[25.12019] 21061.006 8 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Weijereind 9 Reusel Rapportnummer: 2025-BE-1250 In opdracht van: Van Dun Advies Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze
Colofon
Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2025-BE-1250 Opdrachtgever Van Dun Advies Contactpersoon De heer R.Jansen Locatie Weijereind 9 Reusel Auteur Veerle Basten Collegiale controle Freek Rovers
Opleverdatum 3 maart 2025
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk
Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend
06-24218274
uit het gebruik van de resultaten van dit
www.brabanteco.nl
onderzoek door toepassing van adviezen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
1
Inhoudsopgave
SAMENVATTING...................................................................................................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK.............................................................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding...................................................................................................................................................... 4
1.2 Doelstelling....................................................................................................................................................4 1.3 Criteria............................................................................................................................................................. 4 1.4 Geldigheid onderzoek.................................................................................................................................4 2.
PROJECTGEGEVENS................................................................................................................................................................................... 5
2.1 Ligging van het plangebied......................................................................................................................5 2.2 Omschrijving van het invloedsgebied................................................................................................. 5 2.3 Voorgenomen ontwikkeling.....................................................................................................................6 3.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN.....................................................................................................................................7
3.1 Bureauonderzoek........................................................................................................................................7 3.2 Veldonderzoek..............................................................................................................................................7 3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek.................................................................. 8 4.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN........................................................................................................................................11
4.1 Gebiedsbescherming................................................................................................................................11 4.2 Houtopstanden...........................................................................................................................................12 4.3 Soortenbescherming................................................................................................................................13 5.
RESULTATEN EN ADVIES..................................................................................................................................................................26
5.1 Resultaten en advies beschermde gebieden en houtopstanden.............................................26 5.2 Resultaten en advies beschermde soorten......................................................................................26 5.3 Aanbevelingen............................................................................................................................................28 6.
BRONNEN........................................................................................................................................................................................................30
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
SAMENVATTING
Initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied Weijereind 9 te Reusel een nieuwe woning te realiseren, in de achtertuin van de bestaande woning. Tevens zal noordelijk in het plangebied een natuurinclusieve oever gerealiseerd worden. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan in het plangebied in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. De locatie van de nieuwe woning bevat geen bebouwing die verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen kan bieden.
In een boom aan de noordoostzijde van het plangebied zijn holtes waargenomen, maar deze boom blijft behouden. Eén boom wordt mogelijk verwijderd, maar deze bevat geen holtes, spleten of loshangende schors Het eekhoornnest ten noorden van de woning met kantoor blijft intact, omdat de meeste bomen behouden blijven. Geadviseerd wordt de nieuwe woning verder in de tuin te plaatsen, bij de tweede oprit, om verstoring te minimaliseren. Deze locatie biedt ook de voordelen van meer afstand tot het nest en minder kans op verstoring door machines door het gebruik van de tweede oprit die verder in de tuin ligt. Binnen de bouwlocatie zijn geen geschikte nestlocaties voor gebouwbewonende vogelsoorten, omdat hier geen bebouwing staat. Hoewel enkele bomen theoretisch geschikt zijn voor roofvogels, roeken en ooievaars, zijn er geen nesten of sporen aangetroffen. Om verstoring van algemene vogelsoorten te voorkomen, dienen werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk is, moet voorafgaand een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Veerle Basten Brabant Eco Maart 2025
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
jįk Brabant Eco y'
Ecologische Dienstverlening
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
In dit hoofdstuk staan de aanleiding en doelstelling van deze ecologische quickscan beschreven. Ook staan de criteria en de geldigheid van dit onderzoek vermeld. Op enkele uitzonderingen na, zijn de provincies het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningverlening en handhaving. Zie bijlage 2.
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Van Dun Advies is het voornemen om in het plangebied Weijereind 9 te Reusel een nieuwe woning te realiseren, in de achtertuin van de bestaande woning, oostelijk op het perceel. Tevens zal noordelijk in het plangebied een natuurinclusieve oever gerealiseerd worden. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor het plangebied en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied van de voorgenomen ingreep mogelijk planten- en diersoorten aanwezig zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De centrale vraag luidt: Is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden? Als blijkt dat de ingreep leidt tot een mogelijke overtreding van de Omgevingswet, wordt bepaald naar welke soorten en functies eventueel aanvullend onderzoek nodig is en of nadere toetsing in het kader van beschermde gebieden noodzakelijk is.
1.3 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o
Het onderzoek is uitgevoerd door ecologisch deskundigen. Een ecologisch deskundige heeft aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring en geeft ecologisch advies en/of begeleidt werkzaamheden op het gebied van habitats en soorten.
o
Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek.
o
De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen.
o
Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
1.4 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waarvoor dit niet geldt, moeten de gegevens recenter zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
(ăį) Brabant Eco y'
2. PROJECTGEGEVENS
Ecologische Dienstverlening
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste gegevens ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen weergegeven. Allereerst wordt ingegaan op de geografische ligging van het plangebied en de kenmerken van het invloedsgebied. Vervolgens worden de voorgenomen ontwikkelingen en het toekomstige gebruik beschreven.
2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is westelijk gelegen aan de Weijereind, ten zuiden van de kern van Reusel. Reusel is de hoofdplaats van de gemeente Reusel-De Mierden in de provincie Noord-Brabant. Ten zuiden van het dorp, tegen de Belgische grens, liggen de natuurgebieden Reuselse Moeren en Peelse Heide. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding. Hooge Mierde
-
rf
-,N
V lêy jį'
;
İ -v*
‘. -rs. -
.
I
^
f
“
.
fìŕ* l, f
Vi
r
Albert'HeiļŕĻ
OogwerekťHohman
■ar
-Bládel
- vf4, ™„sţ[*'-ļļŕVfc J
I
I 'RJkj
*
^
Subtropisch Zwemparadiļ
vtjSBļťgatt -Ravago Plastic . Q*
nara Afbeelding 1: Ligging plangebied (rode cirkel) in de wijdere omgeving. Bron: Google Earth.
2.2 Omschrijving van het invloedsgebied Het plangebied bestaat uit een woning met kantoor, paardenstal met weide, geitenweide, een zwembad, gras, bomen, struiken en verharding. Het invloedsgebied bestaat uit bedrijfsbestemmingen en agrarische percelen vooral bestaande uit weilanden. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Afbeelding 2: Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.
Afbeelding 3: Globaal omlijnd plangebied in blauw, locatie te realiseren woning in oranje omkaderd. Bron: Google Earth.
2.3 Voorgenomen ontwikkeling Het initiatief omvat de toevoeging van een nieuwe woning in het plangebied aan de Weijereind 9 te Reusel. Het voornemen is om in de achtertuin van de bestaande woning een schuurwoning te realiseren. Daarnaast zal er in het noordelijke deel van het plangebied een natuurinclusieve oever worden aangelegd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Brabant Eco Ecologische Dienstverlening
3. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Omgevingswet. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied en of er met de voorgenomen ingreep negatieve effecten te verwachten zijn op de kwaliteit van beschermde natuurgebieden in de omgeving. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, is de eerste stap van ecologisch onderzoek en geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten, dieren en natuurgebieden. De ecologische waarden worden in kaart gebracht middels bureau- en veldonderzoek. De volgende vragen worden beantwoord: o
Welke beschermde soorten zijn potentieel aanwezig binnen het invloedsgebied van de beoogde
o
Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten?
o
Wordt de Omgevingswet ten aanzien van het onderdeel ecologie overtreden?
o
Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of
ingreep?
te voorkomen? o o
Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant?
Een ecologische quickscan is een momentopname en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit verkennend onderzoek geen nadere inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een nadere inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode(n) van het jaar.
3.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, als nationaal. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van het plangebied gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.
gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.
3.2 Veldonderzoek Op maandagmiddag 24 februari hebben ecologen Freek Rovers en Veerle Basten in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt met een zuidenwind met windkracht 4 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 13 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van het invloedsgebied in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. In het plangebied en omgeving is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen,
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek Het plangebied bestaat uit een woning met kantoor, een paardenstal met bijbehorende weides, een geitenweide, een zwembad, gazon, bomen, struiken en verharding. Het gebied grenst in het zuidoosten aan de Weijereind en aan de overige zijden aan naburige percelen. De woning met kantoor, gelegen ongeveer in het midden van het plangebied, is een gerenoveerde boerderij. Het pand heeft bakstenen muren, geschilderd in wit en grijs, en een pannendak met meerdere schoorstenen. Aan de noordoostzijde bevindt zich een aanbouw, voornamelijk van glas met een plat dak. De daken zijn gedeeltelijk voorzien van zonnepanelen. De kopgevel aan de zuidoostzijde is afgewerkt met witte stuc en kantpannen en de ramen aan deze zijde voorzien zijn van luiken. De kopgevel aan de noordzijde is bekleed met houten planken en heeft een overstek met metalen daktrim. Ook zit er aan deze zijde van de woning met kantoor een overkapping. De woning wordt omgeven door een tuin, waarin zich ook een zwembad bevindt, ten noordoosten van de woning. Verder staat er ten noorden van de overkapping een paardenstal, voornamelijk van hout, met een pannendak. Daarnaast liggen de paardenweides en ten oosten daarvan een geitenweide. De tuin bestaat uit gazon, bomen, struiken en andere tuinplanten. Bomen komen vooral langs de omheining van het plangebied voor.
Er is een grote diversiteit aan vegetatie aanwezig. Waargenomen boom- en plantensoorten zijn onder andere eik, berk, wilg, spar, beuk, hedera, laurierkers, rododendron, skimmia en mahoniastruik. Het gazon bestaat voornamelijk uit gras met daartussen kruipende boterbloem. Verharding is beperkt tot de grind oprit aan de zuidoostzijde en de paden rondom de woning met kantoor en de paardenstal.
Foto 1: Overzicht erfgrens oostzijde plangebied en Weijereind.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Foto 2: Zuidoostzijde woning met kantoor.
8
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Foto 3: Noordoostzijde woning met kantoor.
Foto 4: Noordoostzijde woning met kantoor, aanbouw.
Foto 5: Noordzijde woning met kantoor, overkapping.
Foto 6: Paardenstal en zwembad noordwestzijde plangebied.
Foto 7: Overzicht paardenweides noordwest- en noordzijde
Foto 8: Geitenweide noordzijde plangebied.
plangebied.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Foto 9: Overzicht tuin noordoostzijde en tevens bouwlocatie voor
Foto 10: Erfgrens noordoostzijde en tweede oprit.
de nieuwe woning.
Foto 11: Overzicht tuin noordoostzijde en tevens bouwlocatie voor
Foto 12: Overzicht tuin zuidoostzijde.
de nieuwe woning.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Brabant Eco Ecologische Dienstverlening
4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
In dit hoofdstuk worden de beschermde gebieden en soorten beschreven die zich (mogelijk) in de nabijheid van het plangebied bevinden. Er wordt aangegeven of de voorgenomen ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op deze beschermde gebieden en soorten en of er met de werkzaamheden beschermde houtopstanden verdwijnen.
4.1 Gebiedsbescherming Door middel van bureaustudie is onderzocht of het plangebied binnen of in de nabijheid van beschermde natuurgebieden gelegen is. Daarbij is gebruikgemaakt van de gegevens van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de provincie NoordBrabant.
4.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 3 kilometer afstand van zuidwestelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000-gebied ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout’. Op ongeveer 3,5 kilometer afstand naar het noorden ligt Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ en zuidelijk op 4 kilometer Natura 2000-gebied ‘Ronde Put’. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000-gebieden zijn in blauw aangegeven.
Afbeelding 4: Natura 2000-gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu.
Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius-berekening kan dit staven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 400 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in bruine kleur.
Minimaal 400 meter tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Afbeelding 5: Natuurnetwerk Nederland-gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant.
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
4.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Een Aerius-berekening kan dit staven.
4.2 Houtopstanden Volgens artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de Omgevingswet is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de Gedeputeerde Staten. Het betreft hier houtopstanden van tenminste 10 are of rijbeplanting van minimaal 20 bomen. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Indien de totale oppervlakte of het aantal bomen kleiner is dan deze 10 are of 20 bomen, dan gelden de rijksregels over het vellen en herplanten niet. Het plangebied ligt buiten de bebouwingscontour houtkap waardoor de Omgevingswet houtopstanden van toepassing is. De te kappen bomen beslaan minder dan 10 are en maken geen deel uit van een rijbeplanting met meer dan 20 bomen waardoor er geen meldplicht over het vellen of een herplantingsplicht geldt.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Om een overtreding van de gemeentelijke uitzonderingsregels te voorkomen dient altijd alvorens tot kap over te gaan bij het gemeenteloket een nacheck gedaan te worden of voor de betreffende boom of houtopstand een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden noodzakelijk is.
4.3 Soortenbescherming Bijlage 1, project Weijereind met nummer BE-1250 d.d. 12 februari 2025 geeft een overzicht van de waargenomen planten- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Bijlage 3 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 4 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Per soortgroep wordt in onderstaande paragrafen beschreven welke soorten worden verwacht in het plangebied, welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
4.3.1 Flora Volgens de NDFF zijn de laatste vijf jaar geen beschermde plantensoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Veldbezoek flora Onder de Omgevingswet beschermde planten komen voornamelijk voor in voedselarme biotopen met specifieke standplaatscondities. Dit soort locaties worden voornamelijk gevonden in natuurgebieden, zoals de duingebieden langs de Noordzeekust en in de provincie Limburg, alsmede op bedrijfsterreinen als de Maasvlakte. Op basis van de ligging en de aard van de locatie is het onwaarschijnlijk dat er binnen het projectgebied beschermde vaatplantsoorten voorkomen. Het veldwerk bestond uit het, ter plaatse, inschatten of er potentiële groeiplaatsen voor beschermde flora in het projectgebied aanwezig zijn. De tuin bestaat uit gazon, bomen, struiken en andere tuinplanten. Bomen komen vooral langs de omheining van het plangebied voor. Er is een grote diversiteit aan vegetatie aanwezig. Waargenomen boom- en plantensoorten zijn onder andere eik, berk, wilg, spar, beuk, hedera, laurierkers, rododendron, skimmia en mahoniastruik. Het gazon bestaat voornamelijk uit gras met daartussen kruipende boterbloem. Verharding is beperkt tot de grind oprit aan de zuidoostzijde en de paden rondom de woning met kantoor en de paardenstal. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen.
Foto 13: Gazon met kruipende boterbloem, bouwlocatie woning.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Deelconclusie flora Er zijn geen beschermde plantensoorten is aangetroffen in het projectgebied, noch geschikt biotoop dat bewijs zou leveren dat deze soort(en) er aanwezig zouden kunnen zijn. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Er kan volstaan worden met de zorgplicht.
4.3.2 Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of vergunningverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuissoort
Verblijfplaatsen in
Gewone grootoorvleermuis
Soms bebouwing, soms bomen
Grijze grootoorvleermuis
Vooral bebouwing
Tabel 1: Waargenomen vleermuizen binnen een straal van twee kilometer.
Veldbezoek vleermuizen Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De in het plangebied aanwezige bomen met een geschikte stamdiameter zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op holtes, gaten of loshangende schors die als verblijfplaats kunnen dienen voor boombewonende vleermuizen. In een boom aan de noordoostzijde van het plangebied, ten noorden van de beoogde bouwlocatie, zijn holtes waargenomen. Deze boom blijft behouden, waardoor de eventuele verblijfplaatsen intact blijven. Er wordt mogelijk één boom, de grote spar, verwijderd om ruimte te maken voor de nieuwe woning, maar deze heeft geen holtes, spleten of loshangende schors. De boompjes rondom de grote spar hebben niet de geschikte stamdiameter. De boom met holtes verkeert echter in slechte staat. Om de veiligheid te waarborgen, wordt aanbevolen de boom te kandelaberen. Hierbij blijft de stam met holtes behouden, maar worden de takken verwijderd, waardoor de boom minder wind vangt en het risico op afbreken of omvallen wordt verkleind. Dit dient te gebeuren buiten de meest kwetsbare periode van boombewonende vleermuizen, die loopt van half april tot en met september.
Foto 14 & 15: Boom met holtes aan noordoostzijde plangebied.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Foto 16 S& 17: Holtes in een boom aan noordoostzijde plangebied.
Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. De voorgenomen werkzaamheden vinden plaats in de tuin. De locatie van de nieuwe woning bevat geen bebouwing die verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen kan bieden. Buiten de bouwlocatie is wel bebouwing aanwezig, waaronder de woning met kantoor, die geschikte openingen biedt voor vleermuizen. In de schoorstenen bevinden zich open stootvoegen. Deze bebouwing ligt echter op ruime afstand van de bouwlocatie en blijft ongewijzigd, waardoor de werkzaamheden geen negatieve effecten op mogelijke vleermuisverblijfplaatsen zullen hebben. Wel dient rekening te worden gehouden met lichtgebruik, zodat verlichting niet op de woning met kantoor schijnt en mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen niet worden verstoord.
Foto 18 S& 19: Open stootvoegen in schoorstenen van woning met kantoor.
Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn, zoals de bossen en weilanden. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. De randen van de tuin zouden onderdeel kunnen zijn van een vliegroute, met het eventueel verwijderen van de enkele spar zal deze potentiële vliegroute niet verstoord worden. Vleermuizen worden snel verstoord door verlichting. Soms kunnen vleermuizen door verlichting een verblijfplaats, vliegroute of foerageergebied niet meer gebruiken. De mate waarin het licht vleermuizen verstoord is afhankelijk van de hoeveelheid licht en de gevoeligheid van de soort voor licht.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Omdat een boom in het plangebied potentie biedt voor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen en de woning met kantoor in het plangebied mogelijkheden biedt voor gebouwbewonende vleermuizen, kan licht verstorend werken. Deelconclusie vleermuizen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen omgevingsvergunning nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen. Men dient wel rekening te houden met mogelijke negatieve externe effecten, zoals kunstlicht, geluid en trillingen, die invloed kunnen hebben op potentiële structuren voor vleermuizen. Met de beoogde werkzaamheden dient extra aandacht te worden besteed aan het gebruik van licht. Er dient zoveel mogelijk bij daglicht te worden werken en indien kunstlicht nodig is, dit zodanig te richten dat de bomen en bebouwing niet worden verlicht, om zoveel mogelijk verstoring door licht te voorkomen. Ook wanneer de woning in gebruik is, dient men zorgvuldig om te gaan met licht om verstoring te voorkomen.
Indien er verlichting aan de woning wordt geplaatst, moeten de lampen voorzien zijn van een kap aan de bovenkant, zodat het licht uitsluitend naar beneden schijnt. Nog beter is het gebruik van verlichting met een bewegingssensor, zodat de lampen alleen aanstaan wanneer dat nodig is en niet onnodig branden. Het beste is geen verlichting te plaatsen aan de zijde waar de boom met holtes staat.
4.3.3 Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort
Bescherming
Bunzing
Beschermd
Steenmarter
Beschermd
Tabel 2: Waargenomen marterachtigen binnen een straal van twee kilometer.
Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Veldbezoek marterachtigen De aanwezigheid van marterachtigen wordt vaak verraden door uitwerpselen, prooiresten of een herkenbare martergeur.
Tijdens het veldbezoek is specifiek gelet op sporen van marterachtigen, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden die op hun aanwezigheid duiden.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Er zijn geen geschikte ingangen voor marterachtigen om de bebouwing te betreden, waardoor er geen schuilplaatsen voor marterachtigen aanwezig kunnen zijn in de bebouwing. Het plangebied bevat veel bomen en dekkende struiken. Dit biedt potentiële schuil-, verblijfplaatsen en foerageermogelijkheden voor een steenmarter of kleine marterachtigen zoals de bunzing en wezel. Omdat de vegetatie grotendeels behouden blijft, blijven ook deze schuil-, verblijfplaatsen en foerageergebieden intact. Bovendien is het plangebied niet het enige geschikte leefgebied voor marterachtigen. De direct omliggende graslanden en bossen bieden eveneens geschikte omstandigheden, waardoor het plangebied geen essentieel leefgebied vormt. Deelconclusie marterachtigen Er is geen essentieel leefgebied voor marterachtigen in het plangebied en er zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op hun aanwezigheid. Daarnaast biedt de bebouwing geen geschikte schuilplaatsen. Omdat de bestaande vegetatie grotendeels behouden blijft en de directe omgeving ook voldoende geschikt leefgebied biedt, zullen de werkzaamheden geen negatieve invloed hebben op marterachtigen. Hierdoor blijven er altijd rustige hoekjes met voldoende dekking beschikbaar waar de dieren naartoe kunnen vluchten.
4.3.4 Overige grondgebonden zoogdieren De overige grondgebonden zoogdieren omvatten alle verder in het wild levende zoogdieren, waaronder vooral knaagdieren, evenhoevigen en insecteneters. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen omgevingsvergunning hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige grondgebonden zoogdieren te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige zoogdiersoort
Bescherming
Eekhoorn
Beschermd
Wolf
Beschermd
Tabel 3: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdieren binnen een straal van twee kilometer.
Eekhoorn Eekhoorns zijn te vinden in verschillende bosomgevingen, waaronder loof-, naald- en gemengd bos. Ze komen ook voor in tuinen, parken en houtwallen. Als er voldoende voedsel beschikbaar is, kunnen ze ook in bebouwde gebieden worden aangetroffen. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, zoals eikels, noten en zaden uit kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Specifieke voedselbomen kunnen zijn: eiken-, beuken-, walnoot-, hazelnoten- en pijnbomen. Eekhoorns bouwen nesten in bomen. Naast één hoofdnest zijn ook vaak vijf tot zes bijnesten aanwezig. Wolf Bij voorkeur leeft de wolf in uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden. Deze gebieden bieden namelijk vaak veel dekking en er leven veel reeën. De soort is echter een ‘cultuurvolger’ en heeft geleerd te overleven in gebieden waar ook mensen wonen. Veldbezoek overige grondgebonden zoogdieren Binnen en rondom het plangebied staan veel bomen. Er is een eekhoornnest waargenomen in een boom, vrij dicht bij de woning met kantoor, ten noorden van deze woning. Bijna alle bomen blijven behouden; mogelijk wordt één boom verwijderd om ruimte te maken voor de nieuwe woning, maar deze staat op relatief grote afstand van het nest. Het nest blijft dus intact.
De eigenaar heeft aangegeven dat de gemeente graag de nieuwe woning dicht bij de bestaande woning wil hebben, maar dit wordt nu niet geadviseerd, aangezien een locatie dichter bij het eekhoornnest meer verstoring zou veroorzaken. De voorkeur gaat uit
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
naar de locatie verder in de tuin, bij de tweede oprit, aangezien deze verder van het nest af ligt. Bovendien wordt de tweede oprit dan gebruikt voor machines, zodat er niet langs het nest wordt gereden of gelopen.
Foto 20 S& 21: Eekhoornnest in boom ten noorden van woning met kantoor.
Hoewel een wolf theoretisch gezien in de omgeving zou kunnen voorkomen of het plangebied zou kunnen passeren, is het plangebied zelf geen essentieel onderdeel van zijn leefgebied. Tijdens het veldbezoek is gebleken dat het aannemelijk is dat er vrijgestelde soorten in het plangebied kunnen worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Hierdoor dient rekening gehouden te worden met vluchtroutes voor de grondgebonden zoogdieren. Deelconclusie overige grondgebonden zoogdieren Het eekhoornnest in de boom ten noorden van de woning blijft intact, aangezien de bomen vrijwel allemaal behouden blijven. Er wordt geadviseerd om de nieuwe woning iets verder in de tuin te plaatsen, bij de tweede oprit, om verstoring van het nest te minimaliseren. Deze locatie biedt ook de voordelen van meer afstand tot het nest en minder kans op verstoring door machines.
4.3.5 Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. Net als de oude Wet natuurbescherming hanteert de Omgevingswet geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde nesten’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels in Noord-Brabant kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4).
De vogelsoorten uit deze categorieën die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort
Beschermingscategorie*
Nestplaats
Boomvalk
4
In bomen
Buizerd
4
In bomen
Gierzwaluw
2
In gebouwen en nestkasten
Grote gele kwikstaart
3
Op de grond, in gebouwen en nestkasten
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Havik
4
In bomen
Huismus
2
In gebouwen en nestkasten
Kerkuil
3
In gebouwen en nestkasten
Oehoe
3
In bomen en op de grond
Ooievaar
3
In bomen, op gebouwen en nestpalen
Ransuil
4
In bomen en op de grond
Roek
2
In bomen
Sperwer
4
In bomen
Steenuil
1
In gebouwen, boomholtes en nestkasten
Wespendief
4
In bomen
Zwarte wouw
4
In bomen
Tabel 4: Waargenomen vogelsoorten metJaarrond beschermde nesten binnen een straal van twee kilometer. *Categorie 1: Jaarrond gebruikte nesten (steenuil) 2: Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk van bebouwing 3: Zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen kolonie) 4: Vogels die iederJaar terugkeren naar een specifiek nest
Categorie 5 Categorie 5-soorten zijn honkvaste broeders, maar voldoende flexibel. Hun nesten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). De vogelsoorten uit deze categorie die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort
Nestplaats
Blauwe reiger
In bomen
Boerenzwaluw
In gebouwen
Bonte vliegenvanger
In boomholtes en nestkasten
Boomklever
In boomholtes
Boomkruiper
In boomholtes en nestkasten
Bosuil
In boomholtes, nestkasten en gebouwen
Ekster
In bomen
Gekraagde roodstaart
In boomholtes, nestkasten en holen
Grauwe vliegenvanger
In boomholtes en tegen gebouwen
Groene specht
In boomholtes
Grote bonte specht
In boomholtes
Huiszwaluw
Tegen gebouwen
IJsvogel
In steile wanden
Kleine bonte specht
In boomholtes
Koolmees
In boomholtes en nestkasten
Oeverzwaluw
In steile wanden
Pimpelmees
In boomholtes en nestkasten
Raaf
In bomen
Spreeuw
In boomholtes, gebouwen en nestkasten
Tapuit
In konijnenholen
Torenvalk
In gebouwen, bomen en nestkasten
Zwarte kraai
In bomen
Zwarte mees
In boomholtes, nestkasten en muizengangen
Zwarte roodstaart
In gebouwen
Zwarte specht
In boomholtes
Tabel 5: Waargenomen vogelsoorten waarvan de nesten alleen Jaarrond beschermd zijn als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Soms maken ze gebruik van nestkasten die speciaal voor hen zijn opgehangen. De ransuil is een uilensoort die in verschillende habitats voorkomt, waaronder bosgebieden, parken, open landschappen met verspreide bomen en agrarisch gebied met houtwallen en bosjes. Ze nestelen zich vaak in bomen, meestal in verlaten nesten van andere vogels zoals kraaien of eksters. Ze geven ook de voorkeur aan bomen met dichte takken of holen in oude bomen. De oehoe is een grote uilensoort die een breed scala aan habitats bewoont, variërend van rotsachtige berggebieden tot bosrijke gebieden en zelfs open landschappen.
Oehoes maken vaak gebruik van bestaande nesten van andere grote vogels, zoals arenden of roofvogels, maar ze kunnen ook hun eigen nesten bouwen op rotsrichels, in bomen of zelfs op de grond. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van de huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Deze uitgesproken standvogels nestelen bij voorkeur onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en mussenkasten. Ooievaar Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Roek Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig.
Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. Grote gele kwikstaart In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Boerenzwaluw/Huiszwaluw De boerenzwaluw staat op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels en de nestplaatsen ervan zijn jaarrond beschermd. Broedvogels keren jaarlijks terug naar dezelfde kolonie, al zijn vooral de vrouwtjes minder plaats trouw. Jonge vogels zoeken een geschikte nestplek in de omgeving van hun ouderlijk nest.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Boerenzwaluwen zijn in Nederland van maart tot in oktober, incidentele waarnemingen daargelaten. De meerderheid der broedvogels arriveert in april of begin mei, soms echter later vanwege ongunstige trekomstandigheden. De Boerenzwaluw nestelt in het hele land in boerenland, met een voorkeur voor gemengde bedrijven. Het gros van de paren huist in koeien-, varkens- of paardenstallen. De huiszwaluw is een kleine zangvogel die bekend staat om zijn gevorkte staart en zijn voorkeur om te nestelen onder de overhangende daken van gebouwen. Ze worden vaak aangetroffen in open landschappen, zoals agrarische gebieden en weilanden, in de buurt van waterlichamen zoals meren en rivieren. Huiszwaluwen zijn sterk geassocieerd met menselijke nederzettingen en nestelen graag onder dak overstekken van gebouwen. Hun nestplaatsen moeten beschut zijn tegen regen en roofdieren en zich boven open ruimtes bevinden waar ze gemakkelijk kunnen jagen op insecten, hun belangrijkste voedselbron. Het behoud van geschikte nestlocaties en het minimaliseren van verstoringen zijn cruciaal voor het behoud van huiszwaluwpopulaties. Overige Vogelrichtlijnsoorten Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen gestart worden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten.
Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gestart gaat worden met de werkzaamheden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie door een deskundig ecoloog is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Veldbezoek vogels Op de locatie van de nieuw te bouwen woning ontbreekt bebouwing, nestkasten of andere structuren die geschikt zijn als nestplaats voor gierzwaluwen, huismussen en slechtvalken.
Wel staan er bomen die in theorie nestgelegenheid kunnen bieden voor roofvogels, roeken en ooievaars, maar er zijn geen nesten of andere sporen aangetroffen die hierop wijzen. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor nestgelegenheid van andere Vogelrichtlijnsoorten, waarvan de nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn. Aangezien er in de directe omgeving voldoende alternatieve broedgelegenheden aanwezig zijn en negatieve effecten voorkomen kunnen worden door buiten het broedseizoen te werken, worden geen negatieve gevolgen voor deze vogelsoorten verwacht. Buiten de bouwlocatie is wel bebouwing aanwezig, maar waarschijnlijk biedt deze geen geschikte nestplaatsen voor vogels. Het pannendak van de woning met kantoor is voorzien van vogelschroot en de onderste rij pannen heeft een metalen panlat, waardoor er geen ruimte is voor nestplaatsen. De platte daken bieden ook geen mogelijkheden. Aangezien de bebouwing behouden blijft, blijven eventuele nesten intact. De foerageer- en nestmogelijkheden voor vogels in de tuin en rondom de bebouwing blijven ongewijzigd. De nieuwe woning wordt bovendien op een relatief grote afstand gebouwd, waardoor er geen negatieve effecten op de vogelsoorten te verwachten zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Foto 22: Metalen panlat onder onderste rij dakpannen.
Foto 23: Vogelschroot onder nokpannen.
Binnen het plangebied ontbreekt het volledig aan geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden. Tijdens het veldbezoek is er uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen. Er staan bomen binnen het plangebied die in theorie kunnen dienen als nestlocatie voor boombewonende soorten, zoals roofvogels, roeken, ooievaars en enkele uilensoorten. Er zijn echter geen nesten waargenomen in de bomen en de holtes in de bomen zijn niet groot genoeg voor bijvoorbeeld uilen. Daarom kan worden uitgesloten dat het plangebied onderdeel is van de habitat van boombewonende (roof)vogelsoorten. Het plangebied biedt mogelijkheden voor nestgelegenheid voor andere Vogelrichtlijnsoorten, waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is veel geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene Vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. Om verstoring van algemene soorten te voorkomen, dienen werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen noodzakelijk zijn, moet kort voorafgaand een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog.
Deelconclusie vogels Binnen de bouwlocatie van de nieuw te bouwen woning zijn geen geschikte nestlocaties voor gebouwbewonende vogelsoorten, zoals gierzwaluwen, huismussen, slechtvalken of uilen, aangezien er geen bebouwing aanwezig is. Wel staan er bomen die in theorie geschikt kunnen zijn als nestplaats voor roofvogels, roeken en ooievaars, maar er zijn geen nesten of andere sporen aangetroffen die hierop wijzen. Er worden geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden, waardoor een vergunningsaanvraag niet noodzakelijk is. Het plangebied biedt nestgelegenheid voor andere Vogelrichtlijnsoorten, waarvan de nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn. Om verstoring van algemene vogelsoorten te voorkomen, dienen werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen noodzakelijk zijn, moet kort voorafgaand een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog.
4.3.6 Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Weijereind 9 Reusel, BE-1250
Soort
Soortgroep en bescherming
Alpenwatersalamander
Amfibieën, beschermd
Levendbarende hagedis
Reptielen, beschermd
Rugstreeppad
Amfibieën, beschermd
Vinpootsalamander
Amfibieën, beschermd
Tabel 6: Waargenomen amfibieën, vissen en reptielen binnen een straal van twee kilometer.
Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander overwintert voornamelijk op het land. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven. Vanaf januari trekken ze naar het water met een piek begin maart. De meeste volwassen dieren worden tot en met juni waargenomen met een piek in april en de eerste heft van mei. Daarna nemen het aantal volwassen dieren in het water snel af. De eerste juveniele dieren kruipen medio juni het land op. De eerste drie jaar, tot ze geslachtsrijp zijn, verblijven ze op het land. De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Agrarische gronden worden gemeden als landhabitat. Levendbarende hagedis Heide en hoogveen vormen de voorkeurshabitat voor de levendbarende hagedis. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Er zijn ook enkele waarnemingen bekend uit laagveen. Rugstreeppad Zoals de meeste amfibieën is ook de rugstreeppad een uitgesproken nachtbraker.
Pas tijdens het invallen van de schemering komt hij tevoorschijn om op open plekken te gaan jagen. Soms is 's nachts te zien dat ze op zandpaden hun typische korte sprintjes trekken. De rugstreeppad begint pas laat aan de voortplanting. Zo rond half april trekt hij vanuit zijn overwinteringslocatie (soms wel een meter diep onder de grond) naar het voortplantingswater. Eenmaal in het water aangekomen laten de mannetjes, al zittende in het ondiepe water, hun luide roep weerklinken. Het ratelende geluid is tot op een kilometer afstand te horen en trekt soortgenoten uit de wijde omgeving aan. De rugstreeppad is een zeer slechte zwemmer. Hij zoekt altijd een plek op in het water, waar hij op de bodem kan zitten, terwijl zijn kwaakblaas net boven het wateroppervlak uitkomt. Op dergelijke plaatsen worden ook de eieren afgezet. De rugstreeppad kent een zeer lang voortplantingsseizoen dat sterk afhankelijk is van de weersomstandigheden. Vinpootsalamander Vinpootsalamanders worden in Nederland in twee landschapstypen aangetroffen, de heidegebieden op de hogere zandgronden en het heuvellandschap van Zuid-Limburg. Als voortplantingswater wordt hier met name gebruik gemaakt van zwakzure, permanente vennen, plassen en bospoelen. Een groot deel van de Nederlandse vinpootsalamanders overwintert in het water.
Het overige deel trekt na de voortplantingsperiode, vanaf half mei tot en met eind juli, naar het omliggende landhabitat. Veldbezoek amfibieën, vissen en reptielen In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor is het voorkomen van vissen in het plangebied op voorhand uit te sluiten. Ook kunnen negatieve effecten op het voortplantingshabitat van amfibieën op voorhand worden uitgesloten. Het plangebied biedt, door de aanwezige vegetatie, in theorie geschikt land- en winterhabitat voor beschermde amfibieën en reptielen, met dekking en foerageermogelijkheden voor deze soortgroepen. Aangezien de vegetatie grotendeels behouden blijft, blijven deze mogelijkheden intact. Bovendien is er in de directe omgeving van het plangebied, zoals de omliggende graslanden en bossen, voldoende geschikt leefgebied beschikbaar voor deze soortgroepen.