24.24086 Bijlage 2 Rapport Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
Tekst van het document
Tegelijkertijd is er veel discussie over de administratieve vertaling van de inhoud, bijvoorbeeld over producten, beschrijvingen van producten, intensiteit en duur van de zorg. ^ Het CJG+ is goed aangesloten op de Vindplaatsen' van jeugdigen en gezinnen, zoals GGD en scholen en straks bij de huisartsen via een pilot. Zo is er op dit moment een pilot om de samenwerking met de huisartsen te versterken door een professional van het CJG+ te koppelen aan iedere huisarts. Tegelijkertijd zijn er nog potentiële verbeteringen in de samenwerking met voorliggende voorzieningen, zoals Cordaad Welzijn (jongerenwerk) maar ook met zorgaanbieders.
6.1 Hoe wordt er regionaal samengewerkt? Om de verschillende taken in de jeugdhulp goed te organiseren, bundelen gemeenten de krachten in regionale samenwerkingen, bijvoorbeeld voor de inkoop. In deze paragraaf worden de verschillende regionale samenwerkingen onder de loep genomen. Er is regionale samenwerking op drie niveaus De gemeente Reusel-De Mierden werkt samen in verschillende regionale verbanden: 1. Zuidoost Brabant (ZOB) Nederland is ingedeeld in 42 jeugdzorgregio's voor de regionale samenwerking tussen gemeenten in de jeugdzorg. ZOB is één van deze regio's. De deelnemende gemeenten hebben ervoor gekozen om Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (JB&JR), JeugdzorgPlus (JZ+), Crisis en Coördinatie Spoed Eisende Zorg, Veilig Thuis (VT), Beschermtafel en Regionaal Expert Team (RET) gezamenlijk te organiseren. Het betreft in totaal 21 gemeenten. 2. Samen voor Jeugd De regio ZOB bestaat wederom uit twee subregio's: tien voor de jeugd en Regio Samen voor Jeugd. Reusel-De Mierden valt onder de regio Samen voor Jeugd, met Eindhoven als grootste partner en centrumgemeente. De partners in Samen voor Jeugd zijn: ^ Eindhoven ^ Bergeijk, Bladel, Eersel, Reusel-De Mierden: subregio Kempengemeenten ^ Cranendonck, Heeze-Leende, Valkenswaard: subregio A2-gemeenten • Best, Oirschot: subregio BO-gemeenten Gezamenlijk kopen deze gemeenten specialistische jeugdhulp in.
De gemeente Eindhoven verzorgt voor Samen voor Jeugd de inkoop van de specialistische jeugdhulp. De gemeentelijke samenwerking is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
|
23 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Specialistische jeugdhulp is contractueel ingedeeld in specialistische jeugdhulp, hoogspecialistische jeugdhulp en jeugdhulp met verblijf. 3. Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten (GRSK) De afdeling maatschappelijke dienstverlening (MD) binnen de GRSK geeft dagelijks uitvoering aan verschillende opgaven in de jeugdhulp. Reusel-De Mierden heeft (in samenwerking met Bladel, Eersel en Bergeijk) een gezamenlijk Meerjarenbeleidskader (MJBK) (zie ook hoofdstuk 5). De afdeling Maatschappelijke Dienstverlening van GRSK stuurt in nauwe samenwerking met deze gemeenten op de beleidsdoelstellingen uit de MJBK. Bovendien wordt periodiek via de maraps en beraps gerapporteerd over de voortgang op het MJBK. Ook de gemeentelijke toegangspoort tot hulp en ondersteuning, het CJG+, valt onder de vlag van de GRSK. Meer over de werkwijze van het CJG is te lezen in paragraaf 6.2. Tabel 1 Rollen en verantwoordelijkheden regionale samenwerking
Oirschot
Beleid jeugdhulp
Inkoop
Toegang
Administratie
Gemeente
Samen voor Jeugd
Gemeente
GRSK
Oirschot
Oirschot
Eersel
GRSK
Samen voor Jeugd
GRSK
GRSK
Reusel- De Mierden
GRSK
Samen voor Jeugd
GRSK
GRSK
Bladel
GRSK
Samen voor Jeugd
GRSK
GRSK
De regionale samenwerking verloopt goed, maar vraagt veel afstemming Ondanks dat de samenwerking op verschillende niveaus is georganiseerd, verloopt deze over het algemeen soepel. Medewerkers weten elkaar goed te vinden en de "lijnen zijn kort". Dit heeft ermee te maken dat de rollen en verantwoordelijkheden helder zijn belegd voor de betrokkenen. Wel bestaan er (grote) verschillen tussen de verschillende subregio's in Samen voor Jeugd. Zo is de gemeentelijke toegang in Reusel-De Mierden (het CJG+) anders georganiseerd dan bij WIJeindhoven (in Eindhoven) of WIJzer (in Oirschot). Deze organisatiekeuzes hebben ook gevolgen voor de samenwerking in Samen voor Jeugd. Zo is recent het product "Multi" ingevoerd: een product voor gezinnen met multiproblem casuïstiek. De Kempengemeenten hebben ervoor gekozen om dit product niet in te kopen. Vanwege de werkwijze van het CJG+ hebben de Kempengemeenten de inschatting gemaakt dat het product Multi niet apart ingekocht hoeft te worden. Omdat zij werken met een Kempen Team Jeugd dat complexe casuïstiek oppakt en regie houdt op het gezin. Eindhoven, de A2-gemeenten en de BO-gemeenten hebben dit product wel ingekocht. Verschillende ingekochte producten maken het voor aanbieders ingewikkelder, omdat zij per (sub)regio aan verschillende eisen en voorwaarden moeten voldoen.
Sinds 1 januari 2023 werken de Kempengemeenten met het principe 'opnieuw verbinden'. Dat houdt in dat beleid en uitvoering meer los van elkaar georganiseerd zijn en er extra fte is bijgekomen in de beleidsuitvoering op jeugd bij de GRSK. Voor 1 januari 2023 waren beleidsmedewerkers jeugd van de gemeenten voor een aantal uur gedetacheerd bij de GRSK. Nu zijn deze rollen gescheiden en werken beleidsmedewerkers direct bij de GRSK én bij de individuele gemeenten, waaronder Reusel-De Mierden. Hoewel de rollen en verantwoordelijkheden helder zijn belegd over de verschillende niveaus, kost het volgens verschillende respondenten veel tijd om de "neuzen dezelfde kant op te houden". Het gaat bijvoorbeeld over de samenwerking tussen de beleidsmedewerkers van de gemeenten ten opzichte van de GRSK, ten opzichte van de verschillende subregio's en ten opzichte van de ZOB. Ook zijn er verschillende werkgroepen actief in de regio Samen voor Jeugd. Vanuit de subregio's worden medewerkers naar voren geschoven om hieraan deel te nemen namens de subregio. Tegelijkertijd gaat het hier dus wederom om een extra niveau van overleg en vraagt het dus om extra afstemming.
|
24 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
6.2 Hoe zijn de jeugdhulp (inclusief de toegang en verwijzing) en preventie georganiseerd? Inwoners van Reusel-De Mierden kunnen bij het CJG+ terecht met al hun vragen over opvoeden en opgroeien. De werkwijze en manier van organiseren zijn uniform voor de Kempengemeenten. ^ Vragen van inwoners komen binnen bij het team Toegang. Hier vindt een eerste vraagverheldering plaats om de situatie in kaart te brengen en te zoeken naar een passend vervolg. Professionals van het team kunnen zelf ook een aantal ondersteunende gesprekken voeren, verwijzen naar een algemene voorziening (denk aan het jongerenwerk of een vrijwilligersinitiatief) of’verwijzen' naar één van de andere onderdelen van het CJG+. Team Toegang verzorgt ook het administratieve aspect, waaronder het opmaken van de beschikking en het contact met de zorgaanbieder over een specifiek product. ^ Bij hulp en ondersteuning vanuit het CJG+ is het Lokaal Ondersteuningsteam (LOT) aan zet. Zo biedt het LOT bijvoorbeeld begeleiding aan jeugdigen en gezinnen. Bovendien maken de professionals van het LOT deel uit van het netwerk in Reusel-De Mierden. Denk aan de verbinding met de kinderopvang, het onderwijs en (sport)verenigingen. Het LOT probeert bij alle 'vindplekken'verbinding te krijgen. ^ Complexe casuïstiek, waar vaak veiligheidsvraagstukken spelen, komen terecht bij het Kempen Team Jeugd (KTJ).
Professionals van het KTJ bieden zelf hulp en ondersteuning aan deze gezinnen, al dan niet aangevuld met jeugdhulp van een zorgaanbieder. Het gaat bijvoorbeeld over casuïstiek waarbij (een complexe) echtscheiding een rol speelt. Het LOT en het KTJ waren al vanaf het begin onderdeel van het CJG+. In de eerste jaren na de decentralisatie handelde het LOT vooral de enkelvoudige vragen af en pakte het KTJ de meervoudige vragen op. In de praktijk bleek dat de ondersteuners van het LOT en het KTJ met een dubbelrol bij de gezinnen werkten. Aan de ene kant als begeleider van het gezin, maar ook als verwijzer. Bovendien hadden ze de administratieve taken (beschikking en bepalen van het product) en hadden de ondersteuners hierover contact met de zorgaanbieder. Met de invoering van het team toegang zijn de rollen en verantwoordelijkheden tussen verwijzer en (ambulant) begeleider meer gescheiden en worden de ondersteuners administratief ontzien. Professionals van het CJG+ voeren casusregie. Dit betekent dat de (verschillende) hulp gecoördineerd wordt en waar nodig wordt op- en afgeschaald. In het geval dat 'alleen' jeugdhulp door een zorgaanbieder wordt geboden (en geen ondersteuning vanuit CJG+), dan houden professionals van het team toegang de vinger aan de pols. In andere gevallen zijn de ondersteuners van het LOT of KTJ casusregisseur.
Het hangt van de complexiteit en/of de veiligheidssituatie af of regie wordt gevoerd vanuit het LOT of KTJ. Het feit dat het CJG+ casusregie biedt, zorgt voor een hoge caseload. Bovendien heeft het CJG+ voor ondersteuning vanuit het LOT of KTJ soms een wachtlijst; doorgaans niet of zeer kort. Ook zorgaanbieders kampen met wachtlijsten, waardoor professionals van het CJG+ regelmatig overbruggingszorg moeten bieden. Dit legt wederom druk op de wachtlijsten bij het CJG+. Op het gebied van preventie worden er allerlei initiatieven ontplooid. Zoals het IJslands model voor alcohol- en middelengebruik en de inzet van jeugdcoaches. Door de samenwerking tussen de GGD en CJG+ kunnen ouders, leerlingen en docenten met vragen direct op school terecht. Een deel van de voorzieningen zijn Kempen breed (of zelf op het niveau van 21voordejeugd) georganiseerd zoals buurtgezinnen, Storm en Stichting Leergeld. In de volgende paragraaf wordt de samenwerking tussen het CJG+ en maatschappelijke partners onder de loep genomen.
|
25 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
6.3 Op welke wijze vindt er regie en aansturing van de uitvoering plaats? Er is veel kennis en expertise bij CJG+, maar ook discussie over de administratieve vertaling van de inhoud Een groot deel van de externe respondenten (zoals zorgaanbieders) prijzen de professionaliteit van de medewerkers van het CJG+, die volgens geïnterviewden ten opzichte van andere gemeentelijke toegangen - waar vaak alleen wordt doorverwezen naar maatwerkvoorzieningen - veel meer kennis en expertise hebben. Dit maakt dat bijvoorbeeld zorgaanbieders inhoudelijk goed kunnen sparren met de professionals van het CJG+. Bovendien voorkomt het zelf hulp verlenen door het CJG+ dat direct doorverwezen moet worden naar duurdere hulp. Wel zijn er in dit onderzoek signalen afgegeven dat de samenwerking aan de achterkant, dus waar het gaat om administratie en verantwoording, niet altijd even soepel verloopt. Wanneer een indicatie afloopt, dient de cliënt contact op te nemen met het CJG+ om gezamenlijk (in overleg met de zorgaanbieder) te onderzoeken of wederom hulp nodig is en in welke vorm. Bepaalde organisaties ervaren dat hun administratieve beoordeling regelmatig 'in twijfel wordt getrokken' door de medewerkers van het CJG+. Dit leidt tot discussies over producten (en definities van producten), intensiteit en zorgzwaarte.
Vooral kleinere organisaties hebben hier veel last van, omdat zij door hun lage overhead hier relatief veel tijd aan kwijt zijn. Tegelijkertijd raakt het ook grotere organisaties, die te maken krijgen met verschillende werkwijzen en inkoopafspraken tussen (sub)regio's. In de gevoerde gesprekken komt ook regelmatig de verwondering naar boven dat het product "Multi" voor complexe casuïstiek niet is ingekocht voor de Kempengemeenten. De relatie en wijze van verantwoording worden veelal getypeerd door respondenten als een gevoel van wantrouwen van de gemeenten, bijvoorbeeld door het hoge aantal verantwoordingsgesprekken of de discussies op productniveau. Er is voor verschillende respondenten ruimte voor verbetering in het gebruik van elkaars kennis en expertise, gebaseerd op vertrouwen. Het gaat over de samenwerking tussen CJG+ en zorgaanbieders, maar ook over de samenwerking met voorliggende voorzieningen. Tegelijkertijd is er zelden discussie tussen CJG+ en maatschappelijke partners wat er inhoudelijk nodig is in een gezin. De discussie gaat nadrukkelijk over de administratieve vertaling van de inhoud naar een product, doorlooptijd en intensiteit. Het gaat bijvoorbeeld over eigenschappen die aan een product zijn gekoppeld, zoals het aantal beschikbare uren.
Naast discussie leidt dit volgens een aantal respondenten tot onnodige administratieve lasten, zoals extra gesprekken over de herindicaties. Verder geeft een aantal respondenten aan dat het administratieve proces relatief veel tijd in beslag neemt. Het duurt lang voordat de beschikking binnen is bij de zorgaanbieder. Al die tijd is het niet mogelijk om gewerkte uren te factureren. Sommige zorgaanbieders hebben inmiddels aangegeven niet meer te starten met zorg (uiteraard is dit anders bij een urgente casus) als de beschikking nog niet binnen is. Zorgaanbieders werken vaak voor meerdere regio's, subregio's en gemeenten. Hoe meer verschillen er zijn in werkwijzen, contractafspraken en product(beschrijving)en tussen gemeenten of (sub)regio's, hoe ingewikkelder het is voor zorgaanbieders. Zorgaanbieders spreken daarom hun nadrukkelijke voorkeur uit om zoveel mogelijk op het niveau van ZOB te opereren. Dit staat haaks op de recente uitspraak van 10 voor de Jeugd en Samen voor Jeugd dat beide regio's voldoende 'robuust' zijn om als twee inkoopregio's op te treden, zoals te lezen is in de eerste marap/tweede berap 2024.
|
26 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
CJG+ zoekt de samenwerking met vindplaatsen jeugd Het CJG+ probeert zo goed mogelijk aan te sluiten bij de verschillende 'vindplaatsen'jeugd in de samenleving. Denk bijvoorbeeld aan de kinderopvang voor de leeftijd 0-4 jaar, het onderwijs voor de leeftijdsgroep 4-18 jaar en jeugd- en huisartsen. Veel kinderen worden opgevangen bij de kinderopvang en nog meer kinderen gaan naar school. Bovendien is voor veel mensen de GGD en de huisarts een eerste aanspreekpunt bij vragen over opvoeden en opgroeien. Door goed aan te sluiten bij deze vindplaatsen kunnen signalen snel opgepakt worden door professionals van het CJG+ en kunnen kennis en expertise snel uitgewisseld worden. De samenwerking met huisartsen verloopt over het algemeen goed, bemerken respondenten. Het CJG+ heeft al jaren professionals die optreden als contactpersoon voor de huisartsen. De afspraak is dat bij een enkelvoudige vraag de huisarts zelf verwijst, terwijl bij een meervoudige of complexe vraag huisartsen zo veel mogelijk moeten doorverwijzen naar het CJG + . Er loopt op dit moment de pilot "CJG bij de huisarts" waar professionals naar voren zijn geschoven om te ondersteunen bij onder andere de vraagverheldering. Het helpt om bij de huisarts in de praktijk te zitten met een spreekuur. De huisarts krijgt de mogelijkheid om laagdrempelig te sparren met de professional van het CJG+.
Voor inwoners is het ook laagdrempeliger, omdat het gesprek direct in de huisartsenpraktijk kan plaatsvinden. Verder zorgt de pilot "Samen Doen" ervoor dat aan iedere school een vast contactpersoon is gekoppeld vanuit het CJG+. Indien nodig kunnen deze contactpersonen individuele gesprekken voeren met leerlingen of optreden als sparringpartner voor leerkrachten en IB'ers. Er is op scholen structureel overleg waarin casuïstiek wordt besproken waarbij ook de GGD is aangesloten. Deze koppeling van vaste contactpersonen is er ook met kinderdagverblijven. Samenvattend probeert het CJG+ zoveel mogelijk aanwezig te zijn op vindplaatsen, onder andere om signalen snel op te kunnen pakken en waar nodig kennis en expertise uit te wisselen. De samenwerking verloopt over het algemeen goed, en ook de verbinding met de andere voorliggende voorzieningen is sterk. Het CJG+ maakt zelf onderdeel uit van het voorliggend veld met dienstverlening zoals de training "sterker uit de scheiding". Als het gaat om samenwerking, missen sommige zorgaanbieders, maar ook het welzijns- en jongerenwerk soms het vertrouwen van de Kempengemeenten. Hoewel er geen uitgebreide verantwoordingsrapportages aangeleverd hoeven te worden, uit het gebrek aan vertrouwen zich in de hoeveelheid evaluatiegesprekken die er gevoerd moeten worden. De gesprekken worden volgens respondenten (te) veel op inhoud gevoerd.
Het gevoel van wantrouwen wordt verder gevoed doordat Bladel en Reusel-De Mierden jongerenwerk vaak voor korte periodes inkopen (wat overigens leidt tot nog meer evaluaties).
|
27
| Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
H7 | Resultaten In dit hoofdstuk beschrijven we de resultaten van de gemeente Reusel-De Mierden. In paragraaf 7.1 gaan we in op de beschikbaarheid en kwaliteit van de cijfers rondom cliëntenpopulatie en zorggebruik. Vervolgens gaan we in paragraaf 7.2 in op ontwikkelingen in de uitvoeringskosten. In paragraaf 7.3 komt aan bod in hoeverre de gemeente(raad) op hoogte is van alle cijfers.
Resultaten 6.
7.
8.
In hoeverre heeft de gemeente zicht op de ontwikkeling van de cliëntenpopulatie en het zorggebruik? Hoe is de ontwikkeling van de (gemiddelde) zorgzwaarte en duur van zorg? Hoe verhoudt zich deze ontwikkeling ten opzichte van andere vergelijkbare gemeenten?
^
Hoe zijn het kostenniveau en de kostenontwikkeling ten aanzien van de (uitvoering van de) jeugdzorg en zijn deze vergelijkbaar met gemeenten van vergelijkbare omvang en structuur?
•
Zijn de resultaten van het jeugdbeleid in beeld?
^
• ^ ^
^ ^
^
• ^
Er zijn overzichten van het aantal cliënten en de afgenomen zorg. De gemeente heeft een prognose van de zorgontwikkeling en behoeften van cliënten. Er is expliciet in kaart gebracht in hoeverre de geformuleerde streefwaarden zijn gerealiseerd. Er is een overzicht van de aantallen cliënten en de afgenomen zorg. Er is een overzicht van de uitvoeringskosten beschikbaar. De kosten voor de uitvoering blijven binnen de gestelde kaders van de gemeenteraad. De (uitvoerings)kosten zijn in lijn met andere gemeenten van dezelfde grootteklasse. Samen voor Jeugd rapporteert aan het management, college en raad over de inkoop, contracten en betalingen. Er is sprake van eenduidige en structurele monitoringssystematiek die ook informatie kan opleveren voor de raad. Er wordt passende zorg geboden en de tevredenheid hierover wordt gemonitord. Er zijn cliëntervaringsonderzoeken gehouden zoals bepaald is door het Ministerie van VWS.
De belangrijkste bevindingen in dit hoofdstuk zijn: ^ De gemeente Reusel-De Mierden heeft relatief gezien een stabiele cliëntenpopulatie gehad in de periode 2021-2024. ^ Het zorggebruik in de jeugdzorg neemt in absolute en relatieve zin af in de periode 2021-2023, en wijkt niet significant af van het landelijk gemiddelde of het gemiddelde van de de benchmarkgemeenten Eersel, Bladel en Oirschot. ^ Er is geen eenduidige trend omtrent een toe- of afname van de zorgzwaarte. ^ Beschikbare cijfers omtrent cliëntenpopulatie en zorggebruik zijn niet optimaal om mee te sturen. ^ De gemeentelijke uitgaven aan jeugdzorg blijven in de periode 2025-2027 nagenoeg gelijk. De kosten voor de uitvoering stijgen bij de GRSK met 167. ^ De gemeente heeft qua resultaat (cijfermatig) een aardig beeld, maar raadsleden hebben weinig zicht op het effect (impact) in de samenleving.
|
28 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
^
Er worden jaarlijks cliëntervaringonderzoeken gehouden, maar de resultaten hiervan zijn beperkt bruikbaar, mede door de lage respons. Ook worden de cijfers alleen op het niveau van De Kempen gegeven, zodat er geen informatie op gemeenteniveau beschikbaar is.
7.1 In hoeverre heeft de gemeente zicht op de ontwikkeling van de cliëntenpopulatie en het zorggebruik? In deze paragraaf gaan we in op de beschikbaarheid en kwaliteit van de cijfers rondom cliëntenpopulatie en zorggebruik. Cijfers omtrent cliëntenpopulatie en zorggebruik zijn beschikbaar via verschillende bronnen. Ten eerste is er informatie beschikbaar in de maraps en beraps van de GRSK. De maraps en beraps bevatten bijlagen die voor de jaren 2021-2025 gedetailleerde informatie geven over bijvoorbeeld: het aantal (unieke) cliënten, het aantal keer dat gebruik is gemaakt van een bepaalde voorziening, het aantal doorverwijzingen, wacht- en doorlooptijden, verlengingen en op- en afschalingen. Ten tweede zijn er de beleidsindicatoren van de P&C-producten. De beleidsindicatoren zijn bijvoorbeeld opgenomen in bijlage 7 van de programmabegroting 2024-2027, en die bijlage is een uitdraai van waarstaatjegemeente.nl. Er zijn beleidsindicatoren opgenomen zoals jongeren met een delict voor de rechter en het percentage jongeren met jeugdbescherming en jeugdreclassering. Verder is er het Meerjarenbeleidskader Jeugdhulp in de Kempen 2020-2024. In het MJBK wordt middels diverse grafieken de huidige situatie rond jeugdhulp in de Kempen in beeld gebracht.
Voorbeelden hiervan zijn cijfers over het aantal jeugdigen, het percentage van jeugdigen in de Kempen naar type hulpverlening en de top 10 hulpvragen die binnenkomen bij CJG+. Voor dit onderzoek hebben we tot slot een analyse gemaakt van cijfers die beschikbaar zijn op de website van het CBS. We hebben de gegevens geanalyseerd van 34 vormen van jeugdzorg onder de tab Jeugdzorg vanaf 2021'. We hebben de cijfers over de jeugdzorg van de gemeente Reusel-De Mierden afgezet tegen de eigen gemeente, tegen het landelijk gemiddelde en het gemiddelde van drie andere Kempengemeenten (Eersel, Oirschot en Bladel).7
De gemeente Reusel-De Mierden heeft relatief en absoluut gezien een stabiele cliëntenpopulatie in de periode 2021-2024 Als we kijken naar de ontwikkelingen omtrent cliëntenpopulatie, dan valt op dat er sprake is van stabiliteit. Sinds 2021 is bijvoorbeeld het aandeel jeugdigen met jeugdhulp ten opzichte van het totaal aantal jeugdigen in Reusel-De Mierden grotendeels gelijk gebleven op circa 9,37. Ook op geen van de 34 geanalyseerde vormen van jeugdzorg, nemen de relatieve aantallen in de periode 2021-2023 significant toe of af (CBS). Tot slot laten gegevens over het CJG+ uit het tabellenboek Jeugd zien dat het aantal gevolgde trajecten met een positief resultaat op doelrealisatie, grotendeels gelijk is gebleven (tussen de 9370 en 9770 in de periode 2020-2023). In de interviews is gesproken over een afname van de instroom in de jeugdzorg in absolute aantallen. Een mogelijke verklaring die hiervoor wordt gegeven, is het zelfoplossend vermogen van de kleine kernen. Een andere verklaring, op basis van de CBS-cijfers, is dat het aantal jeugdigen in Reusel-De Mierden afneemt. Percentueel gezien verandert het aantal jeugdigen dat jeugdhulp ontvangt ten opzichte van alle jeugdigen namelijk nauwelijks, zoals hierboven staat beschreven.
Het zorggebruik in de jeugdzorg neemt in absolute en relatieve zin af in de periode 2021-2023, en wijkt niet significant af van het landelijk gemiddelde of het gemiddelde van de benchmarkgemeenten Eersel, Bladel en Oirschot Het aantal jeugdzorgtrajecten neemt af in de periode 2021-2023. Zo is het aantal voorzieningen bij CJG+ in die periode bijvoorbeeld afgenomen van 2.019 naar 1.970. Alleen de voorzieningen op jeugdbescherming, jeugdreclassering en maatwerkarrangementen zijn significant toegenomen (bijlage 'Basis Jeugd'). 7 In de stukken en interviews wordt vermeld dat de regio Samen voor Jeugd momenteel een analyse uitvoert op de trends en ontwikkelingen op productniveau in de regio. Deze analyses zijn echter niet beschikbaar gesteld voor dit rekenkameronderzoek.
|
29 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Deze cijfers zijn in lijn met de cijfers van het CBS. Als we kijken naar de ontwikkelingen binnen de gemeente Reusel-De Mierden in de periode 2021-2023, dan is er volgens het CBS op alle vormen van jeugdzorg een afname van het gebruik, met uitzondering van jeugdhulp PGB, ambulante jeugdhulp op locatie en aanbieder, en daghulp op locatie aanbieder. In 2021 maakten 315 jongeren gebruik van jeugdzorg, wat neerkomt op 9,60Zo van het aantal jongeren. In 2023 maakten 310 jongeren gebruik van jeugdzorg, wat neerkomt op 9,20Zo van het aantal jongeren. Ook het aantal jeugdzorgtrajecten in natura nam af: 410 in 2021 ten opzichte van 380 in 2023. Als we voor 2021-2023 kijken naar de jeugdzorg in de gemeente Reusel-De Mierden ten opzichte van Nederland, dan zien we dat Reusel-De Mierden veelal licht boven het landelijk gemiddelde zit (1 à 20Zo). Alleen op jeugdhulp PGB scoort Reusel-De Mierden in 2023 licht onder het landelijk gemiddelde. Als we Reusel-De Mierden vergelijken met de andere drie Kempengemeenten, dan ligt voor Reusel-De Mierden over het algemeen het percentage jongeren met jeugdhulp net boven of net onder het Kempengemiddelde (minder dan 0,3Z verschil).
Tabel 2 Zorggebruik in Reusel-De Mierden ten opzichte van het landelijke gemiddelde en het gemiddelde in de Kempengemeenten: bij percentages in het rood doet Reusel-De Mierden het'slechter'dan het landelijk gemiddelde en/of het gemiddelde van de Kempengemeenten. De overige percentages betreffen een positief of geen verschil. Afwijking percentage jongeren met Afwijking percentage jongeren met
Vormen van jeugdzorg
jeugdzorg RDM t.o.v. landelijk
jeugdzorg RDM t.o.v. gemiddelde
gemiddelde
Kempengemeenten
2021
2022
2023
2021
JZ Totaal jeugdzorg
1
1,5
-1,6
0,3
JZ Totaal jeugdzorg in natura
1,3
1,8
-1,8
0,4
JH 1 Totaal jeugdhulp
1,2
1,8
-1,7
0,6
JH 11 Jeugdhulp PGB
-0,2
-0,3
0,3
JH 12 Totaal jeugdhulp in natura
1,3
2,1
-2
JH 121 Totaal jeugdhulp zonder verblijf
1,2
1,9
-1,7
JH 1212 Niet uitgevoerd door wijkteam
0,3
1
-0,9
JH 12121 Ambulante JH op loc. aanbieder
-0,4
0,1
0
JH 12122 Daghulp op locatie aanbieder
0,3
0,4
-0,4
JH 12123 JH in het netwerk v.d. jongere
1
1,2
-1
JH 122 Totaal jeugdhulp met verblijf
0,4
0,5
-0,5
JH 1221 Pleegzorg
-0,1
-0,1
0,0
-0,1
-0,2
0,1
0,2
NB
NB
JH 1224 Ander verblijf bij JH -aanbieder
0,2
NB
NB
JB 1 Totaal jeugdbescherming
-0,2
0,1
-0,3
JB 11 Totaal ondertoezichtstelling
-0,1
0,1
-0,2
-0,6
-0,5
-0,2
JB 111 Ondertoezichtstelling
-0,1
0,1
-0,2
-0,6
-0,5
-0,2
Bron: CBS
Er is geen eenduidige trend omtrent een toe- of afname van de zorgzwaarte Kijken we naar de verdeling van cliënten binnen CJG+, dan ontstaat er geen eenduidig beeld over de zorgzwaarte. Zo zien we een sterke afname in het aantal cliënten dat wordt geholpen door team Toegang en door het LOT. Deze teams handelen de wat minder complexe hulpvragen af. Het aantal cliënten dat wordt geholpen door het KTJ neemt iets toe, maar niet significant. We zien daarnaast dat de zorgstapeling in de periode 2020-2023 grotendeels gelijk is gebleven. Het aantal jeugdigen met meer dan één doorverwijzing ligt op circa 15Z (tabellenboek Jeugd). Het aantal afschalingen binnen de teams van CJG+, bijvoorbeeld van het KTJ naar het LOT, nam in de periode 2021-2023 sterk af van 31 naar 6 afschalingen, maar óók de opschalingen van zorg namen af, van 234 in 2021 naar 198 in 2023 (bijlage 'Basis Jeugd').
|
30 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Tot slot zien we ook in de cijfers van het CBS geen significante toename in de aantallen omtrent zwaardere zorgtrajecten in de periode 2021-2023 (zie onderstaande tabel). Het is wel mogelijk dat zorgtrajecten complexer worden, en daardoor als zwaarder worden ervaren door de behandelaars. Met andere woorden: er is geen toename in zorgstapeling of het aantal zwaardere zorgtrajecten, maar de zorgtrajecten worden wel moeilijker. In de interviews wordt bijvoorbeeld gesproken over zorgen over toenemende complexiteit van de problematiek, en of gemeenten hiervoor oplossingen kunnen blijven vinden. Tabel 3 Aantal jongeren met jeugdzorg 2021-2023 volgens het CBS Trend Vormen van jeugdzorg
2021
2022
2023
2021-2023
JZ Totaal jeugdzorg
315
305
310
5
JZ Totaal jeugdzorg in natura
305
295
295
10
JH 1 Totaal jeugdhulp
305
290
295
10
JH 11 Jeugdhulp PGB
20
20
25
-5
JH 12 Totaal jeugdhulp in natura
295
275
285
10
JH 121 Totaal jeugdhulp zonder verblijf
285
270
280
5
JH 1212 Niet uitgevoerd door wijkteam
280
270
280
0
JH 12121 Ambulante JH op loc. aanbieder
250
240
255
-5
JH 12122 Daghulp op locatie aanbieder
10
15
15
-5
JH 12123 JH in het netwerk v.d. jongere
40
35
40
0
JH 122 Totaal jeugdhulp met verblijf
20
15
15
5
JH 1221 Pleegzorg
10
NB
NB
NB
JH 1224 Ander verblijf bij JH-aanbieder
10
NB
NB
NB
JB 1 Totaal jeugdbescherming
40
30
20
20
JB 11 Totaal ondertoezichtstelling
25
20
15
10
JB 111 Ondertoezichtstelling
25
20
15
10
Bron: CBS
De doorlooptijd van specialistische zorgtrajecten loopt op Verder viel ons op dat de gemiddelde doorlooptijd van specialistische zorgtrajecten in de periode 2021-2023 niet sterk is opgelopen, namelijk 32 weken in 2021 en 33 weken in 2023. Er wordt echter geprognosticeerd dat de doorlooptijd van specialistische zorg vanaf 2024 en verder significant zal oplopen naar 46 weken in 2024 en zelfs naar 96 weken in 2025, zo wordt vermeld in de eerste marap 2024 en de tweede berap 2023. Er staat verder niet helder uitgelegd waar deze grote uitbreiding in doorlooptijd door komt. Het lijkt in ieder geval niet door verlengingen te komen. In 2021 werd nog 567 van de indicaties verlengd, in 2023 nog maar 167 (bijlage 'Basis Jeugd').
Beschikbare cijfers omtrent diëntenpopulatie en zorggebruik zijn niet optimaal om mee te sturen Hoewel er dus wel veel data beschikbaar is, kunnen deze gegevens niet altijd worden gebruikt voor het maken van toekomstig beleid en beslissingen. Een voorbeeld hiervan zijn de cijfers uit het MJBK. Deze cijfers zijn niet uitgesplitst naar gemeente, maar gelden voor de gemeenten Eersel, Reusel-De Mierden, Bladel en Bergeijk. Hetzelfde geldt voor gegevens over het CJG+ uit de bijlagen van de maraps en beraps (zie bijvoorbeeld de bijlage 'Basis Jeugd'). Ten tweede wordt in alle bestudeerde documenten met name vooruit gekeken op basis van het verleden. Zo wordt in de begrotingen van het MJBK vooruitgekeken op basis van voorgaande jaren. De begroting van 2023 werd bijvoorbeeld aangepast op een daling van zorggebruik in het verleden. Toen deze daling niet werd voortgezet, ontstond een tekort op de begroting voor jeugd.
|
31
| Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Zoals beschreven in de maraps en beraps: "[...] de daling waarvan sprake was in 2022 ten opzichte van voorgaande jaren, onder andere veroorzaakt door het woonplaatsbeginsel, heeft zich niet voortgezet." Soms wordt overigens wel rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen. Een voorbeeld hiervan is de aanpassing van de MJBK-begroting voor jeugdreclassering, omdat de tarieven van de GI's zijn verhoogd. Ook in de programmabegroting van Reusel-De Mierden wordt soms rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen, bijvoorbeeld met de Hervormingsagenda. In de begroting 2024 staat: "De Hervormingsagenda Jeugd bevat een groot pakket maatregelen om de jeugdzorg te verbeteren en financieel houdbaar te krijgen. De verwachting is dat meer nadruk wordt gelegd op preventie en dat residentiële jeugdhulp wordt afgebouwd." In de maraps en beraps zijn voor de jeugdhulp wel doelstellingen geformuleerd, maar geen streefwaarden. Er worden wel veel gegevens beschikbaar gesteld via bijlagen, bijvoorbeeld in het tabellenboek Jeugd en in bijlage 5 Basis Jeugd. Op deze gegevens wordt in de maraps en beraps uitgebreid gereflecteerd: men probeert trends en ontwikkelingen te herkennen en deze zoveel mogelijk te duiden. Een vastgesteld referentiekader ontbreekt hierbij echter. In de begroting 2024 is onder bijlage 7 een aantal beleidsindicatoren opgenomen.
Aan deze indicatoren zijn echter geen streefwaarden gekoppeld. Er wordt voor sommige indicatoren wel een benchmark van gemeenten ^5.000 inwoners benoemd, maar niet of de gemeente Reusel-De Mierden ernaar streeft om op of onder deze benchmarkwaarden te zitten. De indicatoren zijn verder ook niet gekoppeld aan doelstellingen en betreffen alleen het jaar 2023. De kerngegevens uit de begroting zijn dus hoogstens bruikbaar om te bepalen in hoeverre Reusel-De Mierden incidenteel op of onder het gemiddelde zit van gemeenten ^5.000 inwoners. Maar verder zijn deze indicatoren niet bruikbaar om te bepalen hoe de gemeente Reusel-De Mierden het doet in vergelijking met voorgaande jaren, of om te bepalen in hoeverre gemeentelijke streefwaarden en doelstellingen worden behaald. In het Meeriarenbeleidskader Jeugdhulp in de Kempen 2020-2024 (er wordt inmiddels gewerkt aan een nieuw MJBK) zijn zes actielijnen opgenomen. Per actielijn zijn beoogde resultaten opgenomen, en hieraan zijn prestatie-indicatoren gekoppeld die meerjarig worden gemeten en gemonitord. Ons valt hierbij het volgende op: ^ De beoogde resultaten zijn niet erg SMART geformuleerd. Een voorbeeld hiervan is het beoogd resultaat 'Kinderen en gezinnen worden snel geholpen' (actielijn 1) of'Minder instroom in jeugdbescherming' (actielijn 5).
Bij deze beoogde resultaten is niet helder wat dan 'snel' of 'minder' concreet inhoudt, en er is ook geen tijdsperiode genoemd waarbinnen het resultaat bereikt moet worden. ^ Geen van de prestatie-indicatoren is ingevuld. Hoewel er wel een aanzienlijk aantal indicatoren is vastgesteld, zijn er in het MJBK geen waarden ingevuld. Dit geldt voor alle jaren in de periode 2020-2024. In het MJBK staat op pagina 15: "Op basis van de geformuleerde indicatoren wordt jaarlijks aan de raden gerapporteerd over de resultaten van dit beleidskader en de op basis daarvan genomen en te nemen acties." In het MJBK wordt nog niet over de streefwaarden gerapporteerd (daar staan ze immers niet ingevuld). Wellicht dat de benoemde streefwaarden in andere rapportages aan de raden worden gepresenteerd, maar dergelijke rapportages zijn bij BMC niet bekend. ^ De streefwaarden worden nergens tegen afgezet. Naast het feit dat voor de indicatoren geen waarden zijn ingevuld, worden de streefwaarden ook niet ergens tegen afgezet. Er wordt bijvoorbeeld niet gerefereerd aan vergelijkbare gemeenten of aan een tijdsperiode (bijvoorbeeld tien jaar geleden).
|
32 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
7.2 Hoe zijn het kostenniveau en de kostenontwikkeling ten aanzien van de (uitvoering van de) jeugdzorg? In deze paragraaf gaan we in op de ontwikkelingen in de uitvoeringskosten van de jeugdzorg. We hebben ons daarbij gebaseerd op cijfers uit de maraps en beraps van de GRSK, de begroting 2024 en het MJBK. In de maraps en beraps wordt gerapporteerd op programmaniveau en (grotendeels) op taakveld niveau via de IV-3-indeling. Er wordt voor de periode 2024-2027 gerapporteerd over dertien taakvelden, bijvoorbeeld begeleiding, dagbesteding, pleegzorg en gezinsgericht. In de begroting 2024 wordt onder het hoofdstuk ’Programma's - begroting op hoofdlijnen' en ’Programma's - Sociaal Domein', informatie gegeven over uitvoeringskosten in de jeugdzorg. Voor de jaren 2024-2027 staan de baten en lasten beschreven, en ook een toelichting op die cijfers. Daarnaast is er de financiële begroting, waarin een toelichting op overzicht baten en lasten wordt gegeven, alsook een overzicht van geraamde baten en lasten op hoofdtaakniveau. In de perspectiefnota 2024 en jaarstukken 2023 rapporteert men overigens op dezelfde manier over de kosten van jeugdzorg als in de begroting 2024. Tot slot het MJBK. In het MJBK staan financiële gegevens opgenomen over de kosten van het leveren van zorg.
Zo staat bijvoorbeeld meerjarig opgenomen wat de gemiddelde kosten per jeugdige zijn, wat de geprognosticeerde uitgaven zijn per kostencategorie en budgetindicaties van de vijftien grootste zorgaanbieders. De cijfers in het MJBK zijn echter wat verouderd. Zo hebben de cijfers over de kostenontwikkeling per jeugdige bijvoorbeeld nog betrekking op 2015-2018. Tabel 4
Begroting jeugdzorg begeleiding in de maraps Huidige begroting
Voorgestelde begroting
Begrotingswijziging
2024
2025 e.v.
2024
2025 e.v.
2024
2025 e.v.
Bergeijk
430.000
430.000
580.000
580.000
♦150.000
♦ 150.000
Bladel
445.000
445.000
445.000
445.000
-
Eersel
325.000
325.000
375.000
375.000
♦50.000
♦50.000
Oirschot
565.000
565.000
600.000
600.000
♦35.000
♦35.000
Reusel-De Mierden
340.000
340.000
400.000
400.000
♦60.000
♦60.000
Kempengemeenten
2.105.000
2.105.000
2.400.000
2.400.000
♦295.000
♦295.000
Tabel 32: Begroting jeugdzorg begeleiding
De kosten voor de uitvoering stijgen bij de GRSK met 160Zo Uit de eerste marap 2024 en tweede berap 2023 blijkt dat voor de komende jaren in de vier Kempengemeenten meer geld nodig is voor de gehele jeugdzorg. Voor de gemeente Reusel-De Mierden geldt dat er structureel C 290.000 is toegevoegd aan de begroting vanaf 2025 en verder. Dit komt neer op circa 1670 van de begrote uitvoeringskosten. Voor meer gedetailleerde informatie, zie tabel 5. De grootste mutaties vinden plaats op het taakveld jeugdhulpbehandeling C+ C 210.000), jeugdhulpbegeleiding C+ C 60.000) en jeugdbescherming C+ C 60.000). Op jeugdhulp met verblijf overig wordt met - C 40.000 afgeraamd. In de marap wordt één en ander toegelicht over de bijramingen. Voor de bijraming op jeugdhulpbehandeling en jeugdhulpbegeleiding worden drie redenen genoemd. Ten eerste is het totaal aantal cliënten toegenomen (inclusief doorverwijzingen via de huisartsen). Ten tweede geldt volgens de marap voor bijna alle vormen van jeugdzorg een langere behandelduur. Zowel bij de lichtere zorgvormen als de zwaardere trajecten zien de makers van de marap een toename van het aantal maanden zorg. Tot slot wordt aangenomen dat de zorgzwaarte is toegenomen. Het aantal jeugdigen met jeugdhulpbehandeling en -begeleiding is namelijk niet met dezelfde toename gegroeid als de lasten (gecorrigeerd voor de indexatie).
Een verklaring voor de toegenomen kosten kan daarom liggen in een toename van de complexiteit van de cliënten die wel zorg krijgen, en de daaruit voortvloeiende toename in het aantal behandelmaanden en zwaarte van de behandeling. Verder gelden sinds 2023 nieuwe tarieven voor de dienstverlening van de GI's binnen jeugdreclassering en jeugdbescherming. De tarieven jeugdbescherming en jeugdreclassering voor gemeenten komen daardoor gemiddeld 207 hoger uit ten opzichte van 2023. Deze tarievenverhoging heeft de GRSK doorvertaald naar de budgetten.
|
33 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Tot slot is de structurele aframing op jeugdhulp met verblijf overig gebaseerd op de huidige beschikkingen en mogelijke verlengingen hiervan. Als de verklaringen in de marap kloppen, en de benodigde extra middelen worden met name veroorzaakt door een combinatie van meer verwijzingen, een langere behandelduur en toegenomen zorgzwaarte, dan vraagt dit om een nadere analyse van de doelgroep. Zijn jeugdigen bijvoorbeeld meer ’zorgbehoeftig' geworden, of houden aanbieders jongeren misschien langer in behandeling en indiceren ze zwaarder dan vroeger? Een uitgebreide analyse van de doelgroep viel buiten de scope van dit onderzoek, maar we bevelen aan om hier in de toekomst wel nader onderzoek naar te doen. Tabel 5
Mutaties ten opzichte van de begroting 2024 GRSK per vorm van jeugdhulp
Taakveld
Huidig
Mutatie 2024
Mutatie 2025 e.v.
Jeugdhulp begeleiding
340.000
+ 60.000
+ 60.000
Jeugdhulp behandeling
580.000
+ 195.000
+ 210.000
Jeugdhulp dagbesteding
25.000
0
0
Jeugdhulp zonder verblijf
130.000
+ 70.000
0
Pleegzorg
35.000
0
0
Gezinsgericht
40.000
0
0
Jeugdhulp met verblijf overig
340.000
-40.000
-40.000
Jeugdhulp GGZ/crisis/LTA
60.000
0
0
Gesloten plaatsing
25.000
0
0
Jeugdbescherming
115.000
+ 60.000
+ 60.000
Jeugdreclassering
60.000
0
0
Veilig Thuis
76.531
0
0
Bron: eerste marap 2024 en tweede berap 2023
De gemeentelijke uitgaven aan jeugdzorg blijven in de periode 2025-2027 nagenoeg gelijk In de programmabegroting 2024-2027 valt jeugdzorg onder programma 6, sociaal domein. Specifiek lijkt het te gaan om 6.72A jeugdhulp begeleiding (jeugdbescherming is programmadeel 6.82A). In de programmabegroting worden de baten en lasten niet uitgesplitst naar jeugdzorg, maar worden behandeld op het taakveldniveau 6.7 maatwerkdienstverlening. In 2024 wil de gemeente Reusel-De Mierden C 5,65 miljoen uitgeven aan maatwerk dienstverlening. In de periode 2025-2027 blijft dit bedrag nagenoeg hetzelfde. In de begroting worden de Hervormingsagenda, jeugdcoaches en de Backbone Academy genoemd als belangrijke onderdelen van de jeugdzorg.
|
34 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Tabel 6 Baten en lasten op jeugdzorg 2024-2027
Wat mag het kosten? Sociaal domein Bedragen x C 1.000
Rekening
Begroting
2022
2023
Saldo
Saldo
Begroting 2024 Lasten
|
Baten
|
Saldo
Begroting
Begroting
2025
2026
Begroting 2027
Saldo
Saldo
Saldo
Saldo per product 6.1
Samenkracht en burgerparticipatie
665
-937
-1.715
795
-920
-997
-1.010
6.2
Wijkteams
-424
-404
-723
0
-723
-733
-743
-754
6.3
hkomensregelingen
-1.432
-883
-2,832
1.723
-1.109
-1.239
-1.235
-1 237
■2.697
•2.705
-3.576
0
-3.576
-3.508
-3.417
-3.343
6.4/65 Begeleide participatie t Ar beid s participatie 6.6
Maatwerk-voorzieningen (Wrro)
6.7
Maatw erkdienst-vertening
6.8
-1.017
-337
-231
-480
104
-376
-379
-383
-387
-5.271
-5.541
-5.653
0
-5.653
-5.646
-5.655
-5665
Geëscaleerde zorg
-462
-429
-278
0
-278
-278
-280
-281
Saldo programma
9.958
11,130
-15.257
2.622
-12.635
-12.780
12.723
-12.684
Bron: programmabegroting 2024-2027, p. 67
In de interviews wordt weinig gesproken over het betaalbaar houden van de gemeentelijke uitgaven aan jeugdzorg. Er wordt wel gezegd dat de jeugdzorg constant in ontwikkeling is, en dat er momenteel veel geld omgaat in de jeugdzorg in Reusel-De Mierden. Daarbij rijst de vraag in hoeverre de middelen (nog) op de juiste manier worden uitgegeven. De maatschappelijke discussie moet meer gevoerd worden: wie hebben echt jeugdzorg nodig? En welke verantwoordelijkheden horen hierbij? Zoals hierboven beschreven, doet Reusel-De Mierden het op de meeste vormen van jeugdzorg niet significant beter of slechter ten opzichte van het landelijk gemiddelde en het gemiddelde van de Kempengemeenten. In het beperken van de instroom naar en het gebruik van jeugdhulp lijkt dus niet (veel) besparingspotentieel te zitten. Wel kan er mogelijk nog bespaard worden door processen efficiënter in te regelen en de administratieve lasten te minimaliseren. Daarnaast is het huidige systeem volgens enkele geïnterviewden op de lange termijn niet meer houdbaar, en hier heeft het Rijk een belangrijke verantwoordelijkheid in volgens hen. Vanuit het Rijk komen naar verwachting in de toekomst extra structurele middelen, doordat de SPUK- en GALA-middelen een structureel karakter gaan krijgen.
Deze middelen zijn niet bedoeld om jeugdhulp te bekostigen, maar zijn er voor extra inzet op preventie en het versterken van de sociale basis. Op deze middelen zit dan wel weer een korting. Er komt naar verwachting dus structureel meer geld vanuit het Rijk, maar wel minder dan de huidige jaarlijkse SPUK- en GALA-middelen.
7.3 Zijn de resultaten van het jeugdbeleid in beeld? De gemeente heeft qua resultaat (cijfermatig) een aardig beeld, maar raadsleden hebben weinig zicht op het effect (de impact) in de samenleving De gemeente heeft veel cijfermatige informatie over de ontwikkelingen in de jeugdhulp, zoals beschreven in de vorige paragrafen. Tegelijkertijd is het (maatschappelijk) effect niet voldoende in beeld. De maraps en beraps beschrijven allerlei taken en activiteiten, maar deze worden niet specifiek gekoppeld aan doelstellingen en indicatoren. Ook wordt er nog weinig vooruitgekeken met geprognosticeerde cijfers. De gemeente Reusel-De Mierden wil bij het herijken van het MJBK een belangrijke stap zetten richting het meten en meetbaar maken van de (maatschappelijke) effecten. In de gemeenteraad heerst het gevoel dat er veel gebeurt binnen de jeugd, maar dat het moeilijk is om een beeld te vormen van het precieze effect. Reusel-De Mierden onderneemt regelmatig experimenten en pilots maar over het maatschappelijk rendement van deze experimenten worden raadsleden nog niet voldoende ingelicht, geven ze zelf aan. De geïnterviewde raadsleden noemen de Backbone Academy en de IJslandse aanpak als voorbeelden. De Backbone Academy is in het leven geroepen om de overlast van jongeren tegen te gaan. Er was sprake van een stijgend aantal geweldsdelicten, wat ook weer is teruggedrongen.
|
35 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Inmiddels wordt het aantal uren van de Backbone Academy uitgebreid, maar het is niet precies duidelijk waarvoor deze uren worden ingezet. Een ander voorbeeld is het IJslandse model, ook hiervan is het voor de geïnterviewden onduidelijk wat de effecten zijn.
Er worden jaarlijks diëntervaringonderzoeken gehouden, maar de resultaten hiervan zijn beperkt bruikbaar Naast informatie die geënt is op doelen en beleid, kunnen ook cliënten bevraagd worden over hun ervaring en behoefte. Het perspectief van cliënten vormt een belangrijke pijler in de verdere doorontwikkeling van het beleid rondom jeugdhulp. Vanaf 2016 zijn gemeenten ook vanuit de Jeugdwet verplicht om een cliëntervaringsonderzoek uit te (laten) voeren onder de doelgroep Jeugd. De cliëntervaringsonderzoeken voor Bladel, Reusel-De Mierden en Eersel worden gezamenlijk uitgevoerd en weergegeven, dat wil zeggen: in de grafieken staan de totaalscores van de drie Kempengemeenten bij elkaar. Dit maakt het lastig om de tevredenheid op gemeenteniveau vast te stellen. De toegang voor de Kempengemeenten wordt gemiddeld met een 7,1 beoordeeld. De afgelopen jaren is de respons op de vragenlijsten erg laag geweest. De cijfers met betrekking tot cliëntervaring worden daarom voor kennisgeving aangenomen en niet verder gebruikt voor sturing of beleidswijzigingen. Tegelijkertijd wordt er wel gekeken naar cliëntervaring op casusniveau. Over de actieplannen van de gezinnen wordt eens per zes maanden een evaluatie gehouden, waarbij ook de tevredenheid wordt besproken. Deze evaluaties worden niet vastgelegd of op meta-niveau geanalyseerd.
De gemeente is niet de enige partij die cliëntervaring meet. Uit gesprekken met zorgaanbieders blijkt dat veel van hen een cliëntenraad of een groep ervaringsdeskundigen hebben die regelmatig gevraagd worden om mee te praten over verbetering van de uitvoering. Ook worden er na het afsluiten van een traject vragenlijsten verzonden of evaluatiegesprekken gevoerd met de cliënten. De informatie van de aanbieders gaat vaak niet naar de gemeente. Opvallend is dat meerdere zorgaanbieders specifiek in de interviews hebben aangegeven dat ze het als een gemis ervaren dat de gemeente geen terugkoppeling geeft over cliëntervaring en andere tevredenheidsindicatoren in hun sector. Waar ze heel erg geïnteresseerd in zijn, is de vraag ’hoe doen wij het'? Op dit vlak ligt er dus ook een onvervulde behoefte aan de kant van de aanbieders. Naast cliëntervaringsonderzoeken zijn er ook andere indicatoren die inzicht kunnen geven in cliënttevredenheid, zoals de ingediende klachten en bezwaarschriften. Uit de overzichten van de gemeente blijkt dat er in 2021 tot en met 2023 slechts drie bezwaarschriften zijn ingediend. Uit dat aantal valt uiteraard geen analyse te maken. Verder blijkt dat er ook maar drie klachten zijn ingediend de afgelopen drie jaar.
Het is niet duidelijk of het aantal bezwaarschriften en klachten zo laag is omdat men geen reden ziet om ze in te dienen of omdat men niet weet dat die mogelijkheid bestaat (vooralsnog hebben we geen signalen opgepikt op dit vlak). Dit zou een onderwerp kunnen zijn om op te nemen in een cliëntervaringsonderzoek.
|
36 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
H8 | Evaluatie en verantwoording In dit hoofdstuk beschrijven we op welke manier verantwoording wordt afgelegd en in hoeverre daarover teruggekoppeld wordt aan de raad en op welke wijze. Daarbij gaan we ook in op de vraag of de raad met de huidige informatievoorziening heeft kunnen sturen en ook heeft gestuurd. In dit hoofdstuk worden de volgende deelvragen beantwoord:
Evaluatie en verantwoording 9.
Op welke wijze is de gemeenteraad geïnformeerd en in staat gesteld de uitvoering te controleren of het beleid bij te stellen?
^
^
^ ^
10. Hoe heeft de gemeenteraad invulling gegeven aan zijn taken?
^ ^
De informatievoorziening aan de gemeenteraad is tijdig (er kan nog iets met de informatie worden gedaan). De informatievoorziening aan de gemeenteraad is juist (de informatie kent geen fouten en is betrouwbaar). De informatievoorziening aan de gemeenteraad is volledig. De informatievoorziening aan de gemeenteraad is begrijpelijk (de informatie is geen verzameling van losse data, maar voorzien van analyses en duiding). De informatie wordt op een toepasselijke wijze behandeld (in lijn met de behoefte van de raad). De gemeenteraad heeft gebruikgemaakt van de (geijkte) sturingsinstrumenten om (bij) te sturen.
De belangrijkste bevindingen in dit hoofdstuk zijn: ^ Er is een uitgebreide informatievoorziening vanuit de planning-en-controlcyclus. De voortgang is ondanks alle informatie op dit moment niet goed te volgen voor raadsleden. De raad mist overzicht van het veld en staat ver van de praktijk. Er is voor raadsleden op dit moment geen goed beeld te vormen van de uitvoering en de kwaliteit van de dienstverlening (ze missen het verhaal achter de cijfers). ^ De raad pakt zijn rol als kadersteller en controleur wel, maar voelt zich niet volledig geëquipeerd in die rol. Om goed te kunnen kader stellen en controleren is meer kennis en expertise nodig van het thema, dat niet alleen complex is en meerdere beleidsterreinen raakt, maar ook aan veel verandering onderhevig is door recente ontwikkelingen. ^ Er is weinig gebruikgemaakt van de (bij)sturingsinstrumenten de afgelopen jaren, wel is er stevig, maar constructief gesproken tussen raad en college over het thema. ^ Er is geen samenwerking of afstemming met andere raden in de regio. Een goede samenwerking biedt kansen om bij regionale trajecten gezamenlijk aan de voorkant betrokken te worden. De raad lijkt dit zelf niet als een groot gemis te ervaren op dit moment.
8.1 Op welke wijze is de gemeenteraad geïnformeerd? In deze paragraaf wordt beschreven welke informatie wordt gedeeld met de gemeenteraad en in hoeverre er een systematiek is om de gemeenteraad te informeren over ontwikkelingen in de uitvoering van het jeugdbeleid.
|
37
| Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Er is een uitgebreide informatievoorziening vanuit de planning-en-controlcyclus In de planning-en-controlcyclus legt het college verantwoording af over het gevoerde beleid. Deze agenda bepaalt in hoge mate de inhoud van de verschillende documenten die onderdeel uitmaken van de jaarlijkse begrotingscyclus: de kadernota, de programmabegroting en de jaarstukken. Om te controleren of het beleid zich verder ontwikkelt volgens de principes van de gestelde kaders, heeft de gemeenteraad van Reusel-De Mierden de volgende gegevens tot zijn beschikking: ^ Via de reguliere planning-en-controlcyclus per jaar: perspectiefnota, begroting, jaarstukken en accountantsverslag. ^ De GRSK levert beraps en maraps aan voor de Kempengemeenten. De gemeente Reusel-De Mierden deelt deze rapportages (eventueel met lokale aanpassingen) met de gemeenteraad. Tevens worden vanuit de GRSK de verplichte cliëntervaringsonderzoeken gedeeld. Verantwoording over de uitvoering van het jeugdbeleid gebeurt in de eerste plaats dus aan de hand van jaarverslagen en de begroting in de planning-en-controlcyclus. In deze documenten is het gewenste maatschappelijke effect (wat wilden we bereiken?) gekoppeld aan de inspanning die de gemeente daarvoor wil uitvoeren (wat hebben we gedaan?). In de P&C-stukken wordt voornamelijk op activiteitenniveau gerapporteerd.
Daarbij wordt in de jaarrekening zo helder mogelijk gerapporteerd op de beoogde inspanning. Er wordt ook gerapporteerd op de verplichte BBV-indicatoren met daarbij inzicht in de afgelopen jaren. In de begroting zijn de BBV-indicatoren ook overzichtelijk bij elkaar gezet. Wat ontbreekt zijn streefwaarden waaruit blijkt wanneer Reusel-De Mierden tevreden is (zoals uitgebreid besproken in het vorige hoofdstuk). Naast de informatie vanuit de gemeentelijke organisatie, deelt de GRSK ook de nodige informatie via de eerder genoemde maraps en beraps. Hierin wordt kort gerapporteerd op de zes actielijnen (die in hoofdstuk 5 zijn benoemd). De maraps en beraps zijn echter vooral een (kwantitatieve) bron van informatie voor de organisatie en het college, niet zozeer voor de raad. Er wordt uitgebreid gereflecteerd op de resultaten van afgelopen jaren en er wordt vooruit gekeken, onder andere door middel van een meerjarenbegroting.
De voortgang is ondanks alle informatie op dit moment niet goed te volgen voor raadsleden Vanuit het college worden regelmatig raadsmededelingen verstuurd. Tussen 2020 en juni 2024 heeft de raad zestien raadsinformatiebrieven (RIN's) ontvangen over ontwikkelingen op het gebied van jeugdhulp. Deze mededelingen gaan veelal over (regionale) ontwikkelingen in de jeugdzorg, afspraken met zorgaanbieders, voortgang van de inkoop, et cetera. De vragen *wat hebben we voor de jeugd bereikt en welk effect heeft ons beleid', komen minder aan bod, bemerken raadsleden. Terwijl ze juist naar die antwoorden op zoek zijn. Dit alles maakt het voor de raad lastig om de voortgang te begrijpen. Uit het gesprek met de raad is dan ook naar voren gekomen, dat ze het verduidelijkende gesprek over de cijfers en de analyse hiervan missen. Wel wordt aangegeven dat als er om verduidelijking wordt gevraagd, dat de cijfers door de portefeuillehouder duidelijk worden ingekleurd. Vanuit de GRSK wordt ieder jaar een raadsinformatiebijeenkomst georganiseerd. Daar worden de laatste cijfers van het jeugdbeleid toegelicht door het management van de uitvoeringsorganisatie in samenwerking met de beleidsmedewerkers jeugd en financiën. Dit is een moment waarop raadsleden vragen kunnen stellen en nadere informatie kunnen opvragen.
Ook sluiten de teammanagers van het CJG+ een keer per jaar aan bij de gemeenteraden *als' ze daarvoor gevraagd worden (in Reusel-De Mierden is dit altijd het geval). Hoewel de informatie vanuit het CJG+ als helder wordt ervaren, missen raadsleden nadere duiding bij de cijfers. Ze zijn op zoek naar het verhaal achter de cijfers. Krijgt het CJG+ gemiddeld een 7,1, dan is het de vraag wat het verhaal is achter de 7,1. Wat gaat er goed en waar zit nog ruimte voor verbetering?
|
38 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Er gebeurt volgens de geïnterviewde raadsleden veel binnen de jeugdhulp en dit maakt het soms ingewikkeld om te zien wat het precieze effect is, zoals beschreven in het vorige hoofdstuk. Door de raad is daarom geopperd om de professionals die voor CJG+ werken, en het verhaal achter de cijfers kennen, vaker een toelichting te laten geven, bijvoorbeeld bij de start en/of na de evaluatie van een pilot. Zowel mondeling, maar het kan ook in de verantwoording (beraps en maraps), zodat de raadsleden meer gevoel krijgen bij de uitvoeringspraktijk.
De raad mist ondanks alle informatie overzicht van het veld en staat ver van de praktijk Uit het onderzoek komt naar voren dat de betrokkenheid van de raad groot is. Uit verschillende gesprekken maken we op dat de houding van de raad als constructief wordt ervaren waar het gaat om het kader stellen voor het jeugdbeleid. Het is geen onderwerp waar politiek op wordt bedreven, maar meer een gezamenlijk gevoelde opgave. Toch staat de raad op afstand. De raad geeft aan dat het thema en het beleidsveld inmiddels zo uitgebreid zijn geworden dat ze het overzicht (en daarmee de grip) kwijt raken. Deze zorg heeft onder andere aard in de hoeveelheid aan partijen en initiatieven die zich bezighouden met jeugdhulp (maar ook de vele pilots en experimenten). Vanuit verschillende zorgaanbieders en partijen in het voorveld is eveneens aangegeven dat zij het idee hebben dat de raad niet voldoende is ingevoerd in de uitvoeringspraktijk. Opvallend is dat deze (zorg)partijen in de gesprekken ook zelf hebben aangegeven dat zij hierin proactiever kunnen zijn. Dat wil zeggen, door zich voor te stellen in de raad of hen uit te nodigen voor kennismaking of een werkbezoek. Er wordt vanuit de gemeente veel geïnvesteerd in de toegang, preventie en het voorveld. Het is voor gemeenteraadsleden echter een zoektocht waar de grens ligt tussen het voorliggend veld en specialistische jeugdhulp.
Er is een gedeelde overtuiging dat er meer aan de voorkant ingezet moet worden op preventieve voorzieningen, maar het is onduidelijk hoeveel potentieel daar nog ligt (en hoeveel ze al doen). De raad zou graag meer inzicht in de effecten van deze investeringen willen: wat zijn de effecten voor de jeugdigen? Om zo meer inzicht te krijgen, bijvoorbeeld in de relatie tussen overlast van bepaalde jongeren in een wijk en of er voldoende te doen is in deze specifieke wijk. De informatie die op dit moment door het college van burgemeester en wethouders wordt gedeeld, voldoet niet volledig aan de behoefte van raadsleden. Er is voor raadsleden op dit moment geen goed beeld te vormen van de uitvoering en de kwaliteit van de dienstverlening.
8.2 Hoe heeft de raad invulling gegeven aan zijn taken? Als het gaat om deze deelvraag, hebben we niet alleen gekeken naar de vraag 'of de raad hiertoe in staat is gesteld', maar ook 'of de raad dat heeft gedaan'.
De raad wil zijn rol als kadersteller en controleur graag pakken, maar voelt zich nog niet geëquipeerd in die rol De raad heeft ondanks grote interesse een beperkte rol vervuld bij de kaderstelling. Het domein is complex en het is lastig om hier grip op te krijgen voor een gemiddeld raadslid. Vanuit het gesprek met raadsleden komt naar voren dat de raad graag beter in positie gebracht wil worden, maar dat ze ook zelf hier een rol in moeten spelen. Als de informatievoorziening als ’niet proactief' wordt ervaren, kan de raad ook zelf vragen om meer en andersoortige informatie. Ook als het gaat om het stellen van kaders, kan de raad die rol zelf beter pakken. Als de raad zelf kaders stelt met scherpe (SMART-)doelen, is het ook makkelijker om in een goede controlerende positie te komen en te blijven. In de interviews is aangegeven dat raadsleden, om goed te kunnen (bij)sturen en controleren in de toekomst, meer kennis en expertise nodig hebben en daarover graag in gesprek gaan met de organisatie, ketenpartners en experts, bijvoorbeeld tijdens informele raadsinformatiebijeenkomsten, werkbezoeken en expertsessies. Hierbij is er vooral behoefte om meer gevoel bij de praktijk te krijgen om zodoende ook meer overzicht te krijgen van het veld.
|
39 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Reusel-De Mierden
BMC
Er is weinig gebruikgemaakt van de (bij)sturingsinstrumenten de afgelopen jaren, maar vooral om informatie op te halen Raadsleden hebben diverse instrumenten waarmee ze opdrachten kunnen geven (motie) of wijzigingen kunnen aanbrengen in het ontwerpbesluit (amendement). Uit de documentenstudie komt naar voren dat de raad van Reusel-De Mierden tussen 2020 en juni 2024 op het gebied van jeugdbeleid geen moties of amendementen heeft ingediend. De raad kan naast het indienen van moties en amendementen ook raadsvragen (artikel 41) en zelf initiatiefnota's (artikel 36) opstellen en indienen. Hiervan heeft de raad de afgelopen jaren wel gebruikgemaakt. Schríftelijke vragen: ^ 19-09-2023 - VVD inzake verlening meerjarenbeleidskader Jeugdhulp De Kempen ^ 19-09-2023 - CDA inzake verlenging Meerjarenbeleidskader Jeugdhulp De Kempen ^ 14-06-2023 - CDA inzake regiovisie Samen voor Jeugd ^ 10-05-2022 - CDA inzake verordening jeugdhulp 2022 ^ 06-05-2022 - SW inzake verordening jeugdhulp De portefeuillehouder wordt stevig (maar constructief) bevraagd tijdens vergaderingen, maar de beantwoording geeft over het algemeen geen aanleiding om formele instrumenten, zoals moties, amendementen of raadsvragen in te zetten. De portefeuillehouder krijgt wel regelmatig opdrachten (en toezeggingen) mee van de gemeenteraad.
Bovendien herinneren raadsleden de portefeuillehouder aan evaluaties over de voortgang van beleid, experimenten en pilots.
Er is geen samenwerking of afstemming met andere raden in de regio Waar eerder werd vastgesteld dat het lastig is om als lekenbestuur goed kader te kunnen stellen en controleren op een complex thema als jeugd, kan uiteraard wel worden samengewerkt met andere raden. Bijvoorbeeld bij de inkoop van specialistische jeugdhulp dat regionaal gebeurt, maar het zou ook op subregionaal niveau kunnen binnen de Kempengemeenten. Op dit moment is er geen regionale afstemming tussen de gemeenteraden. Er vindt buiten het jaarlijkse Kempencongres dat georganiseerd wordt door de regio, geen informatieuitwisseling of afstemming plaats tussen de raden. Er wordt dus ook niet gezamenlijk nagedacht over zienswijzen of doelstellingen voor de inkoop van jeugdhulp. Dat lijkt - gezien het feit dat de gemeenten voor dezelfde opgave staan en daarin samen optrekken - een gemiste kans. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat in het gesprek met de raad van Reusel-De Mierden dit door de aanwezige raadsleden niet direct als een groot gemis werd ervaren.