[25.12005] Bijlage 6 - 0 Ecologische Quickscan Bladelsedijk 4 Hulsel BE-1041
Tekst van het document
Hierdoor is het voorkomen van vissen in het plangebied op voorhand uit te sluiten. Ook kunnen negatieve effecten op het voortplantingshabitat van amfibieën op voorhand worden uitgesloten. Volgens de gegevens uit de NDFF komen er geen reptielen voor in een straal van 2 kilometer rond het plangebied. Geschikte biotopen voor beschermde reptielen ontbreken geheel. Deelconclusie amfibieën, vissen en reptielen De aanwezigheid van deze beschermde soorten is uit te sluiten. Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied, de ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie zou het mogelijk zijn dat er in het plangebied enkele algemene amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hun voorkomen en staan ze vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Het is echter altijd noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Omgevingswet voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
27
Ecologische quickscan Bladelsedijk 4 Hulsel, BE-1041
5.2.5 Ongewervelden Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 1 libellensoort, 1 dagvlindersoort en 1 nachtvlindersoort waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Soort
Soortgroep en habitat
Bosbeekjuffer Grote vos
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Teunisbloempijlstaart
2 km
Nachtvlinder, vochtige bossen en bosranden, waardplant: teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart
Libellen, bosbeken Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: iep, kers en wilgen
Bosbeekjuffer Bosbeekjuffers zijn te vinden langs langzaam stromende beken en rivieren met veel vegetatie. Ze geven de voorkeur aan helder, schoon water en zijn vaak te vinden bij bosrijke gebieden in de buurt van waterlichamen. Grote vos De grote vos komt voor in verschillende leefgebieden, waaronder bossen, parken, tuinen en andere gebieden met veel vegetatie. Volwassen grote vossen voeden zich voornamelijk met nectar uit bloemen. De rupsen voeden zich met verschillende soorten loofbomen, waaronder wilg, populier en fruitbomen. Volwassen grote vossen overwinteren vaak in holle bomen of schuilplaatsen om de koude maanden te overleven. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) heeft een divers habitat, maar ze worden vaak geassocieerd met gebieden waar hun waardplanten, zoals de teunisbloem (Oenothera), voorkomen. Libellen komen voor in diverse biotopen, variërend van zoetwatermilieus zoals vijvers, meren, en beken tot moerassen en zelfs brak water. Ze geven de voorkeur aan waterrijke gebieden omdat hun larven (nymfen) aquatisch leven. Als volwassen insecten zijn ze echter vaak te vinden in verschillende omgevingen, waaronder open graslanden, bossen, en tuinen. Vlinders hebben ook diverse biotopen, afhankelijk van de soort.
Sommige soorten vlinders geven de voorkeur aan open graslanden en bloemrijke weiden, terwijl andere zich thuis voelen in bosrijke gebieden. Vlinders kunnen ook worden aangetroffen in tuinen, langs bosranden, en zelfs in stedelijke gebieden. Veldbezoek ongewervelden De wilg en teunisbloemen in de tuin zullen behouden blijven. Met de ontwikkeling gaan dus geen potentiële waardplanten van de grote vos en teunisbloempijlstaart verloren. Het genoemde biotoop van de beschermde libelle komt niet voor in het plangebied en de nabije omgeving, zodoende is het voorkomen op voorhand uit te sluiten. Overige ongewervelden zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
28
Ecologische quickscan Bladelsedijk 4 Hulsel, BE-1041
Wilg
Teunisbloemen
Deelconclusie ongewervelden Met de werkzaamheden blijft het leefgebied van de grote vos en teunisbloempijlstaart behouden. Deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dag- en nachtvlinders is dan ook zeer onwaarschijnlijk. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden.
5.3 Houtopstanden Volgens artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de Omgevingswet is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de Gedeputeerde Staten. Het betreft hier houtopstanden van tenminste 10 are of rijbeplanting van minimaal 20 bomen. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Indien het totale oppervlakte of aantal bomen klein is dan deze 10 are of 20 bomen, dan gelden de rijksregels over het vellen en herplanten niet. Er zijn binnen het plangebied geen houtopstanden die middels het planvoornemen zullen verdwijnen. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Omgevingswet.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
29
Ecologische quickscan Bladelsedijk 4 Hulsel, BE-1041
jįk Brabant Eco y'
6. RESULTATEN EN ADVIES
Ecologische Dienstverlening
Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie.
6.1 Resultaten Op basis van de uitgevoerde quickscan kan worden geconcludeerd dat het voorkomen van beschermde soorten zoals de bever, eekhoorn, marterachtigen, amfibieën, reptielen, en vissen op voorhand kan worden uitgesloten, evenals het voorkomen van beschermde flora. De te slopen veldschuur en oude rundveestal bieden geen geschikte openingen voor vleermuizen. Gaten onder de daken zijn gedicht met (oud) purschuim. Achter de boeiboorden zitten panlatten of purschuim en een grote scheur in de gevel van de veldschuur is gedicht. Hierdoor zijn er geen openingen of kieren aanwezig. Bij het lagere deel van de veldschuur zitten muurplaten. Aan de binnenkant van de oude stal zit gaas tegen het dak. De waargenomen wilg en teunisbloemen in de tuin zullen behouden blijven. Met de ontwikkeling gaan dus geen potentiële waardplanten van de grote vos en teunisbloempijlstaart verloren. Er geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Omgevingswet. Soortgroep
Opmerkingen
Geschikt habitat
Effecten ingreep negatief
Nader onderzoek
Beschermde flora
Nee
Nee
Nee
-
Vleermuizen
Verblijfplaats
Nee
Nee
Nee
Foerageergebied
Ja
Nee
Nee
Voorkom het schijnen van licht op mogelijke foerageergebieden en vliegroutes
Vliegroute
Nee
Nee
Nee
Marterachtigen
Nee
Nee
Nee
-
Overige grondgebonden zoogdieren
Nee
Nee
Nee
Zorg voor passende vluchtroute
Broedvogels
Algemeen
Ja
Nee
Nee
Jaarrond beschermd
Nee
Nee
Nee
Broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juni, maar alle broedgevallen zijn beschermd
Amfibieën
Nee
Nee
Nee
Houdt rekening met passerende algemene soorten in landfase
Vissen
Nee
Nee
Nee
-
Reptielen
Nee
Nee
Nee
-
Ongewervelden
Ja
Nee
Nee
-
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
30
Ecologische quickscan Bladelsedijk 4 Hulsel, BE-1041
6.2 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren.
o
o
o
o o
Omgevingswet De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie is daarom niet noodzakelijk. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Omgevingswet een verbod op handelingen die nesten, vaste rust- of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000-gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius-berekening te worden uitgevoerd. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen.
Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: o Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). o Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. o Om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd. o Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed - en nestgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en ons leefklimaat.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
31
Ecologische quickscan Bladelsedijk 4 Hulsel, BE-1041
Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken (www.checkUstgroenbouwen.nl). Daarnaast zijn er op de website www.bouwnatuurinclusief.nl veel tips om natuurinclusief te bouwen. Voor de ontwikkeling van het plangebied Bladelsedijk 4 raden wij de volgende natuurinclusieve maatregelen aan: o Bij de aanleg van groenstructuren in het plangebied wordt bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en stuifmeel afhankelijk zijn, zijn op elkaar afgestemd. Dit is een belangrijk verschil met uitheemse soorten, die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze zijn ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindes trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters.
o Om het terrein voor bijen, vlinders en andere insecten aantrekkelijker te maken kunnen bestaande zonnige overhoekjes en een deel van de huidige gras oppervlakten ingezaaid worden met een inheems zaadmengsel. Hierbij is het van belang een zaadmengsel te kiezen dat past bij de grondsoort. Bloeiende planten trekken allerlei insecten aan zoals vlinders, bijen en hommels. Het is aan te bevelen om deze bloemenruigte en grasstroken ook als zodanig te beheren bijvoorbeeld door periodiek, gedeeltelijk of sinus te maaien. Bij Sinus maaien maai je de vegetatie in verschillende perioden en in verschillende patronen. Zo blijven er altijd kruiden en planten gespaard waar insecten en andere kleine dieren van kunnen profiteren. Deze groenstructuren zijn ook goed te combineren met de wat groter uitgevoerde insectenhotels zoals weergegeven in bijgaande afbeelding. Insectenhotels bieden o.a. nestgelegenheid voor solitaire bijen. Solitaire bijen zijn familieleden van de bekende honingbij. In ons land komen zeker 300 soorten solitaire bijen voor. De vrouwtjes van solitaire bijen hebben wel angels maar steken mensen niet. Ze leven, in tegenstelling tot de honingbij en hommels, niet in een kolonie. Een solitair vrouwtje maakt een nestje in de grond, in een leemwand of in bestaande gangen in hout.
Solitaire bijen zijn, net als de honingbij, van buitengewoon groot belang voor de natuur, onder andere omdat ze bloemen bestuiven. Daarnaast dienen ze als voedsel voor andere dieren zoals zangvogels. Houtblokken, waarin gangen geboord zijn van verschillende diameters, vormen ideale nestplaatsen voor vele soorten bijen, zoals metsel- en klokjesbijen. Andere soorten kunnen terecht in bundels riet, bamboe of blokken leem. Door nestgelegenheden aan te bieden op een zonnige plaats (zuidzijde) in een houten frame met overkapping wordt een optimaal insecten- of bijenhotel gecreëerd.
Voorbeeld insectenhotel
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
32
Ecologische quickscan Bladelsedijk 4 Hulsel, BE-1041
(ăį) Brabant Eco s'
Ecologische Dienstverlening
7. BRONNEN
Websites www.kaartbankbrabant.nl www.brabant.nl www.floron.nl www.iplo.nl www.minlnv.nederlandsesoorten.nl/ www.natura2000.eea.europa.eu www.natuurmonumenten.nl www.NDFF.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vivarapro.nl www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.wikipedia.nl
Andere bronnen Checklist Vleermuisprotocol 2021 Limpens et al., 2014, 2017 Baijens et al., 2005 Netwerk Groene Bureaus Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, ministerie van Economische Zaken
Bijlagen Bijlage 1: De verspreidingslijst van NDFF Bijlage 2: Lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn Bijlage 3: Soorten van nationaal belang
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
33