CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[25.11341] Ruimtelijk onderbouwing Bopa - Bladelsedijk 4

Gemeenteraad 1 juli 2025, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning voor het toestaan van een kleinschalig mechanisatiebedrijf op de locatie aan de Bladelsedijk 4 in Hulsel.17.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

27

6.

Fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse as­ pecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagra­ fen worden onderverdeeld. In dit hoofdstuk is de verantwoording opgenomen van de beleidskaders en instructieregels van Rijk, provincie en gemeente. ^ Waarborgen veiligheid; ^ Beschermen van waterbelangen; ^ Beschermen van de gezondheid en van het milieu (g 5.1.4 Bkl). Dit betreft: o kwaliteit van de buitenlucht; o geluid door activiteiten; o geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen; o geluid rond luchthavens; o trillingen; o slagschaduw van windturbines; o bodemkwaliteit; o geur. ^ Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recre­ atiegebieden; ^ Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijks­ vaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; Deze onderwerpen worden in het navolgende verantwoord. 6.1

Landschap en stedenbouw

6.1.1

Nota Ruimtelijke kwaliteit, deel buitengebied

De gemeenteraad heeft op 2 november 2021 de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit, deel Buitengebied’ (NRKbuitengebied) vastgesteld. De NRK-buitengebied bevat het geactualiseerde welstandsbeleid voor het buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden. In de herziening van de welstandsnota wordt niet meer alleen gekeken naar de gebouwen maar ook naar de kwaliteit van de omgeving en landschap­ pelijke inpassing. De NRK-buitengebied wordt gekenmerkt door een meer open houding, waarbij niet toetsen en verplichten, maar inspireren, voorlichten, stimuleren en begeleiden centraal staan. De NRK vormt ook het kader voor landschappelijke inpassingsplannen bij ontwikkelingen in het buitengebied of in de kernrandzones/overgangsgebieden. De NRK-buitengebied wordt gekenmerkt door een meer open houding, waarbij niet toetsen en ver­ plichten, maar inspireren, voorlichten, stimuleren en begeleiden centraal staan. In samenspraak met de initiatiefnemer vormt ruimtelijke kwaliteit onderdeel van een goede gebiedsontwikkeling/plan. De NRK-buitengebied onderscheid een viertal landschapstypen in het buitengebied van Reusel-De Mierden, volgens de Omgevingsvisie: de bos- en heidegebieden, de oude agrarische cultuurland­ schappen, de beekdalen en de jonge heideontginningen. Het projectgebied is gelegen in het overgangsgebied van de jonge heideontginningen en het oud agrarisch cultuurlandschap.

Verder is locatie gelegen aan de Bladelsedijk. Dit betreft een kasseienweg met beeldbepalende eikenbomen en een losgelegen fietspad. Op de bedrijfslocatie is sprake van een kleinschalige agrarische bedrijfslocatie, welke daarnaast ook wordt gebruikt voor statische opslag. De bestaande gebouwen zijn parallel aan de weg gerealiseerd. Het erf is gelegen is een kaal ogend landschap en er zijn een de omgeving geen kenmerkende landschapselementen aanwezig. De ontwikkeling naar een kleinschalig mechanisatiebedrijf zorgt voor een stevige impuls in het land­ schap. De initiatiefnemer is voornemens om te investeren in landschappelijke inpassing om de gebiedskwaliteiten te versterken in combinatie met de sloop van oude bebouwing.

28

Gezien de aanwezigheid van veel grote veehouderijbedrijven is een 600 m2 aan bedrijfsbebouwing in de vorm van een nieuwe loods passend, rekening houdend met het gegeven dat 600 m2 aan oude be­ bouwing gesloopt wordt. Het ontwerp van de beoogde loods is weergegeven in Bijlage 1.

Afbeelding 17: Beoogde situering Uitgangspunt is dat de bebouwing en de massa van bebouwing passend moet zijn in de omgeving qua situering, materialiseren en inpassing. Deze zaken zijn verduidelijkt in het inpassingsplan. De be­ oogde goothoogte wijkt af van de uitgangspunten van de Nota ruimtelijke kwaliteit. Hieronder wordt de noodzaak en de inpasbaarheid van deze afwijking nader toegelicht. Noodzakelijkheid goothoogte Voor het realisaren van een veilige werkruimte, voor het onderhouden van machines is een kraanbaan benodigd. Het veilig optillen van zware onderdelen is noodzakelijk om het risico op bedrijfsongevallen (Arbo-technisch verantwoord) te minimaliseren. Met de kraanbaan kunnen zware onderdelen, zoals gieken opgetild en vastgehouden worden. Het gebruiken van andere hulpmiddelen om deze onderde­ len vast te houden, zoals heftrucks of verreikers is risicovol omdat machines motorisch onder druk worden gehouden. Bij het eventueel wegvallen van druk kan dit leiden tot een fatale situatie. Iets wat ten alle tijden voorkomen moet worden. Voor een functionele loods met een kraanbaan, welke toegankelijk is met een verreiker/tractor dan wel vrachtwagen met verreiker/tractor, is een goothoogte van 6,0 meter noodzakelijk. Reden hiervoor is dat de overheaddeur boven de kraanbaanligger moet draaien.

De overheaddeur onder de kraanbaan plaatsen is niet wenselijk omdat dan de deur in conflict komt met de werkbaarheid van de kraanbaan. De minimale hoogte van de deur betreft 5,0 meter voor een veilige toegang (rekening houdend met een veiligheidsmarge van uitgeschoven delen van verreikers). Hierboven is circa 1,0 meter vrije ruimte

29

noodzakelijk voor de constructie van de kraanbaan en daarboven wordt een halve meter aangehou­ den voor de spanten en de uitvoer van de roldeur. Waarom een hogere goothoogte en een andere verhouding van het dakvlak passend is in een veranderende groenere wereld In de Kempen werd vroeger op bedrijven aanvankelijk zowel akkerbouw als veeteelt bedreven: het ge­ mengde bedrijf. De boeren moesten zowel over bouwland als over wei- en hooiland beschikken. Door verschillen in hoogteligging, waterhuishouding, begroeiing en bodemgesteldheid kon de landbouw niet overal op dezelfde wijze worden vormgegeven. Op subtiele wijze is gebruik gemaakt van de verschei­ denheid aan mogelijkheden en zo in het landschap een afwisseling in inrichting en landschapsbeeld tot stand gebracht. Soms dwongen de omstandigheden de boeren tot specialisatie. De landbouw in de zandgebieden, die lang afhankelijk was van de uitgestrekte heidevelden, veranderde drastisch van karakter in de negen­ tiende eeuw door de verdeling van deze gemeenschappelijke gronden. De heidevelden werden gro­ tendeels omgezet in bossen en landbouwgronden. In de twintigste eeuw zijn grote delen van het Ne­ derlandse landschap grootschalig veranderd door de ruilverkavelingen. Aanvankelijk was het doel vooral het verbeteren van de agrarische productieomstandigheden.

Na de tweede wereldoorlog is landbouw sterk veranderd, met als uitgangspunt dat we nooit meer hon­ ger hoeven te leiden. Met de Tweede Wereldoorlog vers in het geheugen, was dit tijdens de wederop­ bouw een uitgangspunt en basisvoorwaarde voor alle handelingen en besluiten. Technologische voor­ uitgang (industrialisatie) door machines die het werk uit handen namen, het intensiveren van veehou­ derij, het gebruik van kunstmest, het praktischer indelen van het landschap zorgde voor ‘normalere’ werktijden en min of meer gegarandeerde inkomsten door de vastgelegde prijzen. Uiteindelijk leidde de schaalvergroting tot een grote daling van het aantal boerenbedrijven, maar wel tot een toename in opbrengst en areaal per boer. De veehouderijsector is door de aanwezigheid van veel ‘arme’ zandgronden sterk vertegenwoordigd in de gemeente. De gemeente Reusel-De Mierden heeft dan ook een van de meest veedichte gebieden van Nederland. Vanuit stedenbouwkundig perspectief heeft dit ook een grote invloed gehad. In de gemeente ReuselDe Mierden is de meeste bebouwing aanwezig in de vorm van stallen. Door de schaalvergroting zijn dit grote gebouwen met een lage goothoogte en een groot dakvlak. De agrarische sector is echter in transitie, steeds meer komt de focus te liggen op plantaardige teel­ ten. Middels hightech machines wordt uitvoering gegeven aan deze sector.

Om uitvoering te kunnen geven aan akkerbouwbedrijven en agrarisch verwant activiteiten (agrarische machines) zijn loodsen nodig ten behoeve van stalling en onderhoud en loodsen om landbouwproducten op te slaan. Door de omvang van machines (grootte) en de ruimtebehoefte om deze akkerbouwproducten en ma­ chines op te stallen en onderhouden neemt de behoefte voor bebouwing met een grotere goothoogte toe. Met name bij stallingsloodsen van machines is het dakvlak over het algemeen kleiner omdat deze loodsen minder breed zijn. Ook voor initiatiefnemer, welke deze landbouwmachines onderhoudt, is een grotere goothoogte nood­ zakelijk. Het toepassen van een grotere goothoogte en een verhouding van een ander dakvlak is ge­ zien het vorenstaande verantwoordbaar op voorwaarde dat de nieuw te bouwen loods goed is inge­ past. Vanuit het NRK wordt een extra kwaliteitsverbetering vereist bij een afwijkende dak- en gevelverhouding. In de bijlage is de landschappelijke inpassing weergegeven, alsmede een tekening van de beoogde loods. Door een combinatie van situering op het achterterrein, het materiaalgebruik van bebouwing en het toevoegen van landschappelijke elementen, wordt een extra kwaliteitsverbetering toegevoegd waardoor de impact van de goothoogte en het gevelvlak naar de omgeving minimaal is.

Hiermee is het toevoegen van een klein mechanisatiebedrijf, met een loods met een hogere goot­ hoogte passend.

30

6.1.2

Landschapsinvesteringsregeling De Kempen

Een omgevingsplan buiten bestaand stedelijk gebied dient gepaard te gaan met een fysieke verbete­ ring van het landschap. Daarnaast dient te worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering ook fi­ nancieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle be­ bouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing. Deze vormen van kwa­ liteitsverbetering dienen dan ook te worden geborgd in het omgevingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie af­ spraken gemaakt. Deze eisen zijn door de gemeente Reusel- De Mierden, in samenwerking met een aantal andere ge­ meenten in de regio Zuidoost Brabant en de provincie, verwerkt in de “Landschapsinvesteringsrege­ ling De Kempen". De notitie betreft een afsprakenkader, waarin wordt geschetst op welke manieren met de eisen omtrent kwaliteitsverbetering kan worden omgegaan en wat het verwachtingsniveau is ten aanzien van de verwachte inspanning. In de notitie zijn een drietal categorieën opgesteld: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist.

Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimte­ lijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van land­ schappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteits­ verbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Uit de Landschapsinvesteringsregeling De Kempen blijkt dat de beoogde vergroting van het bouwvlak aangemerkt kan worden als een categorie 3-ontwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling is een robuust landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In Bijlage 2 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Uit de waardeverandering blijkt dat de waarde van de bestemming toeneemt met C10.000,In relatie tot de gewenste ontwikkeling moet 200Zo geïnvesteerd worden in het landschap ten opzichte van de waardevermeerdering. Op onderhavige locatie moet derhalve C 3.475,20 - geïnvesteerd worden in het landschap. Uit de kwaliteitsberekening, zoals bijgevoegd in Bijlage 3 blijkt dat hier ruimschoots aan voldaan wordt.

Naast de benoemde investeringen in aanplant wordt er ook geïnvesteerd: Boerenzwaluwtil met rustvoorziening; Realisatie halfverharding; Insectenhotel; Potdekselprofiel bij nieuwe loods; - Toepassen potdekselprofiel bij bestaande mantelzorgwoning. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verze­ kerd middels voorwaarden opgenomen in de Bopa. 6.2

Cultureel erfgoed

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Het erfgoedbeleid van de gemeente Reusel-De Mierden is vastgelegd in de Erfgoednota "Bouwstenen voor de toekomst", die op 13 juli 2021 werd goedgekeurd door de gemeenteraad. Deze nota heeft als

31

doel om het cultuurhistorische erfgoed van de gemeente te beschermen en te versterken, met oog voor de toekomst en de mogelijkheden voor duurzame ontwikkeling. In de nota worden de belangrijke uitgangspunten voor het erfgoedbeheer benoemd, waaronder het behoud van waardevolle gebouwen, landschappen en archeologische vondsten. Het beleid richt zich op het waarborgen van de culturele identiteit van de gemeente door het behouden van monumenten en het stimuleren van bewustzijn over het belang van erfgoed. De nota bevat ook richtlijnen voor het omgaan met het erfgoed in het licht van nieuwe ontwikkelingen en de groei van de regio. 6.2.1

Archeologie

De archeologische verwachtingen- en waardenkaart geeft een overzicht van alle bekende en ver­ wachte archeologische waarden en verwachtingen binnen het grondgebied van de gemeente ReuselDe Mierden waaraan het archeologische beleid van de gemeente is gekoppeld. Het archeologiebeleid van 2020 maakt onderscheid in 7 soorten archeologische waardem/verwachtingen ofwel gebiedscategorieën: 1. Categorie 1: Wettelijk beschermde archeologische monumenten; 2. Categorie 2: Gebieden van archeologische waarde; 3. Categorie 3: Historische kernen met een hoge archeologische verwachting; 4. Categorie 4: Gebieden met een hoge archeologische verwachting; 5. Categorie 5: Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting; 6. Categorie 6: Gebieden met een lage archeologische verwachting; 7. Categorie 7: Gebieden zonder archeologische verwachting. De zeven categorieën binnen het projectgebied zijn opgenomen op de opgestelde archeologische beleidskaart.

Afbeelding 18: Beleidskaart archeologie Onderhavige locatie is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hier­ bij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudens

32

waardige archeologische relicten uiterst klein wordt geacht. Op deze terreinen rusten geen beperkin­ gen ten aanzien van archeologie. De beoogde ontwikkeling is dermate klein van aard dat archeologische waarden niet worden ver­ wacht. 6.2.2

Cultuurhistorie

In 2020-2021 heeft de gemeente Reusel-De Mierden de erfgoedkaart laten actualiseren. Hierdoor zijn de archeologische verwachtingen- en waardenkaarten en de cultuurhistorische waardenkaarten ver­ der verfijnd. Doel van de erfgoedkaart is om het erfgoed een betere bescherming te kunnen geven via het omge­ vingsplan en/of erfgoedverordening, zoals in de Erfgoedwet staat omschreven. Bij de inventarisatie zijn niet alleen de nog zichtbare overblijfselen uit het verleden opgenomen, maar wordt vooral ook een overzicht van voormalige elementen en structuren met hun landschapsgenetische context, ongeacht de mate waarin deze thans aan de oppervlakte nog zichtbaar zijn, meegenomen. Om de relaties tus­ sen de fysieke ruimte en hetgeen in de loop van de eeuwen door de mens tot stand is gebracht te be­ grijpen, is verder een analyse gemaakt van zowel fysische (reliëf en bodem) als antropogene (grond­ gebruik, bewoning, percelering) landschapscomponenten en hun samenhang. Dit biedt de mogelijk­ heid om gericht archeologische waarden te beschermen, maar ook om de planvorming te adviseren over het bewaren en eventueel herstellen van cultuurhistorische waarden. Daarbij moet niet alleen ge­ dacht worden aan stedenbouwkundige plannen, maar ook aan de planning rond landinrichting en na­ tuurbeheer en natuurbouw. Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in een gebied met cultuurhistorische waarden.

De locatie is echter wel ontsloten aan de Bladelsedijk. Dit betreft een historische kasseiweg (historische lijn) met historisch groen. In de beoogde wijzigt de ontsluiting van het terrein niet, waardoor de ontwikkeling geen negatieve impact heeft op de aanwezige cultuurhistorische waarden aan de Bladelsedijk.

Afbeelding 19: Uitsnede cultuurhistorische kaart, rode omkadering betreft het projectgebied 6.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect cultureel erfgoed, is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, omdat er geen sprake is van verstoring, ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten 33

6.3

Beschermen van de gezondheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: ^ het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het ver­ lenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) ^ het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezond­ heid). 6.3.1

Wettelijk kader

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en ge­ zonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omge­ vingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Betrek bij de motivering de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet en licht toe hoe dit aspect zich verhoudt tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beargumenteer vanuit dat oogpunt dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert dan wel niet (onevenre­ dig) verslechtert. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem.

Deze aspecten worden in de hiernavol­ gende paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omge­ vingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. De maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet, zoals het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, zijn cruciaal bij de motivering van de besluitvorming. Dit impliceert dat elke activiteit die wordt ondernomen, moet bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving of ten minste niet onevenredig mag verslechteren. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties speelt hierbij een centrale rol, omdat het belangrijk is dat de locatiekeuze van een activiteit bijdraagt aan een optimale leefomgeving.

Bij het realiseren van een kraanbaan voor het onderhouden van machines wordt bijvoorbeeld nadruk­ kelijk aandacht besteed aan de veiligheid en gezondheid. Het gebruik van de kraanbaan vermindert de risico's op bedrijfsongevallen aanzienlijk in vergelijking met het gebruik van heftrucks of verreikers, die risicovoller zijn doordat ze motorisch onder druk worden gehouden. Door deze verbeterde veilig­ heidsmaatregelen wordt niet alleen de directe werkplek veiliger, maar wordt ook een bijdrage geleverd aan een gezonde fysieke leefomgeving. Verder wordt de loods geïsoleerd en worden de noodzakelijke milieukundige voorzieningen gereali­ seerd waardoor eventuele vervuilingen en daarmee gezondheidsrisico voorkomen worden. Daarnaast draagt dit initiatief op verschillende manieren bij aan de verbetering van de gezondheid van omwonenden door specifieke maatregelen die gericht zijn op het voorkomen van gezondheidsrisico’s en het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De aandacht voor de gezondheid van de omwonenden is dan ook een integraal onderdeel van het ontwerp en de uitvoering van dit project. Om de milieubelastende activiteiten te minimaliseren, worden de volgende maatregelen getroffen: ^ Adequate opslag en afvoer van gevaarlijke afvalstoffen in gesloten voorzieningen.

34

^ ^ ^ 6.3.2

Investeren in energiezuinige apparatuur en hernieuwbare energiebronnen middels de installa­ tie van zonnepanelen. Regelmatige inspectie en onderhoud van apparatuur om lekkages en emissies te voorkomen. Geluiddempende maatregelen door het uitvoeren van onderhoud inpandig. Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, omdat met de ontwikkeling ter plaatse een veilige werkomgeving wordt gecreëerd, waarbij daarnaast aandacht wordt besteed aan het nemen van milieukundige voorzieningen zodat overlast of vervuilingen voorkomen worden. 6.4

Milieubelastende activiteiten I activiteiten en milieuzonering

Het begrip “milieubelastende activiteit” (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. Het Bal wijst in hoofdstuk 3 een aantal mba’s aan waarvoor het Rijk algemene regels stelt. Deze sub­ groep mba’s duiden we verder aan als ‘Bal-mba’s’. In deze paragraaf worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden gere­ geld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omge­ vingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan zijn opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld “Milieubelastende activiteiten” en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van “activiteiten”.

Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee “milieubelas­ tende activiteiten” worden bedoeld. Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: ^ Op welke manier gemeente een keuze heeft gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit bin­ nen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten. ^ Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. In de navolgende paragrafen worden geluid, kwaliteit van de buitenlucht, geur en bodemkwaliteit na­ der uitgewerkt. Optioneel moeten ook de aspecten lichthinder, trilling en spuitzones worden uitge­ werkt. Dit is ter beoordeling aan de initiatiefnemer/adviseur. 6.5

Geluid door activiteiten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.). Let op dat in deze paragraaf getoetst moet worden op het gemeentelijk geluidbeleid: de Beleidsregels geluid onder de Omgevingswet gemeente Reusel-De Mierden: https:ZZlokaleregelgeving.overheid.nlZCVDR713794Z1 6.5.1

Geluid door wegen en industrieterreinen

Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afwe­ ging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste ge­ luidskwaliteit vorm. Tot op heden is dit nog niet gebeurd, wel heeft de gemeente beleidsregels vastge­ steld (zie inleiding van paragraaf 6.4).

35

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoor­ wegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescher­ ming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en lo­ caties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: ^ het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; ^ het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; ^ het bevorderen van bronmaatregelen; ^ het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron.

Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wet­ telijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterrei­ nen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorza­ ken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waar­ onder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond wonin­ gen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voor­ gevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in para­ graaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan lo­ caties. Onderzoek De bedrijfsactiviteiten van initiatiefnemers zijn primair gericht op het stallen en onderhouden van ma­ chines. Dit vind plaats inpandig in een geïsoleerde loods, waardoor de uitstraling van geluid zeer be­ perkt is. Enkel het rangeren en reinigen van voertuigen vindt uitpandig plaats.

deze activiteiten vinden beperkt plaats en de afstand tot dichtstbijzijnde woning (Bladelsedijk 5) bedraagt minimaal 100 meter. Van dat het legitiem is om de concluderen dat akoestiek en daarmee de geluidwaarden vanuit het om­ gevingsplan niet overschreden worden. 6.5.2

Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, omdat met het be­ oogde plan ingezet wordt op het inpandig uitvoeren van bedrijfsactiviteiten in een geïsoleerde loods. Ook is er geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. 6.6

Kwaliteit van de buitenlucht

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.6.1

Wettelijk kader

36

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instruc­ tieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ^ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de in­ werkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ugZm3. Dat is 30Zo van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van ge­ wassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBMtool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl.

Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoor­ deeld: ^ bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ ^ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij mini­ maal 100 meter toeneemt; ^ bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 6.6.2

Onderzoek

In onderhavige situatie is hoofdzakelijk sprake van het inpandige onderhoud van (landbouw)machines. Gezien de beperkte omvang van de bedrijfsactiviteiten zijn de activiteiten met vrachtverkeer beperkt. Initiatiefnemer voert onderhoud uit bij machines. Een gedeelte op locatie en gedeelte op eigen locatie. Die laatste is hoofzakelijk bij complexere reparaties. Uitgaande van gemiddeld 9 zware vrachtbewegingen en 21 lichte voertuigbewegingen is een worst-case scenario. Uit onderstaande NIBM-berekening blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekende mate is.

37

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaarvan planrealisatie

2026

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

30

Aandeel vrachtverkeer

30,0*^

NO2 in pg/m3

0,12

PM10 in pg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Afbeelding 20: NIBM 6.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, omdat de activiteiten dusdanig beperkt zijn dat er geen sprake is van een negatieve impact op omliggende func­ ties. 6.7

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.7.1

Wettelijk kader

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, ge­ zondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Let op dat er ook een toetsing plaatsvindt aan de Beleidsregel defini­ tie geurgevoelig gebouw Reusel-De Mierden 2024: https://lokaleregelgeving.overheid.nlZCVDR713772Z1 Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder ver­ oorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron.

Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoorde­ len van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. 6.7.2

Onderzoek

Onderhavige ontwikkeling ziet specifiek op de realisatie van een bedrijfsloods bij een mechanisatiebedrijf en akkerbouwactiviteiten, welke wordt uitgevoerd door de hoofdbewoner welke in de bedrijfswo­ ning woont. Een dergelijke bedrijfshal betreft geen geurgevoelig gebouw. Geurgevoelige gebouwen betreffen in ieder geval wonen, onderwijs of zorg. Van voorgenoemde is geen sprake. De activiteiten van initiatiefnemer zijn voor een groot deel gericht c.q. gelieerd aan de agrarische sector. Tot slot vin­ den de activiteiten gedeeltelijk plaats bij derden. Indien er vanuit de locatie gewerkt wordt vindt dit hoofdzakelijk plaats inpandig in geconditioneerde werkomstandigheden. 6.7.3

Te treffen maatregelen

Omdat er geen sprake is van een geurgevoelig gebouw is het nemen van maatregelen niet nodig.

38

6.7.4

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, omdat de ontwikke­ ling voorziet op een niet geurgevoelige functie. 6.8

Bodemkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.8.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opge­ nomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden vol­ staan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/na­ tuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bo­ dem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; ^ beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; ^ evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; ^ duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantas­ tingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opge­ nomen in bijlage Vb van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bou­ wen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

De beoordeling van de mogelijke aanwe­ zigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig ge­ bouw. 6.8.2

Onderzoek

Bij activiteiten in de fysieke leefomgeving is het uitgangspunt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. In het kader van een goede fysieke leefomgeving is het daarom van belang om te kijken of de toekomstige functie van het gebied niet in strijd is met de kwaliteit van de bodem. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe gevoelige activiteit gerealiseerd, namelijk het wer­ ken in een werkplaats voor meer dan 2 uur. Voor de beoogde ontwikkeling wordt een verkennend bo­ demonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 4. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen bodemveront­ reinigingen zijn aangetroffen ter plaatse van de beoogde gevoelige activiteit. Verder worden voldoende bodembeschermende voorzieningen en maatregelen ter plaatse van de loods om eventuele verontreiniging te voorkomen, zoals het gebruik van vloeistofkerende vloeren ter plaatse van de stalling van materieel. De combinatie van maatregelen en voorzieningen hebben tot doel om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren voor de duur van de bedrijfsmatige activitei­ ten. Het uitvoeren van een historisch bodemonderzoek is derhalve niet benodigd. Daarnaast worden de noodzakelijke bodembeschermende voorzieningen genomen. Bodembeschermende voorzieningen zijn nodig bij activiteiten waarbij bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten.

Het zijn fysieke constructies om bij morsingen en lekkages het versprei­ den van bodembedreigende stoffen naar de bodem tegen te gaan. Doel is bodemverontreiniging voor­ komen. In de beoogde situatie is sprake van een combinatie van maatregelen. Ten eerste worden de machi­ nes inpandig onderhouden waardoor inregening voorkomen wordt, tevens worden de machines ge­ stald op een vloeistofdichte voorziening. Hierdoor worden voldoende maatregelen getroffen om de bo­ dem te beschermen. 39

6.8.3

Te treffen maatregelen

In deze paragraaf worden de (eventuele) te treffen maatregelen benoemd naar aanleiding van het on­ derzoek. 6.8.4

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, omdat ter plaatse van het beoogde gebruik van het mechanisatiebedrijf voldoende maatregelen worden getroffen om een eventuele verstoring van bodem tegen te gaan. 6.9

Wegen, verkeer en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. 6.9.1

Wettelijk kader

De toename aan functies zorgt voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moe­ ten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 6.9.2

Onderzoek

Het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) van Reusel-De Mierden kent een flexibele, mo­ dulaire opbouw. Er is een inventarisatie en evaluatiedocument opgesteld. Vervolgens is een verkeersvisie opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad. De verkeersvisie krijgt een doorvertaling in acht modules, waarin het beleid is uitgewerkt. Er zijn vervolgens maatregelen benoemd, die worden samengevoegd in een integraal maatregelenpakket. In module 5 Vracht- en Landbouwverkeer, is de visie en beleid op zwaar verkeer nader uitgewerkt. In de visie onderscheid gemaakt tussen landbouwvoertuigen en vrachtverkeer, zwaar verkeer genoemd. Landbouwvoertuigen rijden vooral lokaal en beperktere afstanden. Vrachtverkeer (inclusief landbouw gerelateerd vrachtverkeer) rijdt langere afstanden en is vooral iets dat in samenwerking met de regio opgepakt moet worden. Onderhavige locatie is gelegen aan routes voor zwaar verkeer buiten de ker­ nen om. Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande inrit te behouden. In de beoogde situatie worden der­ halve geen nieuwe inritten mogelijk gemaakt. De bestaande inrit betreft een inrit welke conform de huidige ontwerpprincipes wenselijk is. De verkeersafwikkeling van het bedrijf bestaat in hoofdzaak uit het aan- en afvoeren van defecte ma­ chines of machines die onderhouden moeten worden.

Gezien de beperkte omvang van het bedrijf zijn de vervoerbewegingen beperkt tot maximaal 6 zware bewegingen per dag. Gemiddeld genomen zul­ len er circa 4 bewegingen per dag plaatsvinden. De voertuigen verlaten de inrichting via de Bladelsedijk. De Zijstraat wordt geclassificeerd als gebiedsontsluitingsweg type II. Onderhavige weg is aangemerkt als een route voor zwaar vervoer en land­ bouwverkeer. Daarmee kan geconcludeerd worden dat onderhavig initiatief optimaal gelegen is qua vestigingsloca­ tie.

40

Afbeelding 21: Uitsnede module 5 Vracht- en Landbouwverkeer uit het GVVP, rode omkadering be­ treft de projectlocatie Verder is het noodzakelijk dat op eigen terrein voldoende parkeervoorziening aanwezig zijn. De landelijk gehanteerde parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 zijn leidend voor de gemeente Reusel-De Mierden. De gemeente hanteert het gemiddelde van de bandbreedte van de landelijke richtlijnen. Daarmee kan onderbouwd worden aangegeven welke parkeernorm is gebruikt en wat de verwachte parkeervraag is. CROW-publicatie 381 beschrijft ook hoeveel verkeersbewegingen be­ paalde ontwikkelingen tot gevolg hebben en is de basis voor het beoordelen van verkeerseffecten van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is genoeg ruimte nodig voor het manoeuvreren en rangeren van de machines en het parkeren (per­ sonenauto’s. Het parkeren zal niet plaatsvinden op of langs de openbare weg. De beoogde bedrijfs­ voering op locatie wordt conform de CROW-parkeernormen 381 (2018) als arbeidsextensief/bezoeker extensief bedrijf gezien. Er komen relatief weinig werknemers en relatief weinig bezoekers op het bedrijf. De totale bruto vloer­ oppervlakte van het bedrijfsgebouw bedraagt 865 m2. De locatie bevindt zich in het buitengebied. Daar geldt een minimale parkeernorm van 0,8 parkeerplaats per 100 m2 bvo en een maximale parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo.

Uitgaande van de gemiddelde parkeerbehoefte en een bedrijfsvloeroppervlak van 865 m2 zijn 9 parkeerplaatsen noodzakelijk. Deze parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het achterterrein.

41

Afbeelding 22: rode omkadering betreft de locatie van de beoogde parkeerplaatsen (minimaal 9 stuks) 6.9.3

Te treffen maatregelen

Om optimaal aan te kunnen sluiten op de bestaande ontsluitingsroute is getracht om op het eigen ter­ rein te voorzien in voldoende ranggeerruimte zodat nabij of op de weg of nabij de inrit niet gedraaid hoeft te worden tot slot worden op het achterterrein minimaal 7 parkeerplaatsen gerealiseerd. 6.9.4

Conclusie

Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, om­ dat de locatie gelegen is aan een ontsluitingsroute voor zwaar verkeer. Verder wordt gebruik gemaakt van de bestaande inrit, welke qua ontwerpeisen voldoet en op de locatie is voldoende ruimte voor te rangeren. 6.10

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. 6.10.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ^ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activi­ teiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. ^ Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). ^ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. ^ Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leef­ omgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van om­ gaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar.

In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwets­ bare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te 42

geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toege­ staan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouw­ werken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: ^ Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). ^ Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). ^ Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). ^ Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) 6.10.2 Onderzoek Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied be­ paalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Binnen het projectgebied van dit omgevingsplan buitengebied zijn de volgende aspecten aan de orde: 1. Buisleidingen; 2.

LPG-tankstations en overige risicovolle bedrijfslocaties; 3. Transport gevaarlijke stoffen over de weg. In de directe omgeving zijn geen buisleidingen, bedrijfslocaties of transport van gevaarlijke stoffen over de weg aanwezig. Verder zijn op de locatie over het algemeen genomen zelfredzame personen aanwezig.

Afbeelding 23: Uitsnede kaart externe veiligheid, rode omkadering betreft de bedrijfslocatie 6.10.3 Te treffen maatregelen De huidige locatie is goed bereikbaar en ontsloten. Bij een eventuele ramp zijn er voldoende opstelplaatsen aanwezig voor nood- en hulpdiensten. 6.10.4 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, omdat de locatie op grote afstand is gelegen van risicobronnen. Verder is de locatie goed ontsloten en wer­ ken op de locatie enkel personen die zelfredzaam zijn.

43

6.11

Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 6.11.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen groten­ deels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, re­ gels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en re­ gels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming Het Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aange­ meld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Euro­ pese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig heb­ ben. De overkoepelende naam voor deze gebieden is "Natura 2000-gebieď'. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied.

In Bijlage 5 is een voortoets uitgevoerd om te onderzoeken of de beoogde activiteiten significant nega­ tief zijn. Om dit in beeld te brengen zijn voor de gewenste inrichting de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat de toename van stikstofdepositie op geen van de Natura 2000-gebie­ den groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is derhalve geen sprake van een significant negatief effect op gevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied leidt de beoogde ontwikkeling verder niet tot andere voorkomende storende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste veran­ dering soortensamenstelling. Er is derhalve geen sprake van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Flora- en fauna-activiteiten zijn vaak het gevolg van andere activiteiten, zoals bouwen en slopen, De handelingen die een initiatiefnemer wil verrichten bij het uitvoeren van een project kunnen meer­ dere activiteiten omvatten. De flora- en fauna-activiteit heeft vaak een relatie de activiteit bouwen. Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het projectgebied, zie Bijlage 6.

De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herindeling van het per­ ceel, het plegen van nieuwbouw en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie plan­ ten- en/of diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wnb een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstan­ den die middels de Wnb zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van een beschermd Na­ tuur Netwerk. Op basis van onderhavige quickscan flora en fauna kan gesteld worden dat de geplande ingreep geen negatieve invloed zal hebben op wettelijk beschermde soorten en/of hun functies. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natuur Netwerk, waarvan de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet negatief beïnvloed mogen worden. Bij de realisatie van de voorgeno­ men plannen zal dit niet het geval zijn.

44

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen, dan wel in de nabijheid van, een natura 2000-gebied, waarvan de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet negatief beïnvloed mogen worden. Ook met betrekking tot houtopstanden worden geen bezwaren verwacht. 6.11.2 Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies, omdat er geen sprake is van verstoring. 6.12

Duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie. 6.12.1 Wettelijk kader De Omgevingswet benoemt specifiek de doelen duurzaamheid en natuur. Duurzaamheid en klimaatadaptie zijn onderdeel van de fysieke leefomgeving en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ontwikkeling betreft uitbreiding het realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw voor de uitvoering van een kleinschalig mechanisatiebedrijf. Daarnaast wordt een kwalitatieve landschappelijke inpassing ge­ realiseerd. De planontwikkeling levert dus o.a. een bijdrage aan de klimaatbestendigheid (realisatie waterstructuur) en biodiversiteit (landschappelijke inpassing). Waar mogelijk wordt door initiatiefnemer in de bedrijfsvoering duurzame energie toegepast, zoals de toepassing van zonnepanelen (energie­ transitie). Tot slot wordt er geïnvesteerd in de realisatie van de noodzakelijk bodembeschermende maatregelen zoals vloeistofdichte voorzieningen. 6.12.2 Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie is er sprake van een evenwich­ tige toedeling van functies, omdat initiatiefnemer hier fors in investeert. 6.13

Toetsing Besluit m.e.r./ m.e.r.-beoordeling

6.13.1 Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. 6.13.2 Conclusie De realisatie van een loods voor het uitvoeren van een kleinschalig mechanisatiebedrijf wordt niet aangemerkt als een activiteit die genoemd is in de SMB-richtlijn. Er is geen noodzaak voor het maken van een m.e.r.-beoordeling.

45

7.

Beperkingengebieden

7.1

Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aan­ wezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingen­ gebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het water­ staatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat voorheen de (beschermings)zones waren en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf. Een concreet voorbeeld van een beperkingengebied is een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld een primaire watergang of een A-watergang) inclusief de (beschermings)zones (onderhoudsstroken en eventueel natuurvriendelijke oevers). De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen beperkingsgebieden.

46

8.

Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid

8.1.1

Financieel economische haalbaarheid

Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de fi­ nanciële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastge­ legd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uit­ voerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 8.1.2

Kostenverhaal

Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt in het concrete geval niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Ook wel de beschik­ king bestuursrechtelijke geldschuld genoemd. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: ^ aangewezen bouwactiviteiten ^ aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waar­ voor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. Als gemeente en initiatiefnemer in een anterieure overeenkomst afspraken overeenkomen over kos­ tenverhaal, kan publiekrechtelijk kostenverhaal achterwege blijven. 8.1.3

Nadeelcompensatie

Wordt een omgevingsvergunning verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt? Zo ja, in dat geval is artikel 4.5 Awb van toepassing. Verantwoording van de kosten. Maken van een nadeelcompensatierisicoanalyse. 8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1

Omgevingsdialoog

Artikel 7.4 Or bevat aanvraagvereisten over participatie. Het aanvraagvereiste participatie geldt voor alle omgevingsvergunningen. Dus zowel voor: ^ de van rijkswege aangewezen vergunningplichtige activiteiten; en voor ^ de decentraal aangewezen vergunningplichtige activiteiten zoals opgenomen in een omge­ vingsplan (omgevingsplanactiviteitvergunningen). Eventuele participatie bij omgevingsvergunningen wordt door de aanvrager gedaan voorafgaand aan de aanvraag. In het voortraject zijn omwonenden betrokken. In de bijlage treft u de brief, welke reeds naar de omwonenden is gestuurd. Deze brief is verstuurd naar de woningen op de Bladelsedijk 1, 1A, 2, 3, 4 en 8 en de Hulselseweg 15. Uit deze dialoog met omwonenden is gebleken dat er tot op heden geen bezwaren zijn op de beoogde ontwikkeling. 8.2.2

Advies en instemming

De gemeenteraad heeft voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een lijst opgesteld waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies/instemming moet worden gevraagd. Op basis van het artikel 16.15a Omgevingswet heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om zichzelf als adviseur aan te wijzen met recht van instemming. Indien gebruik wordt gemaakt van het advies-/ instemmingsrecht bedraagt de beslistermijn twaalf weken. Indien advies is uitgebracht ofwel instem­ ming is gegeven motiveer welke aspecten zijn meegenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=1faddf5d-002c-464d-b495-b043b3d2aba0