CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[25.11344] 21061.006 1 Toelichting BOPA

Commissie Ruimte 10 juni 2025, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning op de locatie Weijereind 9 in Reusel19.494 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Benodigde compensatie (in m3) s toename verhard oppervlak (m2) x 'gevoeligheidsfactor' x bergingseis De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de gevoeligheidsfactorkaart van Waterschap de Dommel. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval de Dommel, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: 1A (Laag), V2 (Gemiddeld) en 1 (Hoog).

Pagina 40 van 49

Zoals uit de onderstaande afbeelding blijkt is er voor het projectgebied een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.

Afbeelding 17: Uitsnede kaart Gevoeligheidsfactor'. Projectgebied rood omkaderd.

De factor 0,04 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 40 mm (400 m^ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door de gemeente Reusel-De Mierden vastgelegd. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden.

Benodigde compensatie = 200 m2 x 1 x 0,04 s 8 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde kaart van Waterschap de Dommel (waterschap de Dommel). Zoals uit de onderstaande afbeelding blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde retentievoorziening tussen 40 en 60 cm beneden maaiveld.

Pagina 41 van 49

Afbeelding 18: Uitsnede kaart gemiddelde hoogste grondwaterstand Waterschap de Dommel. Projectgebied rood omkaderd en indicatieve locatie retentievoorziening geel omcirkeid.

De retentievoorziening zal in de vorm van een extra laagte voor wateropvang aan de noordzijde van het perceel gerealiseerd worden. Deze zal een diepte van 60 cm krijgen en een oppervlakte van circa 14 m2. Dit komt neer op een inhoud van minimaal 8 m3. Deze zal worden geborgd in de voorschriften van deze BOPA. Daardoor zal er te allen tijde voldoende waterberging aanwezig zijn. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

6.11. Kabels en leidingen Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur.

6.11.1. Ondergrondse leidingen Op de Pav-kaart dient gecontroleerd te worden of er gastransportleidingen en dergelijken zijn opgenomen. In het omgevingsplan dient gecontroleerd te worden of er aanduidingen zijn opgenomen voor riooltransportleidingen en/of watertransportleidingen. Riooltransportleidingen en watertransportleidingen betreffen leidingen die geen betrekking hebben op omgevingsveiligheid maar op technische infrastructuur. Binnen of nabij de projectlocatie zijn geen relevante (buis)leidingen aanwezig. Derhalve zijn in het omgevingsplan geen beperkingen opgenomen binnen de bouwregels. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen binnen en nabij het projectgebied in beeld te brengen.

6.11.2. Hoogspanningslijnen Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling.

Pagina 42 van 49

Afbeelding 19: Uitsnede RIVM-netkaart. Projectgebied rood omcirkeid.

Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig, zie bovenstaande afbeelding. De beoogde ontwikkeling zal niet zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat.

6.11.3. Radarverstoringsgebied In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Er wordt geen bebouwing van hoger dan 24 meter gerealiseerd. Derhalve voldoet de ontwikkeling aan eisen zoals opgenomen in het Bkl.

6.12. M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over projecten. Het gaat hierbij enkel om projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor dergelijke projecten moet worden beoordeeld of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Indien een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze projecten moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

Pagina 43 van 49

Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Categorie J11 is van toepassing bij onderhavig initiatief. Deze categorie betreft namelijk stedelijke ontwikkelingsprojecten met inbegrip va de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Wanneer er een aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling plaatsvindt is een mer-beoordelingsplicht van toepassing. Echter aangezien in de beoogde ontwikkeling slechts één woning wordt gerealiseerd is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een m.e.r.-(beoordeling) en het doorlopen van de bijbehorende procedure.

6.13.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 5.129g, Bkl. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het eerste lid van artikel 5.129g is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'Ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detaiihandeisvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' De beoogde ontwikkeling betreft de ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocatie. In navolging van jurisprudentie (uitspraak ECLI:NL:RVS:2015:953) is de ontwikkeling van 12 woningen of meer aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de beoogde ontwikkeling wordt er één woning gerealiseerd op de locatie. Derhalve is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

6.14.

Spuitzones

In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de projectlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Hierbij wordt daarnaast ook opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die zijwaarts bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Gewassen laag aan de grond worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. Aan de noordwestzijde en de zuidoostzijde van het projectgebied zijn binnen 50 meter landbouwgronden van derden gelegen. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter.

Conform het geldende bestemmingsplan hebben de landbouwgronden de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' en 'Agrarisch'. Deze gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijvigheid in de vorm van een (vollegronds) teeltbedrijf. In het bestemmingsplan is opgenomen dat de uitoefening van (vollegronds)fruit- en/of boomteelt, binnen een afstand van 50 meter tot de bestemmingsgrens van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies valt onder strijdig gebruik. Uitzonderingen hiervan is het bestaand gebruik van de gronden ten behoeve van (vollegronds)fruit- en/of boomteelt en indien het een biologische (vollegronds)fruit- en/of boomteelt betreft.

Pagina 44 van 49

Op de betreffende landbouwgronden is de afgelopen jaren gras en (snij)maïs geteeld. Er is dus geen sprake van bestaand gebruik van de gronden ten behoeve van (vollegronds)fruit- en/of boomteelt. In het bestemmingsplan is een mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de gebruiksregels. Door middel van een omgevingsvergunning kan er afgeweken worden van het strijdig gebruik en kan de afstand van 50 meter verkleind worden, mits het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of van het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies. Uit de onderstaande afbeelding blijkt dat de betreffende landbouwpercelen grotendeels gelegen zijn binnen 50 meter van de bestemmingsgrens van (bestaande) gevoelige functies. Dit betekent dat het op deze percelen niet rechtstreeks mogelijk is om deze te gebruiken voor (vollegronds)fruit- en/of boomteelt. Indien de gebruiker van deze percelen beoogd om deze landbouwgronden hiervoor te gebruiken moet gebruiker aantonen dat er ter plaatse van gevoelige functies binnen 50 meter sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect spuitzones. Legenda Nieuwe woonbestemming Bestemmingsgrens van gevoelige functies Buffer 50 meter van gevoelige functies Betreffende landbouwpercelen

Afbeelding 20: Buffer 50 meter van gevoelige functies ten opzichte van de betreffende landbouwpercelen.

Gezondheidsrisico's in het kader van gewasbeschermingsmiddelen zullen pas ontstaan bij structurele, langdurige en hoge blootstelling. Dit is bij de reguliere landbouw, zoals bij het bestaand gebruik van de betreffende landbouwgronden, niet aan de orde. Daarbij worden de gewassen welke jarenlang zijn geteeld, zijnde gras en (snij)maïs, op het perceel maar één, hooguit twee, keer per jaar bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. De blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, indien dit al aan de orde is, zal minimaal zijn. Daarnaast worden in het Bal verschillende voorwaarden gesteld aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met name in de nabijheid van oppervlaktelichamen. De minimale driftreductie welke wordt geëist om verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid te voorkomen of te beperken bedraagt 750Zo. Daarbovenop geldt dat tussen de landbouwgronden en het projectgebied een A-watergang en een B-watergang is gelegen. Dit betekent dat er bepaalde driftreducerende maatregelen (strenger dan de eerdergenoemde 750Zo) genomen moeten worden en er geldt een teeltvrije zone langs het oppervlaktelichaam. In onderstaande tabel zijn de maatregelen opgesomd zoals weergegeven in artikel 4.723d van het Bal. Tabel 2: Weergave tabel4.723d Ba, Teeltvrije zone bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen.

Soort gewas

Teeltvrije zone in cm

Aanvullende voorwaarden

150 of meer

-

Pagina 45 van 49

Aardappelen, uien, bloembollen en bloemknollen, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, wortelen en vaste planten Boomkwekerijgewassen

100 of meer

Gebruik van techniek met een drift reductie van ten minste 90Zo ten opzichte van en referentietechniek

150 of meer 100 of meer

Neerwaarts bespuiten Gebruik van techniek met een drift reductie van ten minste 90Zo ten opzichte van en referentietechniek Op- en zijwaarts bespuiten Gebruik van techniek met een driftreductie van ten minste 900Zo ten opzichte van een referentietechniek; of Gebruik van een biologische productiemethode -

Pit- en steenvruchten

500 of meer 450 of meer 300 of meer

Overige gewassen

50 of meer

Naast het bovenstaande mag er tevens met het oog op voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt als de windsnelheid meer dan 5 m/s bedraagt, gemeten op 2 meter boven de grond bij neerwaarts bespuiten. Ter plaatse van het projectgebied is het gezien het voorgaande aannemelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van spuitzones. De gewassen welke in de bestaande situatie op de landbouwgronden worden geteeld worden alleen neerwaarts bespoten. Dit leidt tot een minimale drift(neerslag). Tevens is de driftneerslag die zal ontstaan bij het één, hooguit twee, keer per jaar bespuiten van de aanwezige gewassen (gras en (snij)maïs) is verwaarloosbaar. Daarbij valt op te merken dat er extra driftreducerende maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van de aanwezige watergangen en dient er voldoende afstand gehouden te worden van deze watergangen met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit leidt tot nog meer afname van de driftneerslag ter plaatse van het projectgebied. De kans dat de drift reikt tot het projectgebied is derhalve verwaarloosbaar.

Pagina 46 van 49

7. Uitvoerbaarheid 7.1. Financieel economische haalbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Weijereind 9 te Reusel betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Deze ontwikkeling heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele nadeelcompensatie voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De financieel economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

7.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1. Omgevingsdialoog In de Omgevingswet is opgenomen dat participatie een belangrijk onderdeel is van projecten in de fysieke woon- en leefomgeving. De gemeente Reusel-De Mierden vindt het belangrijk dat inwoners optimaal betrokken worden bij plannen en projecten. Het is namelijk de taak van de gemeente om bij initiatieven te beoordelen hoe de omgeving is betrokken. Door participatie wordt ervoor gezorgd dat alle belangen, meningen, kennis en creativiteit direct op tafel komen. Door bezwaren, maar juist ook goede ideeën met elkaar te bespreken, kan het initiatief beter worden gemaakt en is er meer kans op betrokkenheid. Het participatiebeleid van de gemeente Reusel-De Mierden staat beschreven in het document

'gereedschapskist'. Conform het beleid van de gemeente is er een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonenden. Het verslag van dit dialoog is bijgevoegd in de bijlage. De omwonenden zien geen belemmeringen ten opzichte van de huidige planologische situatie en zien geen belemmeringen ten opzichte van de eigen situatie en wensen. Ze wensen de aanvragers succes met de te realiseren plannen.

7.2.2. Advies en instemming De gemeenteraad heeft voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een lijst opgesteld waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies/instemming moet worden gevraagd. Op basis van het artikel 16.15a Omgevingswet heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om zichzelf als adviseur aan te wijzen met recht van instemming. Indien gebruik wordt gemaakt van het advies-/ instemmingsrecht bedraagt de beslistermijn twaalf weken. Indien advies is uitgebracht ofwel instemming is gegeven motiveer welke aspecten zijn meegenomen. 7.2.3. Vaststeiiingsprocedure De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. 7.2.4. Bezwaar/ Beroep De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan.

In de uitgebreide procedure is bezwaar niet nodig. Daar bestaat namelijk de mogelijkheid om zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen en vervolgens beroep in te dienen bij de rechtbank. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.

Pagina 47 van 49

8. Bijlagen -

Landschappelijk inpassingsplan Berekening kwaliteitsverbetering Akoestisch onderzoek Invoergegevens AERIUS AERIUS berekening aanleg- en bouwfase AERIUS berekening gebruiksfase Quickscan flora en fauna Verslag omgevingsdialoog Bodemonderzoek PM

Pagina 48 van 49

www.vandunadvies.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=afa835f6-19e2-4286-a09f-a8505afdeb68