CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.1667.BPGveeg5017-ON01_tb15.pdf

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan "Stedelijk Gebied, veegplan 2022"6.840 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Bernardusweg 12, Lage Mierde Gemeente Reusel-De Mierden

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Bernardusweg 12, Lage Mierde Gemeente Reusel-De Mierden

Datum: April 2022 Projectgegevens: NOT01-SNL034-01B

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1 1.2

1 1

Aanleiding Situering plangebied

2

Toetsingskader

2

3

Welke m.e.r.-verplichting?

3

(Vormvrije) m.e.r.-beoordeling

4

4.1 4.2 4.3

4 5 6

4

5

De kenmerken van de activiteit Plaats van het project Kenmerken van het potentiele effect

Conclusie

21

UrbiTom

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

LAGE MIERDE

Plangebied

Ligging en begrenzing plangebied (Bron: Google Maps 2021 en www.kadastralekaart.com)

UrbiTom

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Gemeente Reusel-De Mierden

De eigenaar van de bebouwing en het onderliggende perceel aan de Bernardusweg 12 te Lage Mierde heeft het initiatief genomen om tot herontwikkeling van zijn eigendom te komen met woningbouw. De gemeente heeft in haar principebesluit van 4 februari 2021 besloten om medewerking te verlenen aan het situeringvoorstel, zoals dat is opgenomen in voorliggend bestemmingsplan onder voorwaarde dat: a. minimaal drie woningen in de sociale sector worden verkocht of verhuurd; b. de initiatiefnemer aan kan tonen dat de ontwikkeling milieuplanologisch mogelijk is; c. de initiatiefnemer de omgeving informeert over de voorgenomen ontwikkeling; d. als in de toekomst de bushalte verplaatst wordt, hier extra groen voor terugkomt. De nieuwe woningen passen niet binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ die is opgenomen in het geldende bestemmingsplan ‘Stedelijk Gebied 2018’. De gemeente zal het initiatief opnemen in een bestemmingsplan voor nieuwe ontwikkelingen (een zogenaamd veegplan). Er is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld als deeltoelichting voor het initiatief bij deze bestemmingsplanherziening.

1.2

Situering plangebied Het plangebied betreft het perceel, kadastraal bekend gemeente Hooge en Lage Mierde, sectie H, nummer 938 met een oppervlak van 566 m2 (zie afbeeldingen voorgaande pagina).

UrbiTom

1

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

2

Gemeente Reusel-De Mierden

Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1.

Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.);

2.

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden;

3.

Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (Hof van Justitie EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

UrbiTom

2

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

3

Gemeente Reusel-De Mierden

Welke m.e.r.-verplichting? Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- plichtig besluit, indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C-lijst of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een ontwikkelingslocatie voor woningbouw. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Onderhavig plan betreft de toevoeging van 6 nieuwe woningen. De ontwikkeling ligt derhalve ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er dus geen plicht tot het opstellen van een MER.

Het onderhavige plan komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden, maar het te nemen besluit (het bestemmingsplan) komt voor in zowel kolom 3 als 4. Omdat ten behoeve van onderhavig plan na vaststelling van het bestemmingsplan geen andere besluiten meer worden genomen die voorkomen in kolom 4 van de D-lijst, is het bestemmingsplan te beschouwen als een 'besluit' in de zin van het Besluit m.e.r. Op basis van het vorengaande dient een aanmeldingsnotitie in het kader van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden.

UrbiTom

3

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

4

Gemeente Reusel-De Mierden

(Vormvrije) m.e.r.-beoordeling In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten.

4.1

De kenmerken van de activiteit Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; g. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). Ad a. de omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 6 appartementen. Gelet hierop, en gelet op de stedelijke omgeving van het plangebied, wordt gesteld dat het een project van beperkte omvang betreft waarbij op voorhand geen sprake lijkt van significant negatieve milieu-effecten. Ad b. cumulatie met andere projecten De realisatie van 6 appartementen betreft een op zichzelf staand project en maakt geen onderdeel uit van een grotere ontwikkelingslocatie. Van een relevante cumulatie met projecten buiten onderhavig plan is geen sprake. Ad c. gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. In het onderhavige plan worden geen houtopstanden gekapt.

Daarnaast worden naast de reguliere bouwmaterialen geen natuurlijke hulpbronnen verwijderd dan wel gebruikt in het onderhavige plan. Het gebouw wordt niet meer aangesloten op aardgas (fossiele brandstof).

UrbiTom

4

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Ad d. de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van het gebouw en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen tijdens het gebruik van de woningen. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Ad e. verontreiniging en hinder Er is geen sprake van een, op basis van milieuwetgeving, vergunningplichtige inrichting. Relevante verontreiniging en hinder als gevolg van het toekomstig gebruik van het plangebied, door 6 appartementen, is niet aan de orde. Ad f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaat‐ verandering De realisatie en ingebruikname van 6 appartementen betreft geen risicovolle inrichting. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. Ten opzichte van de bestaande situatie is er geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. De afvoer van het hemelwater zal afgekoppeld worden van het rioolstelsel en binnen het plangebied infiltreren. Hiermee wordt in voldoende mate rekening gehouden met de klimaatverandering. Ad g.

risico’s voor menselijke gezondheid Er is geen sprake van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting. Onderhavig plan heeft geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. Ook ligt het project niet in de nabijheid van veehouderijen, spuitzones of niet-agrarische bedrijvigheid die een negatieve invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid.

4.2

Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik, b. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied, c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: - wetlands, oeverformaties, riviermondingen; - kustgebieden; - berg- en bosgebieden; - natuurreservaten en -parken; - gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG;

UrbiTom

5

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

-

Gemeente Reusel-De Mierden

gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen; gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

Ad a. het bestaande grondgebruik In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een voormalig gemeenschapshuis dat thans als opslag fungeert. Het betreft geen specifieke milieugevoelige locatie. Ad b. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversi‐ teit) van het gebied In de huidige situatie is er geen sprake van een rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen in het gebied. Ad c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu In het plangebied of de omgeving ervan bevinden zich geen van de in de opsomming genoemde (potentieel) waardevolle gebieden. Ook betreft het geen gebied waar milieukwaliteitsnormen niet worden nagekomen of dat zich kenmerkt door een hoge bevolkingsdichtheid. De activiteit is wel gelegen binnen een gebied wat bestemd is voor het behoud en de bescherming van cultuurhistorische waarden. Hoe hiermee wordt omgegaan, is verduidelijkt in paragraaf 4.3.4 (cultuurhistorie) van onderhavige aanmeldnotitie.

4.3

Kenmerken van het potentiele effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 (de kenmerken van het project) en 2 (de plaats van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden) b. de aard van het effect c. het grensoverschrijdend karakter van het effect d. de intensiteit en de complexiteit van het effect e. de waarschijnlijkheid van het effect f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten h. de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Het potentiële effect van de activiteit is vanwege de omvang zeer beperkt, voor wat betreft het fysieke bereik en de grootte van de getroffen bevolking. Om een beeld te schetsen van de specifieke effecten wordt in de navolgende paragrafen de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling weergeven. Er wordt vanwege de verwaarloosbare effecten niet specifiek stilgestaan bij de bovenstaande punten (a t/m h). Enerzijds worden specifiek effecten behandeld, zoals eventuele effecten van de verkeerstoenames op de bereikbaarheid, de

UrbiTom

6

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

geluidbelasting en luchtkwaliteit. Anderzijds gaat het om de meer locatiegerelateerde effecten die te maken hebben met de omgeving. Dan gaat het bijvoorbeeld over de effecten op flora en fauna (waaronder stikstofdepositie). 4.3.1

Bodem Lankelma Geotechniek Zuid B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. De aanleiding voor het laten uitvoeren van een bodemonderzoek is de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de onderzoekslocatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van dit onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). De bevindingen uit de rapportage zijn hieronder weergegeven. Algemeen Ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt matig fijn tot matig grof zand aangetroffen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. In de uitkomende grond zijn lokaal waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Bij de samenstelling van de grondmengmonsters is rekening gehouden met de aangetroffen bijmengingen. Grond Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in de zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonsters MM01 van de bovengrond en MM03 van de ondergrond geen van de geanalyseerde parameters verhoogd zijn aangetoond. Indicatief worden grondmengmonsters MM01 en MM03 geclassificeerd als altijd toepasbaar.

Tevens kan geconcludeerd worden in het zintuiglijk met sporen baksteen verontreinigde grondmengmonster MM02 van de bovengrond lichte verontreinigingen (overschrijdingen achtergrondwaarden) met zink, cadmium, kwik en lood zijn aangetoond. Indicatief wordt grondmengmonster MM02 geclassificeerd als klasse wonen. Grondwater In het grondwater afkomstig uit (de bestaande) peilbuis PB1 zijn analytisch lichte verontreinigingen (overschrijdingen streefwaarden) met zink en cadmium aangetoond. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Aan de achterzijde van de bestaande bebouwing is een aanbouw aanwezig met een asbestdak met druiprand. Op korte afstand ligt een schuur die op het belendende perceel aan de

UrbiTom

7

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

zuidzijde van het plangebied staat, die eveneens een druiprand heeft. Beide druipranden wateren af op het plangebied. Hier heeft nog geen nader asbestonderzoek plaatsgevonden omdat de smalle strook tussen de genoemde aanbouw en schuur slecht toegankelijk was. De gehele buitenruimte rond het gebouw is verhard. Op enkele plekken is beplanting door de tegellaag heengedrongen, waardoor het de vraag is of de verharding overal goed aaneengesloten is ter plaatse van de strook tussen de druipranden. Op korte termijn zal hier om deze reden nader asbestonderzoek plaatsvinden. Het onderzoek en eventuele sanering dient te zijn afgerond alvorens een omgevingsvergunning voor de voorgenomen nieuwbouw wordt aangevraagd. Toetsing hypothese De voor onderhavige locatie opgestelde hypothese (onverdacht) dient formeel te worden verworpen, daar in zowel de grond als in het grondwater enkele lichte verontreinigingen zijn aangetoond. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Conclusie Middels het verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd.

Ter plaatse van de smalle strook grond tussen de druipranden van de asbestdaken van de aanbouw en de schuur op het belendende perceel aan de zuidzijde van het plangebied dient nog nader asbestonderzoek plaats te vinden. Het onderzoek en eventuele sanering dient te zijn afgerond alvorens een omgevingsvergunning voor de voorgenomen nieuwbouw wordt aangevraagd. Verder zijn in het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen nieuwbouw/verbouwing op deze locatie. 4.3.2

Geluid Bepaald moet worden of er sprake is van geluidsbelasting ten gevolge van nabijgelegen wegen en het beoordelen of er voldaan wordt aan de bepalingen van de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegen met een onderzoekszone is vanwege de beoogde nieuwbouw van woningen een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai vereist. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek wordt derhalve uitgevoerd ten behoeve van een juridisch-planologische procedure. Dit onderzoek is verricht door Tritium Advies. De onderzoeksbevindingen zijn navolgend weergegeven.

UrbiTom

8

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de N269 en de Neterselsedijk. Het plan is tevens gelegen aan de 30 km/uur weg Bernardusweg. Conclusie Voor de 30 km/uur weg Bernardusweg geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde met maximaal 7 dB overschrijdt. Voor een 30 km/uur weg kan echter geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze weg niet zoneplichtig is. Voor de gezoneerde weg Neterselsedijk geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de Kempenbaan (N269) geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 2 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt hiermee nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om voor de meest oostelijke woning een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet mogelijk. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. Om een hogere waarde te kunnen verlenen dient tevens voldaan te worden aan één van de vijf subcriteria zoals genoemd in het “Ontheffingenbeleid hogere waardeprocedure Wet geluidhinder” van de gemeente Reusel-De Mierden. In onderhavige situatie wordt aan deze eis voldaan aangezien het bouwplan bestaande bebouwing vervangt. Conform de aanvullende voorwaarden uit het geluidbeleid van de gemeente Reusel-De Mierden, dient iedere afzonderlijke woning te beschikken over een geluidluwe gevel. Uit de rekenresultaten blijkt dat de woningen beschikken over een geluidluwe zuidgevel.

Indien bij de indeling van de woningen rekening wordt gehouden met de geluidbelaste zijde(n), wordt aan alle voorwaarden uit het geluidbeleid voldaan. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.

UrbiTom

9

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Aangezien voor de meest oostelijke woning sprake is van een procedure hogere waarde, is voor deze woning een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Ondanks dat voor de overige woningen geen hogere waarde aangevraagd hoeft te worden, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat alsnog geadviseerd voor deze woningen een aanvullend onderzoek uit te voeren ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Geadviseerd wordt aan te sluiten bij voornoemde nieuwbouweis waarbij voor de hogere waarde de geluidbelasting op de gevel kan worden aangehouden. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. 4.3.3

Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: -

een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Zoals op onderstaande kaart met de gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019 is te zien, bedraagt deze ter plaatse van het plangebied 18-19 microgram PM10/m3, dus ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3.

UrbiTom

10

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 6 nieuwe woningen. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. De kaart met gemiddelde fijnstofconcentraties van het RIVM laten zien dat de concentraties fijnstof (pm10) ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3 blijft. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling. 4.3.4

Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Uit gemeentelijke gegevens blijkt dat het initiatief niet gelegen is in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, van transportroutes en van leidingen.

UrbiTom

11

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Uitsnede kaart Atlas voor de Leefomgeving, thema ‘Veiligheid’

Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht. 4.3.5

Flora en fauna Voor het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing van het initiatief en in het kader van de Wet Natuurbescherming, is het noodzakelijk een ecologische effectbeoordeling op te stellen ten einde zicht te krijgen of er met de ingreep effecten optreden ten aanzien van beschermde natuurwaarden. Daarom is een quickscan ecologische waarden verricht door Ecolybrium. Hiervoor heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is op 8 december 2021 uitgevoerd, waarbij het plangebied is bezocht en beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Het onderzoek is gerapporteerd in een quickscan. De conclusies uit deze rapportage zijn navolgend weergegeven. Beschermde natuurgebieden Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kempenland-West, bedraagt ca. 600 m. Om de stikstofdepositie vanwege het initiatief te bepalen, is een berekening uitgevoerd. In navolgende paragraaf ‘stikstofdepositie’ worden de resultaten hiervan besproken. De stikstofdepositie vanwege het initiatief bedraagt minder dan 0,00 mol/ha/jaar.

Er is derhalve geen noodzaak voor nadere toetsing of een compensatieplan.

UrbiTom

12

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Beschermde soorten Vaatplanten Op en rondom het gebouw (inclusief het gehele terrein) zijn geen beschermde en/of bijzondere vaatplanten aangetroffen. Het terrein ligt zowel aan de noordzijde als aan de zuidzijde aan de openbare weg. De achterkant van het gebouw (oostzijde) grenst direct aan de buren door middel van een verharde oprit. Door het ontbreken van kruidenstroken of grasvegetaties zijn er om zijn om die reden dan ook geen beschermde en/of bijzondere soorten aangetroffen en/of te verwachten. Broedvogels (al of niet met jaarrond beschermde nesten) De bebouwing is geheel ongeschikt voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Er zijn nergens mogelijke nestlocaties voor huismus, gierzwaluw, huiszwaluw en andere soorten waarvan nesten jaarrond beschermd zijn. De dakconstructie heeft nergens openingen, oversteken of andere geschikte invliegplekken om als broedplek te dienen. In de bomen, langs de openbare weg aan de westzijde van het gebouw kunnen enkele soorten broeden, die algemeen voorkomen, zoals Turkse tortel of houtduif en haagmussen. Omdat dit groen gehandhaafd blijft (gemeentelijk eigendom) treedt er geen verlies op van een potentieel broedgebied. Wel dienen de werkzaamheden buiten de broedperiode uitgevoerd te worden. Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren komen in zéér beperkte mate voor in en rondom het gebouw.

In het gebouw zelf zijn sporen van muizen (uitwerpselen) en steenmarter (oude uitwerpselen) aangetroffen. Er is geen sprake van een actieve bewoning van de bebouwing door steenmarters. Er lagen twee oude uitwerpselen en er zijn andere (versere) sporen aangetroffen. Opgemerkt dient te worden dat de bebouwing in het leefgebied ligt van steenmarters. Dergelijke gebieden zijn tot 20 km2 groot. Een belangrijke functie voor de steenmarter in de gebouwen is in elk geval geheel uit te sluiten. Zwaar beschermde soorten zijn op voorhand geheel uit te sluiten. Hiervoor zijn geen optimale habitats aanwezig en/of ontwikkeld. Vleermuizen Het te renoveren en te slopen bebouwing bevat diverse plekken onder het dakbeschot die geschikt lijken voor vleermuizen. Uit een gerichte inspectie met zaklamp blijkt echter dat deze smalle openingen allemaal afgedicht zijn met houtwerk aan de achterzijde van de daktrimmen. De daktrim steekt slechts 2 cm uit ten opzichte van deze aftimmering. Dergelijke plekken zijn daarmee niet geschikt voor vleermuizen (te weinig ruimte) als mogelijk vaste rust- en verblijfplaats. Het gedeelte met het plat dak aan de noordwestzijde is opgetrokken uit metselwerk waarin diverse stenen met openingen (ventilatie) verwerkt zijn. Deze openingen zijn veel te klein om als verblijfplaats te dienen.

Het aanwezig zijn van vaste rust- en verblijfplaatsen in dit gebouw is daardoor met zekerheid uit te sluiten. Een nader onderzoek is daarmee eveneens niet aan de orde.

UrbiTom

13

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Amfibieën, vissen, reptielen, libellen Beschermde en of bijzondere vissen, amfibieën en libellen zijn in het gehele gebied niet aangetroffen en/of te verwachten. Er is nergens optimaal habitat ontwikkeld voor deze soort, ter plaatse van de locatie. Dagvlinders en overige ongewervelden Algemeen voorkomende soorten dagvlinders en overige ongewervelden kunnen het terrein als foerageergebied gebruiken, maar het gehele terrein is verder ongeschikt als voortplantingsgebied, omdat er geen optimaal voortplantingshabitat, bestaande uit een bloemrijke vegetatie met waardplanten, aanwezig is of in ontwikkeling is. Zwaar beschermde soorten zijn niet aangetroffen en/of te verwachten. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn.

Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Conclusie In het te renoveren en te slopen gebouw (plat dak) zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Nader onderzoek naar de functie van het gebouw en het terrein voor vleermuizen is daarmee niet aan de orde. Effecten op beschermde en/of bijzondere vaatplanten zijn uit te sluiten. Het gehele terrein is bebouwd en grenst aan de openbare weg/buren (volledig “verhard”). Door het ontbreken van een optimaal habitat (waterpoelen en/of sloten) is de aanwezigheid van beschermde amfibieën, reptielen en libellen uit te sluiten. Effecten door de ontwikkeling treden dan ook niet mee op en leiden niet tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Effecten op algemeen voorkomende dagvlinders en overige ongewervelden zijn op voorhand uit te sluiten. Het terrein is door het ontbreken van de juiste habitat (bloemrijke vegetatie) ongeschikt als voortplantingsgebied. De ingreep leidt niet tot overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

UrbiTom

14

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

-

-

4.3.6

Gemeente Reusel-De Mierden

Effecten op beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn geheel uit te sluiten. De sloop en renovatie leidt dus niet tot overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Effecten op broedvogels al of niet met jaarrond beschermde nesten zijn op voorhand uit te sluiten. Effecten op algemeen voorkomende soorten vogels die in de directe omgeving kunnen broeden zijn te voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (dus buiten de periode half maart-half juli).

Stikstofdepositie Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft “Kempenland West” (gebiedsnummer 135). De Reusel, die onderdeel uitmaakt van dit Natura 2000 gebied, is op ca. 0,6 kilometer van het plangebied gelegen. Dit is een beek. De stikstofgevoelige habitat van ‘Kempenland West’ bevindt zich op ca. 0,9 km van het besluitgebied (De Utrecht). Om te bezien of er sprake is van stikstofdepositie is in mei 2021 door Van Empel Milieuadvies met de AERIUS Calculator 2020 een berekening gemaakt van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura-2000 gebieden veroorzaakt. Conform de “Handreiking Voortoets Stikstof” die in de bijlage bij het rapport is gevoegd, is geen passende beoordeling noodzakelijk. De berekening toont aan dat het aspect stikstof geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen.

4.3.7

Hinderlijke bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en gevoelige functies, zoals wonen, noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Voor het plangebied is het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ van toepassing.

UrbiTom

15

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Fragment uit geldend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied 2018’ met daarin rood omlijnd aangegeven de begrenzing van het plangebied.

Zoals de uitsnede van de geldende bestemmingsplannen in en rondom het plangebied (zie afbeelding) laat zien, is er geen hinderlijke bedrijvigheid nabij het plangebied aanwezig. Op kortere afstand tot deze bedrijfsbestemmingen zijn woonbestemmingen aanwezig. Op korte afstand zijn geen agrarische bouwblokken gelegen. In de paragrafen inzake geurhinder en spuitzones is verduidelijkt dat er ook geen beperkingen zijn vanwege – of voor – agrarische bedrijvigheid, door de woningbouw die onderwerp is van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Conclusie In het plangebied en de omgeving is geen niet-agrarische bedrijvigheid aanwezig die belemmeringen oplevert voor de woonkwaliteit. Ook levert de nieuwe bouwmogelijkheid voor een woning in het plangebied geen beperkingen op voor bedrijvigheid in de omgeving. 4.3.8

Gezondheid 4.3.13.1 Pluimvee‐ en varkenshouderijen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit vrijkomende fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een belangrijk bestanddeel in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het

UrbiTom

16

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ worden de volgende richtafstanden gehanteerd: Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Binnen 250 m afstand komen geen actieve veehouderijen voor. De dichtstbijzijnde veehouderij betreft een paardenhouderij aan het Mispeleind 4 op ruim 400 m van het plangebied. De dichtstbijzijnde varkenshouderij ligt aan de Dunsedijk 1 op ca. 590 m van het plangebied. Pluimveebedrijven liggen op meer dan 2 km afstand van het plangebied.

Dichtstbijzijnd is een pluimveebedrijf aan de Neterselsedijk 37 op meer dan 2.4 km van het plangebied (bron: www.bvb.brabant.nl). Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een overschrijding van de endotoxine advieswaarde ter plaatse van het plangebied. 4.3.13.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een nieuwe woning. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Dichtstbijzijnd is een geitenhouderij aan de Baan 3 te Hooge Mierde, die op ca. 2790 m van het plangebied ligt.

UrbiTom

17

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

4.3.13.3 Conclusie Vanuit het aspect veehouderijen en volksgezondheid is het nieuwbouwplan aan de Bernardusweg aanvaardbaar. 4.3.9

Geurhinder Het beleid ten aanzien van het aspect geur is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die op 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de wet zijn normen bepaald die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is (geen geuremissiefactoren vastgesteld), stelt de wet minimumafstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend met contouren. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (OUÅ of OUÅ/S). Hiervoor zijn emissiefactoren vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Door de ODZOB is in februari 2021 een kaart vervaardigd waarop de achtergrondbelasting vanwege geurhinder is weergegeven voor Noord Brabant.

Op onderstaande uitsnede van deze kaart is te zien dat het plangebied is gesitueerd binnen een leefomgeving met de kwalificatie ‘zeer goed’. In de nabijheid van het plangebied liggen kleinere veehouderijbedrijven, die allen op meer dan 400 m gesitueerd zijn. Voorgrondbelasting speelt derhalve geen rol. Bovendien kent het plangebied in de directe omgeving woonbestemmingen, die op kortere afstand van deze veehouderijen gesitueerd zijn.

Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur Brabant (ODZOB) UrbiTom

18

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Conclusie De leefomgeving aan de oostzijde van Lage Mierde, waar zich ook het plangebied bevindt, is gekwalificeerd als ‘goed’. Er zijn geen veehouderijen op korte afstand gelegen. Bovendien kent het plangebied in de directe omgeving woonbestemmingen, die op kortere afstand van deze veehouderijen gesitueerd zijn. Geurhinder vormt derhalve geen belemmering voor woningbouw. 4.3.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. In de nabijheid van het plangebied is een agrarische bestemming gelegen.

Het betreft een weiland op de hoek van de N269 en de Bernardusweg. Het weiland wordt begraasd dus hier worden met zekerheid geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Er liggen bestaande woningen op kortere afstand van het weiland dan de woningen die in het plangebied worden mogelijk gemaakt. De bestaande woningen zijn maatgevend voor eventueel ander agrarisch gebruik dan weiland.

UrbiTom

19

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

Gemeente Reusel-De Mierden

Conclusie Er is geen sprake van beperkingen voor het gebruik van het plangebied door spuitzones of van beperking van spuitzones door het voorgenomen gebruik van het plangebied ten opzichte van de situatie in het geldende bestemmingsplan.

UrbiTom

20

Ruiimtelijke onderbouwing ‘Stedelijk gebied, Bernardusweg 12, Lage Mierde’

5

Gemeente Reusel-De Mierden

Conclusie De activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het plangebied Bernardusweg 12, Lage Mierde zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

UrbiTom

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=b654e7c0-c8f5-4dd7-915b-36a676f641f7