CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[25.11341] Ruimtelijk onderbouwing Bopa - Bladelsedijk 4

Commissie Ruimte 10 juni 2025, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning voor het toestaan van een kleinschalig mechanisatiebedrijf op de locatie aan de Bladelsedijk 4 in Hulsel17.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bladelsedijk 4 te Hulsel (goede onderbouwing van de effec­ ten op de fysieke leefomgeving) Motivering van de Bopa/ toelichting wijziging Omgevingsplan Realisatie loods t.b.v. mechanisatie bedrijf en bijbehorende voorzienin-

Inhoudsopgave 1.

2.

Aanleiding en doel

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Projectgebied

5

1.3

Het omgevingsplan

6

1.4

Leeswijzer

7

Bestaande situatie

8

2.1

Ruimtelijke en functionele structuur

8

3.

Projectbeschrijving

11

4.

Belangenafweging en conclusie

13

5.

4.1

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

13

4.2

Conclusie

13

Beleid en regelgeving

14

5.1 5.1.1 5.2

14

Nationale omgevingsvisie

14

Provinciaal beleid en provinciale regels

14

5.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

14

5.2.2

Instructieregels provincie Noord-Brabant (omgevingsverordening)

15

5.2.3

Conclusie

20

5.3

Beleid Waterschap

20

5.3.1

Waterschapsverordening Waterschap DeDommel 2024

21

5.3.2

Watertoets

21

5.3.3

Conclusie

25

5.4

6.

Rijksbeleid en Rijksregels

Gemeentelijk beleid

25

5.4.1

Omgevingsvisie Reusel-De Mierden

25

5.4.2

Conclusie

27

Fysieke leefomgeving

28

6.1

Landschap en stedenbouw

28

6.1.1

Nota Ruimtelijke kwaliteit, deel buitengebied

28

6.1.2

Landschapsinvesteringsregeling De Kempen

31

6.2

Cultureel erfgoed

31

6.2.1

Archeologie

32

6.2.2

Cultuurhistorie

33

6.2.3

Conclusie

33

6.3

Beschermen van de gezondheid

34

6.3.1 Wettelijk kader

34

6.3.2

35

Conclusie

6.4

Milieubelastende activiteiten / activiteiten en milieuzonering

35

6.5

Geluid door activiteiten

35

6.5.1

Geluid door wegen en industrieterreinen

35

6.5.2

Conclusie

36

6.6

Kwaliteit van de buitenlucht

36

2

6.6.1

Wettelijk kader

36

6.6.2

Onderzoek

37

6.6.3

Conclusie

38

6.7

Wettelijk kader

38

6.7.2

Onderzoek

38

6.7.3

Te treffen maatregelen

38

6.7.4

Conclusie

39

Bodemkwaliteit

39

6.8.1

Wettelijk kader

39

6.8.2

Onderzoek

39

6.8.3

Te treffen maatregelen

40

6.8.4

Conclusie

40

6.9

Wegen, verkeer en parkeren

40

6.9.1

Wettelijk kader

40

6.9.2

Onderzoek

40

6.9.3

Te treffen maatregelen

42

6.9.4

Conclusie

42

6.10

Omgevingsveiligheid

42

6.10.1 Wettelijk kader

42

6.10.2 Onderzoek

43

6.10.3 Te treffen maatregelen

43

6.10.4 Conclusie

43

6.11

Natuur

44

6.11.1 Wettelijk kader

44

6.11.2 Conclusie

45

6.12

Duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie

45

6.12.1 Wettelijk kader

45

6.12.2 Conclusie

45

6.13

Toetsing Besluit m.e.r./ m.e.r.-beoordeling

45

6.13.1 Wettelijk kader

45

6.13.2 Conclusie

45

Beperkingengebieden

46

7.1 8.

38

6.7.1

6.8

7.

Geur

Beperkingengebieden

46

Uitvoerbaarheid 8.1

47

Economische uitvoerbaarheid

47

8.1.1

Financieel economische haalbaarheid

47

8.1.2

Kostenverhaal

47

8.1.3

Nadeelcompensatie

47

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

47

8.2.1

Omgevingsdialoog

47

8.2.2

Advies en instemming

47

3

9.

8.2.3

Vaststellingsprocedure

48

8.2.4

Bezwaar/ Beroep

48

Bijlagen

49

4

1.

Aanleiding en doel

1.1

Aanleiding

Initiatiefnemer heeft van oorsprong een agrarisch bedrijf gericht op vollegrondteelt en het houden van rundvee en schapen op de locatie aan de Bladelsedijk 4, 5096 BN te Hulsel. Echter door de beperkte ontwikkelingsmogelijkheden van de het agrarische bedrijf, heeft initiatiefnemer circa 20 jaar geleden de keuze gemaakt om bedrijfsmatig geen dieren meer te gaan houden. Gezien de beperkte bedrijfs­ omvang van de vollegrondteelt, als gevolg van hoge grond- en pachtprijzen, is initiatiefnemer naast akkerbouwactiviteiten tevens andere activiteiten gaan doen. De oude veestallen zijn sinds die tijd ge­ bruikt als statische opslag. Initiatiefnemer heeft zich de afgelopen jaren gespecialiseerd in het onderhouden en repareren van (landbouw)machines (hoofdzakelijk verreikers), ook wel mechanisatie genoemd. Na een aantal jaren bij verschillende werkgevers te hebben gewerkt heeft hij enkel jaren geleden de keuze gemaakt om als zelfstandige zelf voor opdrachtgevers te gaan werken. Initiatiefnemer is voornemens om zijn bedrijfsactiviteiten, zijnde een kleinschalig mechanisatiebedrijf, uit te gaan voeren op de locatie aan de Bladelsedijk 4 te Hulsel. Voor uitvoering van de activiteiten is de realisatie van een nieuwe loods noodzakelijk. Deze loods zal ook gebruikt worden voor de stalling van de landbouwmachines.

De huidige bebouwing is niet geschikt om op een Arbo-verantwoorde wijze werkzaamheden uit te voeren. De huidige bebouwing heeft namelijk beperkingen ten aanzien van hoogte en toegankelijkheid ervan. In Bijlage 1 is een plattegrondtekening van de beoogde situatie weergegeven. Het initiatief leidt niet tot een toename van bebouwingsoppervlak. In het plan is rekening gehouden met alle noodzakelijke activiteiten die uitgevoerd worden op de locatie van initiatiefnemer. Om de loca­ tie een kwaliteitsimpuls te geven is initiatiefnemer tevens voornemens om de locatie op een verant­ woorde wijze landschappelijk in te passen. Een gedeelte van de beoogde activiteiten is in strijd met het omgevingsplan namelijk de ingebruik­ name van activiteiten in relatie tot mechanisatie, daartoe dat deze onderbouwing noodzakelijk is. 1.2

Projectgebied

Het projectgebied ligt in de gemeente Reusel-De Mierden, ten zuidoosten van de kern van Hulsel (0,8 kilometer). Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Hooge en Lage Mierde, Sectie K, nummers 1167, 1841, 1843, 1844, 1845 en 1846. Het projectgebied ligt aan de Bladelsedijk en wordt ontsloten via deze weg. Op de bedrijfslocatie is sprake van een kleinschalige agrarische bedrijfslocatie, welke al voor lange tijd tevens gebruikt wordt statische opslag. De ruim 7 hectare cultuurgrond om het bedrijf is in eigendom van initiatiefnemer. De bedrijfsbebouwing bestaat uit een bedrijfswoning met berging/garage, een voormalige ligboxenstal, een mantelzorgwoning en een veldschuur. De voormalige ligboxenstal (13 m x 32 m) is voorzien van een vlakke betonvloer en wordt in hoofd­ zaak gebruikt voor de stalling van caravans. In de jongveestal (15 m x 17 m) is in het voorgedeelte een mantelzorgwoning aanwezig. Het overige gedeelte wordt eveneens gebruikt voor de stalling van caravans en de opslag van kachelhout. De veldschuur, welke aan de achterzijde van het perceel is gelegen, wordt gebruikt voor stalling van landbouwmachines en werktuigen en statische opslag.

5

Afbeelding 1: Bestaande situatie 1.3

Het omgevingsplan

Het geldende omgevingsplan betreft het omgevingsplan ‘Buitengebied 2023’ van toepassing. De vol­ gende bestemmingen en aanduidingen zijn binnen het projectgebied aanwezig, zie Afbeelding 2. Voor onderhavig projectgebied zijn de bestemmingen en aanduidingen uit het ‘Buitengebied 2023’ van toepassing. Dit betreffen de volgende bestemmingen en aanduidingen: Bestemming ‘Bedrijf’; Bouwvlak; - Overige zone - primaat landschap. Conform het vigerende omgevingsplan is op de Bladelsedijk 4 een agrarisch bedrijf toegestaan. Ook is 500 m2 aan statische opslag toegestaan.

Afbeelding 2: Uitsnede vigerend omgevingsplan In de beoogde situatie wordt de beoogde bedrijfsbebouwing niet enkel gebruikt voor het agrarische bedrijf maar ook voor het kleinschalige mechanisatiebedrijf. Dit is in strijd met het geldende omge­ vingsplan. Ook wordt een hogere goothoogte dan dat rechtstreeks is toegestaan.

6

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de acti­ viteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de hui­ dige ruimtelijk- functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de be­ oogde ontwikkeling. Hoofdstuk 4 wordt een algehele, samenvattende conclusie getrokken, waaruit blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de navolgende hoofdstukken wordt hier uitgebreid op ingegaan. Zo wordt in hoofdstuk 5 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 6 wordt inzicht gegeven in diverse planolo­ gische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 7 behandelt eventuele beperkingengebieden die vanuit Rijk en/of provincie zijn aangewezen. En in het laatste hoofdstuk komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

7

2.

Bestaande situatie

2.1

Ruimtelijke en functionele structuur

Onderhavige locatie is gelegen in het voormalige landbouwontwikkelingsgebied. In de omgeving van de locatie zijn veel grootschalige (intensieve)veehouderijen gelegen. De oudste boerderij in de omge­ ving is opgericht omstreeks 1910, maar de meeste boerderijen zijn gevestigd in de jaren ’50. Een ge­ deelte van deze boerderijen is niet meer in dienst als agrarisch bedrijf. Deze locaties hebben een woonfunctie. Verder zijn in de omgeving primair landbouwgronden aanwezig. Na de introductie van de kunstmest hadden de heidevelden geen functie meer in het landbouwsys­ teem. Na 1900 zijn dan ook tal van jonge heideontginningen uitgevoerd, waarbij nieuwe wegen wer­ den aangelegd en nieuwe boerderijen werden gebouwd. Zo ook de Hulselsche heide. In de omgeving zijn locaties grotendeels in agrarisch gebruik, met een accent op (intensieve) veeteelt. Door schaalver­ groting in de landbouw domineren de agrarische bedrijfsgebouwen in het landschap, waarbij een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing veelal ontbreekt: de grote, meestal solitair gelegen agrarische erven liggen vaak ‘kaal’ in het landschap. Het projectgebied is gelegen in het overgangsgebied van de jonge heideontginningen en het oud agrarisch cultuurlandschap. Verder is locatie gelegen aan de Bladelsedijk. Dit betreft een kasseienweg met beeldbepalende eikenbomen en een losgelegen fietspad.

Op de bedrijfslocatie is sprake van een kleinschalige agrarische bedrijfslocatie, welke daarnaast ook wordt gebruikt voor statische opslag. De bestaande gebouwen zijn parallel aan de weg gerealiseerd. Het erf is gelegen is een kaal ogend landschap en er zijn een de omgeving geen kenmerkende land­ schapselementen aanwezig. Het erf bestaat uit woonbebouwing en een apart deel voor opstallen zoals schuren, deze vormen sa­ men met het landschap een eigen ensemble dat terughoudend is t.o.v. zijn omgeving en bescheiden oogt in het landschap.

Afbeelding 3: Luchtfoto

8

Afbeelding 4: Foto gericht op bedrijfslocatie

Afbeelding 5: Achterzijde bedrijfslocatie (links)

Afbeelding 6: Achterzijde bedrijfslocatie

Afbeelding 7: Voorzijde bedrijfslocatie 9

Afbeelding 8: Voorzijde bedrijfslocatie it

Afbeelding 9: Bestaande functionele structuur

10

3.

Projectbeschrijving

Initiatiefnemer is naast de uitvoering van de bestaande agrarische activiteiten gericht op het onder­ houden c.q. repareren van de machines (mechanisatie). Initiatiefnemer is voornemens om de volgende specifieke activiteiten uit te voeren: Inpandig onderhouden van machines en werktuigen (werkplaats); Kleinschalig kantoor/kantine/toilet/douche; Voldoende manoeuvreer- c.q. rangeerruimte; Reinigen machines; Parkeerplaatsen voor privé, klanten etc.; Wonen in bedrijfswoning; Stalling landbouwmachines; Wonen. In onderstaande afbeelding zijn gewenste activiteiten weergeven op de situatietekening.

Afbeelding 10: Gewenste indeling bedrijfslocatie Bebouwing Initiatiefnemer voert onderhoud uit aan kostbare machines. Het materieel is daarbij als ‘kwetsbaar’ materieel aan te merken, vanwege onder andere: Materieel bevat hoge mate van technologie en elektronica (boardcomputers, gps, etc.); Materieel bevat draaiende, onbeschermde (tegen weersinvloeden) onderdelen; bij stilstand c.q. indien materieel niet in gebruik is, leidt dit tot roestvorming, ‘vastlopende’ onderdelen en derhalve storingen en dergelijke met een toename aan onderhoud/reparaties tot gevolg; Divers materieel is zeer ‘gewild’ bij het ‘dievengilde’ (extra bescherming - via bebouwing én daardoor ‘uit het zicht’ onttrekken - is noodzakelijk); Binnen de inrichting zijn faciliteiten noodzakelijk ten behoeve van onder andere het onderhouden en repareren machines.

11

Op de beoogde locatie zal de voormalige rundveestal gesloopt worden. De voormalige rundveestal is qua bouw- en goothoogte niet geschikt voor het onderhouden en stallen van grote machines. Ter compensatie van de realisatie van een nieuwe loods wordt deze loods gesloopt. De gewenste loods wordt in de beoogde situatie maximaal 600 m2 groot en heeft een goothoogte van 6,0 meter en een nokhoogte van maximaal 10 meter. De reden voor een grotere goothoogte is omdat initiatiefnemer voornemens is om een kraanbaan te realiseren in de loods. Hierdoor kunnen op een veilige wijze, zware onderdelen opgetild worden, met minimaal risico op bedrijfsongevallen (Arbo-technisch verantwoord). Voldoende manoeuvreerruimte Op de bedrijfslocatie is in de toekomst voldoende ruimte noodzakelijk om te manoeuvreren. Hierdoor zal de logistiek op het totale terrein effectief en efficiënt kunnen plaatsvinden. Met de gewenste in­ richting (incl. nieuwe inrit) betoogt initiatiefnemer rijbewegingen te optimaliseren en daardoor overlast te voorkomen. Met de beoogde ranggeerruimte is het voor voertuigen niet noodzakelijk om achteruit te rijden. Hierdoor ontstaan een verkeerskundig veilige situatie. Dit zal direct zal leiden tot een rustige uitstraling naar de omgeving.

Landschappelijke inpassing Om de vergroting van het bouwperceel op een juiste wijze te compenseren is initiatiefnemer voorne­ mens om de locatie op een robuuste wijze landschappelijk in te passen. Het doel van deze landschap­ pelijke inpassing is een verdere versterking van het landschap met toepassing van gebiedseigen be­ planting. Indien u instemt met onderhavige ontwikkeling zal een gedegen landschappelijke inpassing gerealiseerd worden.

12

4.

Belangenafweging en conclusie

4.1

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 5). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief - de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er - na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 5, 6, 7 en 8). 4.2

Conclusie

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt in dat verschillende functies of activiteiten op een zodanige manier worden verdeeld over verschillende locaties dat er een optimale en harmonieuze werking ontstaat. Onderhavige locatie is gelegen in het voormalig landbouwontwikkelingsgebied. In de omgeving van de locatie zijn veel grootschalige veehouderijen gelegen. Voor initiatiefnemer is door beperkte concurrentiekracht al vele jaren geleden de keuze gemaakt om te stoppen met het houden van dieren. Dit betekend ook dat er geen geur- en ammoniakrechten op de locatie aanwezig zijn, waardoor ontwikkeling van de locatie tot veehouderij geen optie is. Zoals ook blijkt uit de omgevingsvisie is de marktvraag naar deze locaties (midden in het voormalige LOG Hulsel-Bladel) vanuit de toegestane functies laag en de (boek)waarde van deze locaties niet op te brengen. Door de locatie te blijven gebruiken voor een kleinschalig mechanisatiebedrijf i.c.m. de bestaande agrarisch activiteiten, wordt een doelmatige invulling gegeven aan niet gevoelige passende bestemming, waarbij voorkomen wordt dat er in de vrijkomende (agrarische) locatie ongewenste (illegale) ontwikkelingen gaan plaatsvinden. Bij de uitwerking van het beoogde project wordt aandacht besteed aan het de impact naar de omgeving.

Om de omgevingskwaliteiten te borgen wordt significant geïnvesteerd worden in het landschap. Door herinrichting van de bestaande bedrijfslocatie ontstaat een doelmatige- en effectief bruikbare bedrijfslocatie, waarmee initiatiefnemer zowel bedrijfsmatig als bedrijfseconomisch een robuust fundament legt voor de bedrijfsontwikkeling en -perspectief. Initiatiefnemer is met diens gespecialiseerde dienstverlenende activiteiten midden in het werkgebied gelegen. Dit bedrijf draagt verder bij aan de plattelandseconomie, daar het bedrijf voor een significantie wijze gericht is op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven dan wel bedrijven en instanties acterend in het buitengebied. Verder is onderhavige locatie op relatief grote afstand gelegen van gevoelige functies en hebben de functies die worden uitgevoerd een beperkte impact naar de omgeving. Tot slot is de locatie goed ontsloten waardoor geen sprake is van een onevenredige verkeerhinder, dan wel verkeersonveilige situaties. Alles overwegende is de ontwikkeling wel aanvaardbaar.

13

5.

Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en ander­ zijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leef­ omgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstuk 3 van dit concept gemotiveerd ge­ toetst aan de activiteit. 5.1

Rijksbeleid en Rijksregels

5.1.1

Nationale omgevingsvisie

Met De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige in­ richting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn: -

-

Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en land­ schap.

Initiatiefnemer onderzoekt op de bedrijfslocatie steeds de mogelijkheden om de impact op de omge­ ving te minimaliseren en is bezig om bedrijfsprocessen optimaal in te richten. Keuzes op het gebied van bovengenoemde maatschappelijke doelen worden weloverwogen gemaakt. Verder wordt de loca­ tie op een robuuste wijze landschappelijk ingepast waardoor de impact op het landschap verkleind wordt. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de gewenste ontwikkeling in overeenstem­ ming is met de nationale omgevingsvisie.

5.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

5.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tus­ sendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil sa­ menwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omge­ vingskwaliteit. Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bo­ dem, schoon water (ondergrond) en schone lucht.

Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzienin­ gen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Werken aan de slimme netwerkstad 14

Werken aan een concurrerende, duurzame economie Onderhavige ontwikkeling is als kleinschalig aan te merken in verhouding tot de strategische gebiedsambities voor de provincie Noord-Brabant richting 2050. De ontwikkeling betreft uitbreiding het realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw voor de uitvoering van een kleinschalig mechanisatiebedrijf. Daarnaast wordt een kwalitatieve landschappelijke inpassing ge­ realiseerd. De planontwikkeling levert dus o.a. een bijdrage aan de klimaatbestendigheid (realisatie waterstructuur) en biodiversiteit (landschappelijke inpassing). Waar mogelijk wordt door initiatiefnemer in de bedrijfsvoering duurzame energie toegepast, zoals de toepassing van zonnepanelen (energietransitie). Dit betreft meerwaarde-creatie, aanvullend op de bedrijfsmatige en economische ontwikke­ ling. Het voornemen zorgt bovendien voor lokale werkgelegenheid. Vanuit die zingeving wordt de planontwikkeling dus wel geacht op haar niveau bij te dragen aan de ambities als nagestreefd in de Brabantse omgevingsvisie. Het schaalniveau dat deze ontwikkeling met zich meebrengt raakt de ontwikkeling niet in de basis- en hoofdopgaven uit de Omgevingsvisie. Ge­ concludeerd kan worden dat de ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan het creëren van meer­ waarde en kwaliteit in Noord-Brabant. 5.2.2

Instructieregels provincie Noord-Brabant (omgevingsverordening)

De omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De omgevingsverordening is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getre­ den. De omgevingsverordening sluit aan op de Omgevingswet en de werkwijze van de Omgevingsvisie. De regels sluiten aan bij het diep, rond en breed kijken uit de omgevingsvisie. Maar zijn ook gebaseerd op overig vastgesteld beleid, zoals de doelen en ambities voor duurzame energie uit de Energie-agenda of bij de uitwerking van beleid in het Regionaal Water- en Bodem Programma. Het vaststellen van een Bopa, valt onder de reikwijdte van hoofdstuk 5 ‘Instructieregels voor het om­ gevingsplan gemeenten’. Dit hoofdstuk bevat instructieregels voor het omgevingsplan over: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. de regulering van activiteiten. De ontwikkelingsmogelijkheden en toegestane functies worden bepaald door de ligging van een loca­ tie binnen de structuren en aanduidingen. Daarnaast bevat de verordening algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit.

Op het relevante kaartmateriaal van de omgevingsverorde­ ning, bestaande uit een 8-tal kaarten, volgt dat de planlocatie is gelegen ter plaatse van: Landelijk gebied; Geen attentiezone waterhuishouding; Stalderingsgebied; Beperking grootschalige Logistiek.

15

Kaart 5: Basiskaart Stedelijk gebied. Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant

Landelijk gebied Thema: landschap, energie en natuurlijke hulpbronnen, landgebruik Gebiedsbegrenzing: exact Verwijzing 1 Verwijzing 2 Verwijzing 3 Verwijzing 4 Verwijzing 5 Verwijzing 6 Verwijzing 7 Verwijzing 8 Verwijzing 9 Verwijzing 10 Verwijzing 11 Verwijzing 12 Verwijzing 13 Verwijzing 14 Verwijzing 15 Verwijzing 16

Beperking grootschalige logistiek verstedelijking 0 Thema: Gebiedsbegrenzing: exact

Afbeelding 11: Uitsnede omgevingsverordening Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van de toetsing aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant, hierna omgevingsverordening. Ten eerste moet voldaan worden aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast moet worden getoetst aan de geldende regels voor de van toepassing zijnde structuren en aanduidingen. De aanduiding ‘Stalderingsgebied’ en ‘Beperking grootschalige Logistiek’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Paragraaf 5.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies De ruimtelijke onderbouwing voor het project aan de Bladelsedijk 4 voldoet aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals vastgelegd in Paragraaf 5.1.2 van de Om­ gevingsverordening Noord-Brabant. Dit wordt op verschillende manieren onderbouwd. Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Het project aan de Bladelsedijk 4 draagt bij aan een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit door middel van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit sluit aan bij de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet, waarbij het bereiken en behou­ den van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving centraal staat.

Bij de invulling van de locatie is rekening gehouden met verschillende milieuaspecten, zoals geluid, geur, luchtkwaliteit en bodemkwaliteit, die van invloed kunnen zijn op de gezondheid en veiligheid van omwonenden en initiatiefnemer. Zo wordt door het inpandig uitvoeren van onderhoudswerkzaamhe­ den geluidsoverlast geminimaliseerd. Daarnaast worden bodembeschermende maatregelen getroffen om verontreiniging te voorkomen, zoals vloeistofdichte voorzieningen en een gescheiden opslag en afvoer van afvalstoffen. Ook op het gebied van arbeidsveiligheid zijn maatregelen getroffen. Zo is een kraanbaan geïnstalleerd om het onderhoud aan machines veiliger te laten verlopen, waardoor het risico op bedrijfsongevallen aanzienlijk wordt verminderd ten opzichte van traditionele hefwerktuigen. Dit draagt bij aan een gezon­ dere en veiligere werkomgeving. Verder wordt er actief geïnvesteerd in duurzaamheid en energiebesparing, bijvoorbeeld door de inzet van zonnepanelen en het gebruik van energiezuinige apparatuur. Dit draagt bij aan de energietransitie en klimaatadaptatie.

16

7.8 Zorgvuldig ruimtegebruik De ontwikkeling aan de Bladelsedijk 4 voldoet aan de voorwaarden voor zorgvuldig ruimtegebruik zo­ als vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De herontwikkeling vindt plaats binnen het bestaande ruimtebeslag, aangezien de nieuwe bebouwing binnen het bestaande bouwperceel wordt gerealiseerd. Er is geen sprake van uitbreiding van het bouwvlak, en de plannen voorzien in de sloop van verouderde bebouwing, zodat er netto geen toe­ name aan bebouwing plaatsvindt. Daarnaast is rekening gehouden met de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtege­ bruik. Door de herinrichting van de bestaande bedrijfslocatie wordt het perceel doelmatiger benut, met efficiëntere bedrijfsvoering en een sterkere landschappelijke inpassing. Dit draagt niet alleen bij aan de ruimtelijke kwaliteit, maar voorkomt ook dat de vrijgekomen locatie wordt ingenomen door onge­ wenste ontwikkelingen. Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. De nieuwe loods wordt op de bestaande bouwperceel, zodat de functie en het gebruik ervan goed aansluiten op de omgeving. Ten slotte wordt voldaan aan de voorwaarde dat splitsing van het bestaande bouwperceel niet is toe­ gestaan.

In de voorwaarden is expliciet opgenomen dat het bouwperceel als één geheel blijft bestaan, en er geen afzonderlijke percelen ontstaan voor verschillende bedrijfsactiviteiten. Mocht uit een zorgvuldige afweging blijken dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, dan is uitbreiding slechts toegestaan onder strikte voorwaarden. In dit geval is uitbreiding echter niet aan de orde, aangezien de herontwikkeling volledig binnen het bestaande bouwperceel plaatsvindt. Hierdoor blijft de impact op de omgeving beperkt en wordt voldaan aan de uitgangspunten van zorgvuldig ruimtegebruik. Art. 5.9 Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering in de ontwikkeling aan de Bladelsedijk 4 biedt inzicht in de ef­ fecten op de verschillende ruimtelijke lagen en hoe negatieve effecten worden voorkomen. Dit wordt gedaan door de ondergrond, netwerklaag en bovenste laag afzonderlijk te analyseren en hun onder­ linge wisselwerking te beschouwen. Ten eerste wordt rekening gehouden met de ondergrond, waarbij aspecten zoals bodemkwaliteit, grondwaterbeheer en archeologische waarden worden meegenomen. Er worden bodembeschermende maatregelen getroffen, zoals vloeistofdichte voorzieningen, om bodemverontreiniging te voor­ komen.

Daarnaast wordt waterberging geïntegreerd in het ontwerp om een bijdrage te leveren aan klimaatbestendigheid en om verdroging van de omgeving tegen te gaan. Dit bouwperceel wordt herontwikkeld om een kleinschalig mechanisatiebedrijf mogelijk te maken, waarbij ook de biodiversiteit wordt versterkt door middel van landschappelijke inpassing. In de netwerklaag wordt aandacht besteed aan infrastructuur, natuurnetwerken en energievoorzienin­ gen. De locatie is gunstig gelegen aan een vracht- en landbouwontsluitingsnetwerk, wat zorgt voor een efficiënte afwikkeling van personen- en goederenvervoer. Waar mogelijk wordt in de bedrijfsvoe­ ring duurzame energie toegepast, zoals de inzet van zonnepanelen, wat bijdraagt aan de energietransitie. De bovenste laag richt zich op cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de effecten op de leefomgeving. De landschappelijke inpassing wordt verbeterd door her­ structurering van de bebouwing en groenvoorzieningen, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het ge­ bied wordt versterkt. Bovendien is rekening gehouden met volksgezondheid, veiligheid en milieueffec­ ten door de inrichting van de bedrijfsactiviteiten op een manier die overlast voor omwonenden minima­ liseert.

Er is geen sprake van een toename aan bebouwing, aangezien bestaande schuren worden gesloopt om plaats te maken voor de nieuwe loods, waardoor het totale bebouwde oppervlak gelijk blijft. Daarnaast wordt de factor tijd actief benut door rekening te houden met de herkomstwaarde van de lagen en de toekomstbestendigheid van de ontwikkeling. De keuze voor hergebruik van bestaand

17

bebouwd gebied sluit aan bij de historische context van het gebied, terwijl de implementatie van duur­ zame maatregelen, zoals wateropvang en energie-efficiënte gebouwen, ervoor zorgt dat de locatie ook op lange termijn een positieve bijdrage levert aan de omgeving. De locatie ligt in een voormalig landbouwontwikkelingsgebied waar de marktvraag naar deze locaties laag is en de boekwaarde van de percelen niet op te brengen is. Door de locatie te blijven gebruiken voor een kleinschalig mechanisatiebedrijf in combinatie met bestaande agrarische activiteiten, wordt een doelmatige invulling gege­ ven aan een niet-gevoelige, passende bestemming. Hiermee wordt voorkomen dat de vrijkomende agrarische locatie in de toekomst wordt ingenomen door ongewenste of illegale ontwikkelingen. Samengevat voldoet de ontwikkeling aan de eisen van de lagenbenadering door een geïntegreerde aanpak waarin effecten op bodem, water, infrastructuur, natuur, bebouwing en leefomgeving zorgvul­ dig worden afgewogen en negatieve gevolgen worden geminimaliseerd. Art. 5.10 Meerwaardecreatie De ontwikkeling aan de Bladelsedijk 4 voldoet aan de voorwaarden voor meerwaardecreatie zoals vastgelegd in Artikel 5.10 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De economische meerwaarde van het project komt voort uit het behoud en de doorontwikkeling van een kleinschalig mechanisatiebedrijf op de locatie.

Dit draagt bij aan de lokale economie door het bie­ den van werkgelegenheid en ondersteuning van bedrijven in de regio. Door deze invulling wordt te­ vens voorkomen dat het perceel leeg komt te staan of een minder passende bestemming krijgt, wat een duurzaam en economisch verantwoord ruimtegebruik bevordert. Op ecologisch vlak levert de ontwikkeling een bijdrage aan de klimaatbestendigheid en biodiversiteit door de aanleg van waterberging en landschappelijke inpassing. De waterstructuur helpt verdroging tegen te gaan en zorgt voor een robuuster watersysteem. Daarnaast worden kleinschalige beplantingselementen, zoals houtwallen en akkerranden, aangelegd om het landschap te versterken en eco­ logische verbindingszones te verbeteren. Ook wordt in de bedrijfsvoering duurzame energie toege­ past, onder andere door het gebruik van zonnepanelen, waarmee de energietransitie wordt onder­ steund. De sociale meerwaarde blijkt uit de betrokkenheid van de initiatiefnemer bij de lokale gemeenschap. Het bedrijf ondersteunt het verenigingsleven in Hulsel door middel van sponsoring en draagt zo bij aan de leefbaarheid van het dorp. Bovendien heeft de initiatiefnemer in een vroeg stadium omwonenden betrokken bij de plannen en is er overleg gevoerd om hun belangen te waarborgen. Uit de participatie blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit de omgeving en dat omwonenden de plannen ondersteunen.

Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, zo­ als bedoeld in Artikel 5.11. Dit gebeurt door de sloop van oude bebouwing en de aanleg van land­ schapselementen die de ruimtelijke kwaliteit versterken. De nieuwe bebouwing wordt zorgvuldig inge­ past in de omgeving, zowel qua schaal als materiaalgebruik, zodat deze aansluit bij het karakter van het buitengebied. Samengevat voldoet het project aan de eisen voor meerwaardecreatie door een evenwichtige combi­ natie van economische, ecologische en sociale aspecten. Het initiatief biedt niet alleen een duurzame en functionele invulling van de locatie, maar draagt ook bij aan bredere maatschappelijke en ruimte­ lijke opgaven, waarmee de ontwikkeling in lijn is met het provinciale beleid. Paragraaf 5.1.3 Versterken van omgevingskwaliteit Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap De voorgenomen ontwikkeling in het landelijke gebied voldoet aan de eisen zoals beschreven in de Omgevingsverordening, specifiek gericht op de verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit wordt ondersteund door de onderbouwing dat de beoogde fysieke verbetering van de omgeving pas­ send is binnen de ruimtelijke en beleidsmatige kaders van het gebied, zoals bedoeld in artikel 5.12 van de verordening.

Ten eerste wordt aangetoond dat de landschappelijke verbetering onderdeel is van de bredere ontwikkelingsvisie voor het gebied, door een robuust landschappelijk inpassingsplan op te stellen, dat niet alleen voldoet aan de verplichte landschappelijke inpassing, maar ook bijdraagt aan het versterken van de landschapsstructuur. Dit wordt gerealiseerd door het toevoegen van nieuwe 18

landschapselementen. Daarnaast wordt het plan ecologisch versterkt door de realisatie van land­ schapselementen, zoals een boerenzwaluwtil en een insectenhotel. Verder is er ook aandacht voor het slopen van verouderde bebouwing. Dit is nader toegelicht in paragraaf 6.1. Wat betreft de borging van de uitvoering van deze kwaliteitsverbetering, wordt dit financieel, juridisch en feitelijk gewaarborgd. Er is een duidelijke financiële vastlegging in de Bopa, waarbij de landschapsinvesteringen zijn berekend op basis van de verwachte waardevermeerdering van de bestemming. De verplichting om 200Zo van de waardevermeerdering in het landschap te investeren wordt nageleefd. Samenvattend, de ontwikkeling voldoet aan de eisen van de Omgevingsverordening en de daarbij be­ horende verplichtingen, waarbij de landschappelijke kwaliteit wordt verbeterd door een combinatie van maatregelen die zowel financieel, juridisch als feítelijk geborgd zijn. Dit draagt bij aan een duurzame en kwaliteitsverantwoorde invulling van het landelijke gebied. Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting De ontwikkeling van Bladelsedijk 4 is zorgvuldig afgestemd op zowel de Omgevingsvisie van de ge­ meente Reusel-De Mierden als de Omgevingsverordening Noord-Brabant, waarbij de verschillende beleidsmatige richtlijnen op elkaar aansluiten.

Concreet voldoet het project aan de voorwaarden van Artikel 5.12 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, waarin wordt benadrukt dat de ontwikke­ ling moet passen binnen de bestaande omgeving en rekening moet houden met de effecten op de ruimtelijke en ecologische kwaliteit. Dit wordt bereikt door een gebiedsgerichte benadering, waarbij zorgvuldig wordt beoordeeld welke functies en activiteiten passend zijn in het landschap. De beoogde functie van een kleinschalig mechanisatiebedrijf sluit naadloos aan bij de bestaande in­ tensieve agrarische activiteiten in het gebied, dat momenteel wordt gekarakteriseerd door veehouderij. De toevoeging van deze functie vormt een logische ontwikkeling aangezien ontwikkelingen met ge­ voelige functies zoals zorg, recreatie en wonen niet wenselijk zijn in dit gebied. Dit is in lijn met de Omgevingsvisie van de gemeente, waarin het behoud van agrarische activiteiten en de integratie van passende functies wordt gestimuleerd om de leefomgeving te versterken. In lijn met de Omgevingsverordening zijn ook de effecten op andere ruimtelijke aspecten zorgvuldig afgewogen. Veiligheid, gezondheid en leefbaarheid zijn hierbij belangrijke overwegingen, waarbij maatregelen zijn getroffen om de milieubelasting te minimaliseren.

Bodembescherming, waterberging en het gebruik van duurzame energiebronnen, zoals zonnepanelen, waarborgen een gezonde en vei­ lige leefomgeving zonder nadelige effecten voor omwonenden. De herontwikkeling van de locatie draagt daarnaast bij aan de kwaliteitsverbetering van het land­ schap, zoals bedoeld in Artikel 5.11 van de Omgevingsverordening. Door de toevoeging van groen­ voorzieningen en een doordachte ruimtelijke inrichting wordt de nieuwe bebouwing landschappelijk ingepast, wat bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Deze aanpak is eveneens in lijn met de doelstellingen van de Omgevingsvisie Reusel-De Mierden, waarin het versterken van land­ schappelijke kwaliteiten centraal staat. De voorgenomen ontwikkeling voorkomt leegstand en ongewenste ontwikkelingen, wat in overeen­ stemming is met de doelstellingen van de Omgevingsverordening. Het perceel wordt herontwikkeld voor een kleinschalig mechanisatiebedrijf, wat bijdraagt aan het behoud van de functionaliteit van het gebied en voorkomt dat het gebied in verval raakt. Samenvattend kan worden gesteld dat de ontwikkeling van Bladelsedijk 4 volledig in lijn is met de Om­ gevingsverordening Noord-Brabant en de Omgevingsvisie van de gemeente Reusel-De Mierden.

Het project draagt bij aan de doelstellingen van beide kaders door een duurzame, landschappelijk verant­ woorde en economisch haalbare invulling van het gebied te waarborgen. Artikel 5.74 Agrarisch-technisch hulpbedrijf of agrarisch-verwant bedrijf In paragraaf 3.6.3. van de verordening zijn regels van agrarisch gerelateerde bedrijven opgenomen. Het gaat hierbij om bedrijven met een nauwe relatie met de agrarische sector. Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf Z agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied Onderhavige bedrijfslocatie is gelegen in het Gemengd landelijk gebied. In algemene zin geldt dat een bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agra­ risch-verwant bedrijf als voldaan wordt aan onderstaande voorwaarden.

19

Lid 1: Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan binnen een bestaand bouwperceel voorzien in de ontwikkeling van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als: a. Dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12; Onderhavige locatie is gelegen in het voormalige landbouwontwikkelingsgebied. In de omgeving van de locatie zijn veel grootschalige veehouderijen gelegen. Voor initiatiefnemer is door beperkte concur­ rentiekracht al vele jaren geleden de keuze gemaakt om te stoppen met het houden van dieren. Dit betekent ook dat er geen geur- en ammoniakrechten op de locatie aanwezig zijn, waardoor ontwikke­ ling van de locatie tot veehouderij geen optie is. Zoals ook blijkt uit de omgevingsvisie is de marktvraag naar deze locaties (midden in het voormalige LOG Hulsel-Bladel) vanuit de toegestane functies laag en de (boek)waarde van deze locaties niet op te brengen. Door de locatie te blijven gebruiken voor een kleinschalig mechanisatiebedrijf, wordt een doelmatige invulling gegeven aan niet gevoelige passende bestemming, waarbij voorkomen wordt dat er in de vrij­ komende (agrarische) locatie ongewenste (illegale) ontwikkelingen gaan plaatsvinden. Bij de uitwerking van het beoogde plan wordt aandacht besteed aan het de impact naar de omgeving.

Om de omgevingskwaliteiten te borgen zal significant geïnvesteerd worden in het landschap. Door herinrichting van de bestaande bedrijfslocatie ontstaat een doelmatige- en effectief bruikbare be­ drijfslocatie, waarmee initiatiefnemer zowel bedrijfsmatig als bedrijfseconomisch een robuust funda­ ment legt voor de bedrijfsontwikkeling en -perspectief. Initiatiefnemer is met diens gespecialiseerde dienstverlenende activiteiten midden in het werkgebied gelegen. Dit bedrijf draagt verder bij aan de plattelandseconomie. Verder is onderhavige locatie op relatief grote afstand gelegen van gevoelige functies en hebben de functies die worden uitgevoerd een beperkte impact naar de omgeving. Tot slot is de locatie zeer goed ontsloten waardoor geen sprake is van een onevenredige verkeerhinder, dan wel verkeersonveilige situaties. b. De omvang van het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; In de beoogde situatie is sprake van een bouwperceel van 0,5 hectare. Het totale oppervlak is der­ halve lager dan 1,5 hectare. c. Het bouwperceel buiten een gebied met waarden ligt als bedoeld in Paragraaf 5.2.6; en Het bouwperceel ligt buiten een gebied met waarden zoals bedoelt in paragraaf 5.2.6. d.

een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking is uitgesloten. Er is geen sprake van mestbewerking. 5.2.3

Conclusie

De ontwikkeling aan de Bladelsedijk 4 voldoet aan de eisen van de Omgevingsverordening NoordBrabant, door een zorgvuldige toedeling van functies en het respecteren van de omgevingskwaliteit. Er wordt gebruik gemaakt van duurzaamheidsmaatregelen, zoals waterberging, landschappelijke in­ passing en energiezuinige technologieën, terwijl het ecologische en sociale draagvlak wordt versterkt. Het project draagt bij aan de plattelandseconomie en voorkomt ongewenste ontwikkelingen op de lo­ catie. De locatie wordt herontwikkeld voor een kleinschalig mechanisatiebedrijf, met minimale impact op de omgeving. 5.3

Beleid Waterschap

Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsre­ gels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. 20

Het waterschap is bevoegd om nadere regels te stellen aan activiteiten en handelingen die mogelijk een nadelig effect hebben op het watersysteem. Dit met als doel het voorkomen en waar nodig beper­ ken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Betreffende regels zijn in de waterschapsverordening vastgelegd met een aantal gebods- en verbodsbepalingen. De waterschapsverordening is een verordening van het waterschap vastgesteld door het algemeen bestuur en heeft betrekking op het waterkeringsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer (inclusief grondwater). Daar waar niet aan de algemene regels uit de waterschapsverordening kan worden voldaan, bestaat de mogelijkheid een vergunning voor de werkzaamheden aan te vragen. Als het gevraagde vergunbaar is, kunnen nadere regels aan de wijze van uitvoering en onderhoud worden gesteld. Het water­ schap hanteert beleidsregels om op eenduidige wijze te kunnen bepalen of en hoe een activiteit of handeling kan worden vergund. Het doel van deze beleidsregels is aan te geven hoe het dagelijks be­ stuur van het waterschap omgaat met zijn bevoegdheid om vergunning te verlenen van de gebods- en verbodsbepalingen die in de waterschapsverordening zijn opgenomen. Deze beleidsregels voorkomen dat bij het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning ieder keer een volledige be­ langenafweging moet worden gemaakt.

Deze beleidsregels geven de algemeen te volgen lijn aan. In individuele gevallen kan het noodzakelijk zijn om toch af te wijken van de beleidsregels. Bijvoorbeeld als dit zou leiden tot onredelijke situaties of dit zou kunnen leiden tot een ongewenste waterhuishoudkundige situatie. Het dagelijks bestuur van het waterschap blijft daarom altijd bevoegd in het individu­ ele geval gemotiveerd af te wijken van de beleidsregels. In deze beleidsregels zijn de uitgangspunten voor het al dan niet verlenen van een vergunning nader uitgewerkt, en ze vormen dan ook het toet­ singskader bij vergunningverlening. Ook kunnen andere (separate) beleidsregels van het waterschap aan de orde zijn als toetsingskader. 5.3.1

Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024

In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij be­ ken, sloten en gemalen. De waterschapsverordening vervangt de Keur. In de waterschapsverordening wordt er ook voor het grondwaterbeheer veel met algemene regels ge­ werkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening. In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelge­ ving daarvoor in de plaats gekomen is. Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereen­ voudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn. Gelet op de kaders en doelstellingen van de Omgevingswet heeft het grondwaterbeheer dat door de waterschappen wordt uitgevoerd vier pijlers: Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.

Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie. Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem. Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infiltreren, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden. 5.3.2

Watertoets

Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam geschei­ den systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mo­ gelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater die ge­ transporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent.

21

Emissie van vervuilingen vanaf het erf is een belangrijke route waarlangs vervuilende middelen (zoals olie, vet, gewasbeschermingsmiddelen) in het milieu kunnen komen. Voor behoud van een effectief middelenpakket én om normoverschrijdingen in het oppervlaktewater te verminderen is het belangrijk om erfemissie aan te pakken. Referentiesituatie Ter plaatse van het projectgebied is verschillende bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor buitenop­ slag aanwezig. Op de locatie is sprake van het ontstaan van 3 soorten afvalwaterstromen in de beoogde situatie na­ melijk: -

Niet-verontreinigd hemelwater; Afvalwater afkomstig van de wasplaats;

-

Huishoudelijk afvalwater.

Het niet-verontreinigde hemelwater wordt separaat afgevoerd naar een infiltratievoorziening. Dit nietverontreinigde hemelwater is afkomstig van daken. Het afvalwater, welke ontstaat bij het reinigen van voertuigen (waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt), is aangesloten op een olie- en vetafscheider. Deze olie- en vetafscheider voldoet aan de eisen zoals gesteld in de NEN 858-1 en NEN 858-2 norm en is voorzien van een CE-certificaat. Via de olie- en vetafscheider wordt het water afgevoerd naar het gemeentelijk vuilwaterriool (drukrioleringssysteem). Het huishoudelijke afvalwater wordt eveneens afgevoerd naar het vuilwaterriool. De waterhuishouding is in de huidige situatie geregeld met een gescheiden stelsel waarbij huishoude­ lijk afvalwater op het gemeentelijk drukrioleringssysteem wordt geloosd en het hemelwater afstroomt naar omliggende watergangen. Er is in de huidige situatie geen sprake van overlast. Voorgenomen activiteit Sinds de inwerkingtreding van de beleidsregels behorende bij de Keur Waterschap De Dommel d.d. 01-01-2015 is met het beoogde project sprake van een toename aan erfverharding met versnelde af­ voer van circa 600 m2. Voor wat betreft de gebouwen is er geen sprake van een toename aan bebou­ wing. Compensatie Middels de Keur van Waterschap De Dommel, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden.

Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De handreiking watertoets van Waterschap De Dommel schrijft voor dat bij omgevingsplanwijzigingen mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak. Verder zijn deze mitigerende maatregelen van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 tot en met 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in ku­ bieke meters (m3). De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatie specifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden. Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden.

Gevoeligheidsfactor V (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) geeft aan dat met van de berekende capaciteit kan worden volstaan.

22

De rekenregel luidt dus als volgt: Benodigde compensatie (in m3) s Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) De toename verhard oppervlak t.o.v. de referentiesituatie betreft 600 m2 aan nieuwe verharding en be­ bouwing. Deze versnelde afvoer vindt plaats middels rioolbuizen naar een retentievoorziening (wadi). Het water infiltreert hier rechtstreeks in de grond, dit mede om verdroging van de groenstrook tegen te gaan. Er wordt expliciet geen hemelwater geloosd op het drukriool. Een compensatie is noodzakelijk voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 tot en met 10.000 m2. Het toename aan verhard oppervlak met een versnelde afvoer betreft derhalve 600 m2. De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart welke bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval De Dommel, verdeeld in drie catego­ rieën. Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is sprake van een gevoeligheidsfactor 1.

Legenda Gevoeligheidsfactor 1 1/2 1/4

Afbeelding 12: Uitsnede kaart ‘Gevoeligheidsfactor’ Keur Waterschap De Dommel De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3 /ha) welke de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op ba­ sis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. veel plezier Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 600 m2 x 0,25 x 0,06 = 9 m3. Bepaling minimale oppervlakte watercompensatie Op basis van de actuele grondwatertrap blijkt dat ter plaatse van de beoogde watercompensatie het waterbergend vermogen 1,10 (1,00-1,20) meter bedraagt, uitgaande van de gemiddeld hoogste grondwatertrap (GHG).

23

Afbeelding 13: Uitsnede Keurkaart De Dommel Beoogde retentievoorziening Initiatiefnemer is voornemens om een wade / verlaging ter plaatse van de landschappelijk inpassing te realiseren met een diepte van circa 30 cm, waardoor een verlaging met een oppervlakte van 30 m2 gerealiseerd moet worden. Watergangen Zoals te zien in de afbeelding zijn nabij de planlocatie watergangen gelegen. Het betreffen B-watergangen. Er zijn geen A-watergangen en/of C-watergangen nabij de locatie gelegen. Ook is de locatie niet in overige aandachtsgebieden gelegen. Werkzaamheden in de betreffende watergangen of de bijbehorende beschermingszone zijn vergun­ ning- en/of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A-watergangen is die strook 5 meter breed, gemeten uit de in­ steek. Voor B-watergangen is de strook 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermings­ zone. In de nabijheid van de planlocatie zijn watergangen aangeduid als B-watergang. Binnen 1 meter vanaf de insteek zullen hier geen activiteiten plaatsen.

24

Afbeelding 14: Uitsnede legger Waterschap De Dommel, rode omkadering betreft locatie beoogde loods 5.3.3

Conclusie

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap, omdat 600 m2 aan opper­ vlak gecompenseerd wordt, terwijl rekening houdend met de vrijstellingsregel slechts 100 m2 gecom­ penseerd hoeft te worden. 5.4

Gemeentelijk beleid

In deze paragraaf dient de aandacht te worden gevestigd op het beleid op het gebied van gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maat­ schappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. 5.4.1

Omgevingsvisie Reusel-De Mierden

Op 22 mei 2018 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Reusel-De Mierden vastgesteld. Deze omgevingsvisie (voorheen structuurvisie) beschrijft de ruimtelijke strategie voor Reusel-De Mierden met als doel om het leefmilieu van de gemeente substantieel te verbeteren. De omgevingsvisie bor­ duurt voort op de in 2013 vastgestelde toekomstvisie. Onderhavige locatie is op basis van de Kwaliteitenkaart gelegen ter plaatse van het kleinschalig agra­ risch cultuurlandschap, wat ontstaan is door de ontginningen ter plaatse van de gevestigde boerener­ ven aan de rand van de bebouwingskernen/clusters.

25

KWALITEITENKAART Krans van bossen met enkele heidecomplexen Oud agrarisch cultuurlandschap met afwisselend open kamers, laanbeplanting, houtwallen, bosrestanten en linten Beekdal, op een aantal plekken nog herkenbaar in het landschap Rationeel, agrarisch ontwikkelde, jonge heideontginning met rechte, beplante wegen

-T* Historische lintbebouwing en/of buurtschap Dorpen met basis voorzieningenpakket

Afbeelding 15: Uitsnede omgevingsvisie Op basis van de kaart van topotijdreis en op basis van het oorspronkelijk bouwjaar van omliggende boerderijen, lijkt het landschap qua typologie beter aan te sluiten bij een jonge heide ontginningenlandschap. De oudste boerderij is opgericht omstreeks 1910 en de meeste boerderijen zijn gevestigd in de jaren ’50. Na de introductie van de kunstmest hadden de heidevelden geen functie meer in het landbouw­ systeem. Na 1900 zijn dan ook tal van jonge heideontginningen uitgevoerd, waarbij nieuwe wegen werden aangelegd en nieuwe boerderijen werden gebouwd. Zo ook de Hulselsche heide. In de omge­ ving zijn locaties grotendeels in agrarisch gebruik, met een accent op (intensieve) veeteelt. Door schaalvergroting in de landbouw domineren de agrarische bedrijfsgebouwen in het landschap, waarbij een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing veelal ontbreekt: de grote, meestal solitair gelegen agrarische erven liggen vaak ‘kaal’ in het landschap.

Afbeelding 16: uitsnede topotijdreis d.d. 1915, rode omkadering betreft te planlocatie

26

Doordat onderhavige locatie gelegen is midden in een voormalig landbouwontwikkelingsgebied, ken­ merkt de omgeving zicht door (grootschalige) veehouderijbedrijven, welke afgewisseld worden door voormalige agrarische bedrijfslocaties. Door schaalvergroting in de landbouw ontbreken landschapselementen. Bij het ontwerp van de land­ schappelijke inpassing zal uitgegaan worden van: Kleinschalige beplantingselementen zoals beplante akkerranden, houtwallen en lanen; Vrijkomende agrarische bebouwing, welke niet noodzakelijk is wordt gesloopt. Overgang tussen agrarisch cultuurlandschap en jonge heideontginning is nu minder goed herkenbaar door verdwijnen kleinschalige beplantingselementen, kleinschaligheid terugbrengen. Ruimtelijke meerwaarde De ontwikkeling naar een kleinschalig mechanisatiebedrijf zorgt voor een stevige impuls in het land­ schap. De initiatiefnemer is voornemens om te investeren in landschappelijke inpassing om de gebiedskwaliteiten te versterken. Het behouden van dezelfde hoeveelheid aan bebouwing wordt noodzakelijk geacht voor de uitvoering van het bedrijf. Uitgangspunt is dat de bebouwing en de massa van bebouwing passend moet zijn in de omgeving. Gezien de aanwezigheid van veel grote veehouderijbedrijven is een 600 m2 aan bedrijfsbebouwing in de vorm van een nieuwe loods passend, rekening houdend met het gegeven dat 600 m2 aan oude bebouwing gesloopt wordt.

Hierbij wordt opgemerkt dat voor de inpassing van het terrein extra aandacht besteed moet worden. Er moet dus een duidelijke kwalitatieve meerwaarde ge­ geven worden. In de bijlage is een landschappelijke inpassing gemaakt, in deze landschappelijke inpassing is aan­ dacht besteed aan de ruimtelijke inpasbaarheid van het gebouw in relatie tot de massa. Op basis van alle maatregelen die genomen zijn kan geconcludeerd worden dat de beoogde massa passend is op de locatie. Sociale meerwaarde De beoogde ontwikkeling zorgt voor een stevige impuls in het verenigingsleven alsmede de leefbaar­ heid van Hulsel. Hulsel betreft een klein dorp met circa 800 inwoners. Hulsel is een dorp wat altijd heeft moeten - en zal blijven vechten - om de leefbaarheid te behouden. Door het aantrekken van een voormalige bewoner, wordt direct een meerwaarde gecreëerd aan het dorpsleven in Hulsel. In economisch opzicht is het niet meer mogelijk om een veehouderij te ontwikke­ len op de locatie. Met het kleinschalige wordt wel geïnvesteerd in sponsoring van het verengingsleven Hulsel. Initiatiefnemer levert in sociaal en financieel opzicht een bijdrage aan de leefbaarheid in Hul­ sel. Op de Nota Ruimtelijke kwaliteit, Landschapsinvesteringsregeling De Kempen en de Erfgoednota ge­ meente Reusel-De Mierden wordt ingegaan in hoofdstuk 6.

Uit dit hoofdstuk blijkt dat het beoogde ini­ tiatief passend is binnen de genoemde beleidskaders. 5.4.2

Conclusie

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Reusel-De Mierden, omdat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan een vitaal buitengebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=c75b69b2-cb04-4279-a634-c377b7aceee0