereiken zijn geen nesten aangetroffen van jaarrond beschermde soorten (zoals roofvogels). Oude nesten van zwarte kraai, die mogelijk dienst kunnen doen als broedplek voor ransuil, zijn eveneens niet aanwezig. In de bomen zijn voorts geen boomholtes aangetroffen die door spechten als broedplek gebruikt kunnen worden. Vleermuizen De te slopen bebouwing in het plangebied is ongeschikt voor vleermuizen om te gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats. Het woonhuis is erg vervallen, waardoor de doortochting een negatieve invloed heeft op de stabiliteit van het klimaat. Dergelijke situaties zijn voor vleermuizen ongeschikt om te dienen als vaste rust- en verblijfplaats. Vleermuizen gedijen het beste bij een constante temperatuur zonder tocht. De rotting van de dakconstructie maakt hier ook dat dergelijke plekken geen geschikte vast rust- en verblijfplaats vormt. Daarnaast zijn er geen spouwopeningen aanwezig. De onderzoekslocatie kan een geschikt jachtgebied vormen voor vleermuizen die in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie verblijfplaatsen hebben.
Het gaat hier echter niet om essentieel foerageergebied. Daarvoor is de aangetroffen vegetatie niet afwisselend genoeg. De twee zomereiken groeien naast een laanelement van andere bomen. De verwijdering van deze twee bomen betekent niet dat een eventuele foerageerfunctie van het gebied verloren gaat. Omdat deze bomen geen direct onderdeel uitmaken van het aanwezige laanelement gaat een eventuele vliegverbinding (geen primaire vliegroute) niet verloren. Vaatplanten (muurplanten) Er zijn in en aan het gebouw en in de achtertuin geen plantensoorten aangetroffen die een beschermde status hebben of die groeien op specifieke plekken zoals in muren of onder lekkende dakgoten en regenbuizen (soorten zoals tongvaren en steenbreekvaren). Grondgebonden zoogdieren Er zijn geen aanwijzingen dat er in de bebouwing steenmarters leven. Er zijn nergens uitwerpselen en sporen aangetroffen die anders doen vermoeden. In het gebied kunnen diverse andere algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren voorkomen zoals diverse muizensoorten. Beschermde soorten zoals das, bunzing, hermelijn, wezel en dergelijke komen niet voor op de ingreeplocatie. Daarvoor is het habitat niet optimaal ontwikkeld. Overige soorten Andere beschermde soorten, zoals reptielen, dagvlinders, libellen, vissen, amfibieën en andere ongewervelden, zijn niet aangetroffen en ook niet te verwachten op de locatie.
Hiervoor zijn geen (optimaal ontwikkelde) leefgebieden aanwezig. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
UrbiTom
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Conclusie Er zijn geen beschermde natuurwaarden aanwezig en/of te verwachten in de bebouwing en rondom de onderzoekslocatie. Er treden geen effecten op ten aanzien van beschermde natuurwaarden. Er is geen nader soortgericht onderzoek noodzakelijk ter plekke.
Er vinden geen overtredingen plaats van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. De werkzaamheden dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden buiten de broedperiode van vogels om verstoring van nesten (mogelijk aanwezig in de directe omgeving) te voorkomen, of de werkzaamheden dienen te starten voor het broedseizoen met een doorloop tijdens het broedseizoen. Op deze manier wordt vanwege de toenemende menselijke activiteit in het gebied voorkomen dat broedvogels zich zullen gaan vestigen.
5.9
Stikstofdepositie Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft “Kempenland West” (gebiedsnummer 135). De Reusel, voorzover deze onderdeel uitmaakt van dit Natura 2000 gebied, is op ca. 2,6 kilometer van het plangebied gelegen. De stikstofgevoelige habitat van ‘Kempenland West’ bevindt zich op ca. 5,6 km van het plangebied (De Utrecht). Om te bezien of er sprake is van stikstofdepositie is in mei 2021 door Van Empel Milieuadvies met de AERIUS Calculator 2020 een berekening gemaakt van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Deze berekening is opgenomen in de bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op
UrbiTom
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Natura-2000 gebieden veroorzaakt. Conform de “Handreiking Voortoets Stikstof” van BIJ 12 die in de bijlage bij het rapport is gevoegd, is geen passende beoordeling noodzakelijk. De berekening toont aan dat het aspect stikstof geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen.
5.10
Hinderlijke bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en gevoelige functies, zoals wonen, noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Voor het plangebied is het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ van toepassing. Zoals navolgende uitsnede van de geldende bestemmingsplannen in en rondom het plangebied laat zien, is er geen hinderlijke bedrijvigheid nabij het plangebied aanwezig. Op kortere afstand tot bedrijfsbestemmingen zijn woonbestemmingen aanwezig. Dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming betreft een bedrijf aan de Zeegstraat 33r t/m 35r met de bestemming ‘Bedrijf – nutsbedrijf’. De afstand van de bestemmingsgrens van dit bedrijf tot de dichtstbijzijnde bouwmogelijkheid in het plangebied bedraagt meer dan 230 m.
Tussen het bedrijf en het plangebied zijn bestaande woonbestemmingen op aanmerkelijk kortere afstand dan 230 m gelegen, die bepalend zijn voor de mate waarin het bedrijf hinder mag veroorzaken.
Fragment uit geldend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied 2018’ met daarin aangegeven de begrenzing van het plangebied.
UrbiTom
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
De dichtstbijzijnde bestemming ‘Gemengd’ (Zeegstraat 33b) ligt op ca. 47 m van de bebouwing binnen het plangebied. De bestemming heeft een aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’, wat betekent dat hier bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2 is toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 m tot bebouwingsmogelijkheden voor gevoelige bebouwing binnen een omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De daadwerkelijke afstand tot het plangebied is derhalve ruimschoots meer dan deze richtafstand. De dichtstbijzijnde bestemming ‘Horeca’ ligt op ca. 77 m van de bebouwing binnen het plangebied. De bestemming heeft geen nadere aanduidingen, wat betekent dat hier horeca A, B of C is toegestaan, zoals nader omschreven in de begripsbepalingen van het geldende bestemmingsplan ‘Stedelijk Gebied 2018’. Grootste richtafstand tot dit type horeca bedraagt 10m op basis van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Het plangebied ligt op aanmerkelijk grotere afstand. Op korte afstand zijn geen agrarische bouwblokken gelegen. Dichtstbijzijnd is de agrarische bedrijfsbestemming van een varkenshouderij aan de Voort 24. In de paragrafen inzake geurhinder en spuitzones is verduidelijkt dat er ook geen beperkingen zijn vanwege – of voor – agrarische bedrijvigheid, door de woningbouw die met deze ruimtelijke onderbouwing wordt mogelijk gemaakt.
Tussen de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch’ en het plangebied zijn diverse woonbestemmingen gelegen, die op kortere afstand van de varkenshouderij liggen en die bepalend zijn voor de milieuruimte van het bedrijf. Conclusie In het plangebied en de omgeving is geen agrarische of niet-agrarische bedrijvigheid aanwezig die belemmeringen oplevert voor de woonkwaliteit. Ook levert de nieuwe bouwmogelijkheid voor een woning in het plangebied geen beperkingen op voor bedrijvigheid in de omgeving.
5.11
Gezondheid
5.11.1 Pluimvee‐ en varkenshouderijen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit vrijkomende fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een belangrijk bestanddeel in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine
UrbiTom
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
toetsingskader 2.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ worden de volgende richtafstanden gehanteerd: Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Dit plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een agrarisch bedrijf waarbinnen endotoxinen tot een risico voor de volksgezondheid kunnen leiden. Binnen een afstand van 250 m tot het plangebied komen geen veehouderijen voor.
De dichtstbijzijnde veehouderij (Voort 24a) ligt met de bestemmingsgrens op een kortste afstand van ongeveer 250 meter. De stallen liggen op grotere afstand. Dit betreft een varkenshouderij. Er is éen pluimveebedrijf dat op minder dan 1 kilometer afstand van het plangebied ligt. Het gaat om een bedrijf aan de Kattenbos 14 op ca. 900 m afstand (bron: www.bvb.brabant.nl). Het bedrijf ligt ten west-noordwesten van het plangebied. Zoals in navolgende tabel te zien is, komt de wind slechts in minder dan 6% van de tijd uit deze richting. De overheersende windrichting is in Nederland zuidwest.
Tabel met windrichtingen Nederland
De nieuwe woningen in het plangebied dragen bij aan het behalen van de volkshuisvestelijke doelstellingen, er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en er is ook ten aanzien van
UrbiTom
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
overige planologische en milieuaspecten aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het stedelijk gebied is de aangewezen plaats voor het realiseren van nieuwe woningen. Daarnaast leiden de overige milieuaspecten niet tot problemen. Vanwege de kleinschaligheid van het plan zal het gezondheidsrisico slechts marginaal toenemen. De belangen van dit plan wegen op tegen de risico’s van de pluimveehouderij. Geconcludeerd kan worden dat gezien de afstand, de hoeveelheid te realiseren woningen en het feit dat de wind in minder dan 6% van de gevallen uit de richting waait, waarin de pluimveehouderij is gelegen ten opzichte van het plangebied, er slechts een geringe kans is op een overschrijding van de endotoxine advieswaarde ter plaatse van het plangebied, die vervolgens slechts weinig woningen betreft, waarmee de effecten vanwege dit bedrijf te verwaarlozen zijn ten opzichte van de bestaande situatie. 5.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij.
Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van 7 nieuwe woningen. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Dichtstbijzijnd is een geitenhouderij aan de Baan 3 te Hooge Mierde, die op ca. 4 km van het plangebied ligt. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect veehouderijen en volksgezondheid is het nieuwbouwplan op de hoek van de Zeegstraat en de Lindestraat aanvaardbaar.
5.12
Geurhinder Het beleid ten aanzien van het aspect geur is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die op 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de wet zijn normen bepaald die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is (geen geuremissiefactoren vastgesteld), stelt de wet minimumafstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend met contouren. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (ouE of ouE/S). Hiervoor zijn emissiefactoren vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale be-
UrbiTom
38
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
lasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Door de ODZOB is in februari 2021 een kaart vervaardigd waarop de achtergrondbelasting vanwege geurhinder is weergegeven voor Noord Brabant. Op onderstaande uitsnede van deze kaart is te zien dat het plangebied is gesitueerd binnen een leefomgeving met de kwalificatie ‘goed’. Aan de Voort 4a en 28 liggen twee varkenshouderijen. De afstand van de bestemmingsgrens tot de woningbouw in het plangebied bedraagt ca. 250 respectievelijk ca. 330 m van het plangebied.
Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur Brabant (ODZOB)
Tussen deze bedrijven en het plangebied zijn bestaande woningen langs de Zeegstraat en de Voort aanwezig die op kortere afstand tot de bedrijvigheid liggen en die maatgevend zijn voor de mogelijkheden van de bedrijvigheid. Getuige de kaart met de achtergrondbelasting zijn er maatregelen genomen om de geurbelasting van deze bedrijven te beperken. Conclusie De leefomgeving van het plangebied en omgeving is gekwalificeerd als ‘goed’. Er zijn twee varkenshouderijen op relatief korte afstand van het plangebied gelegen. Het plangebied kent in de directe omgeving woonbestemmingen, die op kortere afstand van deze veehouderijen gesitueerd zijn. Deze woningen zijn maatgevend voor de toelaatbare geurbelasting. Geurhinder vormt derhalve geen belemmering voor woningbouw in het plangebied.
UrbiTom
39
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
5.13
Gemeente Reusel-De Mierden
Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen 50 m van het plangebied liggen geen gronden waar mogelijk sprake is van een spuitzone. De kortste afstand van een agrarische bestemming tot het plangebied bedraagt meer dan 100 m. Conclusie Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.
5.14
Kabels en leidingen Voorzover bekend bij de initiatiefnemer, zijn binnen het plangebied geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling binnen het plangebied. Mochten er toch kabels en leidingen aanwezig zijn binnen het plangebied dan zullen afspraken worden gemaakt over verlegging van de kabels, danwel handhaving binnen het particulier eigendom met zakelijk rechtovereenkomst. Binnen het plangebied is verder geen sprake van straalpaden en invloeden van zendmasten. Voor aanvang van werkzaamheden zal een KLIC-melding worden verricht.
5.15
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.‐beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.);
UrbiTom
40
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
2. 3.
Gemeente Reusel-De Mierden
Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (Hof van Justitie EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- plichtig besluit, indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C-lijst of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een ontwikkelingslocatie voor woningbouw. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Onderhavig plan betreft de toevoeging van 7 nieuwe woningen. De ontwikkeling ligt derhalve ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er dus geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000gebieden. Dit is onderzocht met een berekening stikstofdepositie.
UrbiTom
41
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
Gemeente Reusel-De Mierden
Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Conclusie Zoals beschreven, is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening Noord Brabant 2010. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
UrbiTom
42
Ruimtelijke onderbouwing ‘Lindestraat 1, Reusel’
6
Gemeente Reusel-De Mierden
Uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet zowel op maatschappelijk als op financieel vlak haalbaar zijn. Dit hoofdstuk wordt een beknopte financiële toelichting gegeven en zijn de doorlopen procedures en de uitkomsten daarvan opgenomen als onderbouwing van de maatschappelijke haalbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten voor de planvorming en de uitvoering van de in deze ruimtelijke onderbouwing beschreven ontwikkeling zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is veiliggesteld door het sluiten van een anterieure overeenkomst, waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De gemeente ondervindt derhalve geen negatieve financiële gevolgen ten aanzien van deze ontwikkeling en loopt geen financieel risico.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze ruimtelijke onderbouwing zal als deeltoelichting bij het op te stellen veegplan voor de gemeente Reusel in 2021 worden gevoegd. Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Door de initiatiefnemer zal binnen afzienbare termijn overleg worden gevoerd met de omwonenden en gebruikers uit de omgeving. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
UrbiTom
43